HOOFDSTUK IX
Gedurende een maand reeds had Koning Artur, hadden de ridders te Camelot niets vernomen van Gawein, die ter queste getogen was en hoewel een maand niet bizonder lang is om een Zwevend Schaakbord te vangen, begon Koning Artur, begonnen de ridders ongerust te worden en fluisterden de laatsten onder elkaâr wat er toch met Gawein had kunnen gebeuren...? Tevens was het vreemd, dat Didoneel en Mordret des avonds dikwijls afwezig waren, voor welke afwezigheid zij niet bizonder aanneembare redenen konden opgeven, terwijl daarbij nog kwam, dat Merlijn gedurende een maand zich niet op Camelot had laten zien. Het waren alle dingen, die een onaangename stemming opriepen te Camelot, waarvan alleen, naar het scheen, Lancelot en Guenever zich weinig schenen aan te trekken. Tot eindelijk Merlijn, op een goeden dag, heel vroeg tegen priemtijd, op zijn fenix aan kwam vliegen en, afgestegen, met vragen door de ridders werd bestormd. Wist hij niet waar Gawein was en waar was hij zelve zoo lang geweest?
—Waar ik zoo lange geweest ben? antwoordde Merlijn. Maar mijn dappere wiganten, ik ben niet als gij lieden, die hier tot Camelot reeds sedert tien jaren respijt neemt van uwe heldendaden en rustiglijk afwacht tot Aventure zich meldt! Ik ben, het is waar, een tooveraar, maar ik ben tevens een chemicus, en een fyzicus, een mechanicus, een naturalist, een man van occulte sciencië en ik heb veel te werken, ik heb werkelijk veel te werken! Denkt gij, dat ik maar iederen dag hier tot Camelot kan komen klapaaien en maar niets doen en zitten te bepeizen van Wondere ofte van geen Wondere? Ik heb dezer dagen doorgrond of ik niet de sprakebloemen, die de gesprekken tusschen Morgueine en mij opvangen en terug kaatsen, draadloos kan inrichten.
—Draadloos? schaterde Acglovael het uit.
Merlijn zag den te pas of te onpas schaterenden ridder aan en haalde zijne schouders op.
—Ja, draadloos, zeide hij, droog. Nu hebben wij er metalen draden voor noodig, die spannen mijn gnomen mij onder de aarde, weet gij, Acglovael. Draadloos zoude veel simpeler zijn. Maar omdat Morgueine deze maand nimmer in haar slot aan zee was, nam mij het werk veel tijds en nu eerst ben ik er achteren gekomen waar zij zich divertiert en dat is in de Valleie der Ontrouwe Ridderen en daar drijft zij jolijt met honderd-vijftig Ontrouwen....
—Honderd-vijftig? weifelde Sagremort.
—Honddd...erd-vijftig? stotterde Ywein verbaasd.
—Min noch meere, verzekerde Merlijn. En de honderd-vijftigste is... Gawein.
—Gawein?? riepen Hestor en Meleagant.
Galehot glimlachte omdat hij al lang geraden had, waar Gawein zoo lange toefde. En toen Lancelot en Gwinebant aan kwamen wandelen, beider arm om malkanders schouderen, lichtte Galehot hen in:
—Gawein divertiert zich met Morgueine in de Valleie der Ontrouwe Ridderen....
En Merlijn vertelde van den dood van Gringolette, het goede ros, en hoe Morgueine hem eindelijk door een sprakebloeme had gemeld, dat Gawein haar honderd-vijftigste Ontrouwe was.
—Als de Koning dàt hoort...! zeide Lancelot ontsteld.
—Alleen een ridder, trouw aan zijne minne, kan Gawein verlossen! zeide Gwinebant.
—Zoo ga gij, Gwinebant, zeide Merlijn. Gij dròomt zelfs niet van andere jonkver dan van Ysabele, Assentijns kleindochter.
—Gwinebant lieft niet lange genoeg! Hij en is niet genoeg beproefd! riepen Meleagant en Hestor.
—Twijfelt gij aan mijne trouwe? riep Gwinebant, de klare stem klaterend van verontwaardiging.
—Wie van u is dan trouw? vroeg Merlijn, die het wel wist.
Zij waren het op één na van allen geen. En zij glimlachten tegen malkanderen en schokten de schouders en zij wisten van malkanderen, dat als zij ééne jonkver hadden bemind, zij er ook eene andere hadden bemind. Gwinebant, die was nog een knape... al telde hij maar drie, vier jaren minder dan zij.
—Lancelot, antwoordde toen Hestor en hij antwoordde zeer modestelijk, alsof hij aan zich zelven niet dacht.
—Ja. Llll...Lancelot! beäamde Ywein.
—Lancelot! riepen de anderen.
Lancelot stond, als wilde hij zich verontschuldigen, de oogen neêr, het gebaar vaag weêrgevend zijn onmacht ontrouw te zijn. Toen zeide hij vast en sloeg de oogen op:
—Ik ben trouw!
—Gij zijt trouw, Lancelot! riepen zij allen. Bij Sint Michiel!
—Zoo zal het aan u zijn... begon Merlijn.
—Aan u! vielen zij allen in.
—Het zal aan mij zijn, beäamde Lancelot. Ik zal den Koning vragen verlof Gawein te verlossen...
—Neen, dat niet vragen! riepen zij allen. De Koning weet niet....
—Dat Gawein....
—Toeft in de Valleie der Ontrouwe Ridderen! riepen Sagremort, Acglovael en de anderen.
—Waar zijn toch Mordret en Didoneel? dacht Galehot.
—Ik zal, hernam Lancelot; den Koning verlof vragen Gawein... te zoeken!
—Te zoeken, ja justement!
—Ik zal u helpen, Lancelot! riep Merlijn. Werkelijk, mijn zuster Morgueine drijft ergerlijk spel in hare Valleie....
—Honddd...erd-vijftig! verontwaardigde zich Ywein.
Een zware bel slingerde zijn metalen roep. Het was het teeken, dat Koning Artur afdaalde ter Ronde Zale en zijn troonzetel in zoû nemen aan de Tafel Ronde. En reeds verscheen hij, geleid door Guenever, en drie pagiën beurden zijn mottigen mantel. En de ridderen, een voor een, naderden hun leenheer en vorst en bogen voor hem de knie....
Met dezen noen togen Lancelot en Gwinebant, na verlof van den Koning te hebben gekregen, er te paard op uit om Gawein te zoeken. Merlijn had het betreurd hen niet dadelijk te kunnen helpen, omdat hij juist zijn tooverwagen ter beschikking van Morgueine had gesteld: anders hadden de beide ridders er een toer meê kunnen maken tot aan de Valleie van de Ontrouwe Ridders.... Maar toch, ze hadden geen van beiden met de enghiene kunnen omgaan—zeide Merlijn—en den wagen kunnen sturen en Merlijn zelve had het dien dag te druk met de draadlooze theorië te vervolmaken. Zoo dat zij met hun beiden te paard gingen, de vlakte over in zonneschijn en om den wonderberg heen, want die ontsloot zich niet voor de ridders. Zoo dat zij langs de rivier reden; breed was de rivier als een zee; soms draafden zij, soms stapten zij.... Gwinebant keek telkens op, of hij het Scaec niet en zag, maar er was geen Scaec te zien; trouwens, het zoû ook niet altijd de lucht doorzweven en misschien nu reeds rustig wachten ter plaatse waar Merlijn het heen zoû zenden, opdat Gawein het vinden zoû na Aventure, groot en klein. En plotseling zagen de ridders, ter zij van den weg, een graf van steenen gestapeld en zij ontroerden hevig, want zij herkenden helm en zwaard en schild en speer van hun makker Gawein en zij begrepen, dat hij ongewapend Morgueine in de Vallei was gevolgd. Zij waagden echter zwaard noch helm noch speer noch schild van Gawein mede te nemen en weg van het graf, dat zij begrepen te zijn van Gringolette, die bezweken was van het zwemmen. En zij maakten zich beiden het teeken des Kruizes en passeerden het graf, front makende op hunne paarden omdat Gringolette bijna menschelijk verstand had gehad en zekerlijk nu hare ziel weidde in de hemelsche weiden, die voor de poort zich strekken, waar Sint Peter waakt, met de Sleutelen, en waar alle goede paarden, in den strijd verslagen of anderzins omgekomen, naleven een lief leven van vrede, en klaver en haver.... En zij reden steeds verder en het werd reeds avond en zij ontmoetten den herder, die terug keerde met zijne kudde en hij groette hen beleefdelijk—hij was zoo gewend ridders te treffen te paard of feeën in tooverwagens, zeide hij—en hij vertelde hen ook van Gringolette's dood: dat was nu al meer dan een maand geleden! Sedert had hij dien edelen baroen niet meer terug gezien.... Maar het graf, daar van konden de edele baroenen zeker zijn, zoû door niemand worden geschonden: daar waren de ridderlijke wapenen en het schild en de helm en de handschoenen borg voor, zeide de herder. Van de Valleie wist hij niets, maar hij meende, de baroenen moesten maar altijd recht-uit rijden, den Burcht van Koning Mirakel voorbij en dan links: daar waren weder andere wonderlanden: o, er waren er hier zoo vele, aan deze zijde van de rivier. Zoo dat, met het vallen van den avond, de ridders nog immer reden, nu stapvoets en dan weêr in draf, tot zij begrepen verdwaald te zijn door dien linkschen weg. Hunne paarden waren wel moede en Gwinebant zeide, ongeduldig:
—Waarom zendt Merlijn ons ook niet een teeken, dat wij in de nacht niet en verdwalen...!
—Hij is bezig met de draadlooze theorië, verontschuldigde mild Lancelot; maar mij ware het ook bekwaam zoo wij hier een burcht zagen, om gastvrijheid te vragen....
—Zoo wij terug gingen tot Koning Mirakel...? aarzelde Gwinebant.
—Wij gaan nimmermeer terug, Gwinebant, wen wij eene queste doen, zeide streng Lancelot.
En Gwinebant bloosde als een maagd en hij zeide, nederig:
—Gij hebt wel recht, Lancelot; zoo vergeve mij Sinte Marië, onze Lieve Vrouwe aller Genade.... Wij gaan nimmermeer terug.
En zij stapten voort in de nacht, die gezonken was. Het land aan de kant van den weg strekte zich eindeloos en verlaten uit onder den schijn van de starren, die weefden een zilveren mist. Aan den anderen kant van de rivier waren de kimmen niet te zien en het water was zoo breed als een zee....
—O zie! zeide Gwinebant en hij seinde zich vol vromen huiver.
—Ik zie! Ik zie! zeide Lancelot en ook hij bekruiste zich.
De beide ridderen hielden de paarden in. Zij zagen ademloos toe. Over de zee-breede rivier vlogen tal van zwarte vogelen. Het waren geen raven, het waren geen kraaien; het schenen meer zwarte duiven. En zij vlogen in zwierende kringen en dan, plotseling, als in wanhoop, dompelden zij in de even zilveren wateren onder. En vlogen weêr op, maar zoo blank als versche sneeuw en zij verloren zich in de nacht....
—Het zijn de zielen van Vagevure, zeide Lancelot, en seinde zich weêr.
—Die zich louteren in de loutere wateren, zeide Gwinebant en bekruiste zich als Lancelot had gedaan.
—Wij zijn op de heilige Landouwen gedoold, zeide Lancelot en hij schouwde om zich rond. Dit is niet Logres meer.
—En zelfs niet meer Wonderland van ouden Mirakele!
—En noch tooverland van Morgueine en van Merlijn....
—Zullen zij gered worden voor Paradijs, o Lancelot? vroeg Gwinebant huiverig. Merlijn en Morgueine?
—Ja, zij, zeide Lancelot. Zij en zijn niet booze.
—Neen, niet booze....
—Zij zijn alleenlijk te welwetend van de dingen boven en onder de aarde.
—Alleenlijk te welwetend... herhaalde Gwinebant.
—Maar aan het einde zullen zij worden gered.... Bidden wij voor hen, Gwinebant.
De ridders stegen af. Zij bonden de paarden aan hunne in het gras gestoken zwaarden. Zij knielden naast malkanderen aan den rand van het zee-breede water en begonnen hunne orisone te zeggen.
Vóór hunne blikken, daar ginds, in de wijde, zilveren nacht, vlogen de zwarte vogelen aan, doken onder, en stegen sneeuwblank, druipelend van de droppen, op, tusschen de sterren....
En Lancelot en Gwinebant baden voor Morgueine en voor Merlijn, dat zij aan het Einde zouden worden gered.
—Zoo zullen zij, bad Lancelot; als zwarte vogelen aan vliegen komen, o God van Hemelrijk, over uwe loutere wateren....
—Zoo zullen zij, bad Gwinebant; als witte vogelen uit vliegen komen, o God van Hemelrijk, uit uwe loutere wateren....
—Amen, baden zij beiden en seinden zich.
En zij stegen weêr op en reden voort, terwijl zij uit de lucht de witte duiven, heel zacht, meenden te hooren zingen:
—Kyrië Eleïson! Kyrië Eleïson!
Maar zij waren te vroom, de beide ridders, om op te zien. En zij reden voort, steeds voort, niet wetende waarheen en vertrouwende, dat zij wel door bewaarengelen zouden worden begeleid, zoo niet dadelijk aan het einddoel der queste, dan toch tot Aventure....
—Zoo als in het Leven, zeide Lancelot wijsgeerig.
—In het Leven? vroeg Gwinebant, als een knaap.
—Waar het Aventuur is het Goede en het Kwade, als in de queste, zeide Lancelot.
—Is dat waar? vroeg Gwinebant.
En hij voegde er aan toe:
—Lancelot, gij waart immer trouw aan uwe zoete minne, mijn moeie Guenever?
—Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar in mijne zonde was ik altijd trouw.
—Ik zal ook altijd trouw blijven, zei Gwinebant; maar gij waart alreede trouw lange, lange, verledene jaren.
—Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar ik kan niet anders, zoo helpe mij God. Mijn trouwe is mijne groote zonde.
—Wij zullen Gawein zekerlijk vinden, zei Gwinebant. Want wij zijn beiden trouwe....
—Maar zondig ik alleen, zei Lancelot en seinde Zich drie malen.
Toen bekruisde zich drie malen Gwinebant, hoewel hij noch zich, noch Lancelot zeer zondig vond.
HOOFDSTUK X
In de nacht reden de ridders langzaam aan, zooals ridders-van-aventuren, die geen burcht tegen komen om te overnachten, in alle ridderromans, in de nacht, door rijden. Maar Merlijn was, hoewel niet alwetend, toch veelwetende door wat hem zijn sylfen en gnomen vertelden, en wist Lancelot en Gwinebant met dwarrelende vuurvliegjes en dwalende dwaallichtjes juist te houden op den rechten weg, waar de burcht rees van den een of anderen ouden koning, die niet was Mirakel, noch Assentijn, noch Artur. Lancelot en Gwinebant werden door den ouden koning Ban, die wel van de Tafel-Ronde gehoord had, in nachtjapon slaperig en ietwat brommerig ontvangen, maar toen geleid naar een kemenade, waar garsoenen hen van rusting en wapenen ontdeden—wees des ghewes, gij, o lezer, dat de rossen reeds goed werden verzorgd en geroskamd stonden voor volle ruif. Waarna de knapen de ridders aankleedden in surcoet en hozen en hun water en dwale boden, om zich te wasschen, als hooge lieden plegen. Toen geleidden de knapen de ridders naar een groote zaal, waar de tafelen op de schragen waren gelegd en het amelaken was uitgespreid en deden zij zich te goede aan venizoen en dronken zij oude clareit naar genoegen. En toen de knapen hen na het maal wederom met tortijtsen geleidden naar hun porprijs, strekten zij Zich spoediglijk uit op de bedden en dachten te slapen tot dageraad toe. Maar een zachte muziek klonk en plots schoof weg de muur in een wijden boog in den wand en twee jonkvrouwen, uitermate schoon, verschenen, glimlachende, omringd van vele brandende keersen en witte rozenkransen en luit en psalterion ter hand.
—O, zie dan toch, Lancelot! riep Gwinebant, en richtte zich van zijn bedde. Twee schoone Sinte Ceciliën naderden ons door de muren!
Ook Lancelot was opgerezen en de twee ridders, schoon als de jonkvrouwen, blond als de jonkvrouwen zij beiden, Lancelot zoo ernstig voor zijne dertig jaren, Gwinebant een jongeling nog voor zijn acht-en-twintig, zagen verrast de beide speelsters naderen. Maar dezen legden hare speeltuigen neder en traden uit den boog, die zich sloot.
—Wellekom, heer ridder, zeide de een en zeide de andere.
—Wellekom, gij beide schoone bezoeksters, zeide Lancelot en zeide Gwinebant na en Lancelot vroeg:
—Twi doet gij ons deze groote eer, jonkvrouwen, met muzijk en gebloemt te verschijnen in ons closet?
—Sinte Cecilië gelijk, voltooide Gwinebant, die zijne vergelijking wel goed vond.
—Heiligen en zijn wij niet, zeide de eene jonkvrouw, met een lachje naar Gwinebant. Wij zijn zusteren, de beide dochteren van onzen vader, den Koning Ban en ik ben Ydeleine.
—En ik ben Belleflore, zeide de andere; en wij komen u vragen, o ridderen, of gij genegen zijt de zoete melodië te drijven, met ons, deze nacht. Wij bidden het u met hoofschheden....
—Wij bedanken u beiden met hoofschheden, Belleflore ende Ydeleine, zei Lancelot, voor zelfs Gwinebant een woord had kunnen zeggen; maar weet wel, dat wij die gonen zijn, die morgen onzen gezel, heer Gawein, moeten verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen en wij dat alleenlijk zullen vermogen zoo wij zelven trouwe blijven aan onze minnekijns... Wij verontschuldigen ons dus harde.
—Harde, herhaalde Gwinebant met een zekeren spijt, ook al vergat hij nooit Ysabele.
—Gawein! riepen de beide jonkvrouwen uit. Maar is hij ook niet van Tafel-Ronde?
—Gewes en zeker, bij Sint Michiel! riep Gwinebant.
—Bij Sinte Marië, Koninginne van Hemelrijk, voegde waardig Lancelot er aan toe.
—Wij kennen hem, zeide Ydeleine schalk.
—Wij kennen hem beiden, zeide Belleflore nog schalker.
—Was hij hier gisteren? riep heftig Lancelot, om te weten.
—Dezen dag nog? riep Gwinebant na.
—Niet gisteren....
—En niet dezen dage, zeiden de zusters.
—Maar een jaar her.... zei Ydeleine.
—Ja, een jaar her, zei Belleflore. Hij kwam en was moede des dwalens en rustte uit en hij at met ons en wij dreven jolijt....
—Wij festoyierden te zamen en hij was zoo hoofsch....
—Wij hebben toren, zeide Lancelot; niet zoo hoofsch te zijn als onze gezel, welschoone jonkvrouwen, maar hij is immer de hoofschte van ons allen....
—Wij dringen niet aan, glimlachte Ydeleine.
—Wij willen u beiden geen vernoye doen, glimlachte Belleflore.
—Onze vader zeide ons: gaat tot de ridderen naar antieke zede om gastvrijheid hun verder te bieden.
—Wij gingen met ons gebloemt en muzijk, als onze vader ons beval, voor hij slapen ging.
—Maar wij zullen geerne de muziek hooren, jonkvrouwen! riep Gwinebant. Niet waar, Lancelot?
—Geerne zullen wij de muzijk hooren, jonkvrouwen! zeide, bijna zoo hoofsch als Gawein, Lancelot.
—Zoo rust uit op uwe bedden, ridderen! noodden de beide jonkvrouwen.
De ridders legden zich neêr. De kemenade donkerde, met wat maneschijn, blauwig aan de kleurige ruiten bleekend. En Belleflore tokte aan haar luit en Ydeleine vlijde met den strijkstaaf over de vijf glasreine koorden van haar psalterion. En zij zongen, beiden, met zachte stemmen, om beurten en te zamen:
Lancelot!
Droom ju zoete lot!
Droom ju Koninginne!
Gwinebant!
Lieve knape, schoon wigant
Droom ju zoete minne!
—Ysabele.... murmelde Gwinebant, de oogen toe, half reeds in slaap.
Maar de ronde bogepoort opende zich geluidloos, de twee jonkvrouwen trokken zich in den kaarsenschijn tusschen de rozenslingers terug; de poort schoof toe....
En de beide trouwe ridders sliepen en droomden, terwijl bleekte aan de kleurige ruiten de blauwe maan....
Den volgenden morgen, na oorlof van Koning Ban en de beide princessen te hebben genomen, reden de beide ridders verder en nu zeker van hun weg, want Belleflore en Ydeleine, die wel van Morgueine wisten, hadden hun gezegd welken weg te nemen was naar de Vallei der Ontrouwe Ridderen. En zonder verder aventuur reden zij enkele morgenuren en het was niet meer dan een genoegelijken rit.
—Wel anders dan destijds, Gwinebant, zei Lancelot; toen bij iederen tred Aventure zich voor deed.
—Draken, zekerlijk, ontmoetten wij nimmer, maar zoo als ik u, Lancelot, met Gawein eenmaal verlost heb uit den Dale van den dollen Dans, zoo ga ik toch heden Gawein verlossen met u, Lancelot, uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen. En is het Scaec zelve niet Aventure, al weten wij dat het door Merlijns toovermacht is gedaan? zei Gwinebant.
—Hij geloofde! zei Lancelot. Hij geloofde als Koning Artur geloofde! Wat was Gawein schoon en jong, toen hij opstond en zeide, dat hij de queste volbrengen wilde! Gwinebant, met u is Gawein de jongste en schoonste ons aller, enkel omdat hij geloofde!
—Maar gij, Lancelot, zijt de trouwste!
—Gawein is de hoofschte.
—Wie de hoofschte is, kan moeilijk de trouwste zijn, Lancelot, want hij mint te veel naar alle zijden uit. Zeg, wie van ons is de ridderlijkste?
—Gawein.
—Hij en is niet de vroomste.... Hij en biecht soms niet in jaren. En hij laat zich verlokken door Morgueine en vergeet alles van het Zwevende Scaec... Lancelot, zeg mij, wellieve gezel, ben ik ridderlijk?
—Gewes, gij, Gwinebant.
—Ik ben de zwakste, want ik ben de krankste. Om Vrouwe Venus' wille, Lancelot, ben ik krank. Ik denk immer aan mijne Ysabele. Ik droom immer van mijne Ysabele. Lace, zij is zoo verre....
—Gij en zijt niet zwak, Gwinebant, zoo gij mint met sterke trouwe. Gij en zijt niet krank, Gwinebant, zoo gij verhoogt in blijde gezondheid van minne. Gij bloeit boven ons allen als een roze, Gwinebant. En uw stemme klatert als van een nachtegaal....
Zoo troostte Lancelot Gwinebant en Gwinebant voelde zich eigenlijk ook niet ziek en zwak; hij voelde zich integendeel gezond en sterk, maar zeer in de macht van Vrouwe Venus en hij droomde iedere nacht van Ysabele....
Zoo als zij droomde van hem, iedere nacht....
—Lancelot! Lancelot! Zie, riep Gwinebant.
Zij waren uit een dicht foreest gekomen op een breede vallei, waarheen geleidden verschillende gladde wegen, geëigend voor tooverwagens, die, door wonderolie en geheimzinnig enghien bewogen, het snelst over gladde wegen vliegen. In het midden van de vallei was als een paradijs, omheind met hooge, roode rozenheggen en een wolk van geur woei den ridders te gemoet. En toen zij beiden aan de zuilenpoort stille stonden, trok Lancelot zijn zwaard en Gwinebant trok het zijne. Maar hij zeide:
—Slaat gij de poorten, Lancelot, want mijne trouwe is niet en beproefd.
Lancelots trouw was beproefd, sinds meer dan tien lange jaren. En hij sloeg met zijn zwaard een kruis tegen de poort. De goud gesmede hekken sprongen open, als op wonderveeren. En de ridders reden binnen.
—Gawein! Gawein! riepen zij luide. Wij komen u verlossen, Gawein!
Er was een groot rumoer tusschen de prayeelen en de pauwillioenen, tusschen de peper-, anijs- en gingebareboomen. Vlakkige leoparden en witte herten, getemd, vloden tusschen de amandelen, pumegernaten en notemuscaten en een menigte ridderen drong zich baan tusschen een menigte dansende feeën. Onder haar schitterde Morgueine. Zij lachte luide, haar arm nog om den hals van Gawein, die, als uit een droom ontwakende, naast haar lag op een ivoren bedde vol rozen.
—Twee trouwe ridderen zijn gekomen! schaterlachte Morgueine. Riveel heeft uit en solaes van verscheidenheden! Maar, vreest niet, mijn lieve ridderen! Na Dollen Dans en Ontrouw-valleie vindt Morgueine u morgen nieuwe fantazijë uit!
Plotseling donderde het vervaarlijk en een zwarte wolk veronzichtbaarde geheel de vallei. Het riep en schreeuwde door elkaâr van ridderlijke mannestemmen; het krijschte door elkaâr, als van verschrikte vogelen, van weg vliedende feeën.
—Gawein! riepen Lancelot en Gwinebant.
Zij hadden Gawein gegrepen en hij liet zich mede voeren. Maar in de pikduisterte was niets te onderscheiden en de honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridders bonsden tegen malkanderen, zochten verschrikt uitweg en vloekten en riepen aan:
—Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk! Alzoo helpe mij Sinte Marië's Kind!
Toen klaarde wederom de dag. Maar de toovervallei was niet meer dan een kale hei geworden en over de vale vlakte, in de donkere floersen van nevel, die optrokken, liepen dom verdwaasd door elkaâr honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridderen. Over den weg snorde een tooverwagen weg. Dat was Morgueine: zij schaterlachte nog na, terwijl zij zich spoedde naar haar slot aan zee.
Nu drongen alle de ridders om Lancelot en Gwinebant, die hielden Gawein in hun midden en hunne paarden aan den toom.
—Waart gij beiden trouw?
—Werkelijk trouw??
—Immer trouw???
Zoo verbaasden zich de honderd-negen-en-veertig.
—Zij heeft haar zoete spel met ons gedreven, zeide Gawein weêr. Wij waren allen die gonen, die ontrouwe waren.... En ziet, wij zijn allen ongewapend! Maar zij was Meesteresse ende Koninginne van Riveel en van Solaes!
—Gawein! zei Lancelot, en sloeg zijn gezel op den rechterschouder.
—Gawein! zei Gwinebant, en sloeg zijn gezel op den linkerschouder.
Gawein zag naar beiden om, ontwakende uit betoovering.
—Gawein, zei Lancelot. Herinner u van het Zwevende Scaec!
—Gawein, zei Gwinebant. Herinner u van het Zwevende Scaec!
—Ik zoû het zoeken, zeide Gawein, en streek zich met de hand over het voorhoofd. Maar Gringolette, mijn goede ors, stierf en ik liet mijn wapenen op haar graf....
—Morgueine ontwapende ons, riepen de ridderen. Waar zijn onze wapenen? Wie geeft ons onze wapenen!
—Blijven wij allen te zamen! riepen anderen. Ongewapend zullen wij sterker te zamen zijn dan gescheiden!
—Wat bedieden ongewapende ridderen in de landen onzer oude Koningen! riepen weêr anderen. Wij vermogen, ongewapend, niet één drakeserpent te dooden!
—Of eene damosele van een feloenigen ridder te redden! Want drakeserpenten zijn allen dood!
—Er zijn ook geen feloenige ridderen meer!
—Er rijden nooit geene belaagde damoselen meer rond op witte palafroeten in de foreesten!
Zij lachten allen in den nog bewolkten noen. Zij lachten luide en schor.
—Het Wonder! riep Gawein, geheel ontwaakt. Het Aventure, dat zich eindelijk meldde! O, ik geloof er aan! Gaan wij, mijn zoete gezellen, Lancelot en gij lieve knape, Gwinebant. Ik zal het achterhalen, het Zwevende Scaec!
En hij stortte, beide handen hoog, als zag hij het zweven, als wilde hij het grijpen, vooruit, terwijl de twee Trouwe Ridders, te paard, hem volgden en allen de anderen achter hen aan drongen in een wilde horde....
HOOFDSTUK XI
Buiten den ban der betooverde beemden, die weêr hun gewone aanzicht van heide hadden aangenomen, liepen de ongewapende ridderen aan achter Lancelot en Gwinebant, te paard, Gawein tusschen die beiden. En er was rumoer van beraadslaging, waarheen zij zich zouden richten; zoo ongewapend was, op des goeden Heeren wegen, het een ridder wel vreemd te moede en zij wilden allen weêr rusting en wapenen hebben en een ros daarbij, sedert Morgueine hen ontwapend had. Tot plotseling zij zagen uit de klaardere lucht, waar zij, sedert hunne betoovering hadden zien zweven verlerlei welluidende snaarinstrumenten, dalen halsbergen en maliëncotten, helmen en zwaarden, speren en schilden en zoo vele stukken van ridderlijke rusting verduisterden wederom den dag en de ridders, roepende van wonder, hieven er de handen heen en vingen op hier een zwaard, daar een helm, maar te gelijker tijd moesten zij zich hoeden en weren want de stukken vielen met een dichten regen den hemel uit, botsten rammelend op elkaâr, deden lichten donder rommelen door het geluchte, vol van metaalschel geluid. En de ridders grepen of kregen een slag op het hoofd van een zwaar neêr zijgend schild, ontweken den onwillekeurigen houw van eens makkers zwaard tot de stukken rusting en wapenen om hen heen op de heide lagen als een roestige rommel oud ijzer. En zij zochten koortsachtig uit, vonden wel eens hun zwaard, maar niet hun riem; pasten om beurt de helmen op, die zij gegrepen hadden, maar zochten wanhopig naar hun halsberg, tot zij het hinniken hoorden rondom en tal van strijdrossen zagen draven in het wilde omrond, hunne eigene rossen, maar velen nog met gewei zich op het hoofd verheffend en andere met vlakken over de huid verspreid, zoo dat zij begrepen, dat de vlakkige leoparden en de wonderwitte herten niet anders dan hunne eigene rossen waren geweest, zoo als de speeltuigen hunne betooverde wapenen.
—Zij zullen zich weldra wapenen en hunne orsen berijden, zeide Gawein; maar ik, die mij na Gringolette's dood zelven ontwapende, weet niet waar wapen en ors te vinden.
Juist toen hij dit zeide, zag Gawein voor zich neder dalen, zilver en goud blinkende, maliëncotte en helm, zwaard en schild en speer, en metalen handschoenen daarbij. Hij wist niet, dat Merlijn hem deze onmisbare stukken uit den hemel deed vallen maar Lancelot en Gwinebant begrepen het en zagen elkander met blik van verstandhouding aan. Alleen Merlijn wist het gunstige Wonder te doen gebeuren, vermoedelijk door clerkeconste en het Aventuur voor te bereiden, maar het Wonder was eigenlijk geen Wonder en het Aventuur zou eigenlijk geen Aventuur zijn. Het was heel eenvoudig, dat wapenen uit den hemel regenden, even eenvoudig als dat zij het Verleden zagen opdoemen op Merlijns witten tooverwand, of dat Merlijn sprak tot Morgueine door eene sprakebloeme heen van parelmoer, of dat Gwinebant droomde van zoete Ysabele....
En Lancelot en Gwinebant seinden zich alleen, om zich vooruit te behoeden voor wat er euvels mocht schuilen in dit eenvoudige Wonder maar zij zagen vol liefde en eerbied naar Gawein, die zich niet seinde maar blijde de stukken opving. En zij stegen af en hielpen hun gezel zich te rusten en zich te wapenen en toen zij gereed waren, hinnikte het vlak bij en zij zagen een ros en het geleek zeer op Gringolette, hoewel het niet Gringolette was. Maar Gawein verheugde zich zeer, en liep op het ros toe en greep het bij den teugel, want het was getuigd en gezadeld, en Lancelot en Gwinebant begrepen wederom zeer goed, dat het een ros was, dat Merlijn aan Gawein zond en er eigenlijk niets vreemds aan was, dat, nu Gringolette dood was, Gawein, door Merlijns clerkeconste, een ander ros erlangde. Het was een zeer schoon ros, een jeugdige hengst, ijzerschimmel krachtig breed van borst, verstandig en menschelijk van blik, fijn en sterk van beenen en het hinnikte blijde Gawein tegen of het hem reeds lange kende. En Gawein zelve voelde wel het vreemde Wonder om zich heen gebeuren, omdat eigenlijk alles Wonder was en Aventuur; Zwevende Scaec, feeën, tooverwagens, uit den hemel vallende rustingen en Leven en Dood. Gawein nu was op gestegen tusschen Lancelot en Gwinebant. Terwijl alle de andere ridders, met dankbetuiging naar de twee Trouwen, die hen hadden verlost, nog een enkelen keer elkanders helmen wisselden en zwaarden en weg reden, ijlings verschillende kanten uit. Zij reden her en der, zij reden harentare, terug naar de verschillende oude Koningen, wier baroenen zij waren; over weg en heide, over vlakte en vallei scheerden zij zich weg op hunne ijlende paarden en de drie gezellen van Tafel-Ronde zagen hen rondom aan de kimmen verdwijnen....
Toen zeide Lancelot:
—"Wellieve Gawein, wij hebben u verlost en gij zijt gewapend. Wat denkt gij? Zullen wij u laten op Aventure gaan en zoeken naar het Zwevende Scaec?"
"Dat zij zoo, mijne dappere vrienden, antwoordde Gawein. Gaat beiden, met mijn grooten dank. Gaat terug tot Camelot en zegt daar, dat gij Gawein verlost hebt uit Morgueine's tooveriën en dat hij op weg tijgt naar het Zwevende Scaec.... Het gaat tegen den noen en gij weet: tegen den noen groeien mij mijne krachten; toen mij in mijne eerste kindsheid de heremiet doopte en mijne toekomst las, voorspelde hij reeds, dat immer tegen den noen mij mijne krachten groeien zouden. Het is voor mij een jonstig oogenblik om te slagen in queste en Aventure: gaat, gaat, mijne lieve vrienden!"
Toen, te paard blijvende, omhelsden elkaâr de drie ridders, voor zoo verre het mogelijk was elkander te omhelzen, te paard en gewapend. Het was ook meer een symbool van omhelzing maar het was genoeg om van elkander afscheid te nemen in broederlijke liefde, al steigerden even de paarden en al schuurden de maliën tegen elkander, al klonken de schilden schel tegen elkaar. En reden Lancelot en Gwinebant den weg, dien zij meenden, dat ten spoedigste leidde naar Camelot....
Gawein, een pooze, marde. Toen bedacht hij zich, dat de burcht van Koning Mirakel op den weg lag, dien hij met Morgueine in den tooverwagen had afgeijld en besloot hij dien weg terug te gaan....
Terug gaan, op den weg der queste, het was nooit goed. Vooruit, vooruit moest de dolende ridder.... Terug gaan, het was een teeken van zwakheid en onmacht.... Maar, bedacht Gawein, ook kon het een boete zijn en om boete ging hij terug. Trouwens, waarheen zou hij vooruit zijn nieuwen, jongen Gringolei moeten richten? Bij Koning Mirakel had hij Destijds het eerste Scaec getroffen, bij Koning Mirakel alleen kon hij vermoeden ditmaal het Scaec weêr te treffen! Waar anders? Hij keek naar de luchten, spiedde uit; hij zag niet meer het Scaec.... Zekerlijk, bij Koning Mirakele was het neêr gedaald.
En hij reed terug, in rustigen draf. Zoû Aventure zich melden op zijn terugweg? Hij twijfelde er aan, het geen hij betreurde, want hij voelde groeien zijne krachten en het ging meer en meer tegen den noen aan. Tot hij plotseling opschrikte. Daar ginder zag hij iets, dat hij in jaren niet meer had gezien! Gingen dan de dingen van Destijds zich herhalen?! Eerst het Scaec en nu, o rouwe, o schande, o oneere! Daar ginds, waar de weg in woud zich verloor, zag hij twee ridderen te paard, een rooden en een zwarten. En tusschen hen beiden voerden de ridders eene jonkvrouw, te paard ook. Zij was gekleed in groenen sindale; twee zilverblonde vlechten vielen haar tot op het artsoen van het gereide, maar de beide slechte ridders trokken haar ruw aan de vlechten, hadden haar de kleederen gescheurd van den lijve en sloegen haar met twee geesels, van riemen, over borst en aangezicht, zoodat zij bloedde. En zij riep luide, hare smart uitklagende en kermende:
—Wacharme, o Sinte Marië, komt mij dan geen ènkele ridder, met zijne deugd, verdedigen van deze kwade feloenen, die nie ridderschap betrachtten!
En hare armen gebonden op haar rug en ter nauwer nood zich houdende, gezeten op haar palafroet, wankelde zij in het gereide en gilden hare kreten het woud uit over weg en tot hemel.
Gawein, van verre, zag het. De twee ridderen kende hij niet: zij waren geheel onherkenbaar in hunne zwarte en roode rusting, met gesloten vizier en Gawein, na zijn vizier te hebben neêr gelaten, ijlde op jongen Gringolet vooruit. En van verre reeds riep hij met zware, dreigende stem:
—Heeren ridderen, merkt! Het is dòrperheid, weet dat wel, en onzede, al wat gij deze damosele doet! Gij zoudt des ontberen, bij Sint Michiel, waart gij vroed! Al hadde die jonkver misdaan, hoofschelijk zoude men haar behandelen, want daar ligt luttel eere aan, zoo fel een schoone en zwakke vrouwe te slaan!
Toen schreeuwden de roode en de zwarte door elkaâr woedend Gawein tegen:
—Om u, dorper en curliaen, of gij ridder zijt of niet, zal zij niet worden gespaard! Om u meer toren te doen hebben, zullen wij haar doen meer lachter dan ooit te voren! En wilt gij nog een woord toe spreken, dan zullen wij u met onze speren averrecht van uw orse steken!
—Heeren ridderen, riep Gawein. Staakt gij mij van mijn ors, wel, zoo ware ik te voet! Maar te peerd of te voet, weest daar vroed van, zal ik de jonkvrouwe, die gij mishandelt, beschermen en haar toren minderen, ook al zet ik er het leven voren! Doet mij echter een bede, ridderen, voor uwe edelheden en voor Gode en voor aller ridderen eere ende laat àf die damosele zoo fel te schoffieren!
—Maak, dat gij henen komt en vliedt! riepen de ridders en zij sloegen de jonkvrouw met hunne geesels, zoodat zij gilde naar den wijden hemel toe. Of, bij al dat God geleesten mag, deze zal uw doemsdag worden! Wat hebben wij met uwe sermoenen van noode?
—Laat die jonkvrouw met goede! riep Gawein, van woede buiten zichzelven. Of wacht u jegen mijn speer!
En hij reed, als een afgeschoten pijl zoo snel, op de ridders toe, speer gestrekt.
De roode en de zwarte scheidden zich; zij lieten de jonkvrouwe, die hare gebonden handen zelfs ten hemel niet kon strekken, alleen te paard op den weg staan; de roode reed op Gawein toe, de zwarte ontweek diens speerstoot en draafde de vlakte over, ter achterzijde Gaweins, maar vóór hij Gawein van daar had kunnen bestoken, stiet Gawein den roode ter zij van zijn schild bliksemsnel door wapenrusting en maliëncotte in de ribben onder het hart, zoodat Gaweins speer brak en met het trensoen bleef steken in 's rooden ridders lijf. Hij slaakte een verscheurenden kreet en tuimelde af van zijn paard.
Toen wendde Gawein woedend zijn jongen Gringolet. En hij rende, de wigant, zwaard uit scheede getrokken, op den zwarten ridder in; hij sloeg den zwarte diens speer in tweeën, en toen deze zijn glavië trok, gevoelde Gawein al zijn noenkracht in zich groeien, sloeg hij hem met één slag het zware, zwarte schild uit den arm, zoodat het kletterend rolde over den grond. En de zwarte, den linkerarm gebroken door Gaweins slag tegen het schild, poogde vloekend van pijn en van woede, met één vuist zijne glavië te heffen, toen reeds Gaweins zwaard, hoog in beide vuisten verheven, den zwarte kliefde over den helm heen, dwars door den zwarten helm heen, waarvan de zwarte diamanten rechts en links sprongen dwars over des zwarten hoofd, zoodat de hersens uitvloeiden, als een witte etter-en-bloed en de zwarte achterover viel van zijn paard. Toen steeg Gawein af en hij naderde de jonkvrouw, tilde haar af en begon haar het koord van hare polsen los te binden.
—Dank heb, ridder! riep zij juichende en weenende te eenen stond. Gij hebt mij wel gewroken jegen den rooden en den zwarten ridder! Ik wil uw dienstwijf zijn en blijven tot het einde van mijne dagen!
En zij wierp zich neêr aan Gaweins knieën en kuste hem de maliën her en der.
—Wie zijt gij, schoone jonkvrouwe, en hoe komt gij in zoo groote rouwe? vroeg Gawein, terwijl hij de jonkvrouw oprichtte en nauwelijks merkte dat ter zijde, de roode ridder kermende te sterven lag.
—Mijn vader was ridder en goedman en wel geboren van den lande! riep de jonkvrouw. Maar hij is onder gegaan van goede en ligt nu in zware armoede! Hij is krank en kan rijden noch gaan, noch zelfs over zijne voeten staan! Luttel vrienden zijn hem gebleven en luttel dienaren! Wacharme, edele ridder, heden kwamen de roode en de zwarte binnen onze veste, die is harde vervallen en te-broken en voor de oogen van mijn vader grepen zij mij aan en maakten mij beiden tot hunne amië! Toen wierpen zij mij op dit peerd, dat mijn eigen is en schaakten mij met hen mede, om mij mede te voeren naar den burcht, o wellieve heer ridder, waar menigertiere slechte ridder zijn spel drijft met de damoselen, die zij schaken!
—Gawein! Gawein! riep de roode ridder. Kom mij te hulpe, mij en mijne ziele! Ik sterve!
Gawein schrikte op: het was of hij nu eerst herkende des rooden ridders stem. Hij snelde toe waar de roode ridder lag, sloeg op diens vizier en riep uit:
—Mordret! Mordret! Zijt gij dat!? Mijn gezelle van Tafel-Ronde?!
—Lace, ik!! riep Mordret. O, help mij, Gawein, help mijn ziele en mij!
Maar Gawein stortte toe op den zwarten ridder, die, den schedel gekloofd, lag in het stof van den weg. En zoodra hij diens zwarte vizier opsloeg, riep hij uit:
—Didoneel! Didoneel! Ik herken hem, ook al kloofde ik hem! Didoneel! O, jonkvrouwe, van Tafel-Ronde was Didoneel ook mijn gezelle, als mij Mordret was! Barmhartige God van Hemelrijk, ik versloeg heden twee mijner gezellen en ridderen van mijnen Koning Artur van den Lande van Logres en zij waren feloenen en meineedig aan eede van ridderschap!
En toen barstte Gawein uit in snik van groote smarte en wierp de armen ten hemel, terwijl hem de jonkvrouw in medesmart omhelsde en, op den grond stervende, riep Mordret:
—Gawein! Gawein! Help mij en mijne ziele!!
HOOFDSTUK XII
Maar Gawein knielde neêr naast Mordret, die kreunende lag in het stof; hij trok hem voorzichtig het trensoen uit de wonde en legde er een talisman over, zoodat het bloed niet meer vloeide....
—Gawein! kreunde Mordret. Ik bidde genade! Ik heb van mijne misdaden penitencië ontvangen, die mij te zwaar zal worden! Ik zal sterven, door uw hand. Voor menig jaar heb ik al den dood verdiend en nu zal hij komen!
De jonkvrouw, op Gaweins teeken, had den zwaren helm van Mordret genomen en die vol water gevuld, aan de beek, die stroomde, uit bemost rotsblok te voorschijn. En zij laafde Mordret en zij wiesch hem er mede het aanzicht, terwijl antwoordde Gawein:
—Mordret, mijn gezelle van Tafel-Ronde, Didoneel is dood en spreken kan hij niet meer van zijn zonde, maar gij kunt spreken nog: zoo laat het u berouwen, bid ik u en roep Onzer Lieve Vrouwe genade opdat het aan uwe ziele goeden raad moge worden....
—Gawein! kreunde steeds Mordret; waande ik er mede te genade te komen, dan zoude ik geerne van mijne misdaden te biechten gaan, maar ik heb er zoo vele gedaan, dat nauwlijks mijne ziele meer raad weet!
—Vriend, zeide Gawein goedertieren; al der wereld misdaad is weinig voor Gods genade: God, die voor ons geboren wierd, ontving voor ons de bittere wonden en mag u van uwe zonde quiten: zeg ze al uit en uit en laat den Grooten Duivel uit de Helle u niet pakken, dat bidde ik u!
—Gawein! klaagde Mordret. Het is Didoneel, die mij verleidde; al sedert tien jaren verleidde hij mij damoselen te schaken te zijner wille en ze te voeren binnen de Amoreuse-Garde, dat is de burcht ver van hier, ver van Logres, en van al deze koninkrijken, en waar wij de jonkvrouwen heimelijk gevangen hielden en vele andere ridderen kwamen daar ook jolijt drijven en zondig solaes en vele ridders vermoordden wij en vele jonkvrouwen teffens en hare broederen mede en magen, die haar zoeken kwamen! Gawein, o mijn Gawein, heb erbarmen en bid voor mij: sedert tien jaren waren wij schakers en moordenaren en wij waren niet weerd te zitten met u allen om Tafel-Ronde! Geroofd hebben wij wat wij konden en van wien wij konden! Maar menegertiere stonde is berouw over mij gekomen en heb ik willen wenden op den wege des kwaads, maar ik was zwak voor Didoneel, die mij verleidde!
Toen sprak Gawein tot de jonkvrouw:
—Edele jonkver, laat mij eene bede doen, met uwe genade?
—Mijn heere! riep de jonkvrouw; bede en doe mij niet: beveel mij: ik ben uw dienstwijf!
—Zoo bidde ik u, welschoone jonkver, dat gij alle misdaden dezen twee ridderen vergevet. Door uwe vergiffenis en gebeden zal het Didoneel, die daar dood ligt, bet worden in de pijn van de Helle en zult Mordret wellicht gij verlossen van vele vlammen van Vagevure....
—Mijn edele heer en beschermer, wees des gewes: die bede wil ik u toestaan en vergeven alle de misdaden, die mij deden deze roode, stervende en gondere zwarte, doode ridder. God vergeve u, roode ridder, alle zonde en dezen nood, waarin gij mij bracht!
—Dank, dank, edele jonkver!
En zijn hoofd viel op de knie van Gawein, die, bij hem geknield, hem gebeurd had in zijn armen.
Toen liep de jonkvrouw in hare gescheurde kleêren en met hare verwarde vlechten langs haar bloedend gelaat en hare bloedende borst naar Didoneel en zij knielde bij hem neêr en bad.
—Gawein! Gawein! klaagde steeds Mordret. Zult gij voor mij bidden ook? En mij begraven op een kerkhof?
—Ja, ik, Mordret! beloofde Gawein.
En ter zelfder stonde snikte Mordret zijn laatsten adem uit.
Toen seinde Gawein den doode en zich en stond op en naderde de jonkvrouw.
—Jonkvrouwe, zeide Gawein; uw beide belagers zijn dood. En als ik u te huis in uw kasteel gebracht heb, wensch ik hen te begraven.
—Welzoete heere! zeide de jonkvrouw. Dit foreest is mij bekend. Voor wij komen aan den burcht van mijn vader, slaat een zijweg links naar een kapelle en daar woont een oude paap bij en vóor gij mij te huis voert, zullen wij den zwarte en den roode begraven.
—Dat zij zoo, jonkver! zeide Gawein.
Toen zag hij om naar de paarden. Zij liepen daar alle vier te grazen de grashalmen, als ware hunnen berijders niets gebeurd en Gawein greep bij de teugels zijn jongen Gringolet en het paard van Mordret; de jonkvrouw greep haar eigen en Didoneels ros, hoewel het steigerde.
En Gawein nam in zijn armen het lijk van Mordret. Hij nam het als ware het een kind en legde op den rug den dooden ridder over diens zaâl. Hij nam toen het lijk van Didoneel en legde dat over diens ros heen, dat hij bedaarde. En de jonkver en Gawein stegen op. Gawein geleidde het ros van Didoneel en de jonkvrouw geleidde Mordrets ros. En zij reden het foreest binnen en zwegen. Zij reden stapvoets en zwijgend en de weg was lang en wendde eindeloos zich door het woud. Eerst ruischelde nog de beek en zongen de vogelen luide, maar toen de schemering zonk, zwegen de vogelen en de bron van het water ontwelde te ver om aan den weg haar geruisch te doen zingen. En de schaduwen zonken door het foreest en weefden de komende duisternis.
Gawein bad Pater-Noster en Credo en beval de zielen der dooden aan Sint Michiel en de jonkvrouw bad telken en telken male Kyrië-Eleyson en "Amen" zei dan Gawein. En geen van beiden zeiden zij, dat zij zagen, hoe kaarsen schenen, bleek van vlamme, mede te zweven om het lijk heen van Mordret: zes dunne wastoortsen en hoe er, héél licht van geluid, gezongen mede met hen werd, alsof onzichtbare handen de lichten beurden, alsof onzichtbare kelen mede baden de gebeden voor de dooden. Maar achter vernam Gawein gebruis van bladeren en toen hij omzag, zag hij donkere gedaanten en hij heette de jonkvrouw vóor te rijden, met Mordrets lijk dwars over diens paard heen en de lichten en de stemmen rondom, die waren in de vallende nacht duidelijk te zien en te hooren: zacht engelengeluid en waskaarsengloor.
En weêr omziende herkende Gawein de, hem na kruipende, donkere gedaanten: zij sleepten zich ter sluiks over de ritselende bladeren, die reeds vielen in midzomer, maar zij dorsten niet nader sluipen en Gawein zag, dat zij haken in de klauwen hielden en hoornen droegen; zij slipten door het struweel ter zij van den weg; het waren duivelen en hunne staarten slingerden als van apen om hunne lijven of slierden over de ritselende bladeren en dan schoot een vuur uit hunne kelen en gloeiden als van wolven hunne demone-oogen en Gawein hoorde hen wel mompelen nù en murmureeren:
—Didoneel! Didoneel! Menig jaar hebt gij ons gediend, met Mordret. Nu zult gij het loon wel ontvangen. Wij zullen, wen wij uw ziele hebben, haar steken en slaan en harde pijne doen! Wij zullen spelen met uwe ziele! Wij zullen daar mede sollen als met een bal en uwe ziele werpen van de' een naar d'aâr! Didoneel! Didoneel! Geef ons uwe ziele, dat wij er ons jolijt mede drijven en riveel naar onzen aard!
Voór reed de jonkvrouw en zij bad, en om het lijk van Mordret, dat hing over het zadel des stappenden paards, gloorden in de nacht de zes bleeke, onzichtbaar gebeurde kaarsen en zongen met de jonkvrouw mede de onzichtbare engelen, zes.... Maar achter voerde Gawein Didoneels lijk mede op diens paard en de duivelen, al mompelende, slopen nader. Zij trokken aan de beenen van Didoneel en zij heschen zich op naar zijn hangende hoofd, waar, uit den mond, mede gekloofd, de ziel aarzelde uit te varen....
—Slechtaarden! riep Gawein. Pautenieren! Duvelsche broed! Gij zijt Didoneels ziele zoo fel, maar waart gij tot mij gekomen en niet tot hém, dien ik doodde, vóor hij biechten konde en Onzer Lieve Vrouwe om genade bidden, ik zoude, ging het mij te schade of te vrome, u doen weten wat mijn zwaard vermag! En zoo zal ik, in trouwe, ook heden doen!
En Gawein hief hoog zijn zwaard over Didoneels lichaam, zoo dat een kruis zich er boven teekende, bleek goud lichtende in schemering. Toen vloden de duivelen hunne vaart, Noord-Oost, Noord-West, met groot geschal en gekrijsch van open gespalkte, vuur spuwende tronies en lichtende oogen, die doofden....
En reden door de jonkvrouw en Gawein. Het was na middernacht, toen zij den zijweg insloegen en de kapel zagen liggen, in het late manelicht, nabij eene vlakte, waar zij de kruizen der graven blanken zagen. En zij stegen af en Gawein luidde er het klokje, dat aan de poort hing en het klonk door de nacht met de bede der dooden. Der engelen kaarsen waren gedoofd en hunne stemmen zongen niet meer en wellicht waren zij opgestegen eer de kapel was bereikt, in de ijle wolkjes, die zweefden, hoog in den ijlen maneschijn en staarden zij van daar naar omlaag. De paap kwam uit en vroeg wat de ridder begeerde en zeide Gawein:
—Vader, laat ons helpen ter aarde deze dooden twee; dat zoû zijn wel gedaan. En laat ons missen zingen.
—Wie zal mij dienen? vroeg de paap.
—Dat zal ik wezen, sprak Gawein. Ik kan wel lezen, zoo dul en ben ik niet, want in mijn kindsheid ging ik zeven jaren ter schole....
—Ik en twijfel niet, heer ridder, zeide de paap, en zij legden de dooden op een baar, die daar stond voor het altaar en bedekten hen met het zwarte kleed en de jonkvrouw, die Alliene heette, stak de zes kaarsen aan, die waren gestoken in ijzeren luchters. En terwijl de paap over der doode ridders zielen de misse zong, diende hem Gawein als zijn koorknaap, gewillig en nederig en vroom, terwijl de jonkvrouw in gebed bleef verzonken. Maar toen de mis was gezongen, biechtte Gawein niet en hij had reeds niet in twaalf jaren gebiecht, want hij was alleen vroom op zijne wijze en daarom bad voor hem zijne moeder in Paradijs.... Gawein en de paap droegen toen de bare achter de kapel in het kerkhof en in den maneschijn dolf Gawein met zijn zwaard het graf, breed genoeg voor Didoneel en Mordret. Want de lijken mochten samen liggen, mochten de zielen ook gescheiden worden, zoo dadelijk Didoneels ziel mede met de duivelen moest ter Helle.... Dat Gawein vreesde, maar wel was hij te moede, omdat Alliene vergiffenis Didoneel had geschonken en voor hem bad en voor hem steeds nog bad, voor hem en voor Mordret.
Toen was het diep in de nacht en Gawein gaf penning den paap en steeg op. Hij tilde voor op zijn zaâl Alliene en zij lag uitgeput, oogen toe, tegen zijn borst, tegen den liebaert aan van zijn wapenrok. Hij had de drie andere paarden mede aan de teugels genomen en zij stapten mede aan, ter zijde en achteren.
En in de stille nacht ging Gringolet den weg, die geleidde tot Alliene's vaders burcht. Toen zij naderden, zag Gawein het vervallen slot, met den geknotten toren, zich weemoediglijk teekenen tegen bleeke nacht. En voelde hij, hij wist niet welk ongeluk huiveren boven den burcht. De valbrug over de gracht lag neêr, als ware het niet de moeite waard zoo vervallen armoede des nachts af te sluiten. De poort stond open. In den hof stond in een hoek eenig landbouwgereedschap bij een kar. Geen dienaar liep aan. De toren brokkelde toe naar de maan. Afgestegen, Alliene en Gawein, verontschuldigde zich de jonkvrouw.
—Wij en hebben niet dienaren, heer; onze huisman zorgt voor ons met zijn wijf en vader zal waarschijnlijk slapen.
Het was donker in de sombere gangen, die zweetten uit de kille vocht. Ter zijde lag een groote zaal in puin. Maar Alliene voerde den ridder in een overwulfde kemenade, waar zich in den manestraal, die bleek viel door het ronde raam, een bedde teekende, waarop scheen te slapen een grijsaard.
—Vader...! riep Alliene. Vader, waak op: ik ben terug bij u want deze hoofsche ridder redde uw kind van de kwade feloenen! Vader! Vader!! Waak op!
Toen roerloos de oude bleef liggen, naderde Alliene de sponde. Zij struikelde bijna over een zwaard, dat lag over den grond, en zij herinnerde zich, dat haar vader haar had willen verdedigen tegen Mordret en Didoneel toen zij haar wilden schaken.... Maar toen zij legde hare hand op haar vaders voorhoofd, waar langs de grauwe lokken lagen, voelde zij, dat het koud was.
Zij schrikte, legde haar oor tegen des ouden borst. Zij verhief zich.
—Hij is dood, zeide zij. God was zijn ziele genadig hem te laten sterven in zijn noode.
—Dood is hij? vroeg Gawein.
—Hij is dood, zeide zij.
Zij tastte in het duister, stak een kaars op en zette die bij den doode. Zij ging in haar eigen aangrenzend closet, stak een kaars op en zette die bij den doode. Gawein knielde neêr en zij ook en zoo baden zij beiden.
Toen Gawein teffens zijn oogen opsloeg, speurde hij in den laten maneschijn, in den hoek van het ruige, steenen vertrek in schaduw, die op lichtede, een gedaante, weg gedoken, als van een aap, met een staart, die uitkronkelde in een gaffel.... En herkende hij aan de horenen een duivel, die daar wachtte op zijn prooi....
—God, die voor ons geboren werdt.... begon te bidden Gawein.
De duivel, in de schaduw, die voor het oog van Gawein oplichtede, loste zich als schaduw op in den maneschijn. Maar voor hij geheel verdwenen was, hoorde Gawein hem mompelen, als nachtwind door dorre bladeren heen:
—Wij zullen u wachten, Gawein.... Gij en biecht nimmer, Gawein.... Gij zijt boordevol zonde en moorden pleegt gij wat gij vermoogt. Twee moorden placht gij heden.... Wij zullen u wachten, Gawein en wen gij gestorven zijt, met uwe ziele sollen, als met een bal, als met een bal....
—God, die voor ons geboren werdt.... herhaalde Gawein. Vergeef zijne zonde den zondaar....
—Amen, bad Alliene.
—En laat uwe engelen zijne ziele voeren ten Trone....
—Amen, bad Alliene.
—In glorië van uw Paradijs....
HOOFDSTUK XIII
Twee dagen later reed een ridder het woud uit en hem ter zijde een jeugdige edelknaap. Het was Gawein en het was Alliene. Zij hadden den vader ter aarde besteld en de paap was de mis komen lezen. De huisman en zijn vrouw hadden voor spijs gezorgd en drank en Gawein had hun de paarden van Morgret en Didoneel geschonken tot delging van schuld, die Alliene's vader aan hen liet na beschreven. En de jonkvrouw, in de rusting haars jeugdigen broeders, kortelings verslagen, volgde den ridder, die haar beschermd en gered had. Want zij had niets meer en niemand ter wereld en zij verliet den vervallen burcht, die brokkelde over haar hoofd.
Zij reden zwijgend en Gawein dacht na, in den klaren morgen, die zoo vreemd welfde den openbaren hemel boven hen na de treurenissen, die waren geweest. Dat wat rondom Gawein de Ridders van Tafel-Ronde zoo dikwijls hadden betwijfeld, dat was gekomen en had hem omringd en zoû hem weder omringen. Het Scaec, dat was aan komen zweven; de berg, die zich ontsloten had; Morgueine, die hem na Gringolette's dood in een tooverwagen, die van zelve ijlde, gevoerd had in de Valleie der Ontrouwe Ridderen, waar speelinstrument zweefde in de lucht en waaruit twee liefdegetrouwe gezellen hem waren komen verlossen....
Was het niet alles Wonder en Aventure geweest? Was Wonder het niet geweest, dat harnas en wapenen uit het geluchte hem waren gevallen en dat een jong Gringolet hem hinnikend toe was geloopen? Was Aventuur het toen niet geweest, dat Alliene hij uit het geweld had bevrijd van fellen Didoneel en Mordret? O, de bittere verrassing van dat Aventure! Nu breidde de wereld weêr nieuw maar vol verborgenheden van Toekomst zich rondom hem uit met den nieuwen dag en....
—Schouw toe, heere! riep Alliene plots naast hem.
Hij zag òp, volgend de wijzing van heur gemalieden vinger. En hij zag voor zich hoog, tusschen de witte wolkjes, dan lager, dalende als met vogelvluchtgril, het Scaec, het Zwevende Scaec. Bijna als een leeuwerik vloog het nu òp, òp, òp, met korte schokjes, verloor zich tusschen de wolkjes, schoot weêr uit, daalde, daalde, steeg, òp, òp, òp.... En het schitterde met de juweelen velden en de enkele glinsterende stukken, door toover, wankelden niet maar bleven recht op, gouden en zilveren gensters....
—Het verschijnt voor mij, zeide Gawein, terwijl hij ruimer ademde; omdat ik het achterhalen moet. Ik meende het in Koning Wonders burcht te zullen vinden, waar ik het Destijds vond maar Aventure voerde mij verre voorbij het slot van koning Mirakel! Zoo moet het ook geschieden in queste; zoo is het immer geschied: nimmer is Heilige Speer of Heilige Graal of Zwevende Scaec dadelijk gevonden door dolenden ridder; jaren lang doolde ridder in queste, voordat hij vond Heilige Graal, Heilige Speer of Zwevende Scaec.... Het Wonder is de werkelijkheid, het Aventuur is het leven van iederen dag voor dolenden ridder en zoo niet het Aventuur hem tegen hield dadelijk het doel te bereiken, zoû hij nimmer verlossen belaagde onschuld en zoude trouw-aan-liefde nimmer verklaren openlijk voor héél de wereld, als zij deed toen Lancelot mij verloste....
En Gawein spoorde zijn paard en Alliene spoorde het hare tot vluggeren draf, om het Scaec niet uit het oog te verliezen.... Tot het Scaec, ergens, achter de kartelende lijn van geboomte, pijlrecht neêr daalde en verdween.
—Bij Sint Michiel, mijne schoone jonkver! riep Gawein. Vooruit in de richting waar het verdween!
En zij draafden dwars door het foreest, waar het Scaec scheen neder gevallen. Een serpent, een drake, meende Gawein kon plots, zekerlijk, voor hem doemen in de verwarring der takken en twijgen, die dikwerf den weg hun versperden of tusschen het door één gestrengeld struweel, waartusschen strompelden de gespoorde rossen. Maar geen serpent doemde op en de beide ruiters vervolgden hun weg, tot zij door moeras, waar, pluime-bloeiende, het riet uit stak, de rivier bereikten, de zelfde, die Gawein met Gringolette was op gezwommen. En aan de rivier verrees de burcht van den Koning Mirakel, die heerschte over Wonderland, dat lag daar tusschen den Wonderstroom en de Vagevuursche wateren en de lucht was er anders dan in de gewone, omringende luchten, ook al werden die dikwijls doorstroomd met de ademen der Wonderlandsche winden. Het was eigenlijk alles Wonder, Land van Logres en alle de andere koninkrijken van oude koningen daar om heen, waar over tooverstaf voerde Koning Mirakel of Merlijn en Morgueine of wie er nog verder in stilte heerschte over elementen in aarde, lucht, water, vuur: over gnomen en sylfen, nixen en salamanders. Deze burcht echter, bedacht Gawein, had hem Destijds, toen hij den eersten keer er het Scaec kwam zoeken en het er ook werkelijk gevonden had, toe geschenen als een burcht van koper, als een burcht van gloeiend brons, als een burcht van goud, en nu scheen het Gawein toe, dat de burcht gebouwd was van steen, van roode, rossige steen als andere koningsburchten in de omringende landen, rooder alleen, rossiger.... Goud, neen, het was geen goud.... Hoe vreemd, dat het geen goud meer was.... Maar dáár, voor hem, was de poort, die hij Destijds ook was binnen gereden. Zwijgend wees hij Alliene met zijn speer mede binnen te rijden. De poort gaf toegang tot een hagedochte en dat hagedochte geleidde onder de rivier tot in den burcht. De ruiters reden beiden het sombere hagedochte binnen; daar duisterde de dag en boven hunne hoofden hoorde zij den snellen stroom van het diepe water, dat raasde vervaarlijk als een waterval.
—Heer, zeide Alliene zacht en treurig; geloof mij nu wel, bij Sinte Marië, dat ik uw dienstknape ben zoo niet uw dienstwijf, dat gij niet en wenschtet en gij niet meer een jonkvrouw in mij ziet maar alleenlijk een garsoen. En dat, zoo ik sterven kan voor u, door u te beschutten met mijn lijf en leven, ik beiden niet en sparen zal.
Zoo sprak Alliene maar zij zeide niet alles in volle waarheid was zij gevoelde in heur hart voor den ridder, groot van prise, die vol edelen moed haar had beschermd en verlost van twee booze feloenen. Zij zeide niet de groote minne, die vrouwe Venus in haar voor Gawein had ontstoken: voor den edele, den sterke, den hoofsche, die met haar gebeden had tijdens de nachtwake bij den dooden vader, die haar om hare heilige smart had geëerbiedigd als de Maagd zelve, in de eenzaamheid der brokkelende burchtzalen. Want Gawein, anders gemakkelijk en veelvuldig in liefde, niet trouw ooit aan Ysabele, Assentijns dochter, gebleven, had van geen liefde betuigd aan Alliene, die hij in rouwe en in smart had bijgestaan, volgens ridderlijken plicht en eed.
—Zoo zij het, Alliene en, naar mijnen waan meen ik, dat het best zal zijn u, bloeme boven alle knechten en edelknapen, voortaan te noemen Amadijs en u ridderschap te beloven op lateren dag, aan mijn Konings Arturs hove....
En er was scherts in zijn woord en toch ernst, nu hij Alliene vergund had hem te vergezellen in de rusting haars broeders, omdat zij geheel alleen ter wereld verlaten was. Nu waren zij het hagedochte uit gereden, zonder dat toover-enghien hen verhinderd had, want de torenwachters hadden Gawein herkend en lieten hem vrij binnen rijden met den knaap, die hem ter zijde reed.
Gawein en Alliene reden door opene poort bij poort over brug en brug den burchthof binnen; garsoenen schoten toe, hielden de rossen vast; de ruiters stegen af....
En zij zagen in den hof, onder den lindeboom, den ouden Koning Mirakel liggen op een rustbank.
En zijn zoon Alidrisonder zat naast hem.
En zij speelden schaak....
Rondom in den hof, onder rood gouden appels, die hingen zwaar in de appelaren, zwoel van geur en gestoofd door midzomerzon, zaten of vermeiden zich de ridders en edelvrouwen van het hof.
De jeugdigen sloegen er den bal; anderen speelden het werptafelspel en dobbelden er met de steenen....
Een edelman, in kostbaar gewaad van siglatoene, liet op zijn vuist zijn valk bewonderen aan eene edelvrouw, die in heur schoot haar leliewitte, zijdeharige hondje koesterde en hoofsch gesprek ging om, terwijl zachte melodië van knapestemmen weêrklonk bij viool, luit, psaltherion en cither.
En toen de garsoenen Gawein en Alliene—zij heette nu Amadijs, o lezer, wees des gewes!—den hof binnen leidden, zagen allen toe en stond dadelijk op de prins Alidrisonder en beide handen uit gestoken, riep hij blij:
—God van Hemelrijk geve u goed geval en al dat gij begeert, o zoete vriend Gawein, mede met den welschoonen knape-van-wapenen, die u verzelt! Wellekom in onzen burcht en duld, dat onze garsoenen u beiden sporen afdoen en glaviën ontgorden!
En tot zijn vader, die, krank, zich slechts even uit zijne kussens richtte, riep Alidrisonder:
—Hooge vader, mijn edele heere, hier is tot ons gekomen de bloem boven alle ridderen, dat is Gawein, van Koning Arturs Tafel-Ronde!