VI
Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te zien, of de waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren vader in zulk eenen akeligen toestand voorstelde.
De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk den Geus zeer was toegedaan. Angst had hem getroffen op het oogenblik, dat de morrende verlossingskreet was opgegaan. Maar wanneer hij de deur der gevangenis op zijnen vijand had zien toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner beschuldigingen te verhaasten.
Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap had met licht of lucht. Bittere tranen rolden over zijne wangen, daar hij aan de smart zijner dochter dacht, en mits grootere hartpijn hem drukte, voelde hij niet, dat zijne bewegingen van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in zijne lenden prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had doorgebracht, scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon de buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans.
Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend.
“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel leiden.”
En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen den grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen tot in eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd. Zeer laag was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen rustten, waren weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend op de tafel brandde, gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats ten beste verlichten. Een groot kruisbeeld, kunstig met zwart en rood hout ingelegd, en een open evangelieboek met zilveren sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee dolken waren kruiswijze, ten teeken van bloedig recht, op de bladen van het evangelie geplaatst.
Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene tweede tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken, dat zij de rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op de tafel, tot het aanteekenen der bekentenissen, die zij van den beschuldigde verwachtten. Bij de deur der zaal stonden twee gewapende dienaars met bloot slagzwaard.
Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men eenige werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het ander, tegen den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden, banken, kettingen, tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit waren de werktuigen der pijnbank, welke alsdan in alle hooge rechtsplegingen gebruikt werd om den beschuldigde tot de bekentenis zijner misdaden te dwingen.
Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen der wet vallen; maar eene onstuimigere beweging schokte zijne ledematen, wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren hoek der zaal stuurde, hij had in de verte, als een akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen vijand Valdès herkend!
“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters, en Godmaert werd door de gewapende mannen tot op eenen kleinen afstand der schrijftafel geleid.
Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te hebben, keerde de voorzitter zich tot Godmaert en zeide:
“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld onzes Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid voor ons zult zeggen, en niets dan de waarheid.”
“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert, de hand op het kruis leggende.
“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en luister met aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die Nederland verontrusten, en de ongehoorde stoutmoedigheid der ketters hebben de gouvernante doen besluiten, van de zachtmoedigheid af te zien en strenge maatregelen tegen de oproermakers te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der belhamels, uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt bewezen, is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering met eene wijde toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in vrijheid laten, zoo gij op uwe eer van edelman zweren wilt, dat gij voortaan niets meer tegen de Spaansche regeering zult ondernemen, en dat gij, indien men dit van u eischte, de opstandelingen openlijk zoudt bestrijden.”
Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag Valdès in de verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op eens onstuimig door de aderen. De rechters met fierheid beziende, antwoordde hij:
“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal, indien ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden, ten koste van mijn leven en mijn goed.”
“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?”
“Het is zeker en onveranderlijk.”
“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt, de uiterste strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten van den staat, moeten zonder omzien onzen plicht doen.”
“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!”
“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste van het hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering van Philips II eenen bitteren haat toegezworen te hebben.”
“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider stemme.
“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle middelen uwen medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig bestuur hebt ingeboezemd. Dat gij de Spaansche regeering afschildert als hatelijk en dwingend, en u begeeft in vereenigingen, waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst te onttrekken.”
“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche regeering afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het is waar.”
“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?”
“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?”
De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde zich tot den schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn onderzoek vervolgende, zeide hij tot Godmaert:
“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de gedaante van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden te hebben.”
“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging.
“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.”
“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs zulke prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd heeft?”
“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!”
Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn hoofd gevormd had.
“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog wel, dat gij mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent hebt getoond, waarop de gouvernante op eene allersmadelijkste wijze was afgebeeld?”
“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit.
“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond er op deze prent?”
Valdès antwoordde:
“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel gezeten en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was eene klater, hare kroon een valhoed. De graaf de Berlaimont hield haar vast bij eenen leiband, terwijl aan de andere zijde de getrouwe Nederlandsche edelen, zooals d’Aerschot, d’Aremberg en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden, om haar het schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen bedelaar of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert, mij dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar het leven afgebeeld.”
“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit bloedig kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke valschheid te spreken? Helsche verrader!....”
“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op mijne vraag. Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning bij te brengen?”
“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen heeft?”
“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij zelf met den spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.”
“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert.
“Aalbrecht Merckhof.”
“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal hem beter kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl hij met verachting op zijnen aanklager blikte.
De rechter hernam:
“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad van geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds bekend hebt, dat uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur zonder palen is. Kunt gij de getuigenis van Valdès en Merckhof te niet doen?”
“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?”
“Blijft gij daarbij?”
“Ja.”
“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep u, in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons uwe medeplichtigen noemet.”
“Ik antwoord niet meer op leugentaal!”
“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw verbreken, of wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens, zijt gij aan het feit schuldig?”
“Neen.”
Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met opgestroopte mouwen de zaal binnen.
“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe.
Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord klonk ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel van schrik in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood op het slagveld van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat de pijnen, die hij ging lijden, een offer aan het vaderland waren, en dat het hem een plicht van eer was, zijnen vijand Valdès door zijne standvastigheid te beschamen. Door die overwegingen gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed bijeen en besloot, zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich zelven tot onderwerping aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen gereedgemaakt. Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw door de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den grond, brachten zij een werktuig, van zware stukken hout te zamen gevoegd, en waaraan vele kleine koordjes waren. De deelen dezes werktuigs kon men door middel van spieën meer en meer van elkander verwijderen.
“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig waren met eene onverschillige zaak te verrichten.
De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten op het werktuig.
De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien zij moesten ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan koude ongevoeligheid; het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke pijnigingen bijwoonden.
“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten zich neder.
Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist achter de zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige nieuwsgierigheid; want voor zijne booze ziel kon men hem geen fraaier tooneel laten beschouwen dan het folteren zijns vijands.
“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
“Ik heb geene misdaad begaan.”
“Wel dan, dat men beginne!....”
De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel daalden, aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden ook op dezelfde wijze aan het werktuig geknoopt.
Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen met kracht aan de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en de ongelukkige Godmaert ging langzaam in de hoogte, totdat het touw, waaraan zijne voeten vast waren, stijf werd. Daar hing hij tusschen hemel en aarde, met armen en beenen open, gelijk een gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag zijne rechters met fierheid aan.
“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
Godmaert antwoordde niet.
De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder. Een zware hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam werd een duim uitgerekt.
“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden nog een duim ingejaagd.
“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig dan u zelven van het lijden, dat gij onderstaat.”
En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden des grijsaards ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en waren de koorden in zijne huid verzonken.
“Spreekt gij niet?”
Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden kraken.
“Laat af,” riep de voorzitter.
De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters zagen op hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou geëindigd zijn. Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige zielen, die zich over eens anders druk verblijden.
Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht. Zij waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang scheen hun dit onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren door fel prangen en rekken stijf en koud.
“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?”
De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen.
“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht. Stoor ons niet; wij hebben nog niet gedaan.”
Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van Valdès. Hij bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen blik.
“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?”
“Hij begint zoo al!” was het antwoord.
Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde met eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot lafenis een weinig wijns te drinken boden.
“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg hij. “Is mijn lijden gedaan?”
“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt uwe ziel aan God overgeven; want levend zult gij hier niet uit geraken.”
“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte de grijsaard.
Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij kon ze niet bewegen.
“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad belijden, om u verdere pijniging te sparen?”
“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem, “neen, ik vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren. Mijn lichaam kunt gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen; doch mijne ziel zal altijd kracht genoeg bewaren om niet te zwichten voor den dood, dien gij mij aanbiedt.”
“Gij bekent niets?”
“Neen.”
“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!”
Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals aan eenen pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren ring dusdanig vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht, zich niet roeren kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam een oneindig getal gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig was, dat het bloed door de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk groot zijn, want Godmaerts spieren bewogen stuiptrekkend. Zijn aangezicht werd paars, en zijne oogen draaiden akelig in zijn hoofd rond.
Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den spiegel had gezien.
De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel te staren; misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden voor den ongelukkige, doch dit was niet op hunne wezenstrekken zichtbaar.
Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste torment was. En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene zwaardere pijn kende, werd deze helsche ziel mistroostig, omdat de wraak uitgeput was.
“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe.
Hij kreeg geen antwoord.
Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen geprangd en in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste kracht verloren. Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de keel des zieltogenden grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op zijne schouders neder; zijne armen hingen slap en machteloos aan de ijzeren ringen.
“Hij is dood!” sprak de beul verblijd.
En hij raapte zijne werktuigen bijeen.
Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen, mits hij blijde was het droevig einde er van te zien. De rechters schenen ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij teekenden met haast een papier, dat de schrijver hun aanbood, en gingen weg.
“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och arme, toch der grootste pijn nog ontsnapt.”
“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid.
“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou men hem nog wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.”
“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès.
En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand aan dit ijselijk torment was ontsnapt.
Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug.
De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want dan mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu bezig met hem alle vertroostingen, die zij vinden konden, te geven. Zij waschten zijne wonden, laafden hem met den overigen wijn en brachten hem eindelijk weder in zijne gevangenis. De Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen Geus niet kon aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de ijzeren gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur.
De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef alleen en zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan het stroo, waarvan de punten in zijn bloot vleesch gingen en hem alle gevoel benamen.
Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn zou, zoo de natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd, den lijder niet alle kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen.
Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht noch aan den hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven; hij sliep. Maar welken slaap, o God! Den slaap der dooden; want een soldaat, door het springen eener bom verbrijzeld, slaapt. En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet voor eeuwig.