WeRead Powered by ReaderPub
Het zwevende schaakbord cover

Het zwevende schaakbord

Chapter 23: HOOFDSTUK XVI
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows the knight Gawein on a quest to recover a miraculous floating chessboard, unfolding within a courtly medieval setting where honor, refined courtesy toward women, and loyalty shape action. Episodes combine Arthurian motifs, martial contests, and encounters with enchantments and mechanical marvels that blur magic and artifice. A prefatory discussion frames the story within romance traditions, and the work proceeds episodically through atmospheric chapters that emphasize ritual, poetic description, and the tension between heroic conduct and fanciful wonder.

HOOFDSTUK XIV

En Gawein liep op den kranken Koning toe en knielde hoofsch voor hem en kuste zijn hand, terwijl alle de baroenen van den lande en alle die edele vrouwen, die zich daar in den hof vermeiden, Gawein bezagen en bewonderden en opstonden om hem te begroeten.

—Mijn heere Gawein! zeide Koning Mirakel. Uw gelijke is er geen van deugden onder den Trone! Hoe vroô ben ik u weder te zien na zoo vele jaren! Herkend heb ik u dadelijk! Herinnert gij u, dat gij hier tusschen mij en mijn zoon vondt staan het tooverschaakspel, dat in Camelot was binnen gevlogen en dat gij harde begeerdet en dat ik het u gaf, toen gij mij na vele Aventure kwaamt brengen het Zwaard met de Ringen, dat gij van Koning Amoraen kreegt, omdat gij hem beloofdet de schoone Ysabele tot hem te brengen, Koning Assentijns dochter! Lace, hoe vele jaren is dat alles her! Amoraen was gestorven, toen gij hem Ysabele kwaamt brengen in smartelijke trouwe om uw eed want gij hadt haar zelve lief gekregen en zij u, maar toen hadt gij zoowel uw zoete wijf als het Scaec gevonden en uw geluk met beiden!

—Mijne heere Koning van Wonderland, antwoordde Gawein, die naast des Konings bedde zich had gezet. Ik herinner mij van alle deze dingen en heb smarte u te zeggen, dat mijne minne en geluk ten einde kwamen, want Ysabele, lace, zij stierf....

Er was groote rouwbedrijvinge rond om Gawein toen hij dit zeide; de Koning nam hem eene hand en Alidrisonder de andere en de edelvrouw met het schoothondje, dat zij los had gelaten en dat kefte in haar gewaad verward, trad nader vooruit, want zij vond Gawein een verleidelijken ridder, vooral nu zij wist, dat hij weduwnaar was en een der groote baroenen van Koning Artur.

Toen Gawein bedankt had voor zoo algemeene deelneming in zijn verlies, hernam hij:

—Mijn heere Koning, dat ik heden voor u waag te verschijnen is om geen andere reden dan dat ik wederom op queste ben van een Zwevende Tooverscaec en dat ik dit dacht bij u te vinden, maar het Scaec, dat ik op deze tafel zie en waaraan gij speeldet met uwen zoon den prins, dien ik bemin, wellieven Alidrisonder, is niet het Scaec, dat in vroegzomer binnen zweefde in de Ronde Zale van Camelot.

Toen sloeg de oude Koning Mirakel de trillende armen op. En hij weeklaagde:

—Eilace, wellieve heere Gawein! Tooverscaec zoekt gij bij mij? Maar weet gij dan niet, dat alle toovermacht ontzonk aan Koning Wonder? Dat mijn Wonderland geen Wonder en meer is? Neen, dit Scaec hier is een gewone scaec en ik en zoû geen tooverscaec meer kunnen scheppen en beheerschen! Wat ik kende, is de oude tooverië en, ai mij, de nieuwe toovenaars hebben, wat zij noemen de moderne magië uit gevonden! Weet gij, Merlijn, bij uwen Koning Artur, die is de moderne tooveraar! Ik, lace, en weet niets van zijne conste, die zijn met natuurkrachten bereid, mij en mijnen gelijken nimmer bekend. Merlijn, die verjeugdigt zich, al is hij zoo oud als ik! En dat drukt op knoppen of draait aan sturen en dat vliegt door het geluchte of verlicht geheele burchten of doorschicht geheele foreesten en donkere wolkstapelingen en dat is Wonder, werkelijk Wonder, mijn wellieve Gawein, onbegrijpelijk met mijn armen geeste! En wat ik nog wist te maken: tooverbedden, waarin gewonde ridder genas, wonderboomen van rooden goud, waarop de vogelkijns zingende vlerken uitslaan—ik zeg u in gemoede: dat gebeurde door mannen-met-blaasbalgen, die onder een duwiere den hollen boom wind toe joegen en zoo de vogelkijns zingen deden—dat maakt Merlijn, met Zwevende Scaecken, nu veel beter dan ik; dat is hèm kinderspel, spelleconstjes, aardigheidjes, meer niet: vooral een Zwevende Scaec—des ben ik overtuigd—zal hij nu ook veel beter vermogen te maken dan ik het ooit vermocht! Gawein, lieve Gawein, ziet gij dan niet, dat ik krank ben van mijne onkunde geworden, dat ik in troostelooze moede ben, trots al mijn hof, dat jolijt drijft om mij rond, om mij vergeten te doen? Gawein, lace Gawein, ziet gij dan niet, dat de oude Koning Mirakel sterft, omdat de nieuwe mirakelen door de geluchten zweven en wij, o wacharme, hen niet en weten?

Toen knielde op nieuw Gawein bij den zieken Koning en hij zeide:

—Mijn wellieve heere Koning Wonder, zoo ik niet en vroeg of gij krank waart, zijt des gewes! liet ik dit na uit bescheidenheid. Laat mij u wenschen beterschap toe en zeggen wat mijn gedachte is. Merlijn is een knappe tooveraar maar hij is alleenlijk jong in den morgen en oud in de nacht en als hij eens des avonds sterft, zal dit zijn omdat zijn tooverconste overheerscht wordt door die natuurkracht. Maar het Wonder, dat Wonder was, zal het blijven als wij het Wonder voelen in ons harte als ik het voel, o mijn heere! die het Zwevende Scaec dit maal toch niet vind tusschen u en uw prins staan....

De zieke Koning richtte zich half op, verrast. Hij glimlachte en zag Gawein in diens groote, bruine oogen. Hij legde zijne handen op Gaweins schouders. Hij zeide niets maar hij was geroerd en toen hij daarna zijn blik weidde over zijne baroenen en hunne edelvrouwen—wijven en dochteren—zag hij onder den glimlach van hun hoofsche doen den Twijfel en het Ongeloof schemeren en had er Gawein liever om.


Al was Koning Mirakel van Wonderland krank en droef te moede omdat hij geen modern toovenaar was, aan zijn hof heerschte nog vele vreugde, waar niemand zich scheen aan te trekken, dat de Koning zulke vernoye had en pijn van zwaarmoedigheid. En nu de blijde bellen sprenkelden heldere klanken tot nooden aan den disch, voerden edelknapen Gawein en zijn Amadijs naar een kemenade, waar zij zich zouden verkleeden. De knapen brachten de feestkleederen, zoo als die steeds in alle burchten klaar lagen voor ridderen, die aan kwamen dolen en wie hen vergezelden en boden hunne diensten aan. Maar Gawein, denkende aan Amadijs, die eigenlijk Alliene was, verzekerde hun, dat hij genoeg had aan zijns eigenen schildknapen hulp, en hij bleef met Alliene, liever, met Amadijs alleen.

Toen zag Gawein om zich rond en zeide en wees:

—Wellieve Amadijs, mijn schoone knape, zie deze kemenade; ik ken haar van Destijds en op dit tooverbedde heb ik geslapen, nadat ik met de draken gekampt had, de moederdrake en de vier felle serpentenjongen en in minder dan een nacht was ik genezen van mijne wonden. Maar sedert heeft Merlijn het geheim ontdekt tooverbedden te maken, waar de gewonde ridder in minder dan zes uren van zijne wonden geneest: zoo een hebben wij te Camelot en daarom is Koning Wonder onvroô te moede.

En Gawein toonde Amadijs het bedde. De vier pilaren van het ledekant waren van fijn, rood goud en de sponde was van gebeeldhouwd ivoor en op den hemel, waarvan de gordijnen van geel damast af vielen, zaten vier gouden engelen aan de vier hoeken en zongen, sedert de edelknapen de gasten hadden binnen geleid.

—De engelen zingen niet zuiver meer, zeide Gawein. Bet is het, dat wij ze doen zwijgen. Hij poogde den knop te draaien, die een der engelen kon doen zwijgen en met een knars zweeg de engel ook stil; toen deed Gawein zwijgen de andere drie.

—Wat er zingt bij Merlijn in zijn burcht, zeide Gawein; zingt uit groote, gouden kelken en dunkt mij schooner van klank. Maar ik heug mij: toen ik tien jaren geleden deze engelen hoorde zingen voor de eerste male, vond ik hunne melodië wel uitermate schoon....

Gawein begon zich te ontgespen.

En hij duldde nu, hoffelijk zich verontschuldigend, dat Amadijs hem hielp, want moeilijk was het wel en hijzelve ontgespte daarna Amadijs. En zij wieschen zich in het bronzen bekken, waarin het water, te pointe koud, te pointe heet, reeds gegoten was en verkleedden zich toen voor het maal met de kleederen, die de edelknapen hadden klaar gelegd. Gawein kleedde zich in een surcoet van roode zijde, die was met hermelijn omzoomd en zijne hozen waren wit en zijne schoenen waren rood wederom, met rooden goud bedropen en hij stond in zijn feestgewaad zóó ernstig en beminnelijk, met het lange, bruine haar, dat glansde als van een vrouw en golvend om zijn breeden nek viel, tot Amadijs ontroerde, terwijl hij—maar Amadijs was Alliene—zich kleedde in bliaut van witte zijde, met sabelbont omzoomd en in roode hozen met wederom witte schoenen, lang van toot, de kort geknipte, geluwe lokken om het even weemoediglijk aanschijn niet minder gouddraadblond dan koninginne Guenevers vlechten. En toen wederom de blijde bellen sprenkelden de klanken tot nooden aan den disch, gingen zij beiden de kemenade uit en in de gangen en gaanderijen verdrongen zich, maar hoofsch, de baroenen en hunne vrouwen en dochteren. In de groote zaal—rijk de wanden gepinghierd met tafereelen uit Koning Wonders eigene tooverjaren—waren de vele tafelen over de schragen gelegd; 's Konings eigene tafel was van rooden goud en de anderen waren van ivoor en kostbare ammelakens werden er over gespreid.

De Koning zoû zich zetten op een zetel, die vroeger ongenaakbaar was voor bliksem en donder en waarin hij ook onaantastbaar was gebleken voor elken vijandigen aanval, maar hij bekende nu zijn gast, strompelend aan diens arm, den prins Alidrisonder ter andere zijde, dat hij niet gaarne meer tijdens tempeest of overrompeling in den zetel ware gebleven.... De toovermacht ervan was versleten, meende de Koning Wonder en schudde bezwaarlijk zijn grauwe lokkenhoofd. Maar Alidrisonder, jeugdig, lachte en meende, dat er eigenlijk geen toovermachten bestonden en dat het alles was werktuigkunde en clerkeconste: zingende engelen, bedde van hygiëne en zetels, onaantastbaar voor bliksemflits of voor donderkeil. Wat de Koning boos deed worden, wankel op zijne zieke beenen aan den arm van zijn lieven gast, heere Gawein, zoo dat Gawein hem verzekeren moest, dat Alidrisonders oordeel dat was van jeugdigen overmoed en dat het Wonder der wondermeesters en des Konings van Wonderland meer was van heilige scienscië dan clerkeconste en wetenschap-van-enghiene waren.... Om welke troostende verzekering Koning Mirakel zeer dankbaar was toen hij Gawein noodde naast hem te zitten op den tooverzetel en met hem te tasten uit één bord van rooden goud en met hem te drinken uit één beker van rooden goud. De stopen van goud stonden her en der op de tafelen voor de gasten gevuld met clareit en met hypocras en met gekruide malvezijen; nappen stonden er menigertiere van goud en zilver en zuiver kristal in vele vormen van sierlijkheid en de edelknapen gingen rond, met, hoog geheven, de zware schalen, waarop de pauwen lagen, staart ontplooid, of dampend, thijm-doorgeurd venizoen, afgewisseld met jong, malsch tam: over de tafelen lagen de kersen geschikt, voor fraaiïgheid en voor snoeperij....

En gouden engelen, in de hoeken der zale, staken trompetten en zongen....


HOOFDSTUK XV

Toen zeide de Koning Wonder tot zijn hoogen gast:

—Heere, zijt te gemake, ik bid u zeer daaromme en neem van wat u gevalt.

Waarop Gawein antwoordde als het behoorde:

—Hier is, hooge vorst, genoeg van alle zaken: niet gebreekt mij, wil mij gelooven; ik ben harde wel te gemake.

Er zaten aan de andere tafelen de baroenen des Wonderrijks: er waren hertogen en graven bij en eene hertogin schertste met Amadijs, dien zij bekoorlijk vond, zoo jong en ernstig en zoo lieflijk bijna als een jonkvrouw.... En Gawein, omziende aan des Konings zijde, verwonderde zich wel, vreemd te moede, want al twijfelden alle die gonen, die daar zaten en aten, aan het Wonder, waarvan hun heer de Koning was, er was geen droefenis om hen: zij lachten en dronken en dreven jolijt ende riveel, en Gawein, in zijn geheimste ziel, meende: als het Wonder niet bestond, of niet van machte meer ware, zoû het geheele Rijk toch weldra vergaan!? Zoo als hij meende, dat het Land van Logres, Koning Arturs rijk, lace, vergaan kon, als ten slotte geen Aventure zich meldde en hij zelve niet slagen zoû in de queste.... Maar zulke gedachten schenen niet om te gaan in dier edelen en schooner vrouwen testoyierende hoofden en Gawein, ernstig, verwonderde zeer en plotseling scheen het hem toe, dat twee gevleugelde geniï met omgekeerde, brandende fakkelen, zweefden tusschen de appele-boomen, zichtbaar door de bogen der zale en toen binnen zweefden over de zorgelooze gasten in de burchtzale van den Mirakele....

Maar tal van knapen staken tal van toortijtsen en stallichten aan op gouden kandelaren en zij gingen om met bekkens van goud en kannen van goud en schonken het geurige water en boden de dwale om zich de vingers te drogen. Maar den Koning was het hoofd op de borst gezonken; hij sliep, moede en uitgeput, want hij wist het nieuwe Wonder niet meer en Gawein begreep, dat hij het Zwevende Scaec dit maal niet bij Koning Wonder vinden zoû.

Toen het feestmaal ten einde was, gingen de gasten zich divertieren in de vergieren in amoereuzelijke vië ende jolijt en zag Amadijs, dat Gawein zich verloor met de edelvrouw van het leliewitte schoothondje, tusschen de boomstammen door der bongerds, in de welwillende schaduwen, die als donker fulpen pauwillioenen waren....

Amadijs bespeurde het met een schok zijns harten en vluchtte toen voor de hertogin, die hem naderde met een bescheiden geruisch van haar kleed van sindaal. En hij vluchtte naar de kemenade en legde zich, alleen, op het wonderbed, dat vroeger de gewonde ridders genas in vier-en-twintig uren. Maar dat nu van weinig waarde geworden was, want zelfs na zes-en-dertig uren slapens genazen er lijfsgevaarlijke wonden niet te allen deele. En Amadijs legde er zich ruggelings alleene op en omdat hij alleene was, en alleene bleef, nam hij Gaweins breed zwaard-in-scheede, drukte dat tegen de borst en bedacht of het wonderbed nog kracht genoeg in had om van minne te doen genezen, die stak met pijlen van pijne....


Den volgenden morgen namen Gawein en Amadijs, gewapend, afscheid van Koning Wonder en van zijn jolijselijk hof. Wonder omhelsde Gawein zeer innig en zeide, dat het zeker de laatste male was, dat hij den dapperen wigant zoû hebben aanschouwd want dat hij zich sterven gevoelde, omdat, lace, het nieuwe Wonder niet meer was van zijn weten.

En Gawein sprak hem troost toe, zoo als hij vermocht.

Toen reden ridder en schildknaap—maar weet wel, die was Alliene, o lezer!—de rivier langs; zij verdwaalden en Gawein, die bespiedde of niet wederom Aventuur hem zoû ontmoeten, zeide:

—Mijn welschoone knape, Amadijs, Aventuur ontmoet niet meer iederen dag van zijn queste den dolenden ridder, schijnt het; vermoedelijk is het beducht geworden telken male zich te openbaren op dezen gladden weg, dien ik meer dan een maand geleden ben afgëijld in Morgueine's tooverwagen. Geerne echter hadde ik ontmoet een ridder, niet al te feloenig en dien ik, om welke reden ook, had moeten bekampen en dan had overwonnen maar niet verslagen, want ik had hem geerne gezonden op eerewoord naar mijn Konings Arturs hove, naar Camelot, opdat hij zoude melden van Didoneel en van Mordret, want hun dood ligt mij zwaar op het harte. Nu weet, lace, de Koning, nog niet en ietwat van deze droeve Aventure! En uzelve, zoo jong en teeder, wage ik niet te vragen alleen te gaan tot Camelot en ook vreeze ik des Konings gramschap voor u, zoo gij hem meldt, dat twee zijner dierbaarste ridderen keytieven waren, verholen voor aller oogen en nu dood liggen, begraven op kerkhove bij de kapelle. Daarom, laten wij samen dolen; allicht zweeft het Scaec weêr op, in het gelucht, gelijk een leeuwrik, en licht ons voor, waar wij het vangen kunnen....

En zij doolden door het woud, samen. Het woud werd ontzaglijk wijd, de zware eikenboomen stonden er reusachtig met eeuwoude stammen en knoestig verwrongen tronken en lieten door hunne zware bladerenweefsels nauwelijks lichtschijn door van den dag. Tegen den noen groeiden Gawein zijne heldenkrachten, zoo als het hem steeds gewoon was en hij was bereid voor alle Aventuur, maar er bood zich hem niets aan. Het woud scheen verlaten van dieren en menschen en draken en ridders, van vogelen zelfs in de takken. En een huiveringwekkende beklemming hing onder de boomen, die reeds de eerste bladeren deden vallen met ritselingen, die Amadijs schrikken deden hoewel hij zich had voorgenomen met mannemoed alles door te maken wat hem aan de zijde Gaweins zoude overkomen kunnen. Woud was dit zeker, in vroegere eeuwen gewijd aan payeinsche godheid en door de priesters van toen en de priesteressen, die er met het sikkelmes misteltak en maretwijg sneden, met menschelijke offers geëerediend op de groote, vierkante steenen, zich hier en daar, door vreemd, onkerstelijk inschrift overgroefd, verduidelijkend in sombere schaduw en geheimzinnigheid. Tot als een groote vlinder, laag over den grond, die geen weg meer teekende, het Scaec, het juweelene Scaec, met de enkele stukken en den schaakmat bedreigden koning voort fladderde, verdween tusschen het lage hout, weêr te voorschijn zweefde en tusschen de boomstammen als een uitweg zocht....

Gawein en Amadijs wezen het beiden elkaâr en nu het wederom verschenen was, rees in Gawein het goede vertrouwen en volgde hij het Scaec, zoo vlug Gringolet het vermocht maar het fladderde boomstammen om, verdween telkens, dwarrelde weder te voorschijn, met een duidelijk waarneembaar gebruis als van een grooten hommel, een brommende paardevlieg.... Het scheen zijn achtervolger te tarten; buiten het woud, dat plotseling eindigde op ruime weiden, vol plassen, die reeds rossigden in de dalende zon, wiekte het hooger de lucht in, lokte ridder en knaap, de gloor-overspeelde moerassen over: daar zouden in de nacht de euvele geesten zweven tusschen misten en nevelen heen....

Tot het plots in een rechte vaart, een pijl gelijk, schoot door de lucht en de ruiters hunne rossen aanzetten ten draf.

—Ik en weet niet, zeide Gawein; waar wij herberg zullen ontmoeten voor deze nacht. Maar wij kunnen ons dat Scaec niet en laten ontgaan, wellieve knape!

Amadijs—maar hij was Alliene, zijt des gewes, o lezer!—draafde zijn heer achterna; na een geheelen dag rusteloos dolen door woud en over weide was hij hongerig en moede, als de jonkvrouw, die hij was, wel zeker zijn mocht, maar een zoet geluk was er tevens pijnlijk wrang in zijn ziel om den rit, den dravenden ridder achterna, die reed het Zwevende Scaec achterna....


Plotseling herkende Gawein de landstreek, die hij door draafde.

Hier was hij geweest, jaren her!

Tien jaren her en daar, in de richting, die het Zwevende Scaec had verkozen en waarhenen het fladderde, hoog in de lucht, om zich plotseling te laten recht neêr zinken, in een glinsterende spiraal, rees de reusachtige burcht Endi van Koning Assentijn!

Daarheen was jaren her, was Destijds Gawein gereden om Ysabele te winnen, des Konings dochter....

Maar niet voor zich....

Om haar te winnen voor minnezieken Koning Amoraen, die hem het Zwaard met de Twee Ringen zoude afstaan....

Indien hij de jonkvrouw hem bracht.

Dat was het Tooverzwaard met de Twee Ringen, waarvoor hij eindelijk bij Koning Wondere had kunnen inruilen het Scaec van Destijds.... Maar omdat Amoraen was gestorven van verlangen, voór Gawein hem de jonkvrouw bracht, had Gawein Ysabele, die hij zoo lief had gekregen, voor zich behouden en haar mede met het Scaec naar Camelot gevoerd.

Lace, zij was gestorven!

En alle Gaweins herinneringen beroerden hem hevig....

Toen hij landstreek en burcht herkende!


Het Scaec was midden tusschen tallooze torens van den burcht neêr gezonken, spiralende glinstering.

En Gawein, intoomende zijn Gringolet, zoodat Amadijs dadelijk hem ter zijde was, werd zich bewust het zelfde kasteel binnen te moeten dringen, dat hij Destijds met zoo vele moeite was binnen gedrongen....

Destijds!!

Om de jonkvrouwe....

Nu om het Zwevende Scaec zelve....

En tal van muren en grachten met tal van poorten omringden den dreigenden reuzenburcht, dien het ziedende water omgaf....

En hij herinnerde zich: Destijds had hij aan iedere poort en bij iedere gracht moeten verslaan, hij alleen aanzienlijke heirmacht van gewapende mannen, vóór hij, zegevierende, was binnen gedrongen!

Het Aventuur herhaalde zich!

Hoe anders het zich ook herhaalde....

Maar toen haalde Gawein ruim adem en juichte in zijn gemoed en gevoelde zich getroost, dat de nieuwe queste niet, als Destijds, was aangevangen met den strijd tegen een draak, nu weêr wel voor hem doemde de zware riddertaak.

Alleen een wel versterkten koningburcht in te nemen!

Alleen eene geheele bezetting te verslaan!

Want zeker zoû de burcht niet minder waakvol verdedigd zijn dan Destijds....

Toen Gawein er zijne Ysabele gevonden had....

Zie, daar dampte reeds de altijd ziedende rivier en wie er in verdronk, verbrandde even eens....

Twaalf muren omringden den burcht en tusschen iedere twee muren groefde een diepe gracht en ziedende wateren omringden het al.

Was Koning Assentijn niet de zwaarmoedigste, somberste, oude Koning der oude Koningen, die in deze landen van Brittannië en Wallis over hunne koninkrijken schepters hieven?

Was het niet bekend, dat Koning Assentijn niet gaf om Aventure?

Toch zoû Aventure den burcht van Endi nu naderen, want alleen, alleen zoû Gawein wederomme en ten tweedenmale Assentijns burcht moeten nemen: Amadijs zoû hem van nut en noode niet en zijn....

En hij zeide tot zijn schildknaap:

—Wellieve knape, aanzie! Dezen burcht, waar binnen het Scaec verzonk, als ik denk, moet ik winnen om mijn queste tot goeden einde te brengen en moet ik alleenlijk winnen, o Amadijs, als ik reeds deed, tien jaren, her: Destijds! En nu bidde ik u, op hoofschheid: zeg mij, zoudt gij niet, nu zich zoo groote Aventure en gevaarlijk dangier mij voor doet, voor uwe vrouwelijkheid minder gevaarlijk kiezen en mijn boodschapper willen zijn naar Camelot, naar mijn Koning Arturs hove, om te melden van Mordret en van Didoneel, wier dood mij zwaar op het harte weegt. Want mijn moed is wel droeve om beider lot en omdat ik twee ridders van Tafel-Ronde versloeg en mijnen heere nog niet kondschap zond van zoo allersmartelijkste dingen! Zeker, de weg is lang, maar goede ontmoeting bereidt de Hemel zoo wel voor als kwalijke en eenmaal te Camelot, als des Konings gramschap om mij over uw zoete hoofd is gegaan, zal mijn heere en de koningin gewes den kondschapper eere doen.

—Mijn zoete heere, zeide Amadijs; doen zal ik als gij beveelt en gaan kond doen den Koning Artur van den dood mijner belageren; trotseeren wil ik zijn gramschap maar liever ware het mij u te beschutten alhier in den strijd en voor u te sterven zoo ik vermocht....

Nauw had Amadijs zoo gesproken of....


HOOFDSTUK XVI

Tot groote verwondering van Gawein en zijn schildknaap beiden, staken vier torenwachters op de vier hoogste torens hunne koperen, schelle horens en staken op alle andere torens de wachters de hunne! Zoo dat het koperen rumoer vervulde den hemel, die te avonden aanving en Gawein meende, dat dadelijk de strijd beginnen zoude en de gewapenden buiten de eerste poort zouden treden in fellen aanval om te verslaan wie waagde Koning Assentijn te belagen.... Maar hoe groeide niet Gaweins verbazing toen wel de dubbele poort breed opende maar op de brug over de eerste gracht des Konings drossaet verscheen met hoofschen groet tusschen tal van lijfstaffieren en zeide tot Gawein:

—Heer ridder, mijn Koning zendt wie hem gekond wordt door zijner torenwachters geschal als ridder van prise met schildknape zijnen koninklijken groet ende bidt u binnen te rijden en biedt u beiden gastvrijheid aan.

Hoofsch antwoordde verrast Gawein en reed met Amadijs binnen over de brug en zij reden de twaalf poorten door en de elf bruggen over en in den wijden burchthof naderden hen garsoenen; zij stegen af en de garsoenen ontgespten hun sporen en ontgordden hun de zwaarden en de drossaet noodde hen den burcht in. Voor zoo zeer hoofsche ontvangst in het slot, dat hij Destijds had ingenomen, hij strijdende alleen tegen honderden mannen, meende Gawein niet minder hoofsch te zijn door nog, vòòr hem name en rang werd gevraagd, te verklaren wie hij was en van waar hij kwam. En hij zeide:

—Mijn wellieve heere drossaet, ik dank u voor zoo beminnelijke noodiginge en joyeuselijke innekomst nu deemster zich breidt over woud en weide en dolende ridder met zijn knape herberg zochten, harentare, voor geheel de nacht zich spreidt. Maar voor gij mij verder voert den koning Assentijn te moet, bidde ik, dat gij mij meldet: ik ben Gawein van Koning Arturs Tafel-Ronde ridder; ik ben Gawein, des Konings Assentijns schoonzone eenmaal, voor mijn schoone wijf, Ysabele, des Konings dochtere, stierf; ik ben Gawein, eenmaal des Konings Assentijns vijand en zijner dochtere schaker.... Ik ben Gawein en deze hier is Amadijs, mijn knape-van-wapenen.

De drossaet zeide, dat hij Gawein en Amadijs melden ging. In de groote zale, slechts met enkele stallichten op luchters aan den muur verlicht, wachtte Gawein en wachtte Amadijs, beiden, ongewapend. Toen passen buiten weêrklonken, deuren werden geöpend en binnen trad de Koning, Assentijn, met enkelen zijner baroenen en pagiën. Hij was groot en somber; onder zijn kroon hingen de grauwe lokken om zijn gerimpeld gelaat en het trof Gawein, dat zijn roode mantel en hermelijnen kraag motputterig waren en wel gesleten, zoo als die van Koning Artur zelven. En het trof Gawein ook wel, dat er zoo vele oude Koningen heerschten alom in het rond, in deze landen, die de zee in het rond alomme omspoelde, zoo heel veel oude Koningen.... Gawein groette eerbiedig zijn schoonvader maar deze bleef recht, fronsende, voor hem staan, doorpriemende hem met nog vurige, booze oogen, fronsend de zware brauwen. En zeide toen eindelijk:

—Mijn here schoonzoon tegen wille en dank, mij heeft wonder wat zaken gij zoekt en twi gij tot Endi dus zijt gekomen? Komt gij om te jagen of te josteeren, komt gij aventure zoeken en begeert gij goed of kwaad?

—Mijn machtige heere Assentijn, Koning van dezen rijken lande en wellieve heere schoonvader, antwoordde allerhoofscht Gawein. God, die voor ons geboren werd, moge u loonen om zoo vele poorten als gij geboodt te openen voor mijne passagië en om die vriendelijke vrijheden, die gij uw gast heet. Verstaat wel in uw zin, mijn edele heere: dat ik te Endi ben gekomen, dat heeft mij àl dat Scaecspel gedaan, het zelfde, dat is neêr gezweefd binnen uw koninklijken burcht en dat ik zoek om het te brengen tot Camelot, aan mijn heere, den Koning Artur....

Assentijn, de oude Koning, had plaats genomen in een zetel bij de tafel, balde zijn vuist, die hij neêr plofte en zag Gawein, voor hem staande met achter zich Amadijs, doordringende aan, het harige hoofd schuddende als doen zoû zijn kop een ontevreden leeuw.

—Welzoo, zeide Assentijn. Mijn valiante wigant en schoonzone, komt gij heden een scaecspel zoeken, dat binnen mijn muren schijnt neêr gezweefd? En waarom ook niet? Gij, ridderen van uwen Koning Artur, die nimmer der Aventuren zat en heeft, zoekt immers immer het een of het aâr in queste, door deze landen van Brittannië en van Wallis? Waarom en zoudt gij niet? Zijt gij niet reeds tien jaren her hier geweest, mijn wel hoofsche ridder, mijn lieve Gawein en kwaamt gij toen niet mij mijne dochter ontschaken, Ysabele, die schoone, om haar te voeren tot Amoraen, zoo weinig abel om haar zelve te winnen, en die u het Zwaard met de Twee Ringen in ruil voor zoo zoete bruid zoû afstaan, het Zwaard, dat gij weêr bij den Koning Wonder zoudt inruilen voor een Zwevende Scaec? Was het niet zoo? Amoraen stierf te wel gevoegelijker oogenblik, zoo dat gij zelve mijn zoo zoete kind kondt behouden en voor het Zwaard het Scaec ontvingt en met Scaec en Ysabele tot Camelot over kwaamt waar gij gefesteerd werdt met grooter joye om zoo glorieuze wapenenfayten. Was het niet alles zoo, mijn wellieve schoonzoon tegen wille en dank? Bij mijne koningskrone, Destijds versloegt gij aan mijner twaalf muren twaalf poorten telken male vierwerf twintig man, zonder waan! en wel gewapend; gij drongt binnen mijn burcht en toen gij gevangen laagt in donkere duwiere en mijn dochter tot u kwam, wist gij haar te schoffieren en te ontvoeren daarna.... Zoû ik dan heden, naar nieuwe zede en costume, maar niet bet doen u alle poorten te openen, u hoofschelijk te ontvangen en u te vragen wat gij wenscht? Wees gewes, dat ik blijde ben, valiante wigant, dat gij mij niet mijne zoete kleindochter vraagt, mijne leste troost, die Ysabele heet als haar arme moeie, uw wijf, mijne zoete dochter, die stierf in kinderbedde, als ik hoorde gewagen.... En zeg mij nu, Gawein, wenscht gij, dat ik u zegge: ga en doorzoek mijn kasteel en zoek het Tooverscaec, dat hier binnen zweefde en dat Koning Artur wenscht te zijnen bezit en keer dan terug tot Camelot, in pays en vrede?

Zittende, de vuist op de tafel, had de oude Koning met verbeten woede gesproken, terwijl Gawein, achter zich Amadijs, die zeer wonderde om wat hij hoorde, voor hem stond een stoute scholier gelijk, die door den boozen magister gescholden werd. Tot Gawein zich verdedigde:

—Machtige Koning, Assentijn van Endi, voor ik u spreek van het Scaec, waarom ik op queste toog, zoude ik u willen zeggen: Ysabele, uwe dochter, had ik lief reeds voor ik haar trof, had ik lief reeds in mijne droomen, waar binnen zij verscheen, als door tooverië in vele schoone tooverzalen. Ysabele, uwe dochter, herkende ik zoodra ik haar zag en zij herkende mij uit haar eigenen droom. En met vele listen vroeg zij u, haren vader, met mij te doen wat zij wilde en zij deed mij binden met sterke koorden en werpen in den duwiere maar zoodra wij alleen waren, ontbond zij mij en koosden wij en kusten wij....

De Koning sloeg met de vuist op de tafel, zoodat de echo's verschrikten en elkander na joegen de wanden der zalen langs:

—Ik weèt het, bij mijne trouwe! riep Assentijn. Zij was een onwaardig koningskind en ik heb haar gevloekt en zij is gestorven, maar meent gij, Gawein, dat gij rècht waart haar mij te ontschaken en weg te voeren naar Amoraen, die haar niet zelve dorst winnen, en toen hij zoo jongstiglijk dood bleek en gij uw ridderwoord niet en behoefdet gestand te doen, haar zelf te behouden tot eigen wijf? Meent gij—en de Koning gaf een tweeden vuistslag ter tafel en de echo's ijlden wat zij ijlden konden—dat gij recht waart vierwerf twintig man aan iedere mijner twaalf poorten te verslaan om te dringen binnen mijn kasteel waar ik u niet en van noode had? Zekerlijk, gij waart een wigant: de koppen en beenen en armen en rompen lagen harentare in plassen van bloed; gij waaddet, Gawein, door den bloede en gij zettet u neêr in eene wachtzale en at en dronkt van wat gij vondt en gij drongt door tot wij u eindelijk gevangen namen en Ysabele mij, naar het scheen, bij liste verzocht u die nacht te mogen bewaken en ik zoo zot was de bede der kwade, die u bevrijden wilde, toe te staan. Maar meent gij, Gawein, dat gij recht waart? Meent gij, dat gij recht waart op queste te gaan van een Zwaard, dat u niet behoorde, op queste te gaan van een Scaec, dat u niet behoorde, op queste te gaan van een Bruid, die u niet behoorde? En maar dapperlijk er op los te houwen, tot gij uwen zin hadt? Gij waart sterker dan alle mijne serianten, die gij versloegt en ik zoude u verbazen, denke ik mij, zoo ik u zeide, dat gij geen hoofsch ridder waart, gij, die geloofd wordt als de hoofschte van allen maar, in gemoede, mijn schoonzoon tegen wille en dank en weduwnaar mijner arme dochter, bedenk eens: zijt gij recht heden ten dage voor mij te verschijnen en te vorschen naar een Scaec, dat schijnt binnen gezweefd tusschen mijne barbekanen en dat gij bezitten wilt terwijl het mij voor komt dat wat mijne barbekanen vrij van wille binnen zweeft, het mijne is en niet het uwe en niet des Konings Arturs??

Beduusd bleef Gawein voor den Koning staan en achter hem verwonderde zeer Amadijs. Woorden vond niet Gawein en het duizelde hem in zijn ridderkop. Eindelijk echter meende hij te kunnen spreken en zeide hij, hoofsch en bijna nederig hoewel toch waardig omdat hij zich geen schuld was bewust meer dan God op hem geladen had bij zijne vleeschlijke geboorte:

—Assentijn, machtige Koning en vader mijner wellieve en, lace, te vroeg verscheidene Ysabele, gij zegt mij vele woorden en zekerlijk, zij verbijsteren mijne ziele en mijnen armen geest. Want zij zouden mij goed recht van ridderschap moeten betwijfelen doen zoo ik meende, dat gij recht waart met zoo vele woorden tot mij te richten. Ik weet alleen, dat ik 's Konings Arturs Ronde-Tafelridder ben en dat, wen hij een queste verlangt—dat zij om Scaec of Graal of Speer of wie of wat ook—ik opsta van Tafel-Ronde en gereed mij verklaar.... En dat, als ik vroom ben der Maagd en Haar Kind, Gode van Hemelrijk, die voor ons geboren werd... en dat als ik bescherme zoo weduwe als weeze... en dat als ik versla feloenen, keytieven en ribauden... Gawein kon zijn reeds zoo moeilijken zin niet voltooien: de deur der zale opende; knapen met stallichten ter hand traden binnen; in een plotsen, gelen kaarsengloor, verscheen eene zoo blanke en blonde jonkvrouw, zoo lieflijk en uitermate schoon, dat Gawein, verblind, tevens verstomde en de handen, onbewust, hief en vouwde als zoude hij knielen gaan en aanbidden!

—Mijn wellieve grootvader en edele Koning, zeide de jonge Ysabele; vergeef uwe kleindochter, dat zij u storen komt maar haar angst, waar dat gij bleeft, was groot en hare harte was vol gepeize om u....

En de jonkvrouw naderde, als een droom, zoo blond, zoo blank, zoo wit in haar witte, nauwe kleed van sindaal, zoo goud heur haar als het goudene draad, waarmede jonkvrouwevingers de aureolen der heiligen borduren, dat Gawein het harte stille stond en dat hij meende: een engel naderde maar een engel, die zijne gestorvene Ysabele was....


HOOFDSTUK XVII

Ysabele was haar grootvader genaderd en had hare witte handekens gelegd over des ouden Konings Assentijns rood fluweelen schouders en Gawein dacht om dit gebaar aan Koning Artur en aan Guenever, maar het meeste dacht hij aan zijne eigene, lace, gestorven vrouw en het scheen hem toe, dat zij herboren ginds voor hem stond, maar schooner nog, jeugdiger dan hij haar ooit gezien had. Hij werd zich bewust, Gawein, niet trouw aan hare nagedachtenisse te zijn, maar omdat Gawein nooit trouw was geweest en meende, dat niet iedere ridder zóó trouw kon zijn als Lancelot was aan zijne amië, koninginne Guenever, voelde Gawein zich niet zondiger dan God hem had willen scheppen. Van Gwinebants liefde en trouw—al had Gwinebant hem mede met Lancelot bevrijd uit de Vallei der Ontrouwe Ridders—wist Gawein niets, al had hij sedert wel eens gedacht: wie is toch Gwinebants liefde en aan wie zoû hij zoo trouw zijn, dat hij waardig is naast Lancelot te gaan....

Zoo waren Gaweins gedachten, terwijl hij als aanbiddende, handen gevouwen, de jonge Ysabele aanstaarde en Amadijs, achter hem, het hart klopte van ijverzucht om Gaweins hem verradend gebaar. Maar de oude Koning Assentijn, opstralend zijn rimpelgelaat als een winterlandouw in lentezon, zei, nemende in de zijne Ysabele's handeke:

—Zoet dochterlijn van mijn zaligen zoon, wij danken u voor zoo lieven zorg en vrome gepeize maar deze gasten namen ons den vespertijd en deden ons vergeten, dat avondmale ons wacht. Weet gij, wie deze ridder is, mijne roze? Hij is des Konings Arturs ridder van Tafel-Ronde, hij is Gawein; hij is die gone, die tien jaren her dezen mijnen koninklijken burcht belegerde, alleen hij, strijdende tegen vierwerf twintig man aan mijner twaalf poorten elk; hij is die gone, die ze alleen versloeg, zelfs zonder den schilknaap dien ik nu achter hem zie, en door het bloed waadde... weet gij, mijne roze, tot wie? Tot uwe moeie, tot mijne schoone dochter, die heette Ysabele als gij heet, en hij, die wigant, hij voerde haar weg, hij schaakte haar, hij bracht haar verre naar Camelot en, lace, zij stierf, van den kinde in haren schoot en van den vloek haars vaders; zij stierf! En nu, mijne roze, verschijnt mij die heere schoonzoon, of niets en ware geschied, en ik vrage u, gij, mijne zoete lieve: zeg mij en raad mij: wat moèt ik met dezen moordenaar van mijn kind en van mijne mannen?

—Bij mijne trouwe in Paradijs! juichte zacht Ysabele en hare stem klonk lieflijker, meende Gawein, dan Guenevers stem, dan zijner eigene Ysabele stemme geklonken had, dan de gulden vogelkens zongen op den wonderboom in Guenevers vergier. Dus zijt gij, o edele ridder en groote wigant, mijn eigen oom, Gawein? Der Aventuren Vader zijt gij? Mijner zalige moeie gemaal? Zijt gij de onvergelijklijke, de allerhoofschte, de allerdapperste, de ridder aller ridderen aller onzer oude Koningen? Wees wellekom dan, mijn oom-lief! Ik ken u, al ben ik bijna niet meer dan een kind en al zag ik u ook nimmer! Want ik las van uwe wondere fayten-van-wapenen, die de clerken sinds tien jaren reeds hebben op geschreven in klankvol vallende rijmen en, o wonder Toeval, juist heeft een vinder, die kwam met zijn veêler en vroeg verlof de jeeste voor te zingen van u, o mijn oom, en van uwe heldendaden! En juist wilde ik verlof vragen mijn heere Koning en grootvader den vinder met zijn veêler te doen zingen en spelen in de groote burchtzale, voor alle de burchtgenooten, zingen en spelen van u, o groote wigant vol heerlijke prise, van u, o mijn oom-lief, dien ik nu zekerlijk kussen mag met love en blij riveel!

En Ysabele, de handekens uitgespreid, trad nader, terwijl Gawein haar naderen zag als een wonder. In den gelen gloor van de luchters der knapen was zij immer als uitglanzende in een stralenkrans, zoo wit en goudblond als een engel, hemelsche schijning in de sombere, gewulfde zaal en Gawein, betooverd, wachtte af. Hij wist nu, dat Ysabele hem dicht was genaderd; hij knipte de oogen; hij voelde hare koele handekens aan zijn kloppend voorhoofd; hij voelde haar kus op zijn rechter- en linkerwang; hij wist niet te zeggen, noch te doen; hij hoorde alleen weêrklinken haar stemmeke van gouden klanken:

—Wat gij doen moet met mijn heer oom, met uw heer schoonzoon, mijn heer Koning en grootvader? Gij moet hem eeren als een ridder en gast van hoogste prise, gij moet hem lief hebben als een zoon en maag, dien in jaren gij niet en zaagt, gij moet hem nooden met ons aan den male, gij moet hem daarna mede doen zitten op hoogste eereplaats in de burchtzale om door vinder met veêler hem toe te doen zingen zijn eigene jeeste, zijn eigenen roman van heldendaden! O mijn zoete heere, o mijn lieve grootvader, en gij moet terug nemen alle veete en vloek en vergeten al van vijandschap en zoo vele kwadertiere dingen, of ik en trouwe niet Koning Clarioen van Noordhumberland; wees des gewes, mijn booze Koning!

En Ysabele, met de armen om ouden Assentijns mottigen kraaghals van hermelijn, lachte hem in de oogen, dat de Koning schudde het hoofd, ontevreden op zich, omdat hij zóó zwak was voor zijner kleindochter omvleiïngen.

—Dat zij dan! zeide hij, opstaande, de rimpels nog diep gefronst. De jaren zijn gewenteld, de straf is voltrokken: mijn arme kind, heb ik, wil ik eerlijk zeggen, nie ende nooit gevloekt hoewel ik zeide, dat ik het deed; zij heeft er, Gawein, de vrucht van haren schoot bij in geboet, zeg ik; gijzelve, Gawein, gij zijt een dapper wigant, hoewel gij een roofridder zijt van damoselen en van scaecspelen.... Bij mijne trouwe, ik bedenk mij, o roze: weet gij ook iets van een zwevende scaec—niet het eerste, van tien jaren her, dat uw heere oom met zijne bruid mede naar Camelot voerde—maar van een ànder, ook toover-enghien, dat zoû gezweefd zijn binnen onze muren, een vogel gelijk in zijn kooi?

Ysabele beval den burcht te doorzoeken.

En overal zochten de dienaren en kamenieren.

Maar zij vonden geen schaakspel.

—Morgen, mijn oom, zeide Ysabele; met den nieuwen dag, wen zonneschijn in de duisterste hoeken schijnt, zullen wij zoeken naar dat tweede, Zwevende Scaec....

—O mijne tweede, leliëzoete Ysabele! zeide Gawein vervoerd, terwijl Amadijs, achter hem, luisterde jaloerschelijk. Kendet gij mij? Laast gij van mij? Liefdet gij een luttel den held?

—Ik kende u, ik las van u, ik liefde u al zoo zeer, mijn held en oom! zeide Ysabele. En ik dacht: mocht eenmaal de ridder, die mij zal dienen, wen ik koninginne van Noordhumberland ben, dienen als Lancelot Logres' koninginne doet, mijn oom gelijken: Gawein!

Maar de edelknapen met de lange stallichten geleidden Gawein en Amadijs naar de kemenade, hun toe bedacht.

Wees gewes, o lezer, dat er een wonderbed stond, waarin ridders van hunne wonden genazen, want zulke wonderbedden stonden nu bijna in iederen koninklijken burcht, maar zij waren niet altijd zoo vervallen als dat allereerste—van ouden Koning Wondere—en niet altijd zoo modern hygiënisch als het bedde, dat Merlijn voor Camelot had gemaakt en voor de Ridders van Tafel-Ronde: het wonderbed van Koning Assentijn was maar van gemiddeld comfort. En de statie-kleederen lagen gereed en in de zale werden reeds de tafelen op schragen gelegd en er werd op toebereid tam en venizoen en klaar gezet clareit en pigmentwijn en hypocras en malvezij en de knapen rijden reeds de bekkens van rooden goud en de dwalen om de vingers te wasschen en te drogen daarna en de seneschalk zette met zijne dienaren de stopen op de dresseren en het was alles zoo als het overal was, in iederen koningsburcht, op dit uur van den laten avond, als de dolende ridderen binnen waren en de blijde bellen van het avondmaal sprenkelden de helle klanken langs gaanderijen en langs gangen....

En na het versterkende maal deed Assentijn eere zijn gasten.

Gawein zat naast den Koning op zijn breeden troon en zeer verwonderde hij zich als hij dacht aan Destijds, toen alles zoo anders geweest was....

En Ysabele—o zij heette als Gaweins verstorvene vrouw en zij geleek zoo zeer op haar!—zat op kussens van scharlaken aan grootvaders voet....

En Amadijs zat neêr aan den voet van Gawein....

En de burchtgenooten, baroenen en edelvrouwen en lijfstaffieren en pagiën overvulden de zale en zaten of stonden achter of bogen zich uit de binnenbogen der hoogere gaanderijen.

En licht van kaarsen gloorde zacht overal....

Toen traden de vinder op met zijn veêler en de knapen haastten zich met sneller de laatste tafelen weg van de schragen te nemen en zij namen de schragen zelve weg.

En de veêler, terwijl de vinder boog, vedelde zacht op zijne veêl....


HOOFDSTUK XVIII

De veêler vedelde zacht zijne veêl, begeleidende de stem van den vinder, die zong hoog en heldhaftiglijk uit van een ridder van Tafel-Ronde. De vinder, uit zijn tasch, had zijn handschrift genomen; het was hem zoo kostbaar, zeide hij, als een zwaard aan den ridder, als een koninkrijk aan den Koning en het was een klein boeksken van perkament, dat hij fijn had beschreven met zijn goudhel klinkende rijmen. En terwijl vedelde de veêler zijn veêl, hief de vinder het boeksken omhoog en kuste het en zeide; het was zijn gedicht en zijn kunst en hij behoefde het nauw in te zien want hij kende het wel bij harte en uit hoofd. En hij hoopte, God zoû hem vergeven de mesdade, die hij aan zijne redenen deed, en de wijsheid verleenen, groot, om zonder meswende van Gawein te zingen. En hij zong van Gawein en hij wist, dat hij zong vóór Gawein, maar hij zweeg bescheidenlijk van het bloedbad, en Gawein was er hem dankbaar voor. En zijn stem gloeide, terwijl hij zong van Gawein. Hij zong eentonig zuiver zijn lang reciet, hoe Gawein, Koning Arturs neve, wien in den noen wiesen de krachten, niet enkel de krachtigste, maar ook de hoofschte was en de allerdapperste, de allerdapperste!

—Lancelot is óók de allerdapperste, fluisterde Gawein verlegen zijn schoonvader in. En harde hoofsch daarbij.

De allerdapperste, zong de vinder voort, en die een moederserpent versloeg met vier felle, jonge drakinen!!

Ik heb in de grot, niet lange geleden, de geraamten nog wel aanschouwd, fluisterde Gawein en bloosde en hij ontroerde hevig, toen de vinder van Gringolette zong. Lace, zijn goede wrene was dood en begraven bij de rivier, maar Ysabele... zij was herleefd! Nu hoorde hij nauwelijks meer naar des vinders jeeste, die hem bezong. Nu zag hij met kloppend hart neêr op de bloeiende roze, op de zoo blanke lelië, die bloeide aan Koning Assentijns voet. Nu voelde hij Vrouwe Venus hem heftig doorvaren; nu wist hij, dat hij beminde als hij nooit bemind had, zelfs niet zijn gestorvene vrouw. Ysabele, Ysabele, de oude naam weêrtrilde met een nieuwen klank bij het trilleren der vedelsnaren door Gaweins ontroerde gemoed: Ysabele, Ysabele, zoo jubelde het boven alle die hoofden uit in de verwulfde burchtzale. Ysabele, Ysabele, zoo zouden de engelen zingen in Paradijs om wie hen verlaten had en neêr was gedaald op aard tusschen zegen en regen van rozen en leliën, lelië en roze zijzelve!

Maar toen de vinder gezongen had en met den veêler in de keukens was afgedaald om tusschen alle de serianten kostelijk te worden onthaald en toen allen zich ter ruste trokken terug en ook Gawein en Amadijs waren binnen hunne kamer, toen leunde Gawein aan het boograam en zag naar buiten in de stille, starrige nacht. En hij herdacht, dat de dingen en Aventuren zich herhaalden, maar zich toch niet herhaalden. Destijds was hij hier dwars door een bloedbad binnen gedrongen, maar had hij die nacht zijne Ysabele gekust, Ysabele, die hij uit zijne droomen reeds kende; Ysabele, die hij daarna geschaakt had! Ysabele, die toch zijn zoete vrouw was geworden! Nu was hij hier met eere ontvangen, maar hij kuste niet Ysabele. Hare kamenieren hadden haar weg geleid in haar eigen vertrek en haar ontkleed en ter ruste gelegd en haar princessekroontje, als het behoorde, gezet op de treê van het bedde en haar hondje sliep zeker in het midden der kemenade.

En Gawein staarde naar buiten.

Het scheen hem toe, dat zijn geluk en zijn weemoed om zijn late liefde zich mengden.... Zoo, als buiten zich mengden de aardegeuren en de verre starreglanzen met het zachte bruischelen der bladeren van het omringende foreest.... En met het vreemde ruischelen van die zacht zilveren wolkjes...

Maar die geen wolkjes waren, geen nevel en geen mist en geen windeveêren....

Maar wel zilverige wieken als van waterjofferen en van libellen: sylfewieken...

Ook Ysabele's kemenade was vol van dien zelfden vreemden zilverschemer en schijn, dien Gawein, naar buiten starende, zag wemelen uit den hemel....

En Ysabele, op haar kuische bed, wendde zich zachtekens om, met een gebaar als omhelsde zij een, die naast haar lag op de leêge plaats....

En zij droomde van Gwinebant....

En Gwinebant, ver weg, droomde van Ysabele...

Maar Gawein stond en staarde vol weemoed en vol geluk.

Het was hem of zijn leven begon.

Het was hem of heel zijn leven zich met wonder en heldendaad en tooverië had voorbereid tot alleen dit zoete, onvoldane verlangen.

Het was hem of er niets was geweest dan dit.

Of dit het alleenlijke, eenige Aventuur hem was...

En eindelijk wendde hij zich van het boograam. Trad de trede omneêr en toe op het bedde.

Daar lag Amadijs, roerloos, de oogen geloken, achterover het hoofd op het ronde oorkussen.

En hij deed of hij sliep.

En Gaweins zwaard lag naast den schildknaap, uit zorg reeds neêr gelegd, want het was goed voor ridder en knape te slapen met hun zwaard.

Gawein legde zich naast het zwaard, dat lag tusschen hem en Amadijs. Gawein sliep niet, hij lag en staarde in de schaduwen van het baldakijn boven zich. Hij glimlachte met open oogen. Vrouweschimmen van wie hij bemind had, vervloeiden voor zijn droomende oogen open en telkens tusschen haar ijle genevel glansde het hemelsche vizioen van Ysabele op. Amadijs' hand lag niet op zijn eigen zwaard, dat ter andere zijde hem lag, maar over Gaweins eigen zwaard.


Den volgenden dag zochten allen in den burcht naar het Zwevende Scaec, dat, als Gawein en Amadijs verklaarden, boven den breeden burcht zich had laten zinken naar omlaag. De baroenen en edelvrouwen, de pagiën en lijfstaffieren, allen zochten, gingen trappen op, trappen af, bestegen de tallooze torens, daalden in de tallooze duwieren af en ook Gawein en Ysabele zochten. En Gawein toonde Ysabele het duwiere, waar hij, meer dan tien jaren her, met hare moeie, Ysabele als zij geheeten, met Koning Assentijns schoone dochter—zóó vergramd was de Koning geweest, toen hij Destijds van hun kussen gehoord had!—in ketens was neêr geworpen. En Ysabele, de zoete, ontzette, maar Gawein vertelde haar, dat de geest van een ridder, dien hij eenmaal gered had, hen beiden uit den kerker bevrijd had.... En al het vreemde en ongewone spookte om hen beiden heen, in het nauwelijks door de vlammende toortijtsen der hen vergezellende knapen opgelichte schemerduister: de atmosfeer van het Destijds, terwijl zij zochten naar het Scaec en het niet vonden. De herinnering aan den geest van een ridder... een Zwevend Scaec, dat zij zochten, hier in dezen burcht, dien Gawein eenmaal had ingenomen, hij alleen strijdende en verslaande vierwerf twintig man aan elk der twaalf poorten....

—Gij versloegt tachtig malen twaalf mannen, mijn oom? verwonderde Ysabele, terwijl zij buiten het duistere duwiere traden; over de trappen stegen en daalden eindeloos de burchtgenooten, zoekende. Gij versloegt zoo vele mannen, gij, alleen? Ja, ik weet, ik las er van in de jeeste, de zelfde, die de vinder ons gisteren zong!

—Het gaf mij toren, zoete Ysabele, zeide Gawein, verlegen voor de maagd, om het bloedbad, dat hij eenmaal hier had aangericht; zoo vele dappere mannen te moeten verslaan, maar het was, weet gij, om uwe moeie Ysabele te winnen, voor Koning Amoraen.... Maar die stierf van verlangen, voor ik haar bracht....

—Is het véél mannen, mijn oom, vroeg Ysabele; voor éénen ridder om te verslaan: vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk?

—Het is nog al veel, Ysabele, zeide Gawein en bloosde. Maar het is niet zoo veel of Lancelot zoû het fayt-van-wapenen ook hebben kunnen bestaan.

—En Sagremort?

—Sagremort ook, bij Sint Michiel! verzekerde krachtig Gawein. En ook Bohort, Hestor of Acglovael, wees des gewes, mijne zoete nicht!

—Maar... Galehot? vroeg Ysabele vol belang.

—Zekerlijk zoude Galehot het hebben volbracht! hield Gawein vol. En Ywein eveneens, zonder sparen!

—En ook... Gwinebant, mijn oom?

—Gwinebant is de jongste, die mede aan zit aan Tafel-Ronde en hij is met Lancelot mij komen verlossen—uit de Valleie van Ontrouwe Ridderen.... Hij is een dierbare jongeling mij, Ysabele, en harde valiant en ik twijfel niet, of hij, als wij allen, had het volbracht, het fayt-van-wapenen....

Ysabele glimlachte, heimelijk verheugd en zij stegen de trap op, die wentelde, steeds zoekende naar het Scaec.

—Ik en zie het niet, oom.

—Ik en zie het evenmin, Ysabele.... Amadijs, ziet gij het Scaec?

Gawein wendde zich om naar den schildknaap, die volgde eenige treden lager.

—Ik en zie het niet, mijn heer, antwoordde Amadijs zoo treurig en zacht, dat het Ysabele trof.

—Wij en zien het niet, zeiden de baroenen en de edelvrouwen, die mede opgingen, afdaalden.

Gawein en Ysabele waren op een der torenterrassen gekomen. De zomerlucht veropenbaarde boven hunne hoofden onmetelijk en zware blanke wolkmassa's stapelden er, drijvende uit en in elkaâr.

—Dus Gwinebant, herhaalde Ysabele en hare stem klonk nu zoo vreemd, zoo zacht en treurig, als Amadijs' stem had geklonken; Gwinebant is wèl krachtig en harde valiant...? Vierwerf twintig man aan elke onzer twaalf poorten... zoude hij als gij, mijn oom... kunnen verslaan... om een jonkvrouw te winnen...? Het is zoo veel bloed... te veel bloed...! Maar het zoude zijn om te winnen een jonkver... eene jonkver, die hij minde, en trouwe was zijne minne, niet waar, mijn oom?

—Zaagt gij ooit Gwinebant, Ysabele?

—Ik zag hem eene male.... Tijdens het tornooi, lesten jare.... Ik gaf hem mijne mouwe, die hij vast hechtede aan zijn helm.... Sedert, sedert zag ik hem niet meer....

—Nooit meer, Ysabele? Nooit meer?

—Ik en zag hem nooit meer, mijn oom, zeide Ysabele en glimlachte nu zacht en zij sprak niet van hare droomen. Maar zeg mij, mijn oom, zoo hij met Lancelot waardig was u te verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen, aan wie is hij dan zoo trouwe als Lancelot is aan koninginne Guenever??

—Gwinebant zeide het mij nimmer, Ysabele, antwoordde Gawein, turende van de wolken naar de boomen. En plotseling riep hij luid uit, zoodat zijn stem overal om den burcht weêrklonk:

—Het Scaec! Daar ginder! Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen van het vergier!!

En hij wees....


HOOFDSTUK XIX

Overal klonken stemmen. Het Scaec! Het Scaec! Overal stormden de burchtbewoners de poorten uit, de trappen af. Aan een boograam, beneden, verscheen Koning Assentijn.

De waakhonden en schoothondjes liepen uit en blaften. De paarden hinnikten in de stallen. En zwermden overal de mannen en vrouwen in het vergier en over de wallen en langs de elf grachten. En joegen zij naar het Zwevende Scaec.

Gawein was de wenteltrap afgestormd, latende Ysabele en Amadijs.

—Het Scaec! wees Ysabele naar het glinstervierkant beneden, dat zich verloor als een vluchtende vogel tusschen de looveren van het geboomt.

—Het Scaec... herhaalde, bleek, Amadijs.

Ysabele naderde den schildknaap.

—Zoete en schoone knape, zei de princes. Zijt gij krank? Gij en volgt niet uw heer en alle kleur besterft op uwe kaken! Darf ik u bijstaan, lieve Amadijs?

—Lace, mijn hooge jonkver! zei Amadijs en sloot de oogen. Ja, ik gevoel mij krank tot mijnen toren en zal mijn heere Gawein niet volgen kunnen in zijne queste!

—Zoo blijf hier en laat mij u plegen, zeide Ysabele bezorgd en zij omvatte Amadijs in hare armen....

Ten zelfden tijd ontstelde zij....

Zij voelde Amadijs' borst onder het knapebuis zwellende kloppen. Zij zag Amadijs nu aan in zijne oogen, die zich openden....

En liet hem los.

—Voelt gij u bet, Amadijs, wellieve... knape? vroeg de princes.

Amadijs was gezonken zittende in het kanteel. Met groote oogen starende, zag hij naar beneden, waar de menigte, zoekende, woelde om den burcht.

—Ik voel mij bet, hooge jonkver, zei Amadijs. Ik zal mijn heere volgen gaan.

Hij wilde opstaan.

Maar Ysabele, zacht glimlachende, hield hem tegen.

—Blijf... herhaalde Ysabele. En zeg mij.... Ik ben die gone, die nieuwsgierig is.... Vertel mij van Camelot. Zijn daar vele schoone edelvrouwen? Rondom de ridderen van Tafel-Ronde?

—Ik en weet niet, zoete jonkver, zeide Amadijs.

—Waart gij nie tot Camelot?

—Ik en was nie te Camelot....

—Zaagt gij nie Guenever, die is vol van deugden, die "fonteyne aller schoonheden"?

—Ik en zag haar nie, zoete jonkver.... Ik ben eens armen ridders eenige zoon, verwantloos, en mijn vader stierf, en heer Gawein erbarmde—God van Hemelrijk zij hem genadig—zich mijner.

—Zaagt gij, zeg mij, Gwinebant nimmer?

—Ik en zag hem nimmer, jonkver.... Ik en zag alleenlijk Mordret... en ik zag Didoneel. Maar zoete jonkver, dat u God moge eeren, nu zeg mij ook door uwe genade: is de Koning, uw hooge vader, mijn heer niet meer booze te moede?

—Ik denk niet, Amadijs.

—Zult gij weder, o mijn zoete princesse, wen uw vader mijn heere booze is, hem voorspraak en toeverlaat wezen, Sinte Marië gelijk?

—Vergelijk mij niet, o Amadijs, met de heilige Moeder van God, die voor ons geboren wierd, maar wees gewes: ik zal immer mijn oom Gawein toeverlaat en voorspraak wezen.

—Hebt gij hem lief, princes?

De schildknaap verried zich geheel. Ysabele lachte heel zacht hem toe en zij zeide:

—Ik heb Gawein lief, o Amadijs, met mijne bewondering. Omdat ik van hem las en van zijne hoofsche en van zijne ridderlijke daden.... Ik heb een ander lief, o Amadijs, met mijn harte en mijn ziele en met alle mijne zoete droomen. Ik heb een ander lief, die is ver, maar dicht bij mij elke nacht....

—Ik heb, murmelde Amadijs; één lief, die is dicht bij mij elke nacht maar blijft zoo verre als een zwaard maar scheiden kan....

—Wat zegt gij, Amadijs?

—Niets ik, zoete jonkver. Ik zeide van een lied en een lays, die de vinders zingen en dat is van treurige minne.

—Zing het, gij.

—Ik en kan niet zingen, hooge jonkver. Mijn harte is te smartevol om te zingen. Ik ben jong, maar ik leed reeds veel. En ik heb lief en ik lijd te veel.... Want Minne is vaak treurig als Vrouwe Venus' wil. Dan mint een wie hem niet en mint en dan mint eene wie haar niet en mint....

—En dan mint eene wie ver is, zoo verre en weet niet wie die verre wel mint misschien....

—En de vinders, zeide Amadijs; maken er van een lays en een lied en niet meer, neen, niet meer....

—Niet meer, lace, dan een lied en een lays, herhaalde weemoedig Ysabele.

Beneden was het vergier leêg en verlaten.

—Kom, zeide zacht Ysabele. Dalen wij omneêr en wij zullen hooren of het Scaec is gevonden....

En zij nam Amadijs' hand en voelde zijn vrouwehand. Maar zij zeide niets. Hij volgde haar de sombere, de diepe, de wentelende trappen af....

En zij waren beiden vol van liefde voor anderen, door Vrouwe Venus' wille.

En zij hadden beiden wel kunnen weenen, van het eeuwige verlangen, dat Vrouwe Venus drupt als zoete gif in zielen van menschen, waarover zij altijd godin bleef, hoe het ook wisselde van heerschappij der goden over de menschen...


Geen Zwevende Scaec werd dien dag gevonden in den burcht van Assentijn, noch in de vergieren, noch in de foreesten, waar de jagers een jacht er op maakten en toen daarna de Koning Assentijn Gawein, uit hoofschheid, zijn gast en schoonzoon, noodde niet dadelijk te vertrekken, maar uit te rusten van geleden vermoeienis, nam Gawein dankbaar aan en scheen het Zwevende Scaec te vergeten, zoo als hij, durende een maand, gedaan had bij Morgueine, in de Vallei der Ontrouwe Ridderen. Maar toen was Gawein gevangen in het net der tooveriën van wellust ende zondig riveel, met honderd-negen-en-veertig anderen; nu was hij, alleen, gevangen in den zoeten toover der puurste liefde. En de dagen gingen voorbij; er was des morgens de jacht, niet meer op Scaecspel maar op ever en hert, bij het schallen der jagerhoornen, Ysabele op witten palafroet, omringd van de baroenen en edelvrouwen te paard; er was tornooi der ridders in den burchthof, terwijl de edelvrouwen om Assentijn en Ysabele zich schaarden aan het grootste burchtraam; er waren des avonds zoete Liefdehoven, waarin bij den gloor der kaarsen de vragen werden gesteld wat ridder voor vrouwe zoû doen, wat vrouwe voor ridder doen zoû in menigertiere gevalle, volgens de zoete wetten der courtoisië. Er was werptafelspel en dobbelsteenspel en zang en reciet van vinder en begeleiding van veêler en Koning Assentijn scheen niet zoo somber meer in rouwe om de verledene dingen, die hij wilde vergeten.

En Gawein volgde waar zij ging Ysabele.

Ter zijde haar op Gringolet bij de jacht, terwijl hij haar hielp heur valk, dien zij gekapt op het gehandschoende vuisteken hief, te juister tijd te ontkappen....

Opdat de vogel pijlsnel vloog op zijn prooi van haas of fazant....

Of door de verlichte burchtzalen, des avonds, bij het vroolijk en hoofsch festijn, volgde Gawein Ysabele....

En de fluistering ging tusschen de omringende ridders en edelvrouwen van mond tot mond met het nieuwsgierig geschuinoog naar Gawein en Ysabele....

Tot Gawein vraagde aan Ysabele, in de blauwe nacht van maneschijn, die tusschen de zwarte kruinen van het donkere foreest, tusschen de zwarte kanteelen van den donkeren burcht neêr zeefde met zilveren vallen van licht, boven in den hemel de glanzende wemeling der starren:

—Ysabele, mijne zoete Ysabele, koninginne van mijner harte rijk, zeg mij: hebt gij mij lief? Want ik heb u zoo lief als ik niet en wist, dat liefde lief konde zijn, als ik nie eene vrouwe heb lief gehad van dat ik als knape vrouwen en jonkvrouwen te lieven begon en zoo gij mij niet en lieve hebt, is mij te leven geen waarde meer, al zoude ik Koning wezen over alle deze koninkrijken der oude Koningen, die in Brittannië heerschen: Assentijn van Endi en Mirakel van Wonderland en Clarioen van Noordhumberland en Artur, mijn Heere van Logres.... Maar als gij mij lief hebt, o Ysabele, dan zoude ik willen, konde ik zoo als hoofsch en trouw ridder doen, deze geheele wereld voor u verwinnen tot Rome toe en Parijs en den geheel en hemel daarbij.

Toen ontroerde zeer Ysabele.

Zij wist, dat zij alleen Gwinebant lief had, dien zij eens op het tornooi had gezien en wien zij hare mouwe gegeven had en dien zij nacht aan nacht droomde, droomde in de zoete tooverdroomen en omhelzingen. Maar zij kon het Gawein niet zeggen, omdat zij hem niet ongelukkig wilde maken. Want hij was voor haar de held, van wien zij gelezen had, van wien zij wist de heldendaden en de roemruchtigheden en die, ontrouwe aan vele liefde, steeds trouw was gebleven aan zijn groot geloof: geloof aan het Wonder en aan de Werkelijkheid van het Aventuur.... En zij zelve, zij wilde gelooven aan het Wonder en het Aventuur, wat om haar henen ook glimlachten de baroenen haars vaders en hunne edelvrouwen. En zij was, met Gwinebants liefde in heur harte, vol zorg Gawein, den wigant, geen rouwe te doen en zij zeide, toen Gawein nog eens vroeg:

—Ysabele, mijne zoete Ysabele, hebt gij mij lief?

—Ik heb u harde lief, mijn oom Gawein en wen ik Koning Clarioen van Noordhumberland trouwe, zal ik u mijn ridder wel kiezen, zoo als Guenever Lancelot koos....

Toen aarzelde wel Gawein.

Maar sloeg zijne armen heen om Ysabele en kuste haar lang. En zij kuste hem weder en dacht:

—Het is om hem geen toren te geven en smartelijke rouwe....