WeRead Powered by ReaderPub
Het zwevende schaakbord cover

Het zwevende schaakbord

Chapter 12: HOOFDSTUK V
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows the knight Gawein on a quest to recover a miraculous floating chessboard, unfolding within a courtly medieval setting where honor, refined courtesy toward women, and loyalty shape action. Episodes combine Arthurian motifs, martial contests, and encounters with enchantments and mechanical marvels that blur magic and artifice. A prefatory discussion frames the story within romance traditions, and the work proceeds episodically through atmospheric chapters that emphasize ritual, poetic description, and the tension between heroic conduct and fanciful wonder.

HOOFDSTUK IV

In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische krullen der omlijsting—stijl der toekomst nog vreemd aan hun aesthetisch bewustzijn—het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn, precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide, terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en karbonkelen, straalde overal uit den wand:

—Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan zal hij ten tweeden male....

Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote lelie van parelmoêr en Merlijn zeide:

—Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt mij op!

De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen:

—Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker... Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat, zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik, die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart!

De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich afwendde van de groote, parelmoêren lelie.

—Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die zoo verre woont aan de zee??

—En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man, als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike tooverlelië—eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke—, waarin zij met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort?

—Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden, Merlijn, door dergelijke sprakeblom?

—Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage, voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die smacht....

De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde licht weer op deed stralen!

—God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!!

De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep:

—Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen glanzen??

—Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te drijven....

Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem staan.

—Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet alle de anderen van Tafel-Ronde?

—Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van kruiden en heilzame bloem?

Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij:

—Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo?

—Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik, maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden, maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal drenken!

En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn—wat was hij oud, nu dat het over middernacht was!—vinger tegen voorhoofd uitriep:

—Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein: ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed!

Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring.

—Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten en toovergepeize?

—Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij, Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele!

De jonge ridder gaf een kreet van geluk.

—Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit.

Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot. Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders beloofd had.

En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken, azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds, afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het slot van Assentijn, Gaweins schoonvader—lace, Ysabele, zijne dochter en Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele, de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde, zij leefde, dààr in dat slot....!

De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende, als van honderden stemmen....

—O Merlijn...! begon Gwinebant.

Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug.

Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts, Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen: hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem met u!

Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix, Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen, doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag.... Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij, opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone jongelingvorm in hare stijging.

—Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot.

Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde...

En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort, tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd....


HOOFDSTUK V

In hare kemenade lag de princes Ysabele te bed en sliep. In het lage, bruine, gewelfde vertrek, tusschen der wandtapijten beweeglooze figuren, die te waken schenen in de zacht gouden schemering van het robijnroode lampje voor de beeltenis der Moeder Gods, rees het groote, vergulde bedde, twee treden hoog. Het was harer ouderen bedde, en de princes Ysabele sliep, als de zede was en de costume, op de eéne plaats, rein en kuisch, recht haar blonde hoofdje op het rolkussen met kwastjes, de couverture getrokken tot hare borst en haar eene handje over de deken heen. Het scheen of zij in haar slaap afwachtte wie haar ter zijde in het te groote bedde als haar gemaal zoû komen liggen. In de schaduw, die bruineerde tusschen de rossige gordijnen, lag haar wit gezichteke zoo zoet als van een kind, met de twee gelokene oogleden onder de duidelijk geharceerde wenkbrauwboogjes. Hare lippen openden zich in een onbewusten glimlach. Op een treê van het bedde was, ter zijde, haar princessekroontje geplaatst. Hare muiltjes stonden zoetjes en recht op de pelline, die voor het bedde uit lag. Door het éene kruisraam blauwde een weinig de nacht binnen over de twee vazen met bloemkens in de vensterbank en achter in het vertrek dommelden goudig de schemeringen—dat was om het lampje—over het bidgestoelt. Een koperen wijwaterbak glimmelde. Voor het andere raam waren de luiken half toe; er blauwde alleen een smalle reep nacht tusschen de kier en het tafeltje stond daar, met ter zijde het boekenschrijntje: daar rijden Levens van Heiligen en de door clerken van dien tijd opgestelde, tien jaren geledene Aventuren der Ridders van de Tafel-Ronde. En het zwart-bruine hondje lag te slapen, midden in het vertrek.

Onbewegelijk lag de princes Ysabele. Weeze, was zij de kleindochter van Koning Assentijn, wiens land van Endi grensde aan dat van Logres. Somber en booze om veel ongeval en smart, die hij geleden had, bewaakte de Koning zijn laatste spruit jaloerschelijk. Zij mocht het kasteel niet uit dan met dicht gevolg van vele gewapenden, ter jachte of ten tornooi of ten pelegrimage en verder bleef zij onverbiddellijk binnen. Twaalf muren omringden het slot, tusschen iedere twee muren een diepe gracht en het al omringde een diepe, breede rivier, die was van steeds ziedend water en wie er in verdronk, verbrandde eveneens. En wie hij zijne kleindochter toe had bedacht te slapen ter leêge stede in het groote, vergulde bed, was de oude Koning Clarioen van Noordhumberland, aan wien Koning Assentijn veel verplicht was, om hulp van wapenen in verleden krijg en Koning Clarioen wachtte Ysabele te trouwen tot zij zestien jaren volbracht zoû hebben.

Ysabele wist het en had haar grootvader beloofd een lieve vrouw te worden voor Koning Clarioen, ook al had hij een grauwen baard en al was hij bijna als haar grootvader zoo oud. Zij had gelezen in de berijmde kronijken der clerken, dat Koning Artur, van het Land van Logres, ook oud was en de koninginne Guenever zeer jong steeds bleef. Zij had ook gelezen van Lancelot en dat hij een trouw ridder steeds der koninginne Guenever gebleven was meer reeds dan tien lange jaren, en Ysabele hoopte, dat, als Koning Clarioen haar gemaal werd, Gode van Hemelrijk, Sint Marië's Kind, haar ook wel zulk een lieven, dapperen hoofschen, trouwen ridder zoû jonnen. Zij was vol vertrouwen op toekomst. En zij lag zoo kalm als een zoet kindeke, recht op het rolkussen, met de oogen toe, onder de duidelijke brauweboogjes. Ook het sluimerende hondje bewoog niet. En ook bewogen niet de wakende figuren, uit lichtende als bewaarengelen op de wandtapijten, in de gouden dommeling der schemeringen....

Buiten bruiselde nauwelijks de wind, over de boomkruinen van het woud. Was het wind door de blâren of waren het te vroeg ontwaakte vogelen? Of was het gesuizel van sylfestemmen, duizenden, maar zoo licht, dat het Ysabele zelfs niet in den slaap bewegen deed? Het waren geen vogelvlerken, die tegen de blauw beschenen ruitjes tikten des kruisraams. Het waren sylfewieken, want zij maakten nauwelijks geluid.... Dat was toen de sylfen binnen drongen door het raamke, dat niet voor hen bestond. Noch voor hen afsloot binnen van buiten, kemenade van lucht.... Binnen drongen, tot zij, duizenden, vulden de kemenade. Maar zoo licht, zoo luchtig, zoo niets dan nevel onzichtbaar, wat maneschijn meer, naar het scheen. Het hondje bewoog niet, sliep. Maar Ysabele had zich lichtelijk omgewend naar de leêge plaats in het bedde. En haar andere arm bevrijdde zich van de couverture en beide armen strekten en sloten zich nu als omhelsden zij één, die daar lag....

En zij droomde van Gwinebant en omdat de elfen iets namen van haar slapende wezen, astrale gelijkenis, droomde Gwinebant, in het foreest, waar de gnomen zijn lichaam bewaakten, den zelfden droom.

Ysabele droomde, dat zij wandelde met den jongen ridder, wien zij op het laatste tornooi hare losse, lange mouw had gereikt, opdat hij te harer eere zoude josteeren tegen de andere ridders en die hij aan den helm had bevestigd.... Dat zij wandelden, in zoet jolijt ende solaes van amoers, als de koninginne Guenever en Lancelot, van wie zij gelezen hadden, waren gewoon.... Over de wallen van het kasteel, door de vergieren, in de zalen; zelfs, dat zij samen waren in de kemenade, zaten in de vensterbank, tusschen de vazen met bloemkens, lazen in het zelfde boek: den Roman van Alexander, den Roman van de Helden van Troje, den Roman van Lancelot zelven, dien de clerken juist dichtten in deze dagen....

En toen zeide Gwinebant tot Ysabele, in den droom:

—O schoone jonkvrouwe, ik heb u lief, want gij zijt de roze, die over alle andere bloemen vol van deugd bloeit in schoonheden.

En Ysabele antwoordde:

—Mijn ridder, vol van deugden en hoveschhede, ik heb u ook zoo lief sedert het tornooi, toen gij mijn mouwe vast hechttedet aan uw helm en zoo mij Koning Clarioen van Noordhumberland tot zijne koninginne verkoren heeft, zult gij mij zijn wat Lancelot is der koninginne Guenever, zoo als ik gelezen heb in de boeken, die de clerken dichtten en waaruit de minnestreelen zingen en vertellen....

Toen, in den droom, werd Gwinebant treurig, maar hij dorst, om Ysabele's reine onwetendheid niet te verrassen, haar niet zeggen, dat hij harde veel pijn en verdrietelijkheden zoude hebben, zoo de zoete jonkvrouw met den ouden Koning Clarioen zoude huwen. En hij zeide alleen:

Ysabele, mijn zoete jolijt, solaes van mijn vie, hebt gij ooit gehoord van ridder Gawein, die met ons mede zit aan Tafel-Ronde?

—Ja, ik, Gwinebant, antwoordde Ysabele. Want Gawein is mijn oom en hij huwde mijne moei, wier ziele is in Paradijs,

—Zoo weet, dat hij zal komen, spoediglijk om Aventure, dat hij volbrengen zal en het zal goed zijn, zoo gij hem liefdevol ontvangt, in de zelfde maniere als uwe moei—Ysabele als gij geheeten—hem ontving tien jaren her....

—Ontvangen zal ik mijn oom Gawein, o Gwinebant, als mijne moei hem ontving, antwoordde Ysabele.

En zij dreven verder in den droom de zoete melodie te zamen, in kuische vreugde en zaligheden, en de kussen, die zij wisselden, werden hun door de sylfen gegund, maar niet méér gunden hun de sylfen.


Den volgenden dag was het Pinksteren; de klokken der kapel van Camelot bimmebamden en de Koning en de Koninginne schreden ter vroegmis, zingende zacht in ondertoon de hymne aan den Heiligen Geest, de vergieren door, waarvan de bloesems stuivende op den bries over hunne hoofden verwoeien. En na de mis, die vierde de kapelaan, zetten zij alle twaalf zich om Koning Artur neder in de Ronde Zaal, omme de Ronde Tafel van jaspis, zetten zij zich zwijgende, als zij iederen dag reeds deden, durende tien jaren, om Aventure af te wachten. Ook Lancelot zette zich maar Guenever, tusschen de ooftboomen, wenkte hem, want zij wist van niets, dat was voorbereid; omdat vrouwen meer praten dan mannen over dingen, die beter verzwegen worden, had Merlijn den ridders verzocht niets aan de koninginne te melden. Ook Keye, de spotaard, wist niets en hij verbaasde zich zeer, toen Guenever Lancelot tot spanseeren noodde in de vergieren—omdat er immers toch nimmer Aventuur meer zich meldde, —dat de amys der koninginne haar bediedde met schuddinge des hoofds van niet, en dat hij zittend moest op zijn plaats blijven. Waarom de koninginne verbaasd en zelfs booze werd, tot zij hare wijle om zich heen dichter wond en beleedigd alleen weg wandelde; hare vrouwen die zich, bescheidenlijk, eerst hadden terug getrokken, naderden haar, vroegen, begrepen niet en begeleidden Guenever toen in hare verpoozing, haar noodende naar heur eigen tuin te gaan, waar Merlijns tooverboom stond, om de gouden vogeltjes er te hooren zingen....

Om den Koning bleven zwijgen de ridders, terwijl Keye bal speelde, alleen, behendiglijk als een jonge man, hoe hij ook hinkte, hoe hij ook loenschte. En zorgelijk en weemoediglijk zat de Koning in zijn wat motputterig hermelijn en fluweel—mottig ook even zijn zilveren baard, en Gawein, naast hem, zat weemoediglijk en zorgelijk als hij. Geen van beiden, in het diepst hunner ziel, geloofde meer aan het nieuwe Aventuur en dat het ooit meer zoude komen. En zoo zij daar zaten, stil, zwijgend, te wachten, met de anderen, Lancelot, Bohort en Ywein, Acglovael, Sagremort en Meleagant, Hestor, Mordret en Didoneel, Galehot en Gwinebant, was dit meer uit niet te verstoren vroomheid aan het Verleden, aan de groote Verleden Dagen, toen zij zelden ten avonddisch zich begaven voor zich Aventuur had gemeld en een of twee ridderen ter gloriënde queste zich op maakten. En Gawein gaapte even, achter de hand, had wel slaap na de mis en nu om het altijd te vergeefsche wachten. Maar de andere elf, zij gaapten niet, vol spanning om wat gebeuren zoû. Zelfs vloekte Bohort tot Lancelot:

—Bij Sint Michiel, komt er nog niets aan?—waarop Lancelot ter sluiks naar de lucht zag en Ywein fluisterde:

Ge...ddduld dd...an toch!

Zoodat Acglovael een zenuwigen schater moest onderdrukken om eerbied voor den zwijgenden Koning en Sagremort, zelfs twijfelend dezen morgen, of Aventuur zich melden zoû door toedoen van Merlijn, schudde het hoofd, brauwen gefronst. De anderen zwegen steeds: Hestor, modest, zeide nooit veel; Mordret en Didoneel keken malkander wel wetende aan omdat zij beiden dachten aan een aventuur, dat zij met hen beiden voorbereidden en waarvan ik niets anders melden kan dan dat het niet waardig der Tafel-Ronde was; o, zoo Koning Artur er van hadde geweten...! Galehot glimlachte vol felle nieuwsgierigheid en Gwinebant gedacht zich zijn zaligen droom en was, nu Lancelot zitten bleef, bijna niet meer jaloersch op de wandelingen door het vergier, omdat hij zich heugde eigene droomen en droomzaligheden.... Tot plotseling....

—Zie, zie! riep Gwinebant.

Zij zagen allen op.... En zij zagen allen—zij zagen het!—door de blauwe lucht, die zomerde boven de appelaren en tusschen de Romaansche bogen groote ronde stukken azuur deed stralen, een Schaakbord zweven, zwevende den burcht naderen, zwevende in het ronde dalen, een grooten, schitterenden vogel gelijk, zweven toen boven s' Konings oude hoofd, dat zich opwendde, opdat zijn ongeloovige oogen konden zien. Gawein was, met een forschen kreet, opgestaan; achter de tafel stond Keye, openmonds, handen in de zij en geloofde niet wat hij zag en terwijl de koningin en hare vrouwen toe liepen en het vergier vulden met hare verbaasde kreten, riepen de ridders, allen te zamen, zoo als een koor, dat goed de zangmeester drilde:

—Een Wonder! Een Wonder! Een Scaec zweeft ten tweeden male aan!

Zoo de Koning en Gawein en de koninginne en Keye niet buiten zichzelven waren geweest in liezen oogenblik van verwondering, zoû het hen zeker getroffen hebben, dat de elf ridders zoo maatvol vol en rhythmiesch te zamen en te gelijk hun koorzin zin hadden uitgeroepen en gescandeerd: Bohort riep met zijn diepst basgeluid, Ywein stotterde niet, Acglovael grinnikte maar even en Gwinebant klaterde het uit met zijn nachtegaalstem. En de roep deed mooi aan, door de echo's der Ronde Zaal herhaald, tot de klanken elkaâr als op een rijtje na liepen langs de gepinghierde wanden; toen zwegen allen; wie was opgestaan zette zich en terwijl de Koning de oude handen bevende hief, zweefde het Scaec met een licht gesnor als van een zwaren hommel, maar véél lichter van geluid dan Merlijns fenixvogel snorde, nog even in de lucht en zette zich toen vóor Koning Artur.

Diens oude perkamenten gezicht was geheel opgeklaard en scheen verjeugdigd van vreugde.

—Het Aventuur van het Scaec komt weêr! juichte de Koning met krakende stem.

—Komt weêr! jubelde Gawein.

—Komt weêr! verwonderde zich Keye.

—Komt weêr! sopraanden de vrouwen er tusschen.

—Komt weêr! klonk, als de finale van een opera uit latere eeuwen, het koor der elf ridderen.

En alles te zamen klonk het héel mooi.... Nu stond het Scaec van tooverië voór den Koning en trots het zweven waren de gouden en zilveren stukken niet verward of omver gevallen maar geschaard gebleven naar behooren op de velden van agaath en chalcedoon. Wat was het een schitterend schoon Schaakbord! De gouden stukken stonden voor den Koning, uit hoffelijkheid zeker van den onzichtbaren tegenspeler en zij waren cierlijk gedreven: zij vertoonden Koning Artur, koninginne Guenever zelve, staande de figuurtjes ten voeten uit; de raadsheeren waren ridders der Tafel-Ronde en ieder der twaalf kon zich wel, als hij wilde, herkennen, zoo als de beide paarden, de steigerende gouden, gelijken konden op de beroemde paarden van elk dier ridders, die allen even beroemde paarden hadden, hoewel Gaweins ros, Gringolette, misschien het allerberoemdste was, en de kasteelen waren zeer zeker getrouwe gesmeed en gedreven naar den Burcht van Camelot. En hoe schoone garsoenen en schildknapen waren niet de acht pionnen!

Terwijl de zilveren koning wel iets had van Koning Clarioen van Noordhumberland....

Toen, opgestraald van geluk, deed oude Koning Artur een zet: hij zette een der garsoenen vooruit....

Een onzichtbare hand speelde tegen.

Allen zagen toe....

En het scheen Gwinebant, dat hij de schimme-hand, die tegen speelde, zàg en dat die hand geleek op de hand van Merlijn....


HOOFDSTUK VI

Ademloos volgden de ridders het spel. Want zij waren wel voorbereid, dat het Scaec binnen zoû zweven, maar verder had Merlijn hun niets gezegd. Ademloos volgden zij dus het spel: Koning Artur, goed speler, mocht niet verliezen tegen zijn onzichtbaren tegenspeler. Bedachtzaam speelden beiden, met tusschenpoozen vol overdenking en de vreemde atmosfeer van het Oneigenlijke vervulde als een raadselachtige geur de zaal.... Uit het vergier spiedde ook Guenever toe, hare oogen niet kunnende gelooven... spiedden ook hare vrouwen.... Een zwijgen heerschte en de vogels schenen te tjilpen in ondertoon.... Noodlottigheid zoû het spellen, zoo de onzichtbare den Koning schaakmat zette: ramp zoû dat bedieden... En de ridders wisten niet wàt te gelooven. Zeker, Merlijn, had het Scaec doen zweven, maar toch, het Zwevende Scaec blééf een Wonder: dat waaraan zij, elf van hen, eigenlijk niet meer geloofden, al weifelden zij wel eens in hun ongeloof, al twijfelden zij, al wisten zij eigenlijk niet of zij moesten gelooven of niet.... Nu, nu zagen zij het, als zij gezien hadden het optrillende beeld van het Verleden op den witten wand en de lelie der sprakebloeme en al het licht, dat doofde en op straalde naar Merlijns enkele handbeweging.... Wonder ofte geen Wonder? Galehot poogde te glimlachen, maar niet te best ging het hem af, al dacht hij de draken, die hij gedood had, lezarden te zijn geweest.... Sagremart fronste en ontfronste zijn brauw. En wat ook de anderen deden, Gawein, geloovig, staarde toe als op eene openbaring van bovenaardsche heiligheid.

Het spel vervolgde zich, met snellere zetten. De gouden Camelot-burchtjes in des Konings hand gleden in rechte lijnen, zijn goudene paardjes sprongen hun paardesprong; zijn gouden koninginnetje nam het zilveren schaakvorstinnetje.

—"Koning!" waarschuwde Arturs jubelende, oude stem.

De zilveren koning liep gevaar. Wel kon hij zich nog redden met een achterwaartschen zet, maar toch zoû hij, zonder bizonderste schaakgenialiteit, vermoedelijk wel in twee, drie volgende Zetten schaakmat zijn.... Allen zagen toe.... Koning Artur mocht niet verliezen.

Plotseling trillerde het Scaec en verhief zich snel in de lucht hoog. De ridders, de vrouwen, de Koning slaakten hun kreet. Het bord verhief zich met de stukken, zoo als zij, nog weinige, stonden bij dit einde van de partij, dat noodlottig zich voor het zilveren koninkje had gekondigd. En de van weêrszijden genomene stukken verhieven zich eveneens, verdwenen als het ware in het niets of onzichtbare handen ze weg goochelden. Maar het Scaec zelve, recht, en de weinige stukken staande blijvende, zweefde hooger en hooger, weg. Het Zweefde, zoo hoog, niet zoo snel meer, als tartte het allen, die daar omlaag waren, en boven de appelaren dreef het, onder de witte, dikke stapelwolken in de blauwe lucht langzaam, langzaam weg.

—Wie achterhaalt mij het Zwevende Scaec!? riep Koning Artur opgewonden en wees naar het tooverbord. De helft van mijn koninkrijk aan wie mij het Scaec achterhaalt!

Nu had de Koning dit tien jaren geleden, toen zonder Merlijns medewerking een Schaakbord was binnen gezweefd, ook al uitgeroepen. Maar toen Gawein, na vele Aventure, terug was gekeerd, voor op zijn ros Gringolette Ysabele, Koning Assentijms dochter!—en den Koning het Scaec had gebracht, scheen Artur zijne belofte geheel te hebben vergeten, want de notarissen van het Hof van Logres haddden geen bizonderen last gekregen 's Konings belofte te boeken, opdat minstens na 's Konings verscheiden Gawein de helft van Logresland toe kwam. Zoodat nu, op 's Konings na tien jaren herhaalden uitroep, Galehot fijntjes glimlachte en Acglovael een giechelen onderdrukte en Sagremort de brauwen fronste en ontfronste, want hij twijfelde ietwat, Sagremort, aan zijn leenheers woord en belofte.

—Wie!? riep de Koning. Wie achterhaalt mij het Scaec!? Want zoo ik wederom droom, dat mij mijn krone te loor gaat, zoo ik niet win deze partië en den zilveren koning schaakmat zet, zal ik zekerlijk zelve, o mijne ridderen! zoeken het Scaec, tenzij een uwer wel het mij achterhalen wil!!

Het hoofd van den Koning schudde van ontroering en oudheid en, staande hij, beefden zijne oude, groote, opgehevene handen. Maar de ridders zwegen, wachtende op Gawein. En iedereen zweeg, ook Guenever, ook Keye zelfs, die altijd spotte, ook Merlijn, die jong, dwaas jong, met een zwart puntbaardje, achter een der Romaansche bogen verschenen was en toezag en luisterde.

Toen, plechtig, rees Gawein op. Hij rees groot en prachtig, en het scheen den elf anderen, dat hij grooter was en pràchtiger dan zij allen. Zij verwonderden er om één oogenblik. Zij, elf, bleven zitten en hunne roerloosheid, hun zwijgen bediedden den Koning, dat zij zich verontschuldigden voor hun Prince op queste te tijgen naar het betooverde Scaec.... Maar Gawein was opgerezen. Wat was hij grootsch, toen hij daar stond! Zijn hoofd, zoo ernstig van aangezicht, even hoog gericht, zagen zijne donkergrauwe oogen als bezield voor zich uit. De donkerbruine haren golfden tot op de zware schouders en glansden als vrouwenhaar. Maar de nek was breed en rond als een zuil. Zijne leden waren forsch en edel, de spieren zich nauwelijks teekenend onder de bruine bliaut, die spande over borst en lendenen, onder de keelkleurige hozen, die de lange, sterke beenen omgoten. Op zijne ridderlijke vuisten leunde Gawein over de Ronde Tafel. En allen, op dat oogenblik, gevoelden, dat zij Gawein beminden, allen... maar niet Mordret en niet Didoneel....

Toen zeide Gawein:

—Mijn Vorst, als ik reeds deed te uwer liefde en te uwer eere zal ik het Scaec achterhalen, zoo helpe mij Sint Marië's Kind, God van Hemelrijk, zoo helpe mij Sint Michiel met zijn vlammenden brant, zoo helpen mij alle Heiligen van Paradijs. Aventure heeft zich eindelijk gekond, om na zoo vele bedenkingen tot daad te doen besluiten. Mijn Prins, ten tweede male zal ik het Zwevende Scaec u achterhalen; mijn Koning, ten derden male, al ware het over tien jaren weêr, zoû ik het Scaec u achterhalen, zoo het ten derden male zich kondde en voor u omneder zweefde. Want ik ben die gone, die trouw u is en was en zijn zal, in den Aventure, die was, in den Aventure, die is, in den Aventure, die zijn zal. Zegen mij, mijn Vorst, en beveel mij te gaan.

En Gawein knielde voor Koning Artur neêr, die hem zegende....

Maar nauwelijks was Gawein opgerezen of Keye's spottende hekellach klonk:

—Hahaha! grinnikte Keye zoo schel, dat het Acglovaels schaterlach smoorde in diens keel, toen hij schateren wilde om Keye's plotse verschijning van achter een boom tot in de zaal, terwijl ook Galehots glimlach bezwijmde.

—Dappere wigant, Gawein! spotte Keye. Merk ende versta! Hadt gij genomen een draad en dien aan het Scaec gebonden, zoo mocht gij nu het getrokken hebben tot u toe en het en ware u niet ontvaren!

—Zoo gij, heer Keye, sprak hoog en kalm Gawein; u eindelijk onthouden wilde van zoo kwade scherne, zoude ik dit wel op prijs stellen en u loven voor uwe hoofschheid.

En Gawein beval Gringolette te zadelen en men bracht hem spoedig zijn paard voor. Het was niet jong meer, het strijdros, dat Gawein bij zoo vele Aventuren bereden had; jaren reeds genoot het zijn rust want al besteeg hem zijn heer iederen dag, die stille rit door vreedzaam foreest was niet wat eertijds geweest was strijdbaar steigeren en draven in drakenstrijd en tweegevecht.... Dit dachten wel alle ridders, toen zij den schildknaap Gringolette voór zagen leiden, terwijl Gawein in den hof werd gerust en gewapend. Maar tevens dachten zij na, dat draken niet meer bestonden, nooit hadden bestaan en reuzen eigenlijk evenmin....

Twee andere schildknapen gespten Gawein den zilveren halsberg om, de maliëncotte, die sloot om borst en beenen en armen en waarover de wapenrok van zwaar donker scharlaken gleed tot aan de heupen. En een gouden liebaertkop was gewrocht op den wapenrok en op de hoes, die Gringolette, de geäppelde schimmel, omhuifde en die zelfde liebaertkop schitterde op Gaweins schild in goud. Toen boden de schildknapen de speer en het zwaard en Gawein steeg op en de Koning riep:

—Wellieve neve, dappere wigant, zie wat gij doet en hoor den raad, dien ik u geve: wacht u en uw paard voor ongeval, want zeer zoude ik daar toorn van hebben...!

Toen, na een laatsten groet met zijn speer, reed Gawein weg. En allen snelden de hooge tinnen op....

De Koning stommelde Guenever na, die reeds met Lancelot en de tien ridders vooruit was gesneld en Keye volgde den Koning, hinkende, na, de steile, smalle trappen van den toren op en de kapelaan met de clerken en de hellebaardiers en alle serianten, zij volgden allen eerbiedig den Koning, tot de Koning hen vóór wenkte te gaan en hij achter-aan met Keye de eene treê na de andere zich moeizaam opheesch. Tot zij allen tusschen de barbekanen en de kanteelen—zoo hoóg, dat zij de kruinen der boomen beheerschten—uit zagen over de vlakte, die omringde den burcht en bemerkten hoe Gawein draafde achter het Scaec, dat bij wijlen hoog, bij wijlen lager, hem scheen te tarten, te lokken....

En de ridders, de elf, achter den rooden mantelrug van den Koning, achter Guenever en hare vrouwen en alle de anderen, wisselden een blik met Merlijn, die, zoo dwaas jong, aandachtig toezag ter zijde....

—Is het Scaec Wònder? vroeg fluisterend Sagremort.

—Is het Scaec tooverië? vroeg grinnikend Acglovael.

—Dià... iablerië? vroeg Ywein.

Ook de anderen vroegen ter sluiks.

—Wat is diablerië? Wat tooverië en Wonder? En wat is het niet? antwoordde, met vaag beweeg van armen, Merlijn en Galehot meende, dat hijzelve, eveneens, zoo had kunnen antwoorden, en zonder toovenaar te zijn....


Maar Gawein, in de vlakte, draafde steeds achter het Scaec. En het zweefde zoo loom en zoo laag, dat Gawein meende, het werkelijk wel onder de hand te kunnen vatten...! Bijna had hij de gemaliede vingers geheven! Maar hij hief de vingers niet, want plotseling beving hem de vrees:

—Zoo ik het met de hand niet en zoû vangen, mocht er heer Keye zijn scherne meê maken....

En Keye's spot was het eenige, waarvoor versaagde Gaweins anders vreesloos hart.

Toen zweefde het Scaec weder hooger, boven de opene vallei.

En Gawein hoorde nog roepen den Koning van af de hoogste tinnen:

—God moet u geleiden, Gawein! Scheiden moeten mijne oogen hier van u...!

—God moet u geleiden! hoorde Gawein de ridders om den Koning roepen.

Gawein, zonder ommezien, om het Scaec niet uit het oog te verliezen, hief ten laatsten groet de speer hoog....

Toen breidde vlakte en vallei om hem rond, eindeloos en in de middaglucht, die goud gloeide tusschen witte wolkstapels in blauwen ether, zweefde steeds, als een vierkante vlieger, het Scaec....

—Maar ik en houd het niet aan een draad...! peinsde Gawein; als mij kwade heer Keye ried...! O, wonder Aventuur, zijt gij gekomen en zult gij u herhalen na tien jaren beidens, zoo precieselijk eender als ik u Destijds volbracht!? Het Scaec zweefde binnen, het Scaec zweefde weg.... Zal droomen mijn Koning deez' nacht? En zal ik? O, liever ware het mij geweest, zoo nieuw Aventure zich hadde gekond! Wat zich herhalen moet door noodlottigheden, herhaalt zich toch zekerlijk anders...? Zal ik mij nu niet verwerren in wat geweest is en wat nu zijn gaat? Wat bepeis ik in mijn moed? Versagen en wil ik niet! Het Scaec, het Scaec zal ik vinden, zal ik vangen, als ik het toen ving en vond! Het Scaec zal mijn eigen zijn en ik zal het mijn Prince brengen! O, Aventure, o menigertiere Aventure, dat toen mijn jeeste omringde, omring mij ten tweeden male!

Gawein draafde het Scaec achterna en hij bespeurde, dat het Scaec den zelfden weg zweefde, dien Destijds dat andere—of dat zelfde, want verdwenen was het eerste, niemand wist waar!—gezweefd had. De zelfde vallei omheen en toen... toen....

—O, Wonder! dacht Gawein.

...Rees, als vroeger, een gebergte, geheel den horizon afsluitende.... Spleet de berg open met nauwe spleet als vroeger.... Zweefde het Scaec binnen de spleet in den donkeren berg, als vroeger ...Reed Gawein, als vroeger, den berg binnen....

De spleet sloot dicht; het was donker, met hier en daar een gezeef van zwakken dageschijn door hoogere, smallere spleten heen....

Gawein seinde zich.

En hij bad:

—Helpe God, Sinte Marië's Kind! Ik ben in den berg, als ik was! Het is duister als het was! Het Scaec heb ik verloren! En al mocht ik uit den berg gaan, kwam ik zonder het Scaec te hove, ik zoude buiten love geworpen worden en met mij zoude heer Keye zijn kwade schere maken! God, die voor ons stierf en om ons verkoort den bitteren dood aan het kruis, help mij, Heer, uit dezen nood!

Toen hinnikte Gringolette angstig....


HOOFDSTUK VII

Gawein herinnerde zich.... Dit was de zelfde donkere, euvele plaats, waar hij tien jaren geleden door tooverië en magië, hemzelven onbekend, was binnen gedrongen en ingesloten....

Ruim was de holle berg, een eindelooze spelonk gelijk en de dag, door de nauwe spleten, scheen niet meer dan, hier en daar, een ster.... En, destijds, in deze duistere, bleek doorlichte, labyrinth-achtige caveerne, had hij het serpent gezien, de vreeslijke draak, met hare vier jongen en hij had eerst den vier jongen strijd geleverd—als kronkelende hellelarven hadden de drieste slangen om hem heen gekronkeld met de staarten en met de vlerken geflapperd. Gringolette had hen gruwzaam vertrapt, terwijl Gaweins zwaard naar links en rechts had gestoken, hun de breede pooten afbouwende, hun het vlijmende staal in de vlammende sulfer spuwende muilen stekende. Tot zij als een bloedig doorkloofd kluwen van afgrijselijke monsterlijkheid lagen levenloos in het nest, in hun laatsten fosforglans, die doofde met den dood en de moederdraak, blazende, was aangeschoven en aangeslopen door de donkere gangen, van buiten, waar zij voedsel en aas was gaan voor hare jongen halen. Het felle moederserpent, vier spuwende en verstikkende vlam, was over Gawein, in het duistere hol, neêr gevlogen, en had hem aangegrepen met klauwen en tanden, hem met den langen staart omkronkeld, terwijl hare wijde vlerken als van een duivel op stonden met de klapperende scherpe schermen. Gawein, in hare doodsomhelzing, was gegleden van zijn ros en Gringolette gevlucht, bonzende tegen de grottige muren, zich een uitgang zoekende en, omwrongen in des serpenten staartgekronkel, had Gawein eerst met zijn zwaard en, toen hem dit uit de hand viel, met zijn goede misericorde, zijn breeden dolk, steke na steke toegebracht, tot het gebeeste eindelijk dood lag en uit honderd wonden het heet ziedende bloed sproeieren deed over Gawein.... En nu wachtte Gawein af, tot wederom...? Waarom niet? Waarom zoû op nieuw niet een drakemoeder haar helsche kroost hebben gebaard in de caveerne; waarom zoû het op nieuw niet gaan gloren van fosfor, waarom zouden op nieuw niet de strijden worden gestreden? En Gawein, van Gringolette afgestegen, en het ros leidende aan den breidel, spiedde uit, langzaam voort gaande vol voorzichtigheid of niet plotseling.... Tot hij langs de sombere gangen van den hollen berg aan een wijdener holte kwam en zich herinnerde en zelfs zàg! Hier had hij de jonge serpenten verslagen...! Dáár had hij het moederserpent verslagen...! En hij versaagde, Gawein, meer dan hem een nieuwe drake hadde gedaan, toen hij, in het sterrebleeke gezeef des dagelichts door de spleten, onderscheidde de geraamten der jonge slangen, de blankende riffen met de leêge ribben, de blanke schedels, de bekkeneelen, de wervelgeledingen der lange staarten.... En, op korten afstand, spookte, als het skelet van een leviathan uit de eeuwen toen Christenen noch Heidenen zelfs leefden, het vreeslijke geraamte der moederdraak, versperrende den weg door de nauwe berggang; de wijde muile nog open gesperd, onder de witte ribben de leêge wijdte van den buik, die geweest was een gloeihaard van vuur, nu gedoofd en de vliezen der hooge schermevlerken, verschrompeld, hingen in rafels aan de beenderen ervan en schenen een reusachtige vleêrmuis, in den dood verschrikkelijker want spookachtiger dan een nieuw ondier geweest zoû zijn.... En Gawein seinde zich en toorn had hij in zijn gemoed, dat zich alleen de dood van het Verleden herhaalde en niet het levende Verleden zelve.... Hij besloot bij zichzelven, zoo hij ooit behouden en met het Scaec terug te Camelot zoû keeren, niet van deze verbleekte overblijfselen één woord ook maar te reppen: hij was bang voor heer Keye's venijnigen spot.... En met zijn zwaard hieuw hij in het geraamte, dat hem versperde, links en rechts: de ribben rolden door elkaâr en de vlerken stuivelden te zamen tot stof en door wat een spooksel geweest was, trok Gawein zijn ros meê, dat tegen stribbelde als gevoelde het de huiveringwekkendheid van dit nog overgeblevene Destijds... Maar zijn heer, die zich heugde het nauwe pad door den hollen berg heen, zag eindelijk het licht heller stralen en de opening in den berg, die hij ook Destijds uit was gegaan....

Ja, ook de berg, daar buiten, was de zelfde gebleven. De berg rees, als toen, op uit een onafzienbaar breede rivier, met groote rotsblokken gestapeld en scheen wel een reusachtige kerk, die gebouwd zoû zijn op een eiland, midden in een diepen, diepen vloed. En Gawein herinnerde zich, dat hij met Gringolette van die hooge oevers in den diepen vloed was gesprongen en dat zij gezwommen had uren lang en toen gerust op een landtong en wederom was door gezwommen, tot hij gezien had voor zich een burcht, die, met tallooze torens, wel scheen van goud te zijn. En dáár, in dien burcht, had hij immers toen getroffen den Koning van den Mirakele, en Alidrisonder, zijn zoon en tusschen hen beiden had, o Wonder, het Scaec gestaan en de Mirakele-koning had beloofd het Gawein af te staan zoo deze hem het Zwaard zoude brengen, het Tooverzwaard met de twee Ringen...!

Dat Zwaard behoorde aan koning Amoraen en deze had het Gawein wel willen afstaan, zoo hij hem bracht Ysabele, de schoone dochter van Koning Assentijn, en Gawein had Ysabele gewonnen, maar ook lief gekregen, de schoone! En, ach ja, toen Gawein Ysabele aan Amoraen volgens ridderbelofte was komen afstaan, was deze reeds zoo fortuinelijk van de aarde verscheiden, zoodat Gawein de jonkvrouw voor zichzelven had kunnen behouden, al had hij het Zwaard moeten geven aan koning Mirakel, om het Scaec voor Koning Artur te krijgen....

En met Ysabele en Scaec was hij te Camelot Destijds gekeerd en Keye had niet kunnen spotten.

Wacharme, hoe zoû het nu verloopen? Waarom had het zelfde Aventuur zich herhaald? Nu Gawein er over dacht, opgestegen aan den boord van de breede en diep verzonken rivier en in den glad weg stroomenden afgrond van wateren, als in een toekomstspiegel, poogde te zien, vroeg hij het telkens zich wederom af: waarom had dit zelfde Aventuur zich herhaald? O, waarom had zich niet liever een nieuw Aventuur gemeld? Het is afmattend en niet bemoedigend het reeds volbrachte Aventuur weêr door te maken; het is afmattend en niet bemoedigend, in steê van een pas uitgebroed of gebaard drakennest—broeden of baren, dat wist eigenlijk niemand en een drake-ei was nooit gevonden—de riffen en ribben weêr te zien van jaren geleden verdolgen ondieren. Destijds was Gawein oversproeierd geworden met drakebloed en in den strijd was hem wapenrok gescheurd, halsberg ontmalied, schild bijna versmolten in vurigen drakezwadder en zwaard geschaard en verwrongen. En hij had zich, Destijds! daat beneden in het gras gezet, gewasschen zijne wonden met het water van de rivier en Gringolette gewreven de flanken met krachtige palmen en met meer liefde zeker dan welke stalgarsoen ook het ros verzorgd zoude hebben met roskam en borstel! Terwijl nu, dat Gawein tuurde in het water, hij zich bewust werd toorn in zijn gemoed te hebben, niet gewond te zijn en niet met drakebloed te zijn oversproeierd... Gringolette was heelemaal niet moê.... Toch zoo lange te zwemmen in den diepen afgrond van water tegen den stroom op, zoû Gringolette het nù nog vermogen? Gawein klopte met de maliënhand het ros op den nog satijnigen hals en het trilde zalig onder de welbekende, om den metalen handschoen, wat ruwe koozing. En Gawein besloot van ja en dat Gringolette niet oud nog en was... Hij dwong haar dus, met de lange sporen in de zijde, te springen en, een korte wijle aarzelend, sprong zij den afgronddiepen sprong. Het glad stroomende water bruiste om haar op en schuimde en zij hief haar ietwat hijgende hoofd omhoog, de oogen verwilderd van den sterken stroom, dien zij tegen op moest zwemmen....

Toen een schaterlachen van boven weêrklonk. Gawein, verbaasd, keek op en hij zag aan den oever van de rivier, waar hij was afgesprongen, een jongen herder, tusschen zijne schapen. De zon, over de vlakte, die zich als een vallei van purper strekte, zonk en gloeide goud tusschen de lager gestapelde witte wolkmassa's, ze als het ware met zich mede sleepende in haar zinken en over de wollen ruggen der zacht blèrende schapen streek de gulden schampval van het licht. Over den kathedraalachtigen berg, uit wiens holte Gawein was ontsnapt, vloeiden de violette schemeringen en het bergbeeld spiegelde verkabbeld zacht lila omneêr in den stroomenden vloed, wijd als een meer, de overzijde der lage wateren niet zichtbaar in vaalwitte nevelen, die rezen....

Toen hij den herder ontdekte, werd toornig Gawein, maar riep, zich met hoofschheid, zelfs tegen een dorper en vilein, bemeesterend, kalm naar de hooge helling op:

—Darf ik vragen, jonge knape, wat u zoo blijde lachen doet, daat boven aan den hoogen oever, terwijl hier omlaag een ridder moeizaam zijn ros stroom-opwaarts naar gindschen verren burcht dwingt?

De herdersknaap schrikte nu van eigen spot, en riep, hand aan zijn mond, terug naar omlaag:

—Door uwe edelheid, heer ridder en groote baroen, hebt mijns genade! Of het uwe wille is en bekwame, wees mij niet booze, maar toen ik aanzag hoe gij uzelven in meswende gebracht hebt door te springen met uw goede ors in zoo diepe wateren, terwijl gij rustig hadt kunnen gaan den zelfden weg, dien ik voor mijn kudde ontdekt heb, toen heb ik gelachen. Vergeef, edele heer, een dorperlijken keytief: ik en had niet moeten lachen, voorwaar: heb mijns genade!

Gawein was goedertieren en toornde niet meer; op het zwemmende ros—en hoe hijgde Gringolette!—riep hij naar boven, den herder toe:

—Is dan een weg gemaakt naar den burcht van Koning Mirakel, waarheen ik tien jaren her heb moeten gaan op mijn zwemmend paard als ik nu ga?

—Zekerlijk, hooge baroen! antwoordde de herder; een harde gemakkelijke weg is hier al gemaakt sedert jaren. En dezen morgen toen ik mijne kudde weiden ging, zag ik over den weg een tooverwagen bliksemsnel glijden, een van zelf voort snellenden wagen en ik versaagde harde en seinde mij want in den wagen stond eene trotsche princesse, zoo zij niet eene tooveresse en was en zij had een staaf in de hand en met haar gebaar alleen stuurde zij den wagen over den gladden weg. En als ik niet doole, heer ridder, in mijn dorperlijk verstand, was de fee of de trotsche princesse Morgueine, die is de bloedeigene zuster van Merlijn, den toovenaar, die jaren her dezen weg heeft gestrekt!

Onderwijl zwom in de watere diepte Gawein op Gringolette voort, en hij bespeurde hoe de sterke stroom zijn ros tegen de hijgende borst sloeg en het den adem benam.

—Mijn brave herder, zeide Gawein. Verre is nog het slot van den Koning Mirakel en ik neem goom, dat mijn ors pijn heeft tegen den stroom op te zwemmen. Maak mij vroed: waar kan ik tegen de helling van den oever opstijgen daar het niet en zoo steil is?

—Heer ridder, riep de herder. God geve u gratie wel te doen, maar uren nog zult gij zwemmen moeten doen uw goede ors: zie dan toch hoe steil hier de oever blijft en ter andere zijde zwemmen is gelijk het oversteken van eene zee en leidt verre weg van Koning Mirakels burcht... Maar dichtbij het slot weet ik wel een plek waar òp te stijgen mogelijk is!

Zwijgend nu spoorde Gawein Gringolette aan voort te zwemmen, terwijl de jonge herder, boven, op den oever, te midden van zijn zacht blakende kudde in den gloor van de zinkende zon mede met ridder en ros ging. En Gawein dacht:

—Zoo snel en zonder mij te beraden ben ik met Gringolette omneêr gesprongen in het diepe, lage water! O, zoo ik geweten hadde van dien weg, dien Morgueine met den tooverwagen weet over te vliegen en dien Merlijn jaren her heeft gebaand! Maar ik en wist van niets! Wijl ik rustig had kunnen stappen doen mijn arme ors, moet ik het doen zwoegen tegen zoo feilen stroom op! En het Scaec.... ik en zie het niet zweven meer, sedert ik den hollen berg uit kwam....

Te gelijker tijd, toen zijne oogen zich hieven als onwillekeurig, om het Scaec te zoeken, zag Gawein ginds, in de laatste waaierstralen der zon over de vlakte, iets schitteren, als een vogel, een vlinder. En hij slaakte een vreugdekreet. Want de vogel, de vlinder vervierkantte zich, glinsterde scheller als met vierkante velden doffer en heller juweel en op die velden, harentare, stonden de stukken des Schaakspels, schitterden de gouden, waarmede Koning Artur gespeeld had, minder fel de zilveren des onzichtbaren tegenspelers....

Maar de herder zàg niet en riep:

—Edele heer, wat is geschied? Kan uw ors niet meer den stroom op? Hoû goeden moed, groote baroen; nog een vierde stonde zwemmens en gij zult stijgen de minder steile helling omhoog van den oever!

Gawein antwoordde niets. Hij bleef, de oogen hoog, volgen het Scaec.... Het zweefde de waaierstralen uit van de zon en toen, plotseling, als met de vlucht van een vogel, streek het naar links, waar in het violette avondduister rosse torens begonnen zich in verre zichtbaarheid te doen raden....

—Het Scaec! juichte stille in zich Gawein. Het slot van den Koning Mirakele! Als Destijds zal het er dalen en binnen dringen en zal ik het er vinden, tusschen den Koning en zijn zone, Alidrisonder! O Wonder, o Wonder! O Aventure! Gringolette, sneller gezwommen! Dat het mij niet ontga! Sneller, sneller, Gringolette....

Het ros zwom.... Het kreunde, met open mond, de oogen, schoon als die van een vrouw, puilend van doodsangst, terwijl boven op den oever, steeds de herder, angstiglijk neêr ziende, mede liep en zijne blatende kudde dreef voor zich uit.

Tot hij eindelijk riep en wees:

—Heer ridder! Valiante baroen! Nog enkele minuten en ginds, zie! ginds daalt de oever plots en is de steilte gedaan!

Toen sloeg Gawein zijne oogen naar den verderen oever, dien wees de herder en voelde hij, dat aan Gringolette, snuivende, hijgende, hare laatste krachten begaven....


HOOFDSTUK VIII

Gawein dwong het ros naar den oever. Het gehoorzaamde, uitgeput, sloeg met de voorhoeven in de grazige helling, die daar afglooide naar het water, gleed uit, maar slaagde eindelijk en klom met den ridder op. Toen, aan den kant van den weg, waarvan Gawein niet geweten had, viel het wankelend in een, zoodra haastig de ruiter was afgestegen en lag, hijgende, met de puilende vrouwe-oogen en de kloppende flanken, waarvan het water droop.

—Awi, ach wacharme! kreet smartvol Gawein. Gringolette, gaat gij mij begeven!?

De uitschichtende krans der zonnestralen doofde, een donkerder paars spreidde over den geheelen hemel, het water stroomde voort in reeds nachtelijke schaduw en ginds in de verte, verrees de burcht van den Koning van den Mirakele en donkerde tegen den laatsten gloor van den dag. De schapen graasden zacht blatend, kabbelend de wollene ruggen, aan de grazige helling rondom en de jonge herder knielde met Gawein neêr naast de hijgende merrie.

—Lace, heer ridder! klaagde de herder mede; uw goede ors, het is wel krank. Bied mij uwen helm, baroen, opdat ik er water in putte om haar verhitten kop te besproeien....

Gawein, klagende als in grooten nood, ontdeed zich van zijn helm en de herder liep er meê omlaag en kwam, den helm gevuld, weêr op.

—Awi, ach wacharme! klaagde Gawein steeds. Zie, mijn ors sterft! Brave herder, mijn ors sterft!! Gringolette, wilt gij mij verlaten en hier alleen laten bij dezen rivier, dien ik u heb doen op zwemmen en zonder noode!?

De herder besproeide met het water uit den helm het hoofd van het paard, dat Gawein in zijn schoot had genomen. En met stervende oogen keek het zijn heer aan, hief toen den open mond omhoog, en kuste, blazende den laatsten adem, hem over zijn mond. En zonk toen in een en lag stil. En Gawein, opgerezen, riep:

—Herder, Gringolette is dood! Vermoord heb ik haar, lace! Oud was zij nog niet maar hare krachten waren niet meer de zelfde! Tien jaren geleden deed zij ook dien zelfden sprong van dien muursteilen, rotsigen, hoogen oever; tien jaren geleden zwom zij de rivier op, tot aan den burcht van Koning Mirakele! Zoo trouw was zij, dat zelfs wen ik was afgestegen, zij nimmer afdwaalde maar marde tot ik haar weêr nam! Geen smette en zoude wie ook aan Gringolette vinden: zij was zoo sterk en zoo goed en bewaakte mij met hare leden zoo als ik haar beschermde met mijn schild! Wen ik gewond was, en bewusteloos lag, neyede zij in den pleine en maakte groot misbaar, tot mijne knapen mij kwamen vinden en wen ik haar dan terug zag, met mijne oogen, dacht mij, dat ik al leeds vergat, begon mij het hart te verhoogen en gevoelde ik mij of ik al genas!

De nacht was geheel gezonken. Daar ginds, tegen de ijl blauwende lucht, waarin de starren ontloken, ging vagelijk de ommelijn van den burcht duisteren, week verder en verder weg als een droom, aan een droomeinder, die onbereikbaar werd.

—Heer ridder en baroen! klaagde de herder bewogen. Wat zult gij, hier, nu uw ors verging, nog langer toeven aan de rivier! Wilt gij niet met mij mede gaan naar mijne hut en darf ik u geen gastvrijheid bieden, al zij het maar een bedde van stroo en een bete broods voor avondmaal?

—Brave herder, antwoordde kalmer Gawein. Heb dank voor uw aanbod maar deze nacht blijf ik hier, waken over mijn ors, dat de raven het niet en komen vreten en de heksen haar niet en komen verscheuren voor hare brei, die op de onzalige ketelen ziedt. Brave herder gij, met uw jongen lach en met uwe jonge tranen om leed, dat niet was uw eigen, ga met de schapen: laat zal het zijn voor gij de stallen bereikt; ga en laat mij alleen bij de rivier...

En Gawein dwong den herder te gaan, met zijne schapen, den weg op, de vlakte toen over, de nacht in.... Het was als een vage kabbeling, die verdween, daar ginds, in de stilte, in de starre-doorlichte schemering, in de schemering van het onbestemde..... De burcht was geheel aan de nevelige kim verzwijmd.... Geen geluid klonk boven den stadigen stroom uit van den vloed, die klaterde zacht en eentonig. En alleen bleef Gawein met het doode ros, onder de starren, die stralender klaarden.

Gawein, in het gras, was wederom gaan zitten. Hij nam het doode hoofd van het paard in zijn schoot en maakte er drie malen het teeken des Kruizes over. En alles wat het ros hem geweest was, overleefde hij of schimmig hem het Verleden omzweefde. Toen legde hij het hoofd neêr zacht in het gras en knielde bij Gringolette en bad.

Zijn zwaard had Gawein bij Gringolette's doode hoofd gestoken in de aarde en het kruis van het gevest teekende zich af in het vage licht van de nacht als een heilig symbool van bewaking. En Gawein betreurde, dat hij geene kaarsen ontsteken kon rondom het dierbaar lijk....

Hij begon de nachtwake, gezeten op een terp, stil, het helmlooze hoofd gebogen, de bloote handen gevouwen. Toen hij opzag, bespeurde hij, dat zes dwaallichten rondom het paard flikkerden. Zij bleven op gelijken afstand als stille sterretjes zweven en Gawein begreep, dat zij door de goede gnomen waren gezonden. Langs den boord van de rivier, dwarrelden tallooze vuurvliegjes. Maar over de vlakte zag Gawein ook naderen zes gloeiende lichten, met gele, groene weêrschijnen en hij begreep, dat het drie wolven waren. In een boom, trots de nacht, kraste drie malen een zwarte vogel en andere vogels, op dien kreet, vlogen aan.

De geheele nacht bleef Gawein de wake doen tot de vroege dag kleurloos rees. De azende vogels zaten stil en somber toe te kijken op de takken. De burcht, daar ginds, scheen vaal en vaag in den morgenmist en Gawein twijfelde of het wel was de vroeger zoo goudene burcht van Koning Mirakel, waar hij het eerste Scaec had gevonden.... Trouwens, hij dacht nauwlijks aan het Scaec, aan de queste, die hij volbrengen moest. Zijn hart was vol stille wanhoop, omdat hij verloren had, eerst zijn zoete vrouw Ysabele, die hij wel dikwijl was ontrouwe geweest; nu zijn Gringolette! Zijn verdriet drukte zwaar over zijn vertrouwen en hij hoopte niet meer, dat hij zoû vinden dit maal het Scaec....

Toen de dag doorbrak, rees hij en trok zijn zwaard uit de aarde. En begon hij met zijn zwaard om Gringolette heen vier diepe vorens te trekken. En de aarde uit te graven onder haar doode lijf en haar graf te delven. En arbeidde hij, een serf gelijk. Hij dolf en dolf, met zwaard en met handen en lanzamerhand zonk het lijk weg in de aarde. Het laatst bedekte hij het hoofd met het zand en hij torste van den rivierboord de zware steenen naar boven en stapelde ze over het graf. Toen, legde hij zijn schild, waarop de gouden liebaertkop, over de steenen. En stak zijn zwaard wederom in den grond, ter plaatse, waar het zijn kruis zoû richten bij het hoofd van Gringolette. En hij plantte ter zijde van het graf diep zijn speer en zette daarop zijn helm en hij legde de maliënhandschoenen er bij. En toen ging hij, na een laatste teeken des Kruizes over wat hij achter liet, blootshoofds, de lokken, die glansden als die van een vrouw, vallende tot over zijn halsberg, ongewapend en langzaam den weg op. De nieuwe zon straalde over de wereld uit, de zwarte vogelen waren verdwenen en een leeuwerik twetterde hooger en hooger de eindeloos doorzichtige lucht in.

Maar onverschillig ging Gawein. Naar Camelot terug keeren wilde hij niet; zoo hij zonder wapenen, zonder Gringolette, zonder het Scaec zoû komen, zoû zeker Keye spot met hem drijven. Den weg op naar den burcht van Mirakele ging hij maar eigenlijk zonder te weten waarom, omdat hij zeer twijfelde of dit tweede Scaec hij vinden zoû bij den Wonderkoning. En, in zijn maliëncotte, ging hij, wel vreemd doelloos een ridder, zoo ongehelmd en zwaardloos en paardloos, langs den weg, die leidde in het Wonderland. Tot hij achter zich hoorde een fel getoeter als van schelle trompetten. En omziende zag hij een tooverwagen, die naderde, naderde bliksemsnel, raderende in een wolk van zongoud-doorpoeierde stof en hoog in den wagen stond een vrouw. Zij richtte met de eene hand heur wagen door een horizontaal cirkelend stuur en in de ander hield zij een staf, waarmede zij scheen aan te geven de wendingen, die de wagen moest nemen evenwijdig aan de wendingen van den weg. Als een wapperende wolk omringde haar heur doorzichtig scharlaken mantel, die omviel haar uit haar schitterende helmkroon over de schubben van haar kuras. En zij was heel schoon in de blauwzwarte haren, die haar trotsch gelaat omzwierden.

Toen hare trompetten, die ter zij van den wagen hunne gouden monden vooruit staken, hadden getoeterd ter waarschuwing en Gawein zich had omgewend om te zien, vertraagde zij den gang van haar tooverwagen. En stond toen stil, met een ruk, terwijl een blauwige nevel en een vreemd zoete zwijmelgeur haar wagen omdampte. Gawein verwonderde zich, maar toen hij Merlijns zuster herkende, Morgueine, de fee, groette hij haar hoofsch met hoofd en met hand. En zij ook herkende hem en riep:

—Gawein, groote wigant en Vader van Aventure, wat tref u ik hier op den eenzamen weg en zonder helm, zwaard, speer, schild ende ors?

—Morgueine, antwoordde Gawein. Mijn zoete ors, Gringolette, stierf en mijn schild beschermt haar graf; op mijn speer staat mijn helm haar ter zijde en bevat eene laatste gedachte van minne aan haar en het zwaard, dat aan heur hoofdeinde steekt in den grond en met zijn kruis haar bewaakt, zal zich heffen in mijn ijzeren handschoen, zoo mensch of dier haar gesteente schendt, zoo helpe mij Marië's Kind, Jezus Kerst van Nazarene!

—En waar gaat gij henen, Gawein, alleen en loopende blootshoofds in het stof van den langen weg, geen ridder gelijk maar een banneling, die niet weet waar zijne schreden hem voeren?

—Lace, Morgueine, weet ik waar henen ik ga? Zal ik tot Camelot keeren om Keye, voor wien ik vrees, zijn schere met mij drijven te doen? Ik ga, ik ga, ik en weet niet waar henen; ik ga, ik ga voor mij uit!

—Zoo stijg in, valiante ridder, noodde Morgueine; en ik zal u voeren naar mijne Valleie, die is vol jolijt en solaes van riveel en amoers!

—Morgueine, wederstreefde Gawein. Wat wilt gij mij mede voeren naar uwe tooverlandouwen, naar het Dal van den dollen Dans, waar wie binnen treedt, danst tot hij dood valt en waar uit ik Lancelot, die zonder arg was binnen gedoold, heb moeten verlossen van den dood, dien gij hem aan wildet doen, mijn edelen gezel, dien ik min!

—Gawein, glimlachte zoet Morgueine. Ik en voer u niet naar dat dolle dal: ik voer u naar wel andere beemde, vol vië van vreugde en zaligheden waar in de wijde valleien, tusschen prayeelen en pauwillioenen vol schaduw en zoete rust, staan de wonderbare boomen van peper, anijs en gingebare, vijgen en notemuscaten, pumegernaten en amandelen! Wij zullen er in mijne foreesten de witte herten jagen en de vlakkige leoparden en wen wij terug van de jacht komen, zullen wij hippocras drinken en clareit en avondmalen met pauwbraad en pasteien! Harpe en psaltherion zullen voor ons spelen van zelve: ik heb een orgel, dat zweeft in het geluchte en zingt dan uit alle zijne zilveren pijpen, die klinken zuiverder dan goudene, bij mijne rechte trouwe! En wij zullen de gnomen om ons dansen zien en de elfen om ons zingen hooren, met hooge stemmekens, die trilleren als zilveren klokskens! Op het meer, dat is doorzichtig als glas, zullen wij spelevaren op een vlot met tal van toortijtsen om ons rond en wij zullen zweven op glanzende muzijk tot aan de maan.... Komt gij niet mede, o Gawein?

Gawein, moedeloos, glimlachte en stapte in. De wagen begon te snorren, bewoog rukkende vooruit en snelde weg, voorbij Koning Mirakels burcht, voor dat Gawein het zich bewust was. Hij zat aan Morgueine's voeten en voelde zich mede voeren in duizelingwekkende vaart.

—Deze is de wagen, zeide Morgueine; van mijn broeder, Merlijn. Maar ik loof deze enghiene niet harde, want door de lucht en kan ik er niet mede varen en Merlijn houdt zijn fenix-vogel voor zich! En als mijne diengeesten mij niet in de verborgene bronnen onder den grond weten te vinden de geurige oliën, waarmede de wagen bewogen wordt—want hij gaat niet van zèlve, Gawein, maar door middel van geheime beweegkracht en wonderoliën—dan kan niets zoo zware enghien voor uit drijven, al is de weg ook nog zoo glad!

Maar de wonderolie en de geheime beweegkracht schenen niet te faelgieren, want de wagen vloog, vloog voort als een vogel.. Hier wist Gawein nauwelijks waar hij was, in welk rijk, want het was niet Logres en het waren niet de landen der omringende koningen. De boomen hadden wonder kronkelende takken; aan de twijgen, tusschen de groote bladeren, hingen de roode, lange en de ronde, goudgele vruchten; een sneeuwwitte hinde ijlde plots over den weg en verdween tusschen de warreling van bloesemende, blanke amandelstruiken en ooftzware granaatappelboomen en plotseling zag Gawein voor zich uit strekken de toovervallei en klonk de zoete muziek uit de van zelf spelende instrumenten, die zweefden, even vaag zilver of nauwelijks elpenbeenblank, tusschen zwoele wolkjes, in blauwe zomerluchten boven.

—O, Wonder! zeide Gawein. Hoè spelen die speeltuigen van zelve, Morgueine?

Morgueine schaterde, terwijl de wagen met forschen ruk stil stond, zoo dat Gawein bijna er uit viel....

—Niet anders dan door tooverconste, Gawein, zeide zij; wees des gewes....

Zij stegen uit. En aan de hand voerde Morgueine Gawein binnen de tooverpoort van de Vallei der Ontrouwe Ridders, waaruit een ridder, die ooit ontrouw geweest was aan zijne geliefde, alleen verlost kon worden door een ridder, die nooit ontrouw geweest was....