WeRead Powered by ReaderPub
Het wonderjaar: Eene gekkenwereld cover

Het wonderjaar: Eene gekkenwereld

Chapter 3: II
Open in WeRead

About This Book

A stormy, divided city serves as backdrop for clandestine plotting and violent unrest as rival convictions turn neighbors into enemies. Secretive bands of conspirators gather in tavern rooms to scheme, drink, and recruit, while a well-dressed young nobleman becomes drawn into their ranks and provokes a lethal personal confrontation. The narrative moves between tense private councils and public disorder, examining loyalty, factional violence, and the moral costs of commitment during a period of religious and political upheaval.

II

“Reptile! — dost not dread the arm of an honest man when raised against thee in just anger?”

F. COOPER’S Headsman.

In de Keizerstraat stond een gebouw, welks gevel met zijne trapkens zich verre boven de andere daken verhief. Eene wijde poort, overdekt met schoon gesneden beeldwerk en met duizenden nagelen, stond gapend open. Het groot getal vensters aan de straat was met zware ijzeren traliën voorzien. Deze verzekering was ten uiterste noodig, mits de dieven en roovers, in dien tijd van beroerte en mistrouwen, zich wonderlijk vermenigvuldigd hadden en de handhaving der wetten dusdanig was verslapt, dat de kwaaddoeners bij klaren dag den burgeren hun geld ontroofden.

Dit huis, dat eer aan eene gevangenis geleek dan aan het verblijf eens edelmans, was de woning van Godmaert.

Deze was dan des morgens in zijne gewone werkkamer gezeten, met het hoofd op de hand de staatszaken overpeinzende, wanneer de deur der kamer langzaam openging, en er een geestelijke binnentrad. Het was een man van bij de zeventig jaren, lang van gestalte en niet gekromd door den ouderdom; hij hield zich recht, alhoewel al zijne bewegingen vergezeld waren van eene bevende rilling. Zoodra hij de kap van zijn habyt op den rug geworpen had, kon men niet zonder een gevoel van eerbied zijn statig hoofd beschouwen. Zijn schedel, die als een spiegel het daglicht weerkaatste, was omvangen door eenen krans van zilverwitte haren: de kroon, die de voorbijgesnelde jaren om zijn hoofd gevlochten hadden.

Op zijn gerimpeld doch schoon gelaat blonk goedheid en liefde, terwijl in zijne weifelende oogen eene diepe droefheid te lezen was.

Bij de komst van dezen priester sprong Godmaert op, liep hem te gemoet, drukte hem de beide handen met eerbiedige liefde en sprak:

“Pater Franciscus, mijn goede vader, mijn vriend, heb dank dat gij mij komt bezoeken.”

“Mijn zoon,” antwoordde de priester, “moet ik, in deze dagen van verleiding en van ongeloof, uwe kinderen niet van besmetting bevrijden? Zij zijn tot hiertoe zoo godsdienstig en zoo zuiver van gemoed gebleven, ik zou zondigen, indien ik nu niet met verdubbelde zorg over hen waakte, nu de duivel zich van het gevoel der vaderlandsliefde bedient om de zielen te doemen.”

Nedergezeten zijnde, ging de priester voort:

“Godmaert, ik kom hier, om eenigen tijd met Lodewijk en Geertruid te spreken, ik vrees voor deze mijne beminde kinderen.”

“Lodewijk is nog niet hier, maar Geertruid is bereid om u te ontvangen, vader. Zij is in de boekzaal.”

“Meteen zal ik haar gaan vinden; maar Godmaert, mijn zoon, mijn vriend, mijn broeder vóór deze, luister nog eens met aandacht op mijne vermaning, en verschoon de tranen van droefheid, die mijnen dorren oogen ontglippen.”

“O, spreek, vader; gij weet hoezeer ik uwe woorden eerbiedig, en wat liefde ik u steeds heb toegewijd.”

De priester greep de hand van Godmaert in zijne bevende handen, en sprak met aandoening:

“Ik weet het, mijn zoon. Die troost blijft mij over, dat gij wel verdwaald, naar niet misdadig zijn kunt.”

Na een poos in overdenking gebleven te zijn, hernam de priester met eene nadrukvolle stem, en alsof hij uit hetgeen hij zeggen ging eene hem vreemde kracht ontleend had.

“Godmaert, Godmaert, de vijand van uwen God zegepraalt in uw vaderland! De lucht weergalmt dagelijks van lasteringen tegen het geloof onzer vaderen, benden van allerlei ketters, door Satan aangevoerd, overstroomen onzen bodem en verleiden onze verblinde medeburgers. Zij hebben een vereenigingswoord, een vaandel, waarop geschreven staat: “Haat aan de Spanjaarden!” Ho, neen, neen, zij bedriegen u: “Haat aan het oude geloof van België!” Het is niet de troon van Philips, dien zij omver willen werpen, maar de altaren van onzen God willen zij ontheiligen en verbrijzelen. En weten dat gij, mijn zoon, mijn vriend, wiens gemoed rechtzinnig is, dat gij, Godmaert, onder dit vaandel strijdt, o! dit doet mij weenen en bidden. Ik roep tot den hemel met de woorden van den stervenden Zaligmaker: Heere, Heere, vergeef hem, want hij weet niet, wat hij doet!”

Godmaert was bij de woorden van den priester hevig ontroerd, en hij ontveinsde zich niet, dat daarin eene waarheid berustte, die moeielijk te betwisten was, doch hij, zoowel als andere menschen, kon in dit geval niet plotseling van gevoelen veranderen. Hij antwoordde:

“Ik ontken niet, vader, dat ons land vervuld is met slechte lieden, die uit vreemde streken hier gekomen zijn om het zaad der ketterij uit te strooien, maar ik kan niet gelooven, dat de omwenteling iets ten hunnen voordeele zou voortbrengen.”

“Maar, Godmaert, ruk toch dien blinddoek van uwe oogen. Waarom zijn Doornik, Audenaerde, Rijssel, Valencyn overgeleverd aan de Calvinisten? Waarom gaat de gezindheid der Herdoopers als een loopend vuur over Holland en Zeeland? Waarom is Antwerpen de grond, waar de Lutheranen, de Calvinisten en de Herdoopers te gelijk en ongehinderd hunne gezindheid in de opene lucht aanpreeken? Wil ik het u zeggen? Omdat gij en de andere edelen, door uwe tegenstreving aan de Spaansche beheersching, het staatsbestuur hebt machteloos gemaakt. Wat zal er nu van komen? Gij zult de kerken van uwen God overgeleverd zien aan de balddadigheden der boozen, men zal den spot drijven met de voorwerpen, die uw geloof voor u geheiligd heeft! Hoort gij dan den donder der beeldenbraak in de verte niet grollen? Ziet gij de onweerswolk op de kim niet rijzen?”

Godmaert had den priester met ontsteltenis aangehoord, zijn hoofd was allengs dieper op zijne horst gezonken. Na een oogenblik wachtens antwoordde hij met neerslachtigheid:

“O! ik weet het, en ik zie het met pijn: wij werken tegen ons geloof.”

Als een lichtstraal glom de vreugd op het gelaat des priesters. Hij hief zijne oogen ten hemel en riep:

“Heb dank, o God, die mijne stem kracht gegeven hebt.”

Godmaert blikte naar den grond en wrong zich de leden, alsof hij door een pijnlijk gevoel gefolterd ware geweest. Eensklaps richtte hij het hoofd op, en riep als verdwaald:

“Maar, vader, zouden wij ons dan aan den Spanjaard moeten onderwerpen? Ben ik geen krijgsman? Ben ik niet van den Vlaamschen adel? Neen, neen, ik kan hunne misachting niet verkroppen, en ik mag het gevoel der eer in mijnen boezem niet versmachten. De Spanjaarden zijn te trotsch en te hoogmoedig: zij moeten weg!”

Het gelaat des priesters werd weder droef; hij sprak met kalmte:

“Ik weet het, mijn zoon, er bestaan voor de Belgen eenige redenen om niet over de Spanjaarden voldaan te zijn, maar eene wereldsche overdenking, zal die in de schaal van uw gemoed opwegen tegen uwen God? Zult gij bij de zonde der wraakgierigheid de kleinachting van uwen Schepper voegen? Neen, niet waar, gij zult dit niet doen! Gij zult pater Franciscus niet dwingen over de doemenis der ziel van zijnen besten vriend te treuren?”

“Wat moet ik doen om u te gehoorzamen?” vroeg Godmaert met ontsteltenis.

“De Spaansche regeering ondersteunen, ten minste tot na de demping der ketterijen, uwe vrienden aanmanen om dit insgelijks te doen, en de bevelen der gouvernante doen eerbiedigen in Antwerpen.”

“Ik, vader, ik de Spanjaarden ondersteunen? O, dit is mij onmogelijk!”

“Welaan, kunt gij dit niet op uwen wereldschen hoogmoed verkrijgen, steek dan uwen degen in de scheede en help toch de muitelingen niet.”

Godmaert zweeg eenige oogenblikken. Dan vatte hij de hand des priesters en sprak:

“Ik moet u iets zeggen, dat gij niet weet; de omwenteling, dit onweder dat gij vreest, zal binnen weinige dagen losbarsten, misschien nog eer de week ten einde zij. Geloof mij, geen menschelijk vermogen kan het beletten. Alles is gereed; op het eerste bevel van Brussel staat het geheele land op tegen de Spanjaarden. Ik voorzie ook de balddadigheden der ketters; uwe woorden hebben mij doen ijzen; maar denkt gij, pater Franciscus, dat het beter ware dat ik, die het hoofd der Antwerpsche edelen ben, dit alles liet geschieden, zonder er bij te zijn? Kan ik den godsdienst mijner vaderen niet beter beschermen door mijne bevelen en mijne daden dan door mijne afwezigheid?”

Uit de oogen des priesters rolden eenige blinkende tranen; hij bezag Godmaert met stijven blik, als iemand die verstomd staat. Eindelijk riep hij, de armen ten hemel heffende:

“Binnen weinige dagen? O, Heer, zult Gij uwe kerk zoo spoedig bezoeken? Zal ik de ontheiliging uwer altaren zien; zal ik mijne ooren moeten stoppen voor de lasteringen, tegen Uwen heiligen naam uitgebraakt?”

En zich tot Godmaert wendende, ging hij voort:

“Mijn geest verdwaalt bij dit schrikkelijk nieuws. Ik weet niet wat ik u moet raden; maar ik bid u, ik bezweer u met saamgevouwen handen, Godmaert, bewaar de tempels, meng u niet met de ketters, dan om ze te bestrijden, en houd in die dagen van gevaar uwen God voor oogen, opdat gij niets doet, dat u eene onvergeeflijke zonde mocht zijn.... O, Heer, Uwe straffende hand is over ons!”

Hij boog het hoofd voorover en zonk in eene smartvolle overdenking, waaruit het antwoord van Godmaert hem zou opgebeurd hebben; doch eene jonge edelvrouw kwam op dit oogenblik in de kamer. Zoodra hare oogen op den priester vielen, blonk haar aangezicht van blijdschap, en hare zoete stem bracht deze stille woorden op hare lippen:

“Ha! daar is pater Franciscus!”

Zij naderde den priester, stak hare hand met zorg onder zijnen schouder en wilde hem van zijnen stoel oplichten, terwijl zij hem toesprak:

“Kom, goede vader, mijnheer Lodewijk Van Halmale is in de boekzaal. Wat ben ik blij, dat gij gekomen zijt!”

De priester bezag het jonge meisje met vaderlijke teederheid en stond, door haar ondersteund, van zijnen zetel op; hij reikte de hand aan Godmaert en sprak:

“Ik ga mij wat vertroosten met mijne goede kinderen. Gij, mijn zoon, vergeet toch mijne woorden niet.”

Door het meisje vergezeld, ging hij met wankelende stappen de kamer uit.

Godmaert plaatste zieh terug in zijnen zetel en sprak, met den vinger op zijn voorhoofd:

“Ja, ik moet den godsdienst verdedigen en de tempels beschermen, maar de Spanjaarden zal ik nooit voorstaan of verschoonen. Neen, neen, ik moet mij wreken en mijn vaderland verlossen, de eer gebiedt het: een krijgsman als ik mag zich niet ongestraft laten hoonen....”

Nu verzwakte zijne stem allengskens. Zijne lippen bewogen nog wel, en hij sprak zichtbaar tot zich zelven, doch die suizende woorden waren niet meer verstaanbaar.

Een uur later werd hem aangekondigd, dat het noenmaal in de eetzaal was opgedischt; hij stond op, begaf er zich heen en plaatste zich aan het oppereinde der tafel.

Nevens hem zat zijne lieve en eenige dochter Geertruid, waarlijk een kostbaar juweel onder hare kunne. Schoonere wezenstrekken, edeler uitdrukking, zediger houding kon men bij geen ander vrouwspersoon aantreffen. Het haar was heur niet als bij de anderen boven het hoofd gehaald, maar daalde aan beide zijden harer roosvervige wangen neder, en vormde van haar bekoorlijk aangezicht een zoo schoon ovaal als ooit een schilder malen kon.

Een beminlijke en zuivere glimlach zweefde nu over hare lippen, en hare oogen waren met een gevoel, waarover zij zich niet schaamde, op eenen jongeling, die over haar geplaatst was, gevestigd. Deze jongeling was haar beminde Lodewijk. Hij ook zat eerbiediglijk en stilzwijgend. De tegenwoordigheid van een persoon, die aan het ander einde der tafel zich bevond en wiens blikken hem ijskoud op het hart vielen, weerhield hem van met Geertruid een minzaam gesprek te houden.

Hij, die de gelieven met zulke stijve blikken aanzag, was Valdès, een voornaam Spaansch heer, die veel vermogen bij de gouvernante had. Door Godmaert was hij altijd vriendelijk onthaald geworden, want zeer gevaarlijk was het, zich den haat dezes Spanjaards op den hals te halen. Een fluweelen mantel, waarvan de kraag met goud gestikt was, bedekte zijne schouders. Zijn dolk was ook rijkelijk met gesteenten bezet, en hing hem als een schitterend sieraad aan den hals.

Altijd had Valdès neiging en liefde voor Geertruid getoond, doch altijd werd hij beleefdelijk afgewezen. Daarom staarde hij nu met nieuwsgierigheid op den jonker en verstond de taal, die de gelieven in elkanders oogen lazen.

Lodewijk noch Geertruid waren des Spanjaards vrienden. Godmaert was het alleenlijk uit staatkundige berekening, zoodat er in het eerst eene groote stilte in de zaal heerschte. Godmaert, willende zijnen lastigen genoodigde eenige nuttige verklaringen ontlokken, begon het gesprek met de vraag:

“Wel, heer Valdès, wat zegt gij van de zaken? Zouden de beroerten haast gestild worden?”

“Och, dat weet ik niet, heer Godmaert,” antwoordde de Spanjaard, “doch ware ik de koning Philips, zoo zou ik spoedig met dat grauw en die weinige slechte edelen gedaan hebben!”

“Gelooft gij dit, Valdès?” hernam de Geus, met een spijtigen glimlach. “Weet gij dan niet, dat het Vlaamsche volk nooit met geweld ten onder gebracht is? Dat uw koning al zijne soldaten beurtelings in de Nederlanden zende, dat hij al de inwoners volgens zijnen lust vermoorde, dan zal dit ons vaderland nog vijanden uit het graf opzenden tegen zijne hoogmoedige verdrukkers.”

“Godmaert, gij behandelt onze natie niet wel. Waarom wilt gij vóór de Spaansche edelen gaan? Heeft onze koning geene redenen om zijn volk voor te staan?”

“In zijn land, ja. In ons land, neen.”

“Arm als gij zijt, van duistere afkomste, zijt gij al te hoovaardig om niet voor zulk eene heerlijke natie, als de Spanjaarden zijn, te zwichten!”

De oude Godmaert, die zulke taal van zijnen gast niet verwacht had, kon met al zijne staatkunde zich niet langer wederhouden. Een brandend vuur rees hem door de aderen, en zijn bloed kwam tot in de rimpels van zijn voorhoofd zich vertoonen.

De Spanjaard, die met inzicht den grijzen Vlaming vertoornde, ging met eene geveinsde gematigdheid voor.

“Wel, Godmaert! denkt gij niet, dat al die muitmakers, die edelen, welke zich Geuzen noemen, beter zouden doen de Spanjaarden te dienen dan, als bedelaren met slechte kleederen het grauw tot woelen op te maken?”

“Valdès!” antwoordde Godmaert met eene bevende stemme, “gij vergeet dat ik een Belg ben. Zoekt gij mij in mijne woning te hoonen? Spreek dan rechtuit!”

“Ho, gij bedriegt u, edele Godmaert,” hernam de arglistige Spanjaard. “U en weinige anderen wil ik daarvan uitzonderen, doch van dezen zijn er nog velen, die zonder ’s konings gunst zoo arm zouden zijn als de anderen.”

“Gij zegt, dat wij arm zijn, Valdès? Hadden wij den inwoneren eener afgelegene wereld het bloed tot den laatsten druppel afgezogen, gelijk gij den Amerikanen gedaan hebt, zoo zouden wij ook rijk zijn. Wat aangaat de gelijkheid, die wij met de Spaansche edelen eischen, dit is niet meer dan billijk, daar wij in ons eigen vaderland zijn. Dat wij geene vreemde meesters hebben mogen, zullen de voorvallen beter getuigen, en dan zullen wij zien, of de Spanjaarden zooveel moeds hebben als hunne lasterende verwaandheid het schijnt te beloven!”

De Spanjaard grimlachte met eene verachtende uitdrukking, en scheen groot vermaak in des grijsaards toorn te vinden.

Lodewijk beefde in al zijne ledematen. Tienmaal had hij reeds het rapier, dat aan zijnen stoel hing, met angst in de vuist gewrongen, doch Geertruids smeekende blikken hadden hem wederhouden des Spanjaards lasterenden mond te sluiten.

Het noenmaal was ten einde. De dienaren, die de schotels afgenomen hadden, stonden met bange nieuwsgierigheid op het gezegde te luisteren. De Geus gebood hun de zaal te verlaten en niet zonder bevel weder te komen.

“Geertruid,” sprak hij, zich tot zijne dochter keerende, “ga in de boekzaal. Dat Lodewijk u volge!”

Hij bleef alleen met zijnen Spaanschen vijand.

De boekzaal was een vertrek van groote ruimte, en geleek wel aan den beuk eener kerk. Eenige boekdeelen in folio, welke hier en daar als verloren lagen, hadden haar dien edelen naam verdiend. Beter ware het geweest deze plaats de wapenkamer te heeten, mits menigvuldige zwartverroeste helmen, harnassen, slagzwaarden, wapenrokken en meer andere krijgsuitrustingen er tegen den naakten muur hingen. Eenige schilderijen van Frans Floris, Hugo, Van Hort, Grimer en andere meesters versierden het diepste der zaal. Niet al te klaar was het vertrek, zelfs bij de middagzon, daar de veelkleurige vensterglazen niet dan een twijfelachtig licht doorlieten. In eenen hoek stond een klein altaar, met een ebbenhouten kruisken en eenige maagdenbeelden versierd, vóór dit alles de knielbank, gewone plaats, waar Geertruid zoo menig gebed, vurig en zuiver, den Schepper had toegezonden.

De gelieven traden stilzwijgend deze kamer binnen.

“Lodewijk, Lodewijk!” schreide het meisje, in tranen uitbarstende, “ik kan den hoon, dien zij den grijzen haren mijns vaders toebrengen, niet langer aanzien. Zij hebben door smaad en laster zijne dagen verkort! Hoe menigmaal hebben des grijsaards tranen, met de mijne gemengd, als beken over onze wangen gestroomd....”

Nu kon zij geen woord meer uitspreken. Angstig snikken en bitter zuchten was alles, wat zij op Lodewijks troostende beden antwoordde.

“Geertruid,” sprak hij smeekende, “och, stil u een weinig! Heb geduld in de smarten, die de Heer ons ter beproeving overzendt. Bedenk hoe ik lijden moet, ik, die edel ben en een mannenhart heb, dat onstuimig jaagt....”

En hij zuchtte bitterder dan het zwakke meisje, alhoewel hem een koud zweet van beklemde razernij over de wangen vloeide.

De jonkvrouw liet zich door zijne woorden niet stillen, integendeel, haar gelaat, gewoonlijk zoo zoet, bekwam nu eene strenge uitdrukking. Zij riep snikkende:

“Hebt gij dan niet gezien met wat helschen wellust die Spanjaard mijns vaders lijden heeft gesmaakt? Ziet gij niet, dat die dagelijksche hoon mijnen ouden vader naar het graf leidt, — en, eilaas, niemand, niemand die hem bescherme!”

Eene plotselijke verandering gebeurde in den jonker: hij richtte het hoofd op met fierheid, uit zijne oogen straalden bliksems van mannelijk vuur, en alles verkreeg in hem de kenteekens der wanhoop en des toorns.

“Welaan!” riep hij, met onstuimige geestdrift uit, terwijl hij voor Geertruid op zijne knieën viel, “welaan! gij zult mij niet van lafheid beschuldigen. Zeg, wat moet ik doen? Wil ik met mijn rapier door Valdès’ lichaam boren? Wil ik u het hart van den Spanjaard, bloedig en rookend, ten geschenke geven?”

Een schreeuw van angst vloog op uit de borst der jonkvrouw, zij sprong achteruit en verwijderde zich van Lodewijk, alsof zijne aanbieding haar grooten schrik hadde ingeboezemd. Haar gelaat werd droef, en berouw kwam in haar hart.

De jonkheer begreep de ontsteltenis der maagd; aan zijn gelaat eene kalme uitdrukking gevende, vatte hij hare hand en sprak met teederheid:

“Wij dwalen, Geertruid, wij vergeten de vermaningen van onzen goeden vader Franciscus.”

Geertruid borst in tranen los. Uitgeput en machteloos viel zij, zonder te antwoorden, met het hoofd tegen den schouder haars vriends.

Zoo bleven zij lang hunne tranen mengen en als kinderen gevoelloos snikken, totdat Geertruid, uit eenen naren droom ontwakende, Lodewijk zachtjes van zich verwijderde, en, zich op de knielbank nederzettende, in den hemel, waartoe zij hare zuivere ziel met het gebed verhief, eenen troost zocht, dien zij op de borst van haren beminde niet gevonden had.

Lodewijk zag zijne Geertruid met verrukking aan en luisterde godsdienstiglijk het suizende gebed na. Gedurig kwam de naam van haren grijzen vader langzaam en weemoedig over ’s meisjes lippen. Lang bleef zij met het hoofd op de knielbank, als in eene hemelsche beschouwing verzonken liggen. De jonker, door eerbied opgetogen, boog zich achter haar ten gronde, en, gedwongen door dit machtig voorbeeld, vouwde hij de handen te zamen en bad met haar voor het vaderland.

“Lodewijk, waar zijt gij?” riep Geertruid eindelijk, terwijl zij de kamer verbaasd rondzag.

Zij bemerkte den verrukten jongeling, haar met liefdeblikken aanziende, en stond op. Zachtjes naderde zij den nog nedergebogen Lodewijk, en hief hem van den grond.

“Wel,” vroeg zij, “vindt gij niet, dat een zuiver gebed de menschen als een hemelsche balsem vertroost?”

Lodewijk stond verwonderd over de schielijke verandering, die hij op ’s meisjes aangezicht bemerkte.

“Geertruid,” sprak hij, als verdwaald nevens haar gezeten zijnde, “in mijne verrukking heeft de hemel mij toegeschenen. Ik heb u als eenen engel bij God gezien!”

“Ho, ja zeker,” antwoordde zij, minzaam lachende, “zoo kan eene godvruchtige ziel zich altijd met God vereenigen en dáár, ’s werelds rampen onttogen, eenen voorsmaak der hemelsche vreugd genieten. Dien wellust kennen de goddeloozen niet!”

De jongeling staarde verwonderd op zijne minnares.

“Hoe zuiver is uwe ziel, Geertruid!” riep hij. “Op uw gebed zal de Heer onze liefde zegenen.”

“Ja, Lodewijk, ik hoop dat de smaadkelk haast van mijns vaders hoofd zal gekeerd zijn, en dan....”

“En dan,” voegde de jongeling er bij, “zullen wij den zegen eens priesters over ons roepen, en te zamen, door liefde en zorgen, de dagen van onzen ouden vader verlengen....”

Een blos van maagdelijke schaamte kleurde de wangen der maagd. Zij bleef eenige oogenblikken met de oogen ten gronde gericht. Dan, het gesprek willende afwenden, vroeg zij:

“Maar, Lodewijk, zou het toch waar zijn? Geldt het onzen godsdienst in den opstand tegen de Spanjaarden? Wat schrikkelijk tafereel heeft vader Franciscus ons voorgeschetst! Hij weende, hij, de goedheid zelve!”

“O, Geertruid,” antwoordde Lodewijk, “de heilige man bedriegt zich niet in zijn voorgevoel. Gij gaat nooit uit uwe woning, maar kendet gij den toestand onzer stad! Nu reeds durft men bijna niet meer bekennen, dat men de ware kerk aankleeft. De ketters zijn meester, zij prediken in volle lucht tegen ons geloof, zij lasteren God, zij spotten met de Moeder des Zaligmakers, ja, onze goede vader Franciscus, hij die door zijnen ouderdom en door zijn hemelsch gelaat de wilden zelfs tot eerbied zou dwingen, is eergisteren door hen op de straat uitgelachen en gehoond geworden!”

De jonkvrouw werd bleek en riep, de armen ten hemel heffende:

“O, mijn God, bewaar hem toch van laster en van smart!”

De jongeling hernam:

“En dit vreemd gespuis, dat uit alle streken hier te zamen geloopen is, roept onophoudend: Leven de Geuzen! Wist gij, Geertruid, hoe verachtelijk die naam mij in hunnen mond toeschijnt.”

Hij voegde er met eene zichtbare wanhoop bij:

“Ik ook, Geertruid, ik ben een Geus!”

De jonkvrouw gaf aan hare wezenstrekken eene teedere uitdrukking en antwoordde:

“Ik weet het, Lodewijk, het is de wil mijns vaders, dien wij moeten gehoorzamen. Hij toch heeft zooveel door de Spanjaarden geleden, hij zegt, dat het vaderland van hunne beheersching moet verlost worden. Eerbiedigen wij een gevoel, dat wij niet kunnen of mogen beoordeelen.”

“Wat zijn uwe woorden wijs en verstandig, mijne Geertruid! Ja, ik zal de bevelen van Godmaert nakomen: het is mijn plicht.”

“Lodewijk, gij weet het, ik heb met onzen goeden vader Franciscus geweend en gezucht over het gevaar des geloofs, doch, daar het lot ons al te hard drukt, als ik den laster en de pijn, welke zij mijnen vader aandoen, overdenk, raad ik u zijne bevelen zonder achterdocht te volgen. Ik versta wel, dat op het beslissend oogenblik vele gruweldaden tegen onzen heiligen godsdienst zullen begaan worden, maar als er geene andere middelen zijn, laat dan de verdwaalden begaan, en wij, kinderen der ware kerk, zullen alles nog prachtiger dan te voren herstellen. Beloof mij, Lodewijk, dat gij nooit in de godvergetene gevoelens der beeldenvijanden zult deelen.”

“Dit beloof ik bij den God, die mij hoort!” sprak Lodewijk op plechtigen toon.

“Wel dan,” hernam Geertruid, “laat het volk euveldaden begaan, die wij niet kunnen beletten. Hopen wij, dat het van zijne dwaling zal terugkomen, wanneer de tijd van verleiding en van ongestuime driften zal over zijn. Oh, ik twijfel niet....”

Zij zweeg. De stem haars vaders weergalmde als de donder tegen de muren der zaal. Angstig luisterden zij beiden, om de oorzaak van dit gerucht te vernemen.

“Spaansche bloedhond!” schreeuwde Godmaert, “vertrek uit mijne woning. Zet nimmer weder uwen voet over den dorpel. Gij slang!”

“Wel, gij arme Geus,” antwoordde Valdès, “wat let mij, dat ik u op dit oogenblik als eenen knecht behandele?”

Godmaert brulde van toorn, dewijl hij zich om andere oorzaken niet wreken durfde.

Nu sprong Lodewijk, brieschend zijn rapier uit de scheede trekkende, naar de deur. Geertruid, bleek van angst, hechtte zich aan zijne kleederen vast.

“Lodewijk! ach, Lodewijk, wat gaat gij doen?”

“Mijne handen in het bloed dezes Spanjaards doopen!” schreeuwde hij, zich met geweld uit ’s meisjes armen rukkende.

Als een pijl vloog hij de boekzaal uit. Geertruid volgde hem en poogde nogmaals hem te wederhouden. Het was te vergeefsch.

Met eenen arm, door haat en liefde gestijfd, vatte hij den Spanjaard bij de keel en deed zijne tong blauwvervig op zijne lippen komen.

“Gij laffe versmader eens weerloozen grijsaards!” riep hij uit, den Spanjaard op den vloer nederwerpende, “geef uwe verachtelijke ziel den Schepper weder, want uw laatste snik gaat over uwe lippen!”

En hij neep zijnen vijand dusdanig, dat hij roerloos en zwart, op den grond lag.

Godmaert was, door toorn en vrees overmand, op eenen leunstoel machteloos nedergezakt. Daar zat zijne dochter weenend aan zijne voeten, haren vader wanhopig roepende, alsof hij hare bede hooren kon. Hare vingeren joeg zij door zijne grijze haarlokken, en zijne wangen poogde zij door brandende kussen te warmen. Op eens draaide zij het hoofd om en zag Lodewijk met de punt van zijn rapier op de borst des Spanjaards drukken. Huilend verliet zij haren vader en hechtte zich zoo vast aan Lodewijks wambuis, dat zij hem achteruit trok en hem belette dezen moord te volbrengen. Hij zocht door nijdig geweld haren armen te ontgaan, om zijnen wraaklust te voldoen, doch de wanhopige Geertruid hield zooveel te vaster, daar zij in des jongelings dwaze blikken niets dan bloeddorstige razernij lezen kon.

“Lodewijk!” riep zij, op haren vader wijzende, “dáár, dáár ligt het slachtoffer uwer oploopendheid!”

De jonker liet zijn rapier op den grond nedervallen, en vergat zijnen vijand om Godmaert te hulp te vliegen. Meteen had hij stoel en grijsaard opgelicht, en liep er een ander vertrek mede binnen. Hier deed hij, door Geertruid geholpen, Godmaert tot bewustzijn wederkeeren.

“Waar is hij?” vroeg de vader met zwakke stem.

“Hij ligt op den vloer te zieltogen,” antwoordde Lodewijk. “Het spijt mij, dat ik zijn bloed niet vergoten heb. Mocht ik het nog doen!”

Hij scheen des grijsaards verlof daartoe te vragen. Godmaert zou zeker woorden van verzoening gesproken hebben, maar de gedurige omhelzingen en hartdrukkingen zijner dochter lieten hem zulks niet toe.

“Ach, lieve vader!” schreide zij, van blijdschap weenende. “God heeft mijne bede gehoord. Gij leeft!...”

Van bittere droefheid en krankzinnige vreugd afgemat, zonk zij glimlachend op den schoot haars vaders neder. De rozen harer wangen verdwenen, hare oogen sloten zich, en zij bleef bleek en koud onder den zoen des grijsaards liggen.

Lodewijk schoot onrustig toe, doch nu ging de deur der kamer open, en de Spanjaard kwam schuimend op hen aangeloopen.

“Daar, daar, Lodewijk!” riep Godmaert, op een aan den muur hangenden degen wijzende, “bewaar uwe machtelooze vriendin voor des moorders handen!”

Lodewijk, den degen vattende, stelde zich vóór zijne minnares.

“Komt gij van de dooden terug?” riep hij Valdès toe. “Wilt gij eenen grijsaard nog meer hoonen?”

“Neen, neen, Vlaamsche verraders!” antwoordde de Spanjaard, “ik kom u allen den prijs uwer balddadigheid brengen.”

Hij stuurde de punt van zijn wapen op des jongelings borst, doch deze, te kundig in den wapenhandel, wist al zijne toegezondene steken af te weren.

De oude Godmaert klemde zijne dochter met bange zorg tegen zijn hart, en wakkerde Lodewijk aan niet te deinzen. Daartoe had de jongeling geene aanwakkering noodig, want het bloed liep des Spanjaards handen af. Deze verliet weldra al vloekende de kamer. Lodewijk wierp hem de zware deur vóór het aangezicht, en liet hem zijnen toorn op de muren uitwerken.

“Schelmen!” riep de razende Spanjaard, “gij zult haast uwe roekeloosheid betreuren. Dat de oude Geus zich bereid make om eene gevangenis binnen te treden! Mijnen naam en mijne eer wil ik verliezen, zoo ik dien muiter niet in beulshanden breng!”

Meer anderen smaad en bedreigingen sprak hij tegen hen uit, doch hier werd weinig acht op gegeven, doordien zij zorgelijk bezig waren met Geertruid tot het leven te roepen. Eindelijk verliet de vertoornde Valdès de woning van Godmaert, en hij ging zeker elders de wraak beramen, die hij hun zoo driftig had toegezworen.

Geertruid was ontwaakt en tusschen haren vader en Lodewijk gezeten. Allen waren zij zoodanig afgemat, dat geen van hen woorden vond om zich over de zoo even gebeurde voorvallen uit te drukken. Na een lang stilzwijgen begon Godmaert eerst, en zeide:

“Nu ziet gij, dat de tijd dáár is, om het lastige juk voor altijd af te schudden. Dit zal ik pogen te weeg te brengen, al ware het, dat alles wat ik bezit er aan moest blijven. Mijne Geertruid is een schat, Lodewijk, dien ik u schenk, en welke zeker meer waard is dan het goed, dat zij u geven kan. Doch gij weet wat ik u gezegd heb: een Spaansch oog zal uwen echt niet zien. Vóórdat wij wederom vrij zijn, als onze vaderen, zult gij met Geertruid niet onder één dak wonen. Om dan uw geluk en de vrijmaking des vaderlands te verhaasten, zult gij morgen uw paard vroeg doen zadelen en naar Wolfanghs verblijf rijden. Het spijt mij, dat wij den kwaaddoener gebruiken moeten, maar de nood is een onverbreekbare wet. Zoo er gruweldaden begaan worden, zullen de nakomelingen ons verontschuldigen, wanneer zij overwegen zullen wat haat en toorn ons de Spaansche verdrukking inboezemde. En gij, mijne lieve Geertruid, zoo gij de heiligen, die gij eert, en het afbeeldsel van den God, dien gij aanbidt, met voeten ziet vertreden, beschuldig uwen vader niet van goddeloosheid. Gij weet met wat zorg ik u de heilzame gevoelens der godsvrucht door woorden en werken heb aangeprezen.”

“Ja, ja, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “gij zult altijd, dit weet ik, Gods vrienden, de heiligen, in eere houden, opdat zij u en ons beiden voor grootere rampen bewaren.”

Nu riep Godmaert Lodewijk een weinig terzijde, en, na hem eenige inlichtingen aangaande Wolfangh en zijn verblijf gegeven te hebben, reikte hij hem eenen gesloten brief, om aan den overste der roovers te behandigen. Hij verzocht den jongeling te vertrekken, om hun de rust, die zij noodig hadden, te laten nemen, en zich zelven tot zijne reis te bereiden.

Lodewijk sprak nog een oogenblik met Geertruid, die hem merkbaar over zijne reize onderhield en hem wellicht desaangaande eenigen goeden raad gaf. Tusschen hare stille woorden kwam de naam van pater Franciscus zich meer dan eens mengen.

Dan sprak Lodewijk een teeder vaarwel uit, boog zich voor den grijsaard en vertrok.

Een zoete slaap deed Godmaert en zijne dochter welhaast de geledene pijn vergeten.