Dos schreefse met eene zwarte roede een rinck op d’aerde; daer moest ick midden in staen: voorts brochtse oock allerhande vreemde dinghen in den rinck, en na dat ick mercken kon, soo docht my dat het waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen, Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz.
Duyfken en Willemynken.
Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht, ging er in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan onzen jonker menigen bitteren traan moest kosten.
Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter zaten rustig over onverschillige onderwerpen te spreken.
“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard heeft immers de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen?”
“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd.
“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis heeft toegezeid. Wist gij dat niet?”
“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!”
Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner dochter en drukte ze met liefde.
“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een rijk en arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen ouden vader scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel kunnen verdragen?”
“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers geene misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra erkennen en niet lijden, dat men u in de gevangenis brengen zou?”
“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar, ik zeg u, het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning rukke. Alhoewel wij aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij niettemin strafbaar volgens de bestaande wetten, want wij werpen ons op tegen den heerschenden koning. Voor mij vrees ik niet, maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele tranen over het lijden uws vaders gestort hebt.”
Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de oogen ziende:
“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop soldaten met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen grijzen vader zaagt weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne bede stil en gerust de uitkomst, gelukkig of ongelukkig, afwachten zonder mij door uwe tranen het lot nog bitterder te maken? — Geertruid, gij antwoordt mij niet?”
“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u door mijne liefde troosten!....”
“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald vaarwel tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?”
Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes antwoord.
“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig en houd u sterk.”
“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet drukken.”
“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus twijfelachtig.
Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia kwam op het gerucht binnen.
“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen. Ik ken de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt haar lang tot moeder verstrekt. Misschien zal heden of morgen alles in vuur en vlam staan, en de straten van Antwerpen zullen misschien met bloed geverfd worden. Dan zal ik mijne vrienden niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het ook zij, voor vaderland en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid beveel ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want de wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.”
Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst.
“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig.
Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang hooren.
“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik u omhelze. Ween zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!”
Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij door Theresia met geweld uit de kamer geleid.
“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!”
Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang weergalmde hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak en afgemat, in diepen weemoed sprakeloos lag verzonken.
De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den markgraaf voor, volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het Steen moest gebracht worden. De grijsaard wierp zich den mantel over de schouders en volgde den hoofdman met onderwerping, zonder zich eenigszins over zijn lot te beklagen. Bij de deur stonden twintig wapenbroeders, om hem te geleiden, en eene menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien, wie de gevangene zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg een schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de wapenbroeders wederhielden deze wolk van ongewapende menschen, en brachten den Geus zonder bloedstorten tot aan het Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès bij de poort staan. Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of de Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood geboet.
De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht, en na hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld en deze in den muur vastgemaakt was, werd hem een stuk brood en water voorgezet, en de zware deur met gekraak op hem toegegrendeld.
Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid, op een weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven was hij niet bekommerd, mits hij zijn eigen lot nog niet eens berekend had, doch de tranen zijner lieve Geertruid en het afwezen van dit dierbaar meisje, dat als eenig kind hem zoo nauw aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet onder hun geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder.
Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde muren herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met een naar en dof geluid.
Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was Geertruid, door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel nedergezakt. Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk scheen haar al te groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of het wel waar was, dat haar oude vader van soldaten was weggevoerd. Wanneer de dienstbode haar dan een bevestigend antwoord gaf, stroomden hare tranen harder dan te voren. Jammerlijke klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens zoodanig dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel liet nedervallen.
“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus hij alleen kan nog onze engelbewaarder zijn.”
“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den abt van St. Bernards vertrokken is?”
“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om mijnen vader te zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?”
“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan den Steenwarer door woorden of werken pogen te bewegen, dat is te zeggen door gebeden of geld.”
“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen mij niet ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal ik den Steenwarer wel tot medelijden brengen.”
“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder is. En zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig hoop over.”
“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger, “al hadde hij een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande oogen en mijne krachtige bede moeten wijken.”
“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen vader troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees voorzichtig in uwe smart. Laat mij ook eerst uwe kleederen wat opschikken.”
Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het hoofd; en daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte, alsof zij daardoor haren weg vervorderde, vatte Theresia eene harer handen en zij begaven zich te zamen op weg.
Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de ander met koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag, doorgedrongen te hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde gevangenis.
“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig.
“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom, Geertruid, schep moed. Ik zal kloppen.”
De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij werden in de kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten.
“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor Geertruid buigende.
“Is mijn vader hier?”
“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.”
“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid, en zeker mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten. O, weiger mij niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij ook kinderen hebt, kunt gij licht bedenken, welken hartdruk ik gevoel. Laat mij de stem mijns vaders hooren; ik zal u mildelijk beloonen.”
“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half uur geleden, dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den markgraaf heeft doen geven, om den gevangen Godmaert alle onderhandelingen met zijne vrienden te beletten. Het drukt mij evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.”
Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen, en, des Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende:
“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een kind, dat aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet ongevoelig! Laat u mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij zijt immers ook een mensch, en niet van gevoel beroofd: gij kunt immers mijne tranen niet zonder medelijden aanzien? Och, laat mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u niet, en zal zoolang weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede ontslagen te zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.”
“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare vader, of zij sterft nog van angst.”
Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen, de twee smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag ging toestaan, sloegen de handen van blijdschap en opgetogenheid te zamen, en woorden van dankbaarheid ontvielen reeds hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder, die achteruit was gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar opnieuw naderde.
“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de oogen geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe droefheid deel, doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet troosten. Denkt niet, dat gij mij door weenen kunt verbidden. Neen, ik heb lang genoeg droefheid en bitter lijden gezien, om voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve zeg ik u, dat geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen vergeten. Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit is ook zóó. Dit moet zoo zijn.”
Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen, en ging weg.
“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze droefheid. Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is geen mensch. Kom aan, ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.”
Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren.
Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans, dien edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met haastige stappen naar het Klapdorp. Dáár werd de deur van een oud vervallen huis voor haar geopend.
“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen vader gebeurd is?”
“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik weet alles. Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder lijden aanzien. De verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik heb mijnen dolk reeds gewet, daar denkt hij niet aan!”
“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet gij geen middel om mij bij mijnen vader te brengen?”
“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een uur lang gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.”
“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft. Gij, mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.”
Schuermans zag de bedrukte Geertruid met medelijden aan
“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op het voorhoofd gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders op. “Neen, Geertruid,” hernam hij, “ik weet geen enkel middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te huis in uwe kamer den uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te wachten. Ik zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting in uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning begeven. — Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij.
“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier, ik zou weldra mijnen vader zien.”
“Waar is hij dan naartoe?”
“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.”
“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom, Geertruid, stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet verzachten. Denk, dat warme vrienden uws vaders leven angstig bewaken. Vaarwel, lieve jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw leed in vreugde te doen veranderen.”
Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen ten uiterste bedrukt in hunne woning terug.
“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op eenen stoel werpende.
“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede vrouw. “Gij ziet immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans zegt, dat ons de tranen weinig helpen. Laat ons dan niet meer weenen en Lodewijks komst op goeder hoop afwachten.”
“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen, mijne oogen branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe rampzalig ben ik toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend lot niet verdiend? Ik, die zoo nauwkeurig mijne plichten jegens God en de menschen gekweten heb?”
“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen troost, die u op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor uw lijden verdienen?”
Zij wees met ernstigen toon op de knielbank.
“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....”
Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef lang, zeer lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat zij meer troost in bidden dan in klagen vinden kon, liet haar zonder stoornis zitten en volgde stilzwijgend hare kniebuiging na.
De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de Antwerpsche straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge Geertruid, van de knielbank opstaande en in tranen uitbarstende, zich aan den hals van Theresia wierp.
“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan God gedacht. Ik ben eene schuldige zondares!....”
“Aan wien hebt gij dan gedacht?”
“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende, “en God is op mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen troost gevonden.”
En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd.
“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm kind!” zuchtte Theresia.
Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen haren boezem.
“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij is dood. Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd; en daarom heb ik niet gebeden.”
En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep zij de kamer rond.
“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!”
Doch hare woorden stilden het meisje niet.
“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij uwen vader kan doen naderen.”
Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen.
“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?”
“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?”
“Zeker,” antwoordde Geertruid.
“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den moed hebt mij bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt te weten. En zeker moogt gij zijn, dat de waarheid uit haren mond spreekt.”
“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks wordt geheeten?”
“Ja, dezelfde.”
“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet en lijdt?”
“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij haar ten rade geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor mij uitgesproken. Gij zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk onderrichten, zij alles van zelf zal raden.”
Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om en bevonden zich in het enge Jan-van-Lier-straatje.
“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er gevraagd.
“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent immers uwe buurvrouw nog wel?”
“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.”
De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend. Na de herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin de lamp bij hunne komst menigvuldige stralen zond.
Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid op, en zij dorst het vertrek niet binnentreden.
“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker u, dat gij geene reden hebt om te vreezen.”
Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast tegen Theresia’s kleederen.
Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij eene zware tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten en eenige geraamten van kleine dieren lagen. Twee pikzwarte katten zaten ronkend op de stoelen. Hunne bewegingen waren zoo ernstig en zonderling, dat het scheen, dat deze dieren met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid met stijve nieuwsgierigheid aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen en de blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk op de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd jaar oud scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht, waarop hare grijze haarlokken verward rolden. Hare gele oogen waren met ijver op de angstige Geertruid gevestigd.
“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben, zoo laat in den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg zij. “Wilt gij, dat ik uw lot in de kaarten leze? Nu dan.”
En zij mengde de kaarten terdege ondereen.
Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben, spreidde zij het spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken in overdenking, om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen te krijgen; dan, wanneer zij dacht het gevonden te hebben, sprak zij:
“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel. Wees niet bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?”
“Ja wel,” antwoordde Geertruid.
“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik zeer ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing zijner tanden.”
Geertruid beefde van schrik en droefheid.
“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet gij daar die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien, die zich dáár bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk groot zal zijn. Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt aan. Stel u gerust. Daar, ziet gij dien ruitenheer, die daarnevens ligt? Die alleen zal uwen vader door zijne hulp verlossen.”
“Wie is dat?” vroeg Geertruid.
“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit weet ik, dat het een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en als een dier de bosschen bewoont.”
“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid.
“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling, die u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen onophoudelijk gedacht heeft.”
“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje.
“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld hebben. Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw, dit zijt gij zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met hem zult zijn. Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er tegenwoordig veel over uwen vader geschreven wordt, en deze klaverenheer en die boeren komen mij als rechters voor. Vast geloof ik, dat uw vader op dit oogenblik ondervraagd wordt. Nog iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou zijn dit te weten, zal ik verder niets meer zeggen.”
“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia.
“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t kort zal eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke zaak, die ik nog weet, verzwijg?”
“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen, “zeg mij alles wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.”
“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia, zij wil alles weten.”
“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat mijn wil geschiede!”
En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de schouw, en verdwenen.
“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s borst klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!”
“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil u daarom niet verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden. Ik bid u, mij niet in deze mijne groote werking te storen.”
Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal tegen het doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te hebben, smeet zij het in den beker. Eene blauwe vlam ging kronkelend in de hoogte. Zij nam dan haar tooverboek, en, na menigmaal hare dorre handen door de vlam gedreven te hebben, las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks woorden, die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich.
De katten kwamen weder huilend de schouw uit.
Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme meisje zijn moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt had, was zij nu voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig geworden. Theresia rilde in al hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid was grooter dan hare vrees, en daar zij menigmaal zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om Geertruid te ondersteunen.
“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg mij nu of gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw lijden er door vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd zijn?”
“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit immers zelve gevraagd.”
“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?”
“Ja.”
“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten bang? — Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig de schouw in.
Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel.
“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.”
En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg.
“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia, kom, zie hoe rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem zorgend te waken. Theresia, kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken over het hoofdkussen niet rijzen, en den glimlach, die over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....”
“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.”
Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen troost in den zoeten slaap haars beminden.
“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks.
“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem wederzien?”
“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord.
Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast tot troost en hulp zou hebben.
“Wilt gij nu uwen vader zien?”
“Ja.”
“Ga dan van vóór den spiegel weg.”
Zij deed het gordijntje nedervallen.
“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het verschijnsel zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult gij zien; en wellicht zullen uwe krachten u van angst en druk begeven.”
“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen vader levend zie, zal ik moed genoeg hebben.”
“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse, het gordijntje opheffende.
Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een pijnlijke schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos op den grond neder.
Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse, en kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien dag getroffen hadden.
“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd? Doch ik zal deze onmacht wel overwinnen.”
“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia.
“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel brengende.
Theresia week schreeuwend achteruit.
Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen omringd en op eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking zijner stuiptrekkende wangen en het bloed, dat hem over het lichaam liep, hadden de harten dezer vrouwen verbrijzeld.
“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg Theresia snikkend.
“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken, dat alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven hebben, zal de jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen. Eene diepe vergetelheid van het verledene zal ik over haar halen. Leg haar dan te bed, en de stem haars minnaars zal alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te roepen. Ik hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u voorzegd heb, gij mij dan niet vergeten zult.”
Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids mond. Deze richtte zich op en bleef stilzwijgend staan.
“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de jonkvrouw bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel! spreek haar niet aan, zij hoort u niet.”
En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten.
Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte zij, dat Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne woning terug en bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden. Zij was zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare roodbeschreide oogen.
Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de vermoeidheid over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel in slaap.