Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht.
Die Ahnfrau.
“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer.
Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door het woud scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar heestergewas bezet, en hooge mastboomen beletten de zon, die nu vrij laag aan de kim brandde, hare verlichtende stralen op de baan te laten nedervallen.
“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk.
“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat hij in het bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen; doch nu wordt deze baan verzuimd en alleen door roovers en kwaaddoeners bewandeld.”
Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene schepen op de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom was het, dat men nu geene zware boomen meer uit het woud haalde. De schelmen konden het dus vrij bewonen, wijl er geene geregelde macht in de dorpen bestond, en de soldaten de steden, waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten.
Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben, kwamen onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar de weg zich tusschen boomen en heesters verloor. Hier zagen zij een steenen kruis bij de gracht geplant.
“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker.
“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo gij de moeite wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den naam van den rampzaligen reiziger op lezen.”
En Lodewijk las:
D. O. M.
HIER IS IAN VAN HERCK
DEIRELICK VERMOORD
OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE
IN ’T IAER MDXXI.
BIDT VOOR DE SIELE.
De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed voor de ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin gevolgd. De jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk bij het kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken had hem van het doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam zijner minnares op een zoo bloedig kruis had hem het hart gebroken.
Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar zijn paard keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen de bladeren en heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde oogen waren op hem met ijver gevestigd, en de monden van twee zinkroeren mikten hem naar de borst.
“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit het kreupelbosch komende en altijd met hunne roeren gereed om den jonkheer eene van de twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden, door geweld te ontnemen.
“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt. “Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid u, mij zijne woning aan te wijzen!”
“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers.
De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre van zich. De roover naderde hem.
“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij.
“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord.
“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover nogmaals.
“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.”
“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad geweest en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen. Sedert twee uren verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf deze jonker zijt, kunt gij uwe wapenen hernemen en ons zonder vreezen in het bosch volgen.”
De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte Lodewijks wapenen van den grond op en reikte ze hem over.
“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo wijd vergezeld te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe vrouw en kinderen, die zorgend voor uw leven bekommerd zijn, te gaan vinden. Binnen een paar uren zult gij mij, zoo ’t God belieft, in uwe woning wederzien.”
Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende oogen staan, totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween.
Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen voort. De andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn en met Lodewijk een gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting op hem ziende, antwoordde niet dan met bondige woorden.
“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in de stad weer woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken zijn!”
“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk.
“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd, dat wij genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht een einde te maken en gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.”
“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig.
“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende schatrijk te maken.”
De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en riep toornig:
“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te rooven, opvatten?”
“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden hebt het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief niets anders staat, dan de belofte om ons op dien dag te laten doen wat wij willen.”
Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte met diepen weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne vaderstad bedreigden.
Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te hebben, kwamen zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh en zijne makkers.
Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het duister bosch omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring afgehakt en den grond effen gemaakt, om er zonder belemmering te kunnen wonen. In het midden stond eene groote hut, van hout en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere hutten stonden ook hier en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid, dat er eene plaats, die wel eene markt geleek, overbleef.
Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een beenen fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de kwaadvoorspellende klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze geantwoord, en Lodewijk trad de legerplaats binnen. Zijn leidsman verliet hem, om, zoo hij zeide, Wolfangh van zijne komst te gaan verwittigen.
De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat der roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden bij een groot vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte, hevig dampte. De vlam, welke rood op de wangen dezer roovers kaatste, gaf hun een buitengemeen fantastisch voorkomen, en maakte hen eer den duivelen dan den menschen gelijk. Verder zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot overgevende en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende. Zij dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk eenige stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne godslasteringen te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten en kuischten de eene zijn roer, de andere zijnen dolk. Dezen hadden groote stoopen bij zich en schonken zonder ophouden den drank rond. Toen de jonker de legerplaats binnentrad, zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen te zijn, begon dus:
En dan antwoordden de overigen te gelijk:
En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en knevels met de hand had afgeveegd, hernam de voorzanger:
En de twintig stemmen:
“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem.
En weder het gansche gezelschap:
“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja:
En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten dusdanig, dat zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht schreeuwden zij:
Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde haarlokken. Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker Lodewijks lach verwekt hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen fijnen rok aanhadden, hingen hun de overige kleedingstukken slordig en verscheurd aan het lichaam. Anderen, bij een met goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en versleten monniksmantel op de schouders. Hunne wapens alleen waren in zeer goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit. Te zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen. Twee stonden recht bij de deur der groote hut; eene zware hellebaard blikkerde in hunne handen bij de laatste stralen der avondzonne. Deze mannen riepen op Wolfanghs bevel den verbaasden Lodewijk binnen.
Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te denken. Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk wit gemaakt en als marmer met andere kleuren besprengd, schitterende wapens versierden den wand; nette zetels stonden rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh. Zijne kleeding was zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten had, te behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin een nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te lezen was, en eene koude en misschien droeve uitdrukking waren do teekens, waaruit een gelaatskundige de voorspelling van des roovers inborst trekken kon.
Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op en boog zich beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast.
“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling eenen stoel om zich neder te zetten.
“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij.
Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief.
Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de lezing, een elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee roovers in het vertrok. Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te elf uren!” riep hij met luider stemme.
Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken.
“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!”
“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes.
Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet.
“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening, “Mijn glas is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te doen. Ledig ook uw glas, en verder staat het u vrij, niet meer te drinken.”
Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde, dat deze daad tegen zijnen dank geschiedde.
“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u een al te verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken, ja, dit versta ik wel!”
Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep gepeins verzonken, dus voortging:
“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij antwoordt niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt men een noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar, jonkheer?....”
Lodewijk bezag den roover met verwondering.
“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs niet, dus kan ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat, zoo gij in de omwenteling deelneemt, gij zonder twijfel, indien gij wilt, een groot nut voor u er uit kunt trekken.”
“Welk nut, jonkheer?”
“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij eerlijk en rustig leven.”
Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht, doch onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking vervangen, en hij sprak, het hoofd schuddende:
“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het moet zijn. Ik kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer wederstaan. Waarom hebben de menschen mij verstooten, toen ik nog onschuldig was? Ja, jonker, er was een tijdstip in mijn leven, dat ik ook beschaamd was om met eenen schelm te drinken!”
“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten het gewichtige voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad der eer deden verdwalen.”
“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.”
“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh. Ik zie dit wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid, uwe woorden getuigen van geene woeste onwetendheid. Niets toont mij in u dit verworpen schepsel, dat het bloed zijner broederen zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom terug in de samenleving, Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede. Slijt het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd. Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer bekeering worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is, en zich afmeet naar de wijdte der zonden en naar de innigheid van een oprecht berouw.”
“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt een edel en goed hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen had toegesproken, zoo zou de spijt mijne goede gedachten in mijn hart gedoofd hebben, maar gij hebt mij met vriendelijkheid den weg aangewezen, die eene omwenteling in ’s lands zaken voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet zal verloren gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.”
Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers gelaat deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh geheel in zijn aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige naar vergiffenis haakte.
“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest zijn om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk leven te zijn vervallen.”
“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig hart in uw edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol mijne jeugd was.”
“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.”
“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven rampen zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik u de oorzaak mijns ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo gij eenige zuivere gevoelens er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen ik nu ben, want er is eene schrikkelijke verandering in mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy. Jong en fraai van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen, die zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den ouden lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen doen zuchten....”
Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van het verdiep daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen te hebben, hernam hij:
“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij zagen en aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen, de goedkeuring der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken. Onze harten waren van onze kindsheid onscheidbaar verknocht, en, daar de mannenjaren mij dan toegekomen waren, was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef ik in mijn dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt hebben, om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch het lot, dat niet op der menschen wensch let, had mij eerst het zoete van den kelk laten drinken en de gal er van bewaard, om mij deze in eens als vergif te doen smaken. Hier begint het treurige mijns verhaals.... Een voornaam Fransch heer, die machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls bij het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen glimlach diep getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart vesten, doch, mits hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef hem niets over tot voldoening zijner lusten, dan verleiden of schaken. Lang poogde hij door dit eerste middel te gelukken, na veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste zeer wreedelijk in ’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs had gewacht, begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin stond verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons was ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena hoorden wij niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop te beschrijven, mijne wangen verbleekten onder mijne tranen, mijn moed begaf mij. Kwijnend en door mistroostigheid afgemat, wandelde ik door de dichte bosschen, en dan, door bittere smart ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder, en mijne tranen liepen als beken over mijne wangen.”
“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik versta hoe oneindig bitter uw lot geweest is.”
“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een zoo bitter lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke vriendin toeschijnen. Maar luister, welke dolk er mij nog door het hart moest gaan. Dertig dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid geteld, en des avonds was ik bij den vader mijner vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons ongeluk een weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na deze eerste beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën neder, en een onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep haar aangezicht af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde uit den mond, zij smeekte om vergiffenis, sprak van vlek en schande, — en een razende nijd drong mij de tranen terug in de oogen.
“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij geweest?”
“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe oogen doen mij wee.”
“Waar zijt gij geweest?” riep ik.
Zij wees met hare hand wijd ten venster uit.
“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij.
Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve uit eigen wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden, die ik maar vinden kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde zij van schrik en schaamte. Nog lang ware ik op denzelfden toon voortgegaan, hadde haar vader mij niet tot stilzwijgen gedwongen, door mij zijne dochter roerloos en koud aan te toonen. Wat medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter beziende, op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen al haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid ten hoogste verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis, doch zij hoorde mij niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten der pijnbank zijn niets bij het hartzeer, dat ik dien avond doorgestaan heb. — Des anderen daags was Helena van hare zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze bittere tranen. Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer een grimlach over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen van schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed. Hare zinnen waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare biecht gesproken. Toen de priester haar verliet, zei hij, dat Helena mij nog eenmaal zien wilde. Ik snelde de duistere kamer in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig onder den adem van eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele waskaarsen te zieltogen.
“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de mijne leggende, “ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij de hemel toe!.... Daar vóór mij — wenken de engelen mij van de wereld....”
“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!”
“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?”
“Ja.”
“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt en mijne ziel — kan in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer wonen, — daarom zie ik — dáár — eene baan, die mij meteen ten hemel zal leiden!”
“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende, “Noirmont!”
“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh! ééns zult gij met mij daar.... dáár in den hemel wonen, en ik.... zal zuiver.... en God.... God.... vaarwel! vaarwel, Wolfangh!....” En ik voelde, als een langen adem, mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen weggaan. Zij was dood, dood en koud!
Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg.
Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne hand.
“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze Noirmont den dood verdiend heeft?”
“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk.
“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende dan geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den schaker opgezocht zonder hem te vinden, doch hoe meer ik wachten moest, hoe meer ik zwoer mijne Helena te wreken. Eens bij Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij een tiental stemmen te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen ontwaarde ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos werd, — doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn dolk ging tot aan het gevest in des schakers borst. Ik sprong in de Senne en zwom in een oogenblik tot aan den anderen oever. Daar bleef ik lachend en van vreugd opgetogen staan. Twee pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch door geen werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend ten gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog ik als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe vervolgers te onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit alle plaatsten verjaagd, geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn vader werd om mij vervolgd en door druk en smart ten grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats vinden, en wanneer de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken, dan ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof ik een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik dan zonder geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch, een schuilplaats gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en de vervolging der gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen moordenaar. Ik heb geleden en wroeging gehad over mijn misdadig leven, doch het lot was sterker dan mijn moed. — Gij, jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te redden. Daarom, ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden mij genade zullen doen vinden bij God.”
Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke zijn verhaal in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel op en sprak:
“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan Godmaert, dat ik zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in de stad zal zenden, om op het oogenblik van den toestand der zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles overlegge, en op den dag der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers dáár zijn.”
“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden tot u spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht om de kerken te berooven.”
“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is eene stalen wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.”
“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven eene gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die ongetwijfeld kan medewerken tot het verdienen der vergiffenis van uw zondig leven.”
“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.”
“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen, die zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en dat zij den dag der omwenteling afwachten, om al de teekens van onzen godsdienst te niet te doen?”
“Ik weet het, jonker.”
“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in het beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie het wel; maar misschien gelukken wij in onze pogingen.”
Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen; hij vatte Lodewijks hand en sprak met nadruk:
“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop het. Vaarwel, tot wederzien!”
Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven. Deze bracht hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit. Nu steeg hij op en vervolgde den weg, die hem bij de hut zou brengen. Zeker zou hij gedoold hebben; doch de dankbare landman, voor zijnen weldoener bekommerd, had een groot licht aan zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling eindelijk bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal stond op de tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings gelukkige terugkomst gesproken te hebben, bad hem de landman, zich bij de tafel neder te zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk en at, tot der inwoners vreugde, met meer smaak dan of hij in een paleis ware genoodigd geweest.
“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en, daar de baan met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme woning te vernachten.”
En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid waren.
Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch vóór den dag geene kennis zijner zending geven kon. Daarom besloot hij des heibewoners voorstel aan te nemen.
Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij zich, vermoeid en welgemoed, op het bed neder.