III
Les Flamens ayment fort peu les autres nations, et ont été si adonnez aux armes et si remuans qu’ils n’ont jamais peu vivre en paix.
CHARLES BOSCARD, Discours des Empires.
De zon verhief zich langzaam en heerlijk op den gezichteinder. Een harer stralen viel schuins op het vensterglas van Lodewijks kamer, en deed des jongelings oogen ontsluiten. Onrustig rees hij van zijne bedstede, en, na zich een oogenblik voor den Schepper gebogen te hebben, kleedde hij zich, gordde zich het rapier om de lenden, steeg te paard, en doorkruiste de straten, die hem naar de Kipdorppoort zouden leiden.
Hij verwonderde zich over de menigte gewapende mannen, die met hem denzelfden weg volgden. Vele ruiters reden hem voorbij, en de straten weergalmden onder de zware stappen hunner menigvuldige paarden. De vrouwen en kinderen traden langzaam en bij hoopen voort.
Lodewijk, die niet verstaan kon wat de oorzaak van dezen vroegen tocht mocht zijn, naderde een der ruiteren, die, gelijk de anderen, met snaphaan en dolk was gewapend, en vroeg hem, waarom zij dus allen denzelfden weg volgden en rustig en welgemoed ten oorlog trokken.
“Wel, jonker Lodewijk!” antwoordde de ruiter, hem herkennende, “weet gij niet, dat er heden eene buitengewone preek bij Borgerhout zal gedaan worden?”
“Maar waarom gaat gij dus gewapend?”
“Denkt gij, jonker, dat wij ons als lammeren aan de Spaansche wraak willen blootstellen?” sprak de Geus lachende. “Zoo wij ongewapend waren, zouden zij niet aarzelen ons allen ter plaatse te vermoorden; maar nu zij ons in ’t geweer zien, durft dat laffe gebroed ons niet te na komen.”
“God! God!” zuchtte de jonker, het hoofd schuddende, “dat die predikers eener nieuwe leer ons ongelukkig vaderland verlieten! — Heer Schuermans,” hernam hij, “ik ben ten uiterste verheugd, daar ik zie, dat uwe wonde geene kwade gevolgen zal hebben, mits gij reeds uw paard kunt beklimmen.”
“Gij bedriegt u, jonker, ik kan nog niet zonder hulp opstijgen. Ik verzeker u, dat groote pijnen mij soms aanvallen; doch daar geef ik niet om.” Hij lachte. “Nog twee duim, Lodewijk, en gij hadt mij waarlijk voor altijd den mond gesloten; maar nu is het niet veel. Zoo een lapje vel en vleesch!”
“Gij vergeeft mij zeker deze wonde, Schuermans?”
“Ja, gewis; vergeef mij maar mijne dwaze woorden.”
Hij nam intusschen de hand des jonkers, drukte ze vurig in de zijne en sprak met nadruk:
“Een Vlaming draagt den vreemdeling alléén haat en wraaklust toe. Wij zijn de beste vrienden der wereld!”
Zoo reden zij op matigen tred voort. Bij wijlen werd hun gesprek wel eens onderbroken, doordien de menigte hen soms van malkander scheidde, doch dan weder hernomen. Hier en daar vloog de schreeuw: “leven de Geuzen!” eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan liep het gejuich morrende voort, en ging zich verre van daar in andere straten verliezen. Eindelijk kwamen onze ruiters bij de Borgerhoutsche poort.
“Houd staan, heer Lodewijk,” riep zijn makker. “Stijg af! Hier hebben wij het beste bruine bier, dat er in Antwerpen te vinden is.”
En hij wees hem een uithangbord, waarop een dier kunstig geschilderd was, met dit opschrift:
“Stijg af dan, Lodewijk! ’t is hier goed om zijn voor die geuzenschotelen hebben. — Eh! hospes, ras, kom dan! help mij een weinig, want ik kan moeilijk van het beest. Is de Mechelsche bruine goed?”
“Eigen lof stinkt,” antwoordde de waard, terwijl hij Schuermans van het paard lichtte; “de edele drank, dien ik u zal voorzetten, zal zich zelven prijzen.”
Een knecht vatte beide de paarden, en onze Geuzen traden de kroeg in. Na zij de eerste glazen geledigd en eenigen tijd over den stand der zaken gesproken hadden, bemerkten zij, dat een man van tamelijken ouderdom, en wiens haren grijs waren, hen stijf en angstig aanzag.
Zijne kleederen waren niet rijk, doch zuiver en zedig. Zijn berimpeld voorhoofd en de droevige uitdrukking zijner gezonkene oogen duidden genoeg aan, dat het leven dezes vroegtijdigen grijsaards door zorgen en tegenspoeden verkort was. Een traan blonk op zijne bruine wangen, en zijn hoofd hing hem op de borst. Schuermans, die goed van hart was, kon dit niet langer aanzien. Hij naderde den mistroostigen man en na hem de hand gedrukt te hebben, vroeg hij hem de oorzaak zijner droefheid.
“Heeren!” antwoordde de grijsaard treurig, “uwe woorden hebben mij zoovele dolken door het hart gejaagd.”
“Wie zijt gij dan?” vroeg Schuermans.
“Mijn naam is Louis Van Hort.”
De twee Geuzen ontdekten zich eerbiediglijk het hoofd en spraken:
“Wees gegroet, kunstige schilder! Eer aan u, Van Hort, onze vermaarde stadgenoot!”
De droeve kunstenaar scheen aan hunne eerbewijzingen zeer gevoelig en trachtte, zoo hij best kon, te glimlachen.
Lodewijk naderde hem en vroeg op ernstigeren toon, wat hem zoo droef maakte.
“Gij weet niet,” antwoordde hij, “met wat teederheid een kunstenaar zijne scheppingen bemint! Een vader, die eene onvermijdelijke wolk van ongeluk over zijne kinderen ziet rijzen, stort tranen over zijn kroost, en ik stort tranen over het lot der beeltenissen, de kinderen der kunst, die onze stad vermaard en heerlijk onder al de steden der wereld gemaakt hebben!”
De Geuzen zagen hem met verwondering aan. Zijne gelaatstrekken, die zooeven nog koud schenen, waren nu door eene edele uitdrukking verlevendigd, heldere vuurstralen ontsnapten uit zijne vochtige oogen.
“Ik,” hernam hij, “heb mijn hart aan de toorts van vernuft en kunst gezengd. Ik heb mijn leven in eene gedurige koorts doorgebracht, mijne haren zijn grijs geworden, mijn voorhoofd heeft zich berimpeld, daar ik nog jong ben, en dit, omdat ik, gelijk God zijnen schepselen doet, den wezens, die mijn penseel geschapen heeft, deelen mijner ziel bijgezet heb om ze te doen leven!”
“Waarlijk, ik geloof, dat uwe vrees niet ongegrond is. De beelden zullen op den dag der verlossing veel lijden,” antwoordde Schuermans.
“Ja,” hernam de schilder, “en dan zullen zij mijne tafereelen uit Gods tempel rukken, en mijne hoop op onsterfelijkheid als dolle honden verscheuren, mijnen naam met dien van het oneindig getal meesters, welke ons vaderland gedragen heeft, voor altijd van de wereld vagen, en de vreemdelingen zullen, met wanhoop op de naakte tempelmuren starende, tranen over de verscheurde tafereelen storten, en de stukken daarvan als heiligdom naar hun land medenemen!”
De jonge Lodewijk kon den kunstenaar niet genoeg aanzien. Nooit had hij in ’s menschen oogen zulk een edel vuur zien blikkeren. Hij stond in opgetogenheid verbaasd voor den schilder, en poogde hem door vriendschapswoorden te stillen, doch Van Hort scheen al te wel verzekerd van de beeldenstorming, die eenigen tijd daarna gebeuren moest. Hij ging voort:
“In Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt een mijner tafereelen: daaraan heb ik twaalf maanden als zinneloos gewerkt, aan de wereld met mijne schepping onttogen, twaalf maanden zonder ander gevoel dan dat der kunst geleefd, door eene zorgende koorts mijn leven tien jaren verkort! — en ik heb, als de Grieksche kunstenaar, voor het werk mijner handen geknield en gebeden.”
Een zware zucht brak zijne stem.
“Ook,” ging hij voort, “ben ik voor dit stuk alleen bezorgd, en heb gesmeekt om het in veiligheid te mogen brengen, doch zij willen dit niet toestaan, en zeggen, dat ik het hun verkocht heb. — Verkocht!” zuchtte hij, “ja, ik heb het verkocht. De nood drukte mij, anders ware mijn lijdende Christus nooit uit mijne kamer gegaan.”
Schuermans en Lodewijk verzekerden hem, dat, zoo zij iets ter redding dezes tafereels konden bijbrengen, zij niet verzuimen zouden hem hierin te helpen.
“Ik heb kracht en moed genoeg,” antwoordde Van Hort, “om mijne schilderij te verdedigen of te wreken. Alles heb ik berekend. Op den dag der verwoesting zal ik met roer en dolk mijnen Christus verweren, en indien hij van den muur valt en van ééne eenige goddelooze hand geraakt wordt, zal ik mijn bloed de kunst en God ten offer er over doen spatten! Neen, mijne dierbare schepping wil ik niet overleven!”
“Och Heer!” viel de waard hem in de rede, “wat doet het, dat zij dit eens altemaal aan stukken slaan? Immers, gelijk het oude spreekwoord zegt: zoolang er een huis in Antwerpen zal staan, zal er een kunstenaar wonen.”
“Wie spreekt u aan?” viel Van Hort tegen den waard uit. “Wat kennis of wat gevoel hebt gij? Daar even betreurdet gij met mij de gevaren der kunstschatten onzer stad, nu zijn zij u niets meer, omdat er Geuzen in uw huis komen drinken. Gij kent slechts éénen God: den God van het goud, ééne kunst: de kunst om geld te winnen, onwaardige!”
Hij nam zijnen hoed van de tafel, groette de Geuzen en verliet het huis, waarin bittere tranen over de kunst hem ontvallen waren.
“Die vent is zot!” riep de waard lachende.
Lodewijk en zijn makker stegen weldra te paard en trokken tusschen de scharen des volks, onder de Kipdorppoort door. Na de voorstad Borgerhout met verdubbelden tred doorgereden te hebben, kwamen zij eindelijk dáár, waar de predikatie zou gedaan worden.
Deze plaats heette toen het Luisbekelaer. Het was een wijd stuk land, in gedaante eenen driehoek gelijk, waarvan de langste zijde door de Herenthalsche vaart bespoeld werd. Hier waren duizenden menschen verspreid. Allen, behalve vrouwen en kinderen, waren gewapend. Velen lagen op den boord der vaart en warmden zich in afwachting bij de zachte morgenstralen; anderen, te paard, reden langzaam het wijde veld over. Verder, in het midden, stond eene dikke wolk menschen, waaruit menigvuldige stemmen in lofpsalmen ten hemel stegen. De meeste mannen hadden de geuzenschotels op hunne kleederen; velen droegen de gulden medaille met den bedelzak als een vereenigingsteeken aan den hals.
Schuermans ontdekte menigeen zijner vrienden onder hen. Na de zang ten einde was, rende hij hun glimlachend te gemoet.
“Alles is wel,” suisde hem Van der Voort in het oor, “er is een gebod afgelezen, niet meer gewapend ter predikatie te gaan, en nu heeft het volk, rechtstreeks tegen het gebod strevende, in grooter getal en beter gewapend, de wacht tot stilzwijgen gedwongen.”
“Laat de Spanjaarden maar begaan,” antwoordde Schuermans, “zij bewerken hun eigen smaad en verderf.”
Herman Stuyck, de prediker, klom op eenen heuvel, van aarde gemaakt en met planken afgeslagen. Al de roeren werden te gelijk in de lucht afgeschoten, om het woelende volk tot stilte te roepen. In een oogenblik predikten verscheidene leeraars op de boorden van het Luisbekelaer.
Eene doodsche stilte heerschte onder het volk, gretig was het, om de nieuwe leer, die tegen de Spanjaarden streed, te ontvangen.
Deze preek was den Roomschen godsdienst zeer vijandig, want de leeraren poogden de aanhoorders tot het breken der beelden en het verwoesten der kerken op te maken. Het volk luisterde met nieuwsgierigheid, geen enkele zucht kwam uit deze zee van hoofden der redenaars woorden verdooven.
Na eene wijl deze prediking met pijn en wanhoop aangehoord te hebben, vatte Lodewijk de hand van Schuermans, groette hem met eenen oogwenk en deed zijn paard het hoofd naar den grooten weg keeren. Dáár ontmoette hij een tiental ruiters met geladene roeren, om al degenen, welke iets tegen de predikatie wilden ondernemen, er van verwijderd te houden. Zij lieten den jonker zonder hinder van het Laer wegrennen. Hij bevond zich weldra op de baan, die hem moest leiden, en vervorderde nadenkend zijnen weg.
Nu dacht hij aan Geertruid, wier liefderijk vaarwel hem nog in het oor suisde, dan weder aan haren vader, dien vurigen Vlaming, wat verder aan de edelmoedige gevoelens des vermaarden schilders Van Hort, doch tusschen al deze afwisselende gedachten kwam Geertruids beeld zich steeds levendig en toelachend mengen.
Op eens versomberde zijn gelaat, zijn hoofd zonk neer op zijne borst, de toom ontsnapte aan zijne achtelooze hand.... Daar, vóór hem, was de baan als in eenen schouwburg veranderd. Hij zag in de verte allerlei schriktooneelen, die hem door zijnen droomenden geest werden voorgeschetst. Met starende oogen van onder zijne gezonkene wimpers blikkende, scheen het hem, dat hij ontellijke menschen elkander zag vermoorden, tusschen hen herkende hij zijne vrienden en bekenden, alsook de predikers van het Luisbekelaer, stroomen bloeds rolden rookend over de baan en sleepten de lijken der vermoorden voort, een akelig krijgsgeschreeuw heerschte over de velden.... Weldra rees uit dit bloedbad een statige tempel in de hoogte. De jonker zag daarin een groot getal priesters, die met de armen ten hemel vóór het altaar geknield zaten.... Eensklaps kwamen duizenden mannen als razende dieren den tempel ingeloopen, zij rukten de priesters bij hunne grijze haren achterover van de trappen des altaars en sleurden hen, onder het uitbraken van ongehoorde lasteringen, langs den vloer. En dan, dan zag hij het altaar met slijk bedekken en, als eene uitdaging, vuiligheden ten hemel werpen!... Nog zag hij eene wraakroepende, eene bloedige heiligschenderij.... maar hij sloot de oogen met schrik en benauwdheid.... De stemme Gods klonk als een donder in den tempel, zijn vloek en zijn bliksem vielen te gelijk op de schenders, de tempelmuren stortten in, de aarde opende zich, en uit eene zee van vuur klom het wee! wee! der verdoemden verward en ijselijk in de ooren van Lodewijk, die met eenen schreeuw uit dien naren droom ontwaakte.
Nu had hij reeds het dorp Wyneghem achter zich, en nog drie uren gaans zou hij het doel zijner reis bereiken; doch de lucht, die bij den gezichteinder duister en zwart werd, voorspelde onzen jongen pelgrim geen gunstig weder. Hij reed niettegenstaande moedig voort, en, zijn paard de sporen in de zijde gedrukt hebbende, nam hij eenen snellen draf, om, zoo het mogelijk ware, den storm te ontgaan, zonder zijne zending te verachteren. De wolken verhieven zich langzaam en drijvende boven zijn hoofd, reeds zag hij eenige waterdruppelen op het getuig zijns paards blinken.
Hij was het dorp Schilde verre voorbij en bereikte juist het grondgebied van Zoersel, wanneer de lichtende bliksem over de toppen der boomen rees, en een brullende donderslag de zwarte wolken openscheurde. De wind joeg den regen schuins en met geweld voort. Het water leekte bij beken van des reizigers kleederen, de wegen werden bijna onbruikbaar, en het paard, door de gedurende bliksems verschrikt, wilde niet dan door slagen en tegen dank voort. Nu zag Lodewijk eene hut voor zich staan en spoedde zich, zooveel hij kon, om deze te bereiken.
“Wie klopt daar?” werd er bevende gevraagd.
“Een reiziger, die u verzoekt hem voor het onweder te bergen,” antwoordde Lodewijk.
Op des jongelings zachte stem herstelden zich de inwoners der hut, en de deur werd geopend.
“Welkom, mijnheer,” sprak een man, wiens rug onder den arbeid gebogen was, “kom binnen!”
Lodewijk, zijn paard aan den landman overlatende, trad de arme woning in. De moeder des huisgezins zat, met vier kleine kinderen voor een Lieve Vrouwebeeld geknield, te bidden.
“Zagen de verdwaalden welk een heilzamen troost deze menschen in dit beeld vinden,” dacht Lodewijk, “zij zouden niet in hun voornemen voortgaan.”
De landman had het paard onder een afhangend dak geplaatst, en kwam zich bij zijnen gast voegen.
“Het is leelijk weder, mijnheer,” sprak hij op eene beleefde wijze.
“Ja, vader,” antwoordde de jonker, “ik acht mij gelukkig zoo gastvrij door u onthaald te worden.”
Intusschen zette de heibewoner brood en boter op de tafel.
“Mijnheer,” hernam hij, “dit is alwat wij bezitten, zoo het u belieft iets daarvan te eten, het is u uiterharte gegund.”
“Vader,” antwoordde de jongeling met dankbaren glimlach, “de Kempenlanden zijn vermaard om de liefde, welke de inwoners den vreemdelingen betoonen. Ik kan ook niet nalaten u over uwe dienstbaarheid te prijzen, en wil derhalve dezen maaltijd gretig en in dank aannemen.”
Terwijl hij deed wat hij zeide, werd de lucht klaarder, de donder had zich verwijderd, evenwel sloeg de regen nog met geweld in de bladeren der boomen. De vrouw had haar gebed geëindigd en blies in het vuur, waarvóór zij Lodewijks mantel had te drogen gehangen. De lieve kinderen, als roosjes blozende en als wilde geitjes rond de kamer huppelende, kwamen langzaam dichter en dichter bij Lodewijk en wezen elkander het schitterende goud zijner kleederen aan. Eindelijk zich meer verstoutende, waren zij op des jonkers knieën geraakt. Hij kuste menigmaal de streelende wichtjes. De goede vrouw wilde hem van hare kinderen ontlasten, doch hij bad haar hen te laten begaan.
“Die heer ziet gaarne kinderen,” zeide zij zachtjes tot haren man.
Een fiere moederblik kwam in hare oogen schitteren. Vroolijk was zij, daar zij zag, dat haar kroost waardig was door zulk een treffelijken jonkheer geliefkoosd te worden.
“Gij zijt gelukkig,” sprak Lodewijk, “omdat gij weinig bezit; voorwaar, ik zeg u, dat bij ons, in de wijde prachtige wereld, niet zulke zuivere vreugd als in deze hut te vinden is.”
“Het is waar,” antwoordde de landman, “God heeft den vrede niet alleen aan de rijken gegund, wij kennen ook blijdschap en geluk.”
Zijne kinderen beziende, voegde hij er bij met eenen diepen zucht:
“Nogtans, jonkheer, overweeg in uw hart wat pijn het mij onophoudend zijn moet, aan mijne beminde kinderen niets in deze wereld te kunnen nalaten, om hen voor honger en ellende te bewaren! Die dagelijksche smart kent gij niet.”
“Inderdaad,” hernam Lodewijk, “wat zouden deze arme kinderkens doen, indien de dood u ontijdig van hen wegnam?”
“Mijn vader had zich eene hut in het bosch gebouwd,” sprak de landman, “en door zwoegen en zorgen een deel lands vruchtbaar gemaakt; na zijnen dood heeft mijn oudste broeder alles behouden. Ik en mijne goede vrouw, zoo arm als ik zelf, hebben deze hut met zwaren arbeid, stuk voor stuk te zamen gevoegd, en, als kinderen der natuur, de vogelen der lucht nagevolgd; zij bouwen zich een nest om hun kroost voor regen en koude te bergen: zoo ook deden wij: want onze eerstgeborene kwam den voltooiden arbeid bekronen. Van dan af hebben wij, met ’s hemels zegen, de dagen rustig bij het zweet onzes aanschijns geteld, en de heide met geweld gedwongen ons te voeden. Maar zoo de Almogende ons vroegtijdig aan onze kinderen ontrukt, dan zullen zij, nog jong zijnde, geene kracht of vernuft bezitten om zich ook, als wij, hutten te bouwen.... en bedelen zal hunne eenige hulp zijn.”
Door droevig nadenken gefolterd, liet hij het hoofd op de borst zakken.
Eensklaps blonk er eene zonderlinge vreugd op Lodewijks gelaat; hij antwoordde niet op de klachten van den droeven vader, maar ging droomend uit de hut naar de plaats, waar zijn paard stond. Iets uit zijne reismaal getrokken hebbende, kwam hij terug bij het huisgezin, dat nog in dezelfde houding zat.
“Vader,” sprak hij, terwijl hij de beurze, die hij in de hand hield, opende, “ik wil uw vriendelijk onthaal en vaderlijke teederheid beloonen.”
Hij legde vier hoopen gelds, waarvan elke uit tien stukken gouds bestond, op de zwarte tafel neder.
“Hier hebt gij, goede vader,” ging hij voort, “tien geldstukken voor ieder uwer kinderen. Gebruik ze ten hunnen voordeele, en dat zij bij Gods genade zich nimmer genoodzaakt vinden eene hut te bouwen.”
Te vergeefs wachtte hij op het antwoord der verbaasde lieden. Allen zagen hem verdwaald aan. Tranen leekten over des grijsaards wangen, en de moeder was zeker van gevoel beroofd, want in haar was geen ander teeken van leven te vinden, dan de stijve uitdrukking harer oogen.
“Wel, vader, gij verwerpt mijne gift niet?” vroeg Lodewijk.
“God zende over u, edelmoedige jongeling, en over degene, die uw lot zal deelen, den eeuwigen zegen, dien Hij den barmhartigen beloofd heeft!” riep de vader in verrukking uit.
En de vrouw zat weenende voor Lodewijk op den grond.
“Voor u, weldoener mijner kinderen,” schreide zij met doffe stemme, en op het Lieve-Vrouwebeeld wijzende, “voor u zal ik eeuwig, eeuwig bidden. En die bank zal onder mijne knieën verslijten, eer ik u, die ons een engel van troost zijt, vergete!...”
Hare tranen vloeiden van dankbaarheid en blijdschap over Lodewijks handen. Deze gebood haar te vergeefs op te staan.
“Laat mij, lieve jonkheer,” zuchtte zij, “mijne tranen voor u storten. Mijn hart is te vol van dankbaarheid en liefde. Ik bid u, dat ik de schuld mijner kinderen moge betalen. Onttrek mij uwe hand niet, jonkheer, God ziet mijne blijde tranen en zal deze voor mij aan u vergelden....”
Zij snikte hoorbaar, en licht zou men gedacht hebben dat droefheid haar kwelde. De hemelsche glimlach, die tusschen hare tranen zweefde, en de blikken, welke zij smeekend den jonker toestuurde, toonden hoezeer zij van geluk en dankbaarheid was vervuld.
Lodewijk, die zich aan deze vurige eerbewijzing wilde onttrekken, stond van zijnen zetel op en wierp het geld in een potje, dat op de kas stond. Na veel moeite had hij de opgetogene ouders tot stilte gebracht. Hij zette zich, welgemoed over zijne daad, bij het krakend vuur neder.
“Zeg mij,” vroeg hij, toen hij zag, dat het maar weinig meer regende, “waar is toch het Zoerselbosch gelegen?”
“Het Zoerselbosch! Het Zoerselbosch!” riep de landman verbaasd, alsof hij dit niet verstond. “Wilt gij daar naartoe?”
“Heden moet ik nog dáár zijn,” antwoordde de jongeling.
De verschrikte man legde hem de hand op den schouder, om meer nadruk aan zijne woorden te geven.
“Jonker,” sprak hij, “de dood wacht u in het Zoerselbosch!”
“Waarom?” vroeg Lodewijk.
“Wel, heer,” antwoordde de landman, “hoe gelukkig acht ik mij, dat gij mij daarvan gesproken hebt. Nu kan ik u, mijnen weldoener, toch van eenen zekeren dood bevrijden. Weet dat Wolfangh, een man, die schrik en moord met zich sleept, dat bosch bewoont, en dat geen mensch, daarin getreden, zijne roekeloosheid niet met het leven betaald heeft. Eergisteren is nog een reiziger, jong en moedig als gij zijt, bij het bosch gevonden. Twintig dolksteken hadden hem het hart doorboord! Zoo gij mij eene gunst bewijzen wilt, luister naar mijne woorden. Keer terug, of wij zouden bittere tranen over uw lijk te storten hebben.”
“Vader,” antwoordde Lodewijk, “ik moet, wat gevaar er ook zij, den schrikkelijken Wolfangh zelven zien en spreken. Niets kan mij van dit voornemen doen afwijken.”
“Ik beklaag u, jonker,” sprak de landman treurig. “Niettemin ben ik vergenoegd, eene gelegenheid te vinden om u mijne dankbaarheid te bewijzen, en zal u zelfs tegen uwen wil vergezellen.”
“Neen, neen,” viel Lodewijk in zijne rede, “dit wil ik niet. Laat mij mij zelven aan het gevaar blootstellen; uwe kinderen eischen uwe vaderlijke zorg: en ik,” zuchtte hij, “heb kinderen noch vrouw!”
“Neen, heer,” riep de landman, “daarin zal ik u niet gehoorzamen.”
De moeder luisterde met bange aandacht op dezen woordenstrijd en wakkerde haren man aan, om niet voor des jongelings bevel te zwichten.
“Volg hem, ja, volg hem!” sprak zij hem toe, “Bevrijd onzen weldoener voor ongeval, of ik zal geen rustig oogenblik meer hebben.”
En twee tranen leekten haar blinkend op de wangen.
Zij naderde de Lieve Vrouw en zag het beeld met smeekende blikken aan.
“Gaat,” riep zij, “gaat! Ik zal God voor u beiden bidden.”
Lodewijk wilde de dankbare heibewoners niet langer weerstreven.
“Welnu,” hernam hij, na de kinderen omhelsd en de vrouw de hand gedrukt te hebben, “volg mij, vader. Ik hoop, dat ik met Gods hulp hier nogmaals eenen smakelijken maaltijd houden zal.”
Nu werd het paard, dat beter dan zijn meester gegeten had, voor de deur gebracht. Lodewijk en de landman verlieten de hut, om het Zoerselbosch in te treden en Wolfangh met zijne bende op te zoeken.