WeRead Powered by ReaderPub
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart cover

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Chapter 26: NEGENTIGSTE BRIEF.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young woman's transition from sheltered youth into wider society, recounting her personal growth, romantic entanglements, and the social pressures she encounters. Presented largely through letters and personal accounts, the work interleaves sentimental episodes with practical moral reflections and advice aimed at young women. It sketches a gallery of social types and domestic situations to critique hypocrisy, emphasize prudence and virtue, and explore the tension between feeling and social expectation. The tone balances instruction with sympathy, combining realistic observation of everyday behaviour and relationships with didactic commentary on manners and education.

NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

Waarde Willis!

Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden! Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post: —zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende. Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader Kats?

   Alschoon goê Vrienden kyven,
    Zy zullen Vrienden blyven.

Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn
Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door

SARA BURGERHART.

NEGENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

Chere Letje!

Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen, op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, pour passer le temps, u dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"—Bemoei u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,) ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet ge-Harlogt te worden; en, in alle geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen?

Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver niet—Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer Edeling—of Heintje er meê speelt; want geen half quartier uurs was ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. Mon homme was opgetogen over deeze heureuse rencontre! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg; en hy vroeg spoedig naar mon Amie, die hy noemde, une charmante Dame. Dat's voor uw rekening, Letje.

Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven, aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met één woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt; dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim óók; zy hieldt zich, als of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen, bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat bedaren, en anders moet ik er my meê moeijen.

Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek van Bitanbé, genaamt Jozef, als van een der fraaiste werken, die onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien: Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen. Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in passant meêgenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde, en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende: "ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan.

Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste lui, onze Patricii; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblée; over een gevalletje aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van.

De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Sçavante hadt er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek voor ons meêgebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai! Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep; 't is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders werk geven.)

Ik. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets van gezegt? foei, dat's geniepig.

Lotje. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst.

[Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden: hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaubé?"]

Juffrouw Buigzaam. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje?

Lotje. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg ik dikwyls.

Ik. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam! Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den titel: "Josephs Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick, als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat, door A.C. Crous. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel:

All schoon de Nijd met Pylen schiet, God 't all ten best te schikken wiet.

Het eerste Diel heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit à gouverno: [men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men doorgaans geen vaste plaats heeft.] Het Boek zelf is gedrukt met eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter.

Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende: Bonjour, Mevrouw Potifars; en op nog een, daar Potifar tegen zynen Hansworst zegt: halt mi den smaul. Toen barste ik in lachen uit, en de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog nooit hoorde.

Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten.

De Heer R. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam?

Juffrouw Buigzaam. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg; de Historie van Josep, door eenen Crous, dat stout meisje, op my wyzende, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van Mus [de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene Conversatie-uitgift, comme il faut. Uw Broêr kwam in; bragt een Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4].

Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig man?

Juffrouw Buigzaam. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet!

Ik. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling, dat er voor geen ander bytekomen is.

Juffrouw Buigzaam. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen?

Ik. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt; 't is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R.

Juffrouw Buigzaam. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man; wat, weet ik zelf niet.

Ik. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent?

Juffrouw Buigzaam. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk, myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande, gesproken, en ook zeer zagt.

Ik. Och, 't gewone praatje: que vous etes belle! que je vous adore! en zo, wat er meer volgt.

Juffrouw Buigzaam. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken [Ik werd root.] Gy wordt root, myne Liefde!

Ik. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn, die ons meisjes wat wysmaken? ô, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy, dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te houden, wat zy my voorgonzen?

Juffrouw Buigzaam. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die bemint u waarlyk.

Ik. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben.

Juffrouw Buigzaam. Wilt gy niet eens ernstig zyn?

Ik. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel—al wat gy maar wilt. (Ik kuschte hare hand.)

Juffrouw Buigzaam. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen?

Ik. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten?

Juffrouw Buigzaam. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve, zeg het my eens!

Ik. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou kunnen liggen; maar beminnen? ô point! point. Ik leef hier al te gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef.

Juffrouw Buigzaam. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken?

Ik. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn goedaartigen Voogd.

Juffrouw Buigzaam. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in uw vernuft?

Ik. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik, buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. ô Dat zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig verschil te raken, myn Wegje (zeit Tante) zoetzappigjes af kuiëren.

Juffrouw Buigzaam. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem nemen zou.

Ik. Gy zoudt niet, dan op ééne voorwaarde.

Juffrouw Buigzaam. En welke voorwaarde?

Ik. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu.

Juffrouw Buigzaam. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen dat hy u insgelyks beminde?

Ik. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden, dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geëngageert heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy meê gaan zoudt.

Juffrouw Buigzaam. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben, zal ik meê gaan.

Ik. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin!

Juffrouw Buigzaam. Myne liefde voor u doet my veel doen.

Zeg vry myne zorg, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en een kusch gevende.

Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van

Uwe eigene

SAARTJE.

Noten:

[1] Een poos. [2] I Sam. XXVIII, 7. [3] Aspasia en elders. [4] Begeleiders.

EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

Vriend Jan!

Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my alles verveelt, en gy met uwe weêrgaze aapenkuren, kwakzalvers loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve waereld in oproer stelde?—Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat ik haar kan inluisteren: ik bemin u. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje! dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes? redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal uit, die blozen doet; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een eind aan komen: zó leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop; of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. Vryheid is de prikkel der liefde: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres zal zy Sultane Favorite zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat was al reden genoeg, by un homme de mon goût, om haar ondraaglyk te vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wèl, "dat een Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?"

Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo gy haar in 't eerste half jaar weêr ziet. ô Liefde, liefde! maar welk een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: geluk is deugd. Wel zie, Jan, was zy zó lelyk niet, ik gaf haar nog de een of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen.

Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by logeert, heb ik ook door haar verzogt. ô Ik weet wél, dat die niet uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze laatste vyf uuren reeds merkelyk.

Tien uuren, des avonds.

Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips, of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder afterossen. ô Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weêr te doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en luister.

Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy, Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat! Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had trekkingen op myne harssens. Zulk een schok … zulk eene teleurstelling … Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar kwam de eige Zuster der drie Gratiën, geheel vrolyk, geheel leven, geheel ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven. Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt by den mynen agteröp. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet lelyk.

De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe … ik weet het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand, doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn…. Zwyg, zeg ik u; ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my beveiligen? Fortuin helpt den stouten. Daar zyn weer tien ducaten, Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt, en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over.

R.

TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.

DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

Myne Waardste!

Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling. Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis; en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken. Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!—niet worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw vriend. Hemel!

Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u, ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de liefde niet…. Ik zal des niet langer non sense schryven. Groet de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en hartroerentste genegenheid ben

Uwen

HENDRIK EDELING.

DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Jacob Brunier komt door H. Edeling op den goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta.

VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Cornelia Hartog aan Wilhelmina van Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár maar om Sara komt. O, ze haat Sara! ze verfoeit Edeling.

VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland: die Stijntje deugt niet; dat mensch is zelfs goed voor roomschen! Foei! En wat Saartje betreft: doe een valschen eed, dat haar moeder je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet, loop dan rond!

ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk. —Onverschillig is Edeling Sara niet, want zij herleest zijn brieven! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is de zaak.

ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Smit is heel ernstig verliefd op Anna Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt zich veel zaligheid.

ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Anna Willis aan Sara: zij verheft haar.
Haar Smit prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's
moeder is. Edeling is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe.
Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven.

NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

Waarde Naatje!

Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een jaar aanvaarde ik de waardigheid van Zuster Collega. Uw Smit! wel, ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u. "Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst: geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen. Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks.

't Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo een verdient hy.—Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van Juffrouw Albedil Burgerhart.

"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds in 't oog.

Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte, een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan ik u niet zeggen.

Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt, als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden, dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.

De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch uwe Moeder, (hem ook maar,) voor

SAARTJE BURGERHART.

HONDERDSTE BRIEF.—Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen—Cornelis is n.l. gepromoveerd!—Wat tegen Hendrik te doen? Hemelsche goedheid: die jongen houdt maar vol!—Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje, jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" Nooit!

HONDERD-EERSTE BRIEF.

DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.

Myn Heer, hooggeachte Vader!

Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de edelmoedigheid zelf zyt.

Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt! Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is. Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.

Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.

Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet: Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader, ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben. Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,

Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon,

CORNELIS EDELING.

HONDERD-TWEEDE BRIEF.—Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara: zij heeft eens lief gehad, zekeren v. S. Die had geen geld; vader vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost; 't ging hem goed, maar hij stierf er. Onder dien druk leeft ze nog. Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.

HONDERD-DERDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

Myne tederbeminde Letje!

Ik weet niet, wat andere menschen intressant noemen; maar voor my is de geheime Historie van uw hart zeer intressant; om dat er voor my zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten. Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een Vader."

Ik. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is, en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo eene stoute meid, als uwe dienares.

Juffrouw Buigzaam. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men zelf niet verkiest!

Ik. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen willen? en doe ik dan niet recht Economisch, als ik het overschot zo goed gebruik als ik kan?

Juffrouw Buigzaam. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend? Edeling?

Ik. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal.

Juffrouw Buigzaam. Gy doet my lachen.

Ik. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel gezeit.

Juffrouw Buigzaam. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene grote opöffering zyn moet.

Ik. En dat ben ik met u volmaakt eens.

Juffrouw Buigzaam. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste schryven zult?

Ik. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in 't huisje stondt?

Juffrouw Buigzaam. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] schryven oversloegt.

Ik. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven?

Juffrouw Buigzaam. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad.

Ik. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, dat ik niet schryven wilde; en somtyds wilde ik, dat ik wilde. Gy lacht! Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw voor zo een man.

Juffrouw Buigzaam. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje!

Ik. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe.

Juffrouw Buigzaam. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft.

Ik. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert is: maak er staat op.

Juffrouw Buigzaam. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order gekleet zyt?

Ik. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen.

Juffrouw Buigzaam. Zo!

Ik. Gy zyt heel laconicq, maar dat spreekt gy deftig uit; hadt gy 't liefst niet?

Juffrouw Buigzaam. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe Gouvernante.

Ik. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten afzeggen?

Juffrouw Buigzaam. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R. van uwe wispelturigheid zeggen?

Ik. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al.

Juffrouw Buigzaam. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u.

Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen.

t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan; zy was beleeft, zy was vriendlyk,—maar ik was Juffrouw Burgerhart.

Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of het daar niet heel plaisierig was?

Ik. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds neen.

Juffrouw Hartog. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt, vermaakt men zich overal.

Ik. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel….

Juffrouw Hartog. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste gezelschap aan den Heer R….

Ik. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid, mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten.

Juffrouw Hartog. Ik oordeel uit de verschynzels.

Ik. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen.

Juffrouw Hartog. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang.

Ik. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe stelling wat nader zal beschouwen.

Juffrouw Buigzaam. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak, elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft.

Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw Oom en Tante?—ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.—Bestig, zei ik, als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg zeer beleeft, en kreeg een—nagt, lieve Juffrouw. Lotje rammelde my nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen. Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne Beste.

Ik ben uwe Vriendin,

SARA BURGERHART.

P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat ziet er gek voor ons uit.

Noten:

[1] Jongens. [2] wel.

HONDERD-VIERDE BRIEF.—Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar moed; ze heeft uw vader gezien, bevalt haar niet, maar ze zal u zelf schrijven.

HONDERD-VIJFDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.

Wel-edel Heer!

Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen.

Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken, dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met byzondere hoogachting,

Uwe Dienares,

SARA BURGERHART.

HONDERD-ZESDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!

Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u, die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben, met een dankbaar hart,

Uwe gehoorzame Pupil,

SARA BURGERHART.

HONDERD-ZEVENDE BRIEF.

NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

Myn Heer!

Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na; en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem (mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open gaan:—Doch zy heeft hem betovert;—zo doet zy elkëen.

Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat, om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;—dit doet er niets toe:—zo gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,

MIJN HEER!

Iemand, die 't wel met u meent.