WeRead Powered by ReaderPub
Het zwevende schaakbord cover

Het zwevende schaakbord

Chapter 44: KORTE ARABESKEN
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows the knight Gawein on a quest to recover a miraculous floating chessboard, unfolding within a courtly medieval setting where honor, refined courtesy toward women, and loyalty shape action. Episodes combine Arthurian motifs, martial contests, and encounters with enchantments and mechanical marvels that blur magic and artifice. A prefatory discussion frames the story within romance traditions, and the work proceeds episodically through atmospheric chapters that emphasize ritual, poetic description, and the tension between heroic conduct and fanciful wonder.

HOOFDSTUK XXXII

En werkelijk, daar naderde groot stampeide van rossen en geblikker van wapenen en geschitterstarrel van schilden en daar naderden de tien wiganten, die schenen wel een drom van ridders, zoo zwaar en breed vertoonden zij zich op hunne zware en breed omhoesde rossen.... Gawein, Lancelot, Gwinebant.... Bohort, Hestor, Meleagant.... Acglovael, Ywein, Sagremort en Galehot en achter hen, tusschen zijn baroenen, naderde oude Assentijn, ontzagwekkend de grijsaard te paard en daar achter naderde het leger en de vele vlaggen en wimpels aan de ponioensperen fladderden. Maar ook over de vlakte was de halve cirkel van Clarioens heirmacht genaderd, klaarblijkelijk met het doel Camelot te omsingelen, maar het was niet van de torens te onderscheiden wie de grootste heirmacht wel was: die van Clarioen, die van Assentijn: vóor den laatste waren de tien wiganten zelven alleen al gelijk aan een machtig heir, dat dreunde aan over den weg.

Maar nu zagen, waar de weg uit het foreest langs de vlakte geleidde, de beide legers elkander, en die van Clarioen begrepen, dat van omsingelen geen sprake meer zijn zoû, want met oorlogszuchtige kreten wierpen de tien wiganten zich over de vlakte, vóor den burcht en zij schenen wel tien ijzeren paardmenschen, vast aan hun ros, de ventaliën neêr en de strijd, in éen wenk, was begonnen! Gode, wat waren daar goede zwaarden ende glaviën ende sterke helmen ende stalen hoeden ende ponioenen, geluw, zilver, sinopel, keel en lazuur. En wat waren daar groote ende sterke orsen: er waren er wel vijfduizend aan den eenen en vijfduizend aan den anderen kant en eer er een zoû in den zande bijten, zoû hijzelve wel menigen man doen sneven! Begeerig aan beide zijden waren zij hevig malkanderen te ontlijven op den velde des slags en zij vergaderden te zaâm met geweld. Gode, wat hieuwen de zwaarden daar door de suizende lucht, die rilde er van, en wat knarsten tegen malkanderen en kraakten de boomzware speren: menige wigant viel daar dood. En Gawein stak hier en daar en overal met zijn speer de lichamen door en wierp hen uit het zadel, hier een ridder, daar een ridder, allen ridders van Noordhumberland: ze vlogen over het slagveld heen rechts en links van hun rossen, die draafden dan dol over hen heen of vielen, doorstoken ook, hinnikende te hoop. Aan beide zijden trokken zwaarden wie wel konden strijden en het was een houwen en steken: menig stout man moest er sterven. Ridderlijke prouaeste vertoonden daar alle de tien wiganten: de koppen vlogen links en rechts met der zwaarden slag van Lancelot en van Gwinebant, van Bohort en van Sagremort... wat zal ik de anderen noemen, wat hielp het of ik het maakte lang! Niemand sloeg er minder koppen af dan een ander, maar wellicht sloeg Gawein toch nog de meeste koppen af, die vlogen rondom hem als met een rond cirkelend rad van koppen, van uitbloedende koppen en de armen vielen en de beenen vielen, allen van de wiganten van den Koning Clarioen. En honderden wezen naar Gawein met de vingers en riepen over het slagveld, zoo wel van de eene als van de andere zijde:

—Ziet hèm daar! Ziet hèm daar! Ziet hèm daar: Gawein! Geen stoutere en is hier verre noch na!

Te midden van zijner baroenen wacht zag de Koning Clarioen van Noordhumberland naar de gruwbare mortorië. Maar ook op den weg, die wendde uit het woud, zag Koning Assentijn naar de allervreeslijkste sconfilture der Noordhumberlanders en ordineerde hij als een abel veldheer zijn dappere Endi'sche baroenen. En naast hem, op haar palafroet, te midden veler onversaagde edelvrouwen op palafroeten, zag Ysabele, de schoone, naar de allerverschrikkelijkste battalgië. Daar zag men halsbergen ontmaelgieren, helmen doorhouwen, schilden kwartieren, ridders lichten aan speren uit zadels, koppen door het geluchte zwieren met de roode fonteinen van stralen bloed! En Ysabele, zij volgde met den blik hier Gawein en daar Gwinebant, hier Gwinebant en daar Gawein en zij had tevens, op den hoogsten torentrans, Guenever ontdekt, de zoete Guenever, wie Lancelot jaren lang trouw was en die jaren lang Lancelot trouw was; Guenever, van wie zij gelezen had in de schoone jeesten der vinders. En nu zij alles met eigen oogen in werkelijkheid zag, wat zij eerst nog slechts had gelezen en hooren zingen, vond zij het wel veel bloed, o harde veel bloed, maar zij versaagde niet, zij, de princes van Endi, geboortig uit het bloed van zoo vele strijdbare helden en koningen, en daarbij juichte zij uitermate, dat Gwinebant zoo valiant was en dat Gawein onoverwinnelijk scheen... Tot zij plots, ter zij van de vlakte, Gwinebant, afgeraakt van zijne gezellen, zag in strijd met vijf, niet minder dan vijf, Noordhumberlander baroenen, die hieuwen hier en hieuwen daar en Gwinebant, knellend zijn ros tusschen de knieën, verdedigde zich hier, verweerde zich daar, onder zijn schild, achter zijn schild, dat wendde vlug daar en hier, terwijl hij tevens stak hier met zijn speer, hieuw daar met zijn zwaard, als of hij tien handen hadde gehad, want Ysabele begreep van zoo verre niet hoe hij het deed! Zij wees hem aan haar grootvader en onderwijl klopte van beroering en ontroering heur hartje. Eén tegen vijf, één tegen vijf, dacht zij, hijgende op haar paard, nu bleek van angst, dan rood van trots. Kwam niemand der anderen hem dan te hulpe? Zoude hij wel kunnen verwinnen? Twee Noordhumberlander koppen zag zij reeds vliegen het geluchte door, den eenen links, rechts den anderen, tot plotseling zij slaakte een kreet als ware zij zelve gewond... Want Gwinebants ros onder hem steigerde en zonk toen ter zijde in een, doorboord en hijzelve, met schild en speer en zwaard niet dadelijk zich kunnende bevrijden uit het gereide, geplet zijn voet in den beugel onder het paard en achterover gezwikt in het zaâl tegen het achterarsoen, scheen een oogenblik machteloos en in doodsgevaar, hoe hij zich ook nog verweerde, achter zijn schild. Rtts.... daar stak hij zijn speer een derden Noordhumberlander dwars door het lijf en die zonk, maar Gwinebants zwaard ontgleed hem en wederom gaf Ysabele een kreet...

Zoodat haar grootvader haar zeggen moest, dat een princes, die mede te wijch toog, zich niet door hare aandoeningen mocht laten bemeesteren.

Zij bleef dus een oogenblik bleek, recht op haar ros, sidderende van ingetoomde ontroeringen, toen zij zag, dat de twee overblijvende Noordhumberlanders zich wierpen op Gwinebant, zijn schild slechts tusschen hen en hem, want niet kon hij richten zijn speer meer.

En, trots grootvaders verbod, gaf Ysabele een derden kreet, nu eer van woede dan smart en zeker zijnde, dat Gwinebant daar sneven zoû, bijna vlak voor hare oogen, spoorde zij plots, voor wie ook het haar verhinderen konde, haar palafroet en wierp zich...

Eén angstkreet slaakten de vrouwen...

...Met een sprong van het paard over den hoogeren weg af, op de lagere vlakte!

De Koning Assentijn huilde nu zelve een wanhoopgil uit, toen hij zijne Ysabele zag, te ijlende paard, midden in het gruwzame strijdgewoel...

De baroenen zijner wacht volgden radeloos hunne princes...

—Victorie! riep ginds Lancelot.

Want de ridders van Noordhumberland, om hun Koning Clarioen, weken en namen de vlucht, zoo als dien keer voor den burcht van Endi.

—Victorie! riepen Bohort, Sagremort, Ywein... wat zal ik de anderen nog noemen!

Maar Gawein riep niet meê van victorië.

Hij had daar ginds, ter zijde der vlakte, bespeurd de princes, te midden harer radelooze baroenen.

Hij bespeurde tevens een Tafel-Ronde-ridder, die over zijn stervende ros lag en twee aanvalleren boven zich... een klomp van knarsend en rammelend en frotsierend metaal.

Hij herkènde den Tafel-Ronde-ridder!

—Gwinebant!

En hij spoorde ruw Gringolet...

En met de knieën alleen sturende zijn ros, hoog op gericht zijn zwaar geharnaste lijf, speer met slinke gericht, schild over schouder aan riem en zwaard in rechte reeds zwaaiend, ontzettend, als Sint Michiel zelve zoo schoon en stralend, Gawein een aartsengel gelijk, draafde hij aan tot soccoers...


Gawein draafde aan tot soccoers...

Maar te gelijker tijd werd zijn blik geketend door de princes op palafroet...

Zij draafde heftig naar Gwinebant, te midden van hare baroenen, alsof zij mede aankwam tot soccoers, Ysabele, de schoone...

En Gawein onstelde hevig, toen hij zijn bruid daar zag te midden van groot dangier...

Want vele Noordhumberlanders, die nog toefden te vlieden, verzamelden zich, zoodra zij de princes op het slagveld zagen en wilden rondom haar heen...

De baroenen verdedigden hunne koninklijke jonkvrouw maar zij waren radeloos om de overmoedigheid van Ysabele...

Toen doemde echter Gawein in hun midden...

En het duurde niet meer dan twee, drie blikken-der-oogen...

Gawein stortte zich op de klomp der drie strijdende ridders en hunne paarden. Hij hieuw den eenen Noordhumberlander af den kop, die vloog ver weg, als een waardelooze bal...

Hij stak met zijn speer den andere dwars door het lijf...

Maar ontving te gelijker tijd van dien doodelijk getroffene een speersteek zelve, vlak onder zijn hart, tusschen de maliën door zijner cotte...

Hij gevoelde een hevige pijn en den schok en vloeien het bloed als uit Onzen Lieven Heeren eigene wonde, die de speer van Longinus Hem aandeed ten Kruize...

Maar te zelfden tijd wierp Gawein zich af en ontzette Gwinebant, rukte hem op en zag, dat zijn gezel bloedde...


HOOFDSTUK XXXIII

Gwinebants helm was gekloofd en de stroom bloed vloeide er langs; maar hij stond, nog niet bezwijmd, tusschen de baroenen van Endi.

Maar Gawein wierp zich haastig op Gringolet—meerdere Noordhumberlanders stortten toe...

Was victorië ook reeds geroepen daar ginds door Lancelot, hier was de verwarring nog woelende om der Noordhumberlanders nieuwe hoop en verwachting... Zelfs Clarioen, de Koning, was ginds staande in de vlucht gebleven, riep luide, wie hem de princes toe zoû voeren, die zoû ontvangen de helft zijns koninkrijks!—en er was in het rond heviger strijd weêr ontvlamd...

Terwijl alle de Ronde-Tafel-ridderen aandraafden tot soccoers, tot soccoers!

Nu riep Gawein, omringd van de baroenen van Endi, hen toe hem Gwinebant, gewond en bezwijmende, op zijn knie te beuren.

De baroenen beurden Gwinebant op Gaweins rechterknie omhoog en hij wierp zijn nu geheel bezwij menden gezel dwars op het voorarsoen, vóór zich heen.

Maar Ysabele, na kreet van smart, was van haar paard gegleden en toe gëijld, niets achtende dan Gwinebant, dien zij stervende meende...

O, zij was zoo wit en broos als een bloem, die dadelijk vertrapt zoû worden, tusschen zoo vele woelende orsen, getrokken zwaarden, gerichte, gekruiste speren.

Maar zoodra zij de vier, vijf passen genaderd was, die haar nog scheidden van Gwinebant en Gawein, trok Gawein haar omhoog...

Op zijn slinke knie, waar langs Gwinebants hoofd hing.

—Ysabele! riep Gawein. Neem Gwinebants hoofd in uw schoot!

En te gelijker tijd omarmde hij tot steun de princes in zijn linkerarm, het schild voor haar en Gwinebant in de lengte.

En het zwaard hoog geheven in de rechtervuist; gebeurde dit niet alles zoo snel als het niet is te zeggen of te zingen door vinder of minstreel?

—Naar Camelot! riep Gawein den baroenen toe, die stegen weêr op en het was een hevig gevecht tusschen de baroenen en hunne schildknapen met de Noordhumberlanders.

De baroenen en de toegeschoten acht Ronde-Tafel-ridders omringden Gawein ter bescherming, terwijl hij dwars door de woeling draafde naar Camelot.

Daarheen was over de vlakte de weg schoon geveegd.

De Noordhumberlanders vluchtten nu allen en overal weg...

Ook Clarioen meende niet goed te doen zoo lange te toeven, daar zijne ridders hem toch niet Ysabele hadden geschaakt... Geheel Noordhumberland vluchtte...

Maar Gawein, in razenden draf op Gringolet, dien hij bijna alleen met den druk zijner knieën dwong en die nauw tikte met de hoeven den grond, naderde Camelot, waar de eerste ophaalbrug omneêr knarste aan de zware ketenen...

Steeds lag bij Gawein Gwinebant vóor over op het breede zaâl; steeds hield Gawein Ysabele omarmd op zijn slinke knie; welke andere ridder van Kerstenhede had dit fayt zoo kunnen volvoeren!

Ysabele had den stukkenden helm van Gwinebant ontgespt, in haar schoot, weg de stukken des helms geslingerd en haars liefs gewonde, blonde, ooggelokene hoofd bloedde rood in hare blanke handekens en over heur wit sammeten kleed...

Zoo, de baroenen om hen, de acht Tafel-Ronde-ridders rondom hen, als een wijde kring van bescherming en Koning Assentijn tusschen zijn lijfwacht volgende, draafde Gawein de eerste brug over van Camelot.

Gejuich riep hem toe van wallen en tinnen en torens...

En de vrouwen op den hoogsten torentrans, rondom Guenever, galmden het blijde heil!

In hield Gawein den draf en reed de volgende brug nu over...

Alle de bruggen, die neder vielen, de een na de ander, reed hij over: hij reed het burchtplein nu op...

Op den drempel der opene burchtpoort was Koning Artur, krank en gesteund door zijne pagiën, verschenen.

Rondom Gawein, te paard nog met zijn zwaren, dubbelen last, verdrongen zich de haastig afgestegen baroenen en de acht wiganten.

Zij beurden eerst Gwinebant, bezwijmd, af...

En legden hem onder de koningslinde over de treden van 's Konings zetel.

Zij tilden toen Ysabele af...

En hare handen en hare witte schoot waren rood van bloed.

Toen, te paard nog, sloeg Gawein zijne ventalië op...

En snakte naar den hemel, om lucht.

Zij zagen allen, dat hij doodsbleek was.

—Gawein! riep Ysabele, heffende hare geheel roode handekens. Mijn Gawein, dien ik zoo minne, zijt gij gewond?!

Gawein, los latende zwaard en schild, voelde onder zijn hart, waar het door de maliën bloedde...

En Ysabele begreep, dat hare handen en schoot rood waren van het bloed van Gwinebant en van Gawein beiden.

—Gawein en Gwinebant zijn beiden gewond! riepen de ridders tot den Koning Artur.

—Maar Camelot is ontzet!

—Noordhumberland is op de vlucht!

Het snorde boven Camelot; de fenix vloog aan.

—Legt Gawein en Gwinebant dadelijk op het wonderbed! riep Merlijn, nog in de lucht, en daalde in het vergier.

Terwijl Guenever, met hare vrouwen, van den toren gedaald, naar buiten stortte......

En Lancelot ziende, uit riep:

—Lancelot! Lancelot! Zijt gij behouden?!

En zij kuste en omarmde Lancelot en Koning Artur, zoo krank, deed of hij niet zag.

—Legt eerst Gwinebant, beval zacht Gawein. Ik volg hem stappans......

Op zijn bevel tilden dadelijk drie, vier ridders Gwinebant op en droegen hem binnen, naar het wonderbed, waar hij in één dag zoû genezen.

—In éen dag, o zoete Ysabele! verzekerde koninginne Guenever, hare armen om de princes, die zij ontroerd zag en wier minne zij ried.

Gawein, nauw geholpen door zijne gezellen, was uit het zadel gegleden.

Hoe bleek zag hij en hoe rood van bloed droop zijne cotte, hoewel hij zoo recht stond, als of niets met hem geschied was.

—Gawein! riep Keye, die kluchtig hinkende aankwam. Gij zijt gewond! Maar gij allen, ridderen, ziet gij dan niet, heer Koning, ziet gij dan niet, dat Gawein is gewond......?

De Koning Assentijn, met zijn lijfwacht, was binnen gereden.

—Ziet gij dan niet allen, riep Keye voort; dat Gawein is gewond, zwaarder dan is Gwinebant? Legt hem dadelijk naast Gwinebant in het wonderbed of zijn leven rint hem weg uit den lijve!

De gezellen, één oogenblik, meenden, dat Keye spotte als altijd.

Maar hij spotte niet.

En Merlijn, van uit het vergier, zag—en hij ontzette er om, dat Gawein, staande zoo recht, maar zóo bleek reeds, als veeg was des stervens......

En dat zelfs het wonderbed niet meer van noô was.

Maar Gawein, recht naast zijn ros, had uit de diepe arsoentasch een vierkant ding genomen, dat was omwikkeld in een lange, witte reep van sindaal...

De beide Koningen begroetten elkander, Guenever neeg voor Assentijn en terwijl allen zeer bezorgd om Gawein henen drongen—de Koningen en de vorstinnen, de ridders en de baroenen—naderde Gawein zijn heer, Koning Artur, die, krank, was neêr gezegen, in den zetel, onder de linde.

En Gawein knielde op de trede.

En hij zeide met vaste stem, die van heel ver scheen te komen:

—Mijn wellieve Heere, mijn Oom, mijn hooge Koning van Logres! Ik, uw ridder Gawein, dien gij wel dulddet aan uwe Tafel-Ronde, waar wij immer geloofden in Wonder en dat het eenmaal wederomme zoû keeren, waar wij immer geloofden in Aventure, dat is vië van dolenden ridder der Kestenhede...... zie: hier brenge ik u dit Zwevende Scaec! Ik vond het en ving het voor u en ik wond er de mouwe om van Ysabele, de schoone, die ik minne...... Mèt het Scaec, o mijn Koning, voer ik tot Camelot Ysabele, zoo als ik...... Destijds!...... eene Ysabele, wacharme, en een zwevende Scaec tot Camelot ook voerde. Toen was het zóo...... nu is het anders: nu is het beter misschien en grooter Wonder en edeler Aventure! Want nu, met Ysabele en met het Scaec, bracht ik ook mijn gezel, Gwinebant, en mocht hem van den doode redden......

Gawein bood Koning Artur het Scaec in de handen, uit de los gewondene mouwe...

Toen gevoelden de gezellen hoe lief zij Gawein allen hadden en hoe prachtig hij was, omdat hij aan Wonder geloofde...

Maar tevens gevoelden zij een vreemde wroeging...

En zij wisten eigenlijk geen van allen waarom...

Maar Merlijn, die ook de wroeging zich in zijn menschenhart bewust werd, wist, daar ginds, ver, toe ziende uit het vergier, wèl waarom zij elkander allen aanzagen met een schakeling van blikken, die nog niet geheel begrepen...

—Het wordt alles zoo als het wordt, dacht Merlijn, om zich te verontschuldigen. Ook zonder mij en zonder dat ik Zwevende Scaeken zend...

Koning Artur had, met van geluk bevende handen, uit de handen van geknielden Gawein, het Zwevende Schaakbord ontvangen: de gouden en zilveren stukken, voor het einde des spels, stonden op de juweelen velden juist zoo als zij stonden, toen het Scaec weg was gezweefd.........


HOOFDSTUK XXXIV

Mijn lieve neve! zeide Koning Artur ontroerd; mijn valiante wigant, ik danke u voor zoo harde schoon volbrachte queste, niet minder schoone, dan wij Destijds volbrachten en al bleken Didoneel en Mordret, ach wi, ach wacharme, ook twee feloenen...

De Koning—hij had het Scaec aan de zorg aanbevolen zijner schatmeesters—wilde er aan toe voegen, dat hij de Tafel-Ronde, wat hij ook de laatste jaren geraden had van kritiek zijner ridderen, een uitstekende, ridderlijke instelling achtte en er niet aan dàcht die op te heffen...

Maar hij wilde Koning Assentijn, die zich na de eerste begroeting, zoo echt koninklijk bescheiden niet te zeer op den voorgrond had willen begeven, nu met eere overladen en riep:

—O mijn machtige Vriend en Koning van Endi, wat verheugt zich mijn harte, dat gij met uwe roze en kleindochter, de princesse Ysabele, binnen Camelots muren thans zijt gekomen, zoodat wij nauwer de banden mogen aanbinden van koninklijke vriendschap tusschen ons beiden en...

Toen Gawein, met een smartelijke vertrekking alle zijner trekken, zich heffende uit zijn knielende houding, ter zijde viel, zijn hand onder zijn hart.

—Hij is gewond! riepen allen. Gawein is gewond! Laten wij hem leggen, naast Gwinebant, op het wonderbed!

Gawein, echter, wendde zich pijnlijk om, over de trede van den koningszetel en hij weerde de gezellen af.

Laat mij, mijne zoete gezellen! zeide Gawein. Ik voel, dat het te ver met mij is...

Neen, dat wilden zij geen van allen gelooven! Te ver, als het wonderbed, dat Merlijn zoo kunstig gewrocht had, daar boven stond in de kemenade! Te ver, als zij hem er nu dadelijk legden naast Gwinebant, die er reeds—zoo meldden drie, vier artsenij-meesteren—in gezonden tooverslaap lag en wiens wonde aan de slaap, onder de oogen van drie, vier andere artsenij-meesteren, die zijne genezing bespiedden, zichtbaar genas! Te ver... neen, het kon niet te ver zijn! riepen allen en allen Gawein toe en wilden hem beuren.

Maar hij weerde af, hij weerde af.

—Zoete vrienden, zeide zacht Gawein en hij zeide het zóo hoofsch als hij alles tot iedereen heel zijn leven gezegd had; laat mij u raden en gelooft mij, bij mijne trouwe in Paradijs. Het is te verre... Ik sterve... Mijn lieve heeren Koningen van Logres en van Endi, mijn oom Artur en gij, heer schoonvader, ik sterve... O wees des gewes... zoo ik voelde te kunnen genezen in het wonderbed, waarin Gwinebant ligt te genezen, ik en marde niet, want ik ben die gone...

Hij bezwijmde bijna...

En alle hunne angsten bogen zich over hem heen.

—Ik ben die gone, die wèl dat lieve, schoone leven minne...... Wonder, Aventure, battalgiën en...... schoone vrouwen: ik heb ze wellicht te lieve gehad...... Vrienden, ik en biechtte nooit! Vrienden, roept mij den huispaap...!

De huispaap trad voor.

—Ik biecht...... stamelde Gawein. Ik ben een slechte mensch gewezen...... Een zondaar...... Een feloenige ridder,.... Ik biecht..... Ik biecht alles.....

Hij stamelde aan het oor van den bij hem knielenden huispaap.

Rondom zijn stille biecht was nu het algemeen weegeklaag. Gawein...... hij stierf?! Zij wilden het niet gelooven. Zij vroegen het ongeloovig Merlijn en malkanderen: de twee Koningen vroegen het malkander en; Ysabele, met een snik, vroeg het Guenever:

—Sterft Gawein...?

En zij konden het geen van allen gelooven! Gawein, hij, die zoo sterk, zoo jong, zoo mannesterk, zoo mannejong hun in den strijd had toe gestraald, een aartsengel gelijk, Sint Michiel met den vlammenden brant gelijk... Gawein stierf......?

Maar Gawein riep, met veege stem:

—Ysabele...

Zij naderde, bevende als een windbewogene lelie, maar haar schoot overvlakt met bloed, hare bloedroode handekens gestrekt.

—Gawein, murmelde zij en knielde naast hem.

—Ysabele, stamelde Gawein. Ziet gij... ik sterve. Langzaam, langzaam vloeit mij dat bloed uit het harte. Neen... laat mij hier sterven op de trede van mijns heeren Konings troon... Laat mij sterven in mijne cotte... Zoo is het mij beter dan op een bedde en voor het wonderbed, lace, is het te laat! Ysabele, mijne bruid gij, zeg mij alleenlijk eén ding! Ik heb somwijlen harde getwijfeld! Ik en wist menigerwerve niet... Ik dacht somwijlen... Ysabele, zeg mij nu, ééne male slechts, maar oprecht: hebt gij mij lief...? Of hadt gij Gwinebant, den lieven gezel... immer liever dan gij mij hadt...?

Ysabele, over Gawein heen, geknield, hare armen om zijn bruin lokkige hoofd, zijne wonde aan haar borst, zag hem lang in de bruine oogen aan, die nog nauwelijks braken.

En zij zeide:

—Gawein, mijn lieve Gawein, geloof mij in deze ure: ik heb u immer liever gehad... dan Gwinebant!

Zijne armen sloten zich om haar blonde hoofd, dat hij, liggende, drukte tegen zich aan... De avondschemering viel: overal ontgloeiden in den hof, aan de poorten, de toortsen en de lange stallichten. Overal knielden harentare de vrouwen, de ridders, de baroenen en baden. En op den drempel was Gwinebant verschenen, gesteund door de artsenij-meesteren. Genezen was hij nog niet, maar toen hij ontwaakt was, na eersten tooverslaap en gehoord had, dat Gawein stierf, was hij van het tooverbedde gerezen... En daar stond hij, op den drempel der poort......

En hoorde Ysabele's woord, dat zij herhaalde:

—Ik heb u, Gawein, immer liever gehad... dan Gwinebant!

—Gwinebant! fluisterde het hier en daar, verschrikt, omdat de nog niet genezen gewonde verscheen.

Ysabele, uit Gaweins armen, richtte het hoofd op. Zij zag Gwinebant recht in de oogen, die staarden uit zijn bleek gelaat. En zij glimlachte hem achter Gawein, die zalig de oogen sloot, smartelijk smeekende toe.

Gwinebant begreep. En zij begrepen allen. De huispaap begreep en, om haar logen, seinde hij, onzichtbaar voor Gawein, Ysabele over het hoofd...

En bad God van Hemelrijk, dat Hij vergeven zoude...

—Gawein! riep Gwinebant, bleek op den drempel.

—Gwinebant! riep Gawein stervende. Kom tot mij!

Gwinebant, gesteund, naderde. En hij knielde bij Gawein.

—Gij hebt mij gered, Gawein, zeide hij. En gij sterft van de wonde, die gij voor mij opvingt!

Maar Gawein, in beide armen, drukte tegen zich en zijn langzaam vloeiende bloed Ysabele en Gwinebant. Hij drukte hun beider hoofden tegen zijn borst, die heftig deinde. En zijne oogen zagen in de nacht op, naar de klare starren, die veropenbaarden aan stralenden hemel, hoog boven de walmende toortsen omher.

—Gwinebant! murmelde Gawein. Ysabele! O mijne beider minne! Gwinebant, Ysabele, mijne bruid, minde mij maar zij mint u ook, Gwinebant! Gwinebant, zoo het onzer Koningen wille is, ontvang, Gwinebant, Ysabele van mij, omdat ik stervende ben! Wees haar man, Gwinebant; Ysabele, gij, die ik min als ik geen vrouw minde, wees Gwinebant tot wijf! Ik sterve—al hadde ik langer nog wel, lace, leven willen—gelukkiglijk! Ik sterve gelukkiglijk... Ziet, ziet, vrienden allen: de Hemelen openen...! Het straalt, het straalt! Een heir van engelen met zilveren vlogelen vult den openen Trone! Mijn Koning Artur, zie! Ik zie Sint Michiel zelven, den heiligen Held! Zijn brant vlamt en hij verslaat Lucifer! En werpt hem uit den Trone! Mijn heilige Patroon, ik zie! Sint Michiel! Sint Michiel! Ik zie daar de hemelsche foreesten en zij zijn vol draken, die ik bestrijden ga! Sint Michiel: hij wenkt mij! Ik zie Zwevende Scaeken, zóo vele, en Bloedende Speren en ik zie... ik zie den Heiligen Graal, de stralende Schale vol des Heiligen Bloeds, dat is Licht! Sint Michiel, ik kom! Uw ridder, dien gij ontvaen wel wilt, zal zich van de zondige cotte om de zondige leden ontdoen en komen tot u op, om te stralen in de diamanten rusting, die gij mij biedt! Ysabele, die ik minne, vaar wel! Gwinebant, zoete knape, vaar wel! De engelen, zie, zij dalen omneder, om mijn ziele te ontvaen!

Langzaam opende Gawein zijne armen...

En liet hij Gwinebant en Ysabele los.

Zijn stervende oogen zagen verheerlijkt in der blikken breking omhoog, waar in glorie de Hemelen openden...

Rondom in de nacht, in den walm der winddoorwaaide toortsevlammen over het buchtplein, knielden allen neêr.

Vigeliën klonken:

—God van Hemelrijk, die voor ons geboren werdt...


Die volgende maanden werd er groote rouwe gedreven te Camelot om Gawein, die was—meenden allen nu—de allerdapperste ridder geweest van Tafel-Ronde en hij rustte in het grafgewelf onder de burchtkapel. Maar zijne ziele, daar waren allen ook zeker van, hadden de engelen mede gevoerd in Paradijs, naar Sint Michiel... En Koning Artur was zeer krank, dat was van ouderdom en van weemoed om Wonder en Avontuur, want hij begreep wel, dat zijne ridders er niet harde aan geloofden. Gawein was de laatste geweest, die er aan had geloofd, en de nieuwe ridders, hoewel zij valiante wiganten waren gebleken in de leste verdediging van Camelot, geloofden er heelemaal niet aan en meenden—had Koning Artur gehoord—dat alle Aventuur en daarmede samenhangende krijg van de oude Koningen onderling van geen belang meer was in de Nieuwe Wereld. En zij meenden, oorlog moest er komen met Parijs of met Keulen, om Logres en de andere koninkrijken van Brittannië tot bloei te brengen. Die moderne inzichten deden Koning Artur harde pijn in zijn oud koningsharte, vooral omdat hij wederom alleen met de nieuwe ridders was. Want de negen eersten: Lancelot, Gwinebant, Sagremort; Bohort, Ywein, Acglovael; Galehot, Hestor, Meleagant, waren te zamen, tot boete, naar Rome vertrokken als pelegrijnen; hunne zielen waren harde bezwaard om de meer of minder kwade scherts, dien zij met het door Merlijn gezonden Scaec jegens hun lieven gezel Gawein hadden bedreven. Zij hadden gemeend, Merlijn had hen ook wel mogen verzellen, maar Merlijn, die een toovenaar was, hoewel geen kwade, zeide, hij ging niet naar Rome en boete had hij niet te doen: geleid had hij alleen de dingen, die zonder hem toch zouden gebeurd zijn, volgens de wille der Almacht en der Tronen en Hiërarchieën... Goed begrepen de ridders niet wat Merlijn bedoelde met die opsomming der hemelsche machten, maar zij baden voor hem onder weg en in Rome... De Koning Artur, alle die lange maanden, zat, uit rouwe, niet aan de Tafel-Ronde, ook om de nieuwe ridders, wier twijfel en tegenzin hij had opgemerkt, niet te dwingen tegen hun ongeloof in: dat deed hem echter harde pijn en gaarne had hij wel eens alleen aan de jaspis-tafel gezeten maar liet dat na om Guenever, die melodie-vol hem zeide, dat het, nu hij krank was, zeer kwade was voor de gezondheid en ook voor de maag: de "fonteyne aller schoonhede" geleidde Koning Artur dan zoetkens van daar...

Gebleven tot Camelot waren Koning Assentijn en Ysabele, tot troost van Koning Artur...


HOOFDSTUK XXXV

Oorlog dreigde er niet meer met Noordhumberland; tweemalen was Clarioen nu verslagen en hij zoû niet durven meer, zelfs al waren de negen wiganten tot penitentië Rome-waarts. En de winterdagen sleepten eentoniglijk voort; de sneeuw lag over de bladerlooze foreesten en zoomde met breed dons de barbekanen van Camelot, de tinnen en torens en bijna nimmer klonk het hoorngeschal der wachters: geen ridder trok deze landen door; de Noordewind blies om den burcht; de korte dagen deden dra in de namiddagen de weemoedigheden dwalen langs de donkere hoeken der kemenaden en omdat Koning Artur krank lag, waren zorg en droeve nagepeize niet te verdrijven van daar. En terwijl Koning Assentijn zat naast het bedde van Koning Artur en hem troostte met te herinneren aan het glorieuze Destijds, toen iederen dag, bijna! zich Aventure had voor gedaan—wel dagen van vermoeienisse vele, meende Assentijn, die nooit met de Tafel-Ronde gedweept had—zochten Guenever en Ysabele elkaâr. De jonkvrouw was blijde de zoete koninginne, van wie zij in trouwen Lancelots jeeste zoo veel gelezen had, nu te zien met eigene oogen en te beminnen als eene koninginne van minne en zij bekende zelve Gwinebant te minnen, altijd bemind te hebben en te hebben gelogen tot Gawein toen hij stervende lag, onder de koningslinde. En hoewel Guenever haar troostte, dat zij gelogen had uit caritate en hoewel de huispaap hare biechten hoorde en haar de heilige absolutië schonk, wilde Ysabele meer boeten dan alleen iederen dag aan Gaweins sepulker in het grafgewelf onder de kapelle te bidden voor zijne ziele en voor haar eigene vergeving en toog zij ter beêvaart, met de koninginne samen, die meende, een beêvaart was, om zoo trouwe, echtbreukige minne tot Lancelot, die zelve ter beêvaart was, beter dan nooit berouwe te toonen. Zoo dat langs de sneeuwige wegen, met hare edelvrouwen, koningin en princes barrevoets en in witte pij en de lange, wind verflakkerende keersen ter hand, en met ridders en wapenknechten ter begeleiding voor en achter, de beêvaaart volbrachten, drie dagen lang van kapelle tot kapelle; zij kwamen ook ter kapelle, waar, achter op den hove, Didoneel en Mordret door Gawein lagen begraven en zij baden voor hun beider zielen. Zij baden veel gebeds en zij deden veel goeds en zij schonken overal hare gaven maar zij waren wel blijde toen zij terug kwamen tot Camelot en zich warmen konden bij de groote vlammende vuren de verkleumde handekens en de verkleumde voetekens. En elkander vertellen van haar beider minne met minder wroeging, nu zij drie dagen in de sneeuw ter pelgrimagië waren geweest.

Maar somwijlen riep Assentijn Guenever aan het ziekbed des Konings; die wilde zelve niet, dat Guenever immer daar toefde maar nu hij zelve zich sterven voelde, van dag tot dag, legde hij, als zij knielde bij hem, zijn groote, aderige hand over haar gouddraad-blonde hoofd en zeide haar, zij was toch altijd liefdevol voor hem geweest, als een dochterlijn en dat zij, nu hij haar verlaten ging, als koninginne van Logres zoû heerschen en dat hij haar ried, spoedig na zijn dood, zich een gemaal te kiezen: Lancelot ried hij haar aan. En zij weende zeer, hare tranen vloeiden over 's Konings handen en 's Konings kus zegende haar voorhoofd van zoete en trouwe zondaresse...

Tot op een morgen, de negen pelegrijnen terug kwamen uit Rome. Onderweg hadden zij veel met malkanderen gesproken en hoe vreemd het was, van Wonder en Aventure; zij moesten malkanderen toe geven, dat het door Merlijn gezondene Scaec, waarvan zij allen geweten hadden, allerlei mede gesleept had, tot zelfs Schandekarren en belaagde damoselen toe, lace, tot zelfs Gaweins dood toe! Was alles niet geschakeld geworden het een aan het aêr, tot hunne bedevaart toe, waartoe zij zich hadden verplicht gevoeld? En toen zij terug waren tot Camelot, omhelsde Ysabele Gwinebant en omhelsde Guenever Lancelot en zeide hem met tranen, die vloeiden en haar nog schooner maakten, dat de Koning stervende was. En de negen wiganten verzamelden om 's Konings bedde, waarbij een vinder, dien de veêler begeleidde, zong van vroegere jeesten—die werden van alle ridders geboekt door de clerken en gepinghiert door schilders op de wanden der zalen—en zoo tusschen de zijnen en vizioenen van Wonder en Aventure, verscheidde Koning Artur, die heerschte over het Land van Logres, in zijn burcht tot Camelot.

Toen de Koning in zijn koningsgraf, midden in het gewelf onder de kapelle—Gawein lag daar ook dicht bij—was bij gezet, huldigden de wiganten in bijzijn van Assentijn en Ysabele de Koninginne Guenever en zwoeren haar als vazallen en als baroenen de plechtige eeden. En toen duwde Bohort Lancelot naar voren, maar Lancelot en de anderen duwden Bohort, die was zoo reuzig groot en die zoû het wel goed kunnen zeggen, terwijl Guenever zoo zoetjes verlegen zat op den troonzetel met ter zijde zich hare gasten, Assentijn en ook Ysabele. En Bohort zeide het toen... Dat de Koninginne, om Logres' wille, om harer krone wille, een nieuwen gemaal moest kiezen... onder hen allen van Tafel-Ronde... En Bohort zeide het zeer goed, als of hij geen oogenblik dacht aan Lancelot en alle de anderen hielden zich ook heel goed, als of zij geen oogenblik dachten aan Lancelot. En toen Koninginne Guenever Lancelot koos—met schuchtere stem zeide zij hare keuze—toen deden zij allen of zij zeer verrast waren maar ook of zij hunner Koninginne keuze zeer prezen, want zij hieven blijde kreten aan en huldigden Lancelot als den aanstaanden Koning van Logres...

Wat hielp het, dat ik het maakte lang? als de vinder in zijn jeeste zegt, telkens als hij op adem wil komen. Toen de winter voorbij was, brak de Wereldoorlog uit. Dat was tusschen alle vereenigde koninkrijken van Brittanië en Wallis, die zich vereenigd hadden met Parijs en met Rome tegen den Koning van Keulen. Wees des gewes, lezer, dat alle oude Koningen gevoeglijk dood waren en zelfs die goede Assentijn van Endi en ook Clarioen van Noordhumberland. En dat de schoone Gwinebant gehuwd was met de zoete Ysabele—zij beiden heerschten over Endi—en dat Lionel, de Ridder van de Kar, heerschte over Noordhumberland. Tusschen alle die jonge Koningen weefde de modern internatie-lijke politiek de nieuwe draden en een ontzaglijke heirmacht zoû onder hun aller leiding optrekken naar Keulen, waar ook een jonge Koning heerschte even als te Parijs en te Rome. Want al jonge Koningen heerschten er over de wereld: de Wereldoorlog zoû er een nooit geziene zijn...

In Camelot en in Endi bleven de koninginnen, Guenever en Ysabele, die afscheid hadden genomen van Koning Lancelot en van Koning Gwinebant, alleen. Maar Guenever, die de voornaamste was der twee en de oudste ook, zond boodschap aan Ysabele of zij niet op Camelot wilde komen logieren tot dat hare beide Koningen en gemalen zegevierend uit den Wereldoorlog waren terug gekeerd. Ysabele nam dit dankbaar aan en kwam tot Camelot. En Merlijn, die wel eens aan kwam zweven op blauwen fenixvogel, maakte, dat de beide koninginnen iederen nacht droomden van hare Koningen en dat er twee wondertrompetten stonden op tafel, de eene vol van Koning Lancelots milde, diepe stem, de ander vol van Koning Gwinebants nachtegaalklaar geluid. En ook noodde Merlijn de beide koninginnen vaak uit om op den witten tooverwand in zijn eigen slot te komen aanzien de laatste wonderopname van de optijgende heirmachten: hij deed dat nu alles met de draadlooze theorië. En had ook de hoofschheid de edele vorstinnen te npoden zijn tooverwagen te bestijgen voor een tochtje of zelfs zijn fenixvogel, die hoog met haar steeg, boven de tinnen van Camelot en van Endi.

Maar eigenlijk hield koninginne Guenever niet van alle die nieuwe enghienen, hoewel koninginne Ysabele er mede dweepte. En op een zoeten Meie-morgen—de Wereldoorlog zou weldra gedaan zijn; Wereldoorlogen duurden niet langer dan één enkelen winter—sprak zoete Guenever zoete Ysabele aan:

—Mijne wellieve vorstinne en vriendinne, zoudt gij mij, in afwachting onzer wiganten en zegevierende Koningen, jolijt willen doen? Kom dan toch mede, in mijn Vergier van Vreugde, waar ik zoo vaak spansierde met mijn Lancelot, toen Koning Artur nog leefde. Daar staat de Wonderboom, de oude Wonderboom, die is mij van alle Merlijns enghienen nog de meest dierbare en Merlijn heeft hem harde wel op mijn verzoek gerepariert en wij zullen er onder zitten en de gulden vogelkens hooren zingen en de gulden bladerkens zien bewegen...

En koninginne Guenever nam koninginne Ysabele mede naar haar vergier. De Meie bloeide alomme met bloesems en bladeren menigertiere maar het schoonste van haar hof, wees Guenever, was de Wonderboom, dien Merlijn haar reeds jaren geleden gemaakt had. En Ysabele zag den Boom, dien zij wel kende uit de jeesten der vinders en zij keek er glimlachend en harde nieuwsgierig heen. De rijke Boom was geheel en al van fijnen, rooden goud en stak breed de takken en twijgen uit, die waren alle van goud en op elke twijg, op elken telg stond een gouden vogelkijn, zeer proper en allerliefst. De Boom was wel gemaakt in alre maniere en van tooverschoonheden voldaan want aan elk schoon bladekijn hing een gouden bellekijn......

En Guenever deed Ysabele zitten op de marmeren bank onder den Boom en de beide koninginnen zagen lachende op, terwijl hare edelvrouwen en pagiën ook kwamen zien en hooren. Want plotseling begon elk vogelkijn recht te staan en te beven als of het leefde en toen te zingen zoetekens, elk vogelkijn zijn geluidje en het klonk zoo schoon en klaar, dat de beide koninginnen er met verheugde zinnen naar luisterden. Bij zessen en zevenen zongen de vogelkens hunne liedekens, hoog en laag en toen begonnen ook de bellekens aan de bladerkens te klinkelen, hoog en laag en het stemde alles te zamen met melodië en met harmonië, en Guenever zeide, aandachtig heffende haar vingerkijn:

—Hoort gij, wellieve Ysabele? Schooner muziekboom en klinkelt er niet voor de engelen in Paradijs! Al ware er een tot den dood gewond, ware hij hier eene stonde kort en moest hij hooren de vogelkens, van alle pijnen werd hij kwijt... En wij, zoete Ysabele, wij zullen, wachtende onze Koningen tot zij keeren zegerijk uit Wereldoorlog, luisteren naar die klare muzijk en vergeten de stonden des langen beidens. Want beneden den Wonderboom, wees des gewes, o Ysabele, is behendelijk en met list gewrocht een duiwere en daarin staan wel zestien mannen en hebben acht blaasbalgen in de handen en daarmede jagen zij met groote kracht wind in den Boom, van beneden in de wortelen tot boven in den top en wen zij bewaaien de vogelkens en mede de bellekens, zingen en klokkespelen zij allen zoo schoon te zamen... Hoort! Hoort!!

—Hoort! Hoort! herhaalden zacht de edelvrouwen en zij staken allen, luisterend, vingerkens in de lucht.

Toen, glimlachend, luisterde, ook de koninginne Ysabele. Alle de vrouwen zongen de muziek na en ook Guenever, verrukt, zong mede. En zij glimlachten allen en zongen. En de vogelkens klaterden hooger en de bellekens klinkelden lager. En het was àlles Wonder ende Tooverië....

De beide koninginnen glimlachten elkander, zacht zingende, toe, vingers geheven. Toen zag Ysabele plotseling, dat in het gouddraad-blonde haar der "fonteyne aller schoonheden" een zilveren draad verglinsterde. En begreep Ysabele, waarom Guenever den ouden Boom liever had dan al de nieuwe enghienen.

Maar zij zeide niets, de zoete Ysabele en eigenlijk was de zoetste tooverië, dat zij iedere nacht droomde van haar jongen gemaal, Koning Gwinebant, schoon als Sint Michiel!

Plotseling klaterde boven de muziek van den Boom der torenwachters koperen fanfare: zij kondigden de zegevierende Koningen aan!

En de koninginnen vielen elkander, terwijl Keye hinkende aan kwam met zware sleutelbos, om de poorten te ontsluiten, juichende in de armen.

Toen wijdde zoete Ysabele tusschen fanfaregeschetter en klinkende tooverboomemuziek, hare ontroerde herinnering aan Gawein, de hoofschte hij, àller ridderen van Kerstenhede!!


BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR VERSCHEEN MEDE VAN

LOUIS COUPERUS:

KORTE ARABESKEN

(IN HERDRUK)