TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
Vriend Jacob!
Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt vleijen met eenig antwoord op uwe Missive?" Want zo noemt gy dat fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die Missive, eens een paar woordjes te zeggen.
Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt, waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te kunnen krygen.
Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer spreekt;—zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen."
Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van; en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt; zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my eens met meer reden te kunnen noemen
Uwe genegene Vriendin:
S. B.
DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart: Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik Edeling,—die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft—een braaf man—die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 à 28 jaar, goed gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid.
VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes: geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had, wie weet.
VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Anna Willis vertelt van haar uitstapje met Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben jenever geproefd. Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen. Hun liefde berust op achting en vriendschap. Zij raadt Sara aan den advokaat Fine Mouche te nemen, maar dan moet ze er gauw bij zijn. Hij is zeer gewild en ijvert voor de rechten der vrouw. Smit ijvert voor de nieuwe psalmberijming.
ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
Lieve Willis!
Allemaal menschen!—dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt, dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: Pour moi keen warme Bier, zei de Franschman; Pour moi geen man. Een flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: Vryheid, blyheid. Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest, om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt. 't Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis, moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat ik die taal kende.
In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken Mademoiselle G—— eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer: ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen, Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes, Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning, die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt." Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl Mademoiselle G—- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer. Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G—- kluchtig, en Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend ons t'huis bragt.
De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets, 't geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende: "ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar, schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde.
Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is. Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken, dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren, en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem eens Philosophiesch betrachten; zeide uw Pedant Gekje zo niet?
Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante voor haar, die gy weet dat is,
Uwe hoogachtende Vriendin,
SARA BURGERHART.
ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
Mevrouw!
Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: "Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen.
Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben wil, mits dat zy wél kiest.
Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, dat is een tractement voor my.
Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt gy, Mevrouw?
Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt. Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben,
Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar,
ABRAHAM BLANKAART.
ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Anna Willis beknort Sara om haar houding tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken voor wat ze wil: bijnamen geven is geen redeneeren.—Willem maakt 't goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen; Smit kent zijn broer.
NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij maakt het goed, doet zijn best, maar Sara kan hij niet vergeten. Doet Moeder wel goed?
ZESTIGSTE BRIEF.—Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara.
Of er iets tegen is? Zijn vader zal bezwaar maken: Sara is niet
Luthersch—doch dat is misschien nog te ondervangen.
EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
Myn Heer!
Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent myne lieve Pupil.
Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren, die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt. Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen.
Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft.
Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen, indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht, of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel, 't is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen, over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke opwekkende Predikatie te horen;—want ik ben een stipte Kerkganger, moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe Kerk,—niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat, mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu, myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk; en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst; maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een aartigheidje zeggen.
In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer my te noemen,
MYN HEER!
Uw dienstwillige Dienaar en Vriend,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Vitter en bediller. [2] Spitsvondig.
TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.—Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in braafheid.
DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.—Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar over haar oprechtheid. Anna mag wel genever proeven en zij geen gaas koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog heeft voor andersdenkenden. En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed. Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar slecht is hij niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel.
VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.
DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
Juffrouw Saartje!
Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok; wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't Vader Ons te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is. Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig, om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is. Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof, zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam; wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader, Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een van te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je Pieternelletje Deegelyk noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was met men van. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor, het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat? Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van 't stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.
Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te zeggen.
PIETERNELLETJE DEEGELYK.
Noten:
[1] Goeie dienst! [2] Zin in. [3] Geestelijk inzicht. [4] Trotsch. [5] Hier: gebrekkig.
VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK.
Myne goeje beste Pieternel!
Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan. Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen, als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of 't waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt. Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel? De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor. Gy weet wel, wie u deezen schryft.
S. B.
PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt, goeje meid.
Noten:
[1] Met een boodschap. [2] Plm. 6 gulden.
ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.—Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel, gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch. Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken.
ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
Myn beste Meisje!
Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet, die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.
De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy, Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen; maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat gy my dit zult melden.
Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen, die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt, daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse maling wou geven.
Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen; —die gy immers wel pront kent, hoop ik?—dit tot het dertiende maken: "Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.
Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde! Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft moest gaan opsluiten.
Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft.
Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot. Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld zyn kan.
Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen. Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is de man.
Nagt, myn lieve kind.
Uw liefhebbende Voogd,
ABRAHAM BLANKAART.
PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order, van uwe Tante halen.
Noot:
[1] Naar Indië.
ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.—Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling komt om háár! Dat het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar heeft Hollandsch gezongen; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei!
NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk
Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed.
Sp. Vraagt ook wat zakgeld.
ZEVENTIGSTE BRIEF.—Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door en noemt haar lui.
EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
Waarde Juffrouw!
Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo, weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg, want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw, een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst.
Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien, dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder airs, my die gunst aanbieden wilt.
Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de eer hebben tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje.
Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy onzen smaak admireerden? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste Juffrouw vroeg naar de Historie der Beide Indiën door Raynal; (in 't Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het un Chef d'Oeuvre. Zy spraken vervolgens over eenige Pieces volantes , die daaglyks uitkomen: en zyn vriend gaf haar le Bibliotheque des Arts over; naar gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met extase van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene onbevallige houding zeide hy: Oui, ma chere Marianne:
Virtue alone is Happines below.
Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste familiën. Hy hadt une superbe Bibliotheque, en zou ons graag dezelve heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude nemen, om de Essay on men[1], in vierderleie talen by een gedrukt, te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen zien."
t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een vieze tronie, en vondt de taffen zeer commun. "Zo, zei ik, en de Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker. "Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie. "Hy is een man van geboorte, un homme du Ton peutêtre; mais un homme d'Esprit.
Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu, zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam, spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel, dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques.
Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in.
Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt. Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis vinde.
* * * * *
Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is zeer verre uitziende:—zy heeft, deezen middag, het Bierglas van Juffrouw Hartog gebroken. Hare veel Waereld[2] bewaarde Letje niet voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte meerderheid.
* * * * *
Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man. Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de Algemene Liefdadigheid, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt, die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het met de oude Romeinen hier in eens was: het is veel schoner één Burger te behouden, dan honderd Vyanden te doden."
Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu, dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen." Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken.
* * * * *
Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld—Maar ik moet evenwel nu zeggen, dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar.
* * * * *
Nog geen Peccavi![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende. Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook, ergens om verlegen.
Ik. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat scheelt u, Juffrouw Lotje?
Zy. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [Zy schreidde als een meisje.]
Ik. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet gemeent hebben. [Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat mensch was!]
Zy. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen.
Ik. Nu ja, dat's wel.
De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid! 't Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van Toverkarakters.
S B.
Noten:
[1] Pope 1688—1744. [2] Kennis van de "Groote Wereld". [3] Schuldbekenning—van Anne n.l. [4] Spellen.
TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Sara verhaalt Anna van een bezoek van
Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: De
Genoegzaamheid der Deugd; de opinies loopen uiteen en Sara
critiseert; zij is 't eens met Edeling.
DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Sara verzoekt tante Hofland haar mee te deelen, wanneer ze haar klavier, guitaar en muziek kan laten halen.
VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
Ge-eerde Heer en Voogd!
Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen. Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens, behoorlyk rekening zal kunnen doen.
Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat, en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben; doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.
En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt! maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik, overtreffen.
De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte. Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?
De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken.
Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar, op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels. Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er toe in staat ben!
Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is. Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste achting, en ik ben
Uwe liefhebbende Pupil,
SARA BURGERHART.
PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook.
VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig—geen "Noach's ark van gelooven in zijn huis! Nooit!
ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is Luthersch, zij niet. Afgeloopen.
ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
Mejuffrouw!
Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken. Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje; en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel voldaan willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart?
Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam." Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve
UWEd. Dienaar ,
ABRAHAM BLANKAART,
Noot:
[1] Zin in je heeft.
ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een gesprek mee over het Buitenleven. Sara vindt zich daar te jong voor, Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart; deze moet zich van den domme houden!
NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING.
Heer en Vriend!
In antwoord op uwen, Amst. den … passato, dient: Ik ben nu maar, die ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen. Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen; wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo.
Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed 's avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei, dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op myn woord, je hebt mis.
God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis, Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven?
Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden, wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan. En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan? Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn. Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy onfeilbaar? Hoe zit het?
Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval? Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis gedaan, by onzen vromen van der Vorm, en ik hoop in dat geloof te sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.
Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met achting en liefde in hunne familie nodigen.
Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie daar is myn antwoord. Ik blyve
Uw Dienstwillige Dienaar,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Bij ingeschoten. [2] Vlugge. [3] Onhebbelijk.
TACHTIGSTE BRIEF.—Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze. Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is jaloersch op Edeling. Máár … Sara zelf voelt alleen voor zekeren R. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld. Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.
EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.—Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar ook niet beslist hoop gegeven. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil nog niet trouwen! Hij heeft moed.
TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.—Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt haar goedje. Ach!
DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik was er ook; hij speelt mooi bas. Cornelia Hartog was opgewonden! Alette Brunier was allerliefst; net een vrouw voor Willem! En Hendrik?… net een man voor Spilgoed. Zij is wat ouder, nu ja!
VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.—Aletta Brunier logeert op Bosch en Veldzicht en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten verwacht.
VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.—Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.
ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.—Eindelijk antwoordt Anna Willis: zij bekent schuld; de Wed. Spilgoed verdient achting!—Ze wil weer vriendin zijn met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame zal ook Sara bezoeken.
ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet maar gauw komen.
ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
Chere Letje!
Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik immers met intrest te rug? Van my hebt gy immers alles geleert; zeide gy zo niet, Hartje lief?
Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk weet gy 't niet; want weet ik juist zo de geheime historie van uw hart!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken, dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat hy schatert: Nu iets ernstigers!
Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk. 's Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes, Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen, een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog zelf lachen moest.
Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt, dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde. Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen. Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom spoedig by
Uwe tederliefhebbende
BURGERHART.
Noot:
[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).