TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
Lieve Kind!
Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't gaauw op.
Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur knaphandig af.
Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een teken des Beestes? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien.
Nagt beste Kind, ik ben
Uw toegenegene Voogd,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Ruime japon met overkleed. [2] Openbaringen. [3] Hier: afgaf op.
EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.—Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob Brunier—Aletta's broer—vindt ze een meisjesgek; Willem Willis beschouwt ze als haar broer, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt naar Blankaart.
TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.—Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier bevalt haar niet: te fatterig.
DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.—Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die
Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat
beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar maakt het te bont!
Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar!
VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF.
DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
Men Heer!
Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer, ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet, zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam, ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een Atheïst, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte zeggen, een Deïst[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2], de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart. 't Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!—maar hoe veel heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde, hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld hebben, ik zal u dwingen; ik—vrees voor my…. Wy hebben in deeze godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen ons opheft…! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is
Uw ware Vriend
BENJAMIN.
Noten:
[1] Gelooven aan God als Schepper—meer niet. [2] Der Gerechtigheid?
VYF EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
Verachtelyke Kaerel!
Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer, die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten." Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor elke twintig ditoos zal worden toegewezen.
Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als
ABRAHAM BLANKAART.
ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.—Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote, mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik Edeling: staat haar wel aan!
ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara: ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op.
ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.—Anna Willis is bedroefd; haar tante te Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst niet schrijven.
NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE
P. SPILGOED.
Mevrouw!
Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de waarheid is.
Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; dat is jou zaak, myn vriend."
Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik ben met eerbied,
MEVROUW! Uw Ootmoedige Dienaar,
ABRAHAM BLANKAART.
DERTIGSTE BRIEF.—Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij Sara heeft leeren kennen; hij is dol verliefd. Zoo terloops sprak hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.
EEN EN DERTIGSTE BRIEF.—Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.
TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
Myn Heer!
Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit a governo[2]; en terwyl ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man, gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken; 't is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn, dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt. Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt. Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt? Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben, ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers, als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek, en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede, dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy kost het Lint spelden comme il faut; en ons teffens in uwe nieuwe denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de kledingskunst uittegeven,—daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben?
Uw Zusters Vriendin,
——
Noten:
[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a. beursjes van. [2] Tot naricht. [3] Vest.
DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
Zuster lief!
Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.
Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen? Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, zendt my nog eens het Heilig Onrecht van Petrus Kwezelius. Ja, je hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, zul je?
ZUZANNA HOFLAND.
Noot:
[1] Vóór haar bekeering n.l.
VIER EN DERTIGSTE BRIEF.—Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken en fatsoenshalve te doen vergezellen.
VYF EN DERTIGSTE BRIEF.—Cornelis Edeling antwoordt zijn broer
Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit!
ZES EN DERTIGSTE BRIEF.—Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je raakt op de tong, Saar!—De tante wordt beter. Ze zendt haar de sleutels van de linnenkast, om wat goed op te sturen naar Rotterdam.
ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
Waarde Willis!
Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, myn Cootje[1] is nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te regaleeren.
En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.
Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar wat zedelyke mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin.
Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2], als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe viel u dit in gedagten?
Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, 't is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit.
Ten slotte, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier. Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor
Uwe Vriendin,
SARA BURGERHART.
Noten:
[1] Jacob Brunier. [2] Van Richardson: modeboek dier dagen—sentimenteel.
ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.—Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam.
NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.—Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan
Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk.
VEERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS.
Myn lieve Willem!
Is de man een kind geworden?—Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene theatrale houding, zal toevoegen:
"Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais."
In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene Prude was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns voor altóós tonen, dat gy schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne heuschheid niet zult misbruiken.
Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als 't maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.
Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons idoliseeren[1] om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.
Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben
Uwe ware Vriendin,
S.B.
Noot:
[1] Verafgoden.
EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.—Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek! Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig gestemd.
TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.—Willem Willis schrijft Sara: hij berust, maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis, Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel!
DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.—Anna Willis stuurt goeie berichten en dank voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!—Zij is op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren kennis: die bevalt haar!
VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.—Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter. Deze vertelt haar droevig leven—een roman op zichzelf. Sara is hoogst ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt te spotten!
VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
Waarde Vriendin!
Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als un homme de Goût, en comme il faut gelogeert is! Ik zag les Femmes Sçavantes spelen, een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat Excusez moi, Monsieur, je n'entend pas du Grec; hoe bekent ik daarmede ben, had al het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak; maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de Heer Blankaart zegt: alle regtertjes hebben er slinkertjes. Zulke onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den Paus in den Ban? Cootje zegt my,—(ik noem myn auteur, om des te meer klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten, badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans du Ton is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of zy my ook wel hebben opgevoed.
Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning, die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene Alsire, en te lachen by den Français à Londres? Zie, dit alles à Gouverno, het kon u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.
Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen, en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote Lieden? Dáâr snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde, hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coëffure. Ginds stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,—(zoude ik zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons en passant, eenige Cabriolen op de koop toe verëerende: en dat, terwyl myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn! ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geënchanteert waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten, en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben; los, bedroeft los.
"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden; daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is dat groot!" dus verre Tante.
En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. ô My! wat zal ik dan dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest, waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag zegt.
Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo Cootje maar meê kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten, Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen, indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind.
Ik ben uwe Vriendin,
S. BURGERHART.
Noten:
[1] Oweeërs. [2] Componist dier dagen.
ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.—Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook haar getroffen, en ook haar Moeder.
ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.—Anna zet haar pleidooi voor Willem voort.
Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar zy,
Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: Sara is te
wereldsch voor Willem.
ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS.
Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!
Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben; en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u, op dit stuk, geen twyffeling overblyven.
Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. ô Dierbare Juffrouw Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek ik óók de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen.
Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben, na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront is.
Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden: niemand is met meer eerbied
Uwe Dienares, dan
SARA BURGERHART.
NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.—Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde en vráágt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden beginnen met een reisje naar Brabant.
VIJFTIGSTE BRIEF.—Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!—Anna doet een uitstapje ook met Smit.
[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar". Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]
EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
Waarde Broeder!
Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven.
Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen. Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broêr lief, wat zyn brave meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens. Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meêlydenheid myn hart troffen! Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de aannaderende herstelling der waardige Vrouw.
De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn hartlyk leedwezen, dat zy zéér vervallen was, en feliciteerde haar met hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken. Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de Zieke, in een keurlyk net negligé, met een neteldoeks kapertje op. Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand der Weduwe in de hare houdende, ô Keesje lief, zy is schoon!—meer dan schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom, om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders—in haar gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen, arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies te rug.
Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet, als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander, en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters.
Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben: yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met aandagt eene keuze doet.
Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart en verstand beide doen oordeelen…. "ô Myn Heer, viel zy my in, het zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten…. Doch Saartje is de vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was. Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is, en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid, niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op hare knieën voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet vergenoegt zyn in die minderheid."
Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen…. Ik luisterde…. Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt? "ô Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes weêr aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alléén om hem uittelachen, gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven. 't Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou."
Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te verzetten: wat het was, weet ik niet.
Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls."
En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het belang dat ik heb in dit te weten…. Vergeef het my, Mevrouw…. Ik Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk…. Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des. De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende.
"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen voldaan, en … maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven? Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel, dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?" Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook nog, en dat onder myne oogen."
De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien. Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren kennen.
Zie daar, Broêr lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven; hy weet niets van deezen.