HONDERD-AGTSTE BRIEF.
DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
Waarde Broeder!
Wat zegt gy nu, mon bon Pasteur, van uw lieven Neef Hendrik? dien je immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte, tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld trouwen met een wilde meid buiten onze Kerk; met een Gereformeert Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de jongens zo veel meê ophebben.
Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf Grotekerks is, als ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk. Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg Broederschap! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.
Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben … weg … weg!
Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja, ik ben maar te goed.
Blyve met grote achting,
Uw Eerwaardes
Dienaar, Vriend, en Broeder,
JAN EDELING.
Noot:
[1] Van een duit waarde.
HONDERD-NEGENDE BRIEF.—Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.
HONDERD-TIENDE BRIEF.—Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia haar vergeving vragen.
HONDERD-ELFDE BRIEF.
MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen; dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel.
Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en dan—de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my.
Die gy kent.
HONDERD-TWAALFDE BRIEF.
MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
Lieve Vriendinne!
Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my verleit.
Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig. Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô! Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: de Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den brand van de Hel. Gelukkig, dat myn oude mensch niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar.
Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans.
Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt?
Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop.
Uwe zwakke Zuster,
CORNELIA SLIMPSLAMP.
HONDERD-DERTIENDE BRIEF.
DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
Zusje Lief!
Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het hare, en om u.
Gy kent my.
HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.
MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
Keetje Zusje!
Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant. Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal het Gemeste Kalf slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden, die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar?
Uwe Zuster in den Here,
Z. HOFLAND.
HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.—Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: net een meisje voor Willem!—Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem.
HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.
DE HEER R. AAN DEN HEER G.
Jan lief!
Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan; ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na, als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? Liflaffen?[1] dan lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, dat ik haar bemin? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal trouwen. Sultane Favorite, Jan: is dat niet dubbelt wel? als ik, Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een Opgewarmt Bier en Broodskind, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak? Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar, wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt? Een vrouw is by u een vrouw—loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig. Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen?
Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.—Doch dit is to Bliktri voor u.
Vaar dan wel.
R.
Noten:
[1] Vleien, hofmakerijen. [2] Onschuldig.
HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.—Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig aan H. Edeling, maar … raad weet hij niet: vader blijft onvermuwbaar. Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven.
HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!
De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my, dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.
Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat ik volmaakt ongelukkig zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter, behoorden vermyt te worden.
Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die men doorgaans liefde noemt. Myne liefde is wel niet Platonisch[1], maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne geliefde Burgerhart tot myn leven zo nodig was, als tot myn gelukkig leven. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet, geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u, ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.—Ben ik, in myn zes-en- twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon,
HENDRIK EDELING.
Noot:
[1] Zuiver geestelijk.
HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.—Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God! —als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.
HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
Juffrouw Burgerhart!
Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen, hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb, dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos; 't zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen [1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw.
Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin. Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik; dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de grote Mogol, en al was hy een Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal dan nader met u spreken. Ik ben
Uw Voogd,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Pierewaaien. [2] Hier: zwendelaar.
HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
Chere Letje!
Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô! Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt? die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man, die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens…. maar neen!… dat zou al te slegt, al te verfoeilyk zyn.—Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten; ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my vreemt.—Ik moet geduld hebben.
Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze verslagenheid.
* * * * *
Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik.
Hemel! verdagt te worden van zulk een man….
* * * * *
's Nagts, half twaalf.
Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest. De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen.
Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag.
Juffrouw Hartog. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van zyn verstand had, dan nu.
Juffrouw Buigzaam. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt, dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap overwaardig.
Ik. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van verstand eens te zien.
Juffrouw Lotje. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik my nog te wys toe rekenen.
Juffrouw Hartog. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt is, heb ik al gezien.
Juffrouw Buigzaam. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over deezen waardigen jongen Heer.
Juffrouw Hartog, (schamper lachende). "Aan de vruchten zal men u kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar?
Juffrouw Lotje. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (zy werdt root;) ja, of gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw.
Juffrouw Buigzaam. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog, dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen.
Juffrouw Hartog. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje niet begeer, is myn oordeel te vryer.
Ik. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1].
Juffrouw Hartog. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (my spottig aanziende.)
Ik. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja, hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert.
Juffrouw Hartog. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet u ook veel eer.
Ik. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet strekken, indien gy ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap, (zij werdt bleek.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog? (haar sterk aanziende.)
Juffrouw Buigzaam. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook?
Ik. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan.
Juffrouw Hartog. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen worden: ha! ha!
Juffrouw Lotje. Nu, dat's my te geleert.
Juffrouw Buigzaam. En my ook, Juffrouw Lotje.
Ik. Ja! wist gy wel, dat ik zo eene Sçavante was? of liever, dat ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man; eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft.
Juffrouw Hartog. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben, dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens had horen noemen: neen, ik ken hem niet.
Ik. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter.
Juffrouw Buigzaam. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn? anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier, de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin, zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat my niet aan.—"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."—"Al was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."—Ik wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel, ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit al zo iets, niet waar?
Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende. —Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was, om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer fraai.
Juffrouw Buigzaam. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen?
De Heer R. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt.
Ik. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den Hortus Medicus te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn.
De Heer R. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden: gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er waarlyk fraai.
Ik. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen.
De Heer R. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen?
Juffrouw Hartog. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is by my een bloem, meer niet.
De Heer R. En wat zegt Mevrouw?
Juffrouw Buigzaam. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden, en myne zwakheid laten my dit niet wel toe.
De Heer R. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te gaan?
Juffrouw Lotje. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden.
De Heer R. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap alleen zien te vermaken?
Ik. ô, Myn Heer, maak geen complimenten.
Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en Juffrouw Buigzaam?—dat wist ik toen nog niet!
Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw Buigzaam? anders ga ik weêr heen.
Zy. Integendeel, uw gezelschap is my altoos aangenaam.
Ik. Dan zal ik my by u zetten. (Zy zag onderwyl al in haar Boek.) Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan zou ik zeer ongelukkig zyn.
Juffrouw Buigzaam. (Haar boek toedoende.) Misnoegt? Hier uit moet ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven te hebben.
Ik. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen meer achting verdienen dan capritieuse mannen.
Juffrouw Buigzaam. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo gemeenzaam met u ben als van te voren?
Ik. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (Ik had tranen in myne oogen.)
Juffrouw Buigzaam. Als gy my in dat licht beschouwt, dat ik waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig gebruik van myne oprechte vermaningen?
Ik. Als, zegt gy met nadruk!
Juffrouw Buigzaam. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy?
Ik. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden?
Juffrouw Buigzaam. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om niet beide te zyn.
Ik. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt?
Juffrouw Buigzaam. Uwe eigene onvoorzichtigheid.
Ik. (Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók.) Myne eigene onvoorzichtigheid!
Juffrouw Buigzaam. Niets anders…. Maar my dunkt, dat gy niet zeer geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken, dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat recht geeft. Willen wy de zaak daar laten?
Ik. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden; 't is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (Zy zag my zeer bedaart, doch niet minzaam, aan.)
Juffrouw Buigzaam. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (Dit woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den haren, en zei:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u. —(Ik kon niet spreken, ik snikte.) Zy ging voort: De Voorzienigheid, die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan, by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn.
Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders, (zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor Coquet, voor une Dame du Ton; voor een Meisje, dat zich, in alle hare daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan, dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord.
Ik. Hadt gy my maar één woord gezegt!
Juffrouw Buigzaam. Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben? Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het my, al zo zeer als myn pligt.
Ik. Ik heb vyanden: ik word gelastert.
Juffrouw Buigzaam. Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou hebben aangestaan.
Ik. Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den Hortus Medicus ga zien?
Juffrouw Buigzaam. Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden kon geven, u volstrekt verbieden: Het heeft immers zulk een haast niet, zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart, die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens nemen. Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem.
Ik. Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van uw huis; wagt hem nooit meer af.
Juffrouw Buigzaam. Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man, ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen verschilstoffe aan de hand geven.
Ik. Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van my eischt, dat ik doe.
Juffrouw Buigzaam. Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit. Ik heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden, en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (Ik weende.)
Ik. Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling, of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering, geheel aan u over! (Zy drukte my aan haaren boezem.)
Juffrouw Buigzaam. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt; en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft.
Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air:
Ah! que l'amour est chose jolie!
zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy, eenig gunstig onthaal toegeschikt?
Ik. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet anders. (Zy glimlachte, en noemde my Engel.) En vraagt gy nu, "waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die vernedering is my te smartelyk.
Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks; beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf, peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen, om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by
Uw teder liefhebbende Vriendin
SARA BURGERHART.
P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in.
Noten:
[1] Vleiend. [2] Ontstemd. [3] Tenminste.
HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER R. AAN DEN HEER G.
Vriend Jan!
Uit is de klugt! de myne—de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den Hortus Medicus te zien? Nu, Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor huishoudende Vrouwen; gy doet wel, schone Weduw!
Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, Kwast en Bles, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden. Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas, dat ik met een meisje kom, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is; want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel schikken. Philips moet maar te rug gaan.
Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel; zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt, dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen, Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my zelf.
R.
Noot:
[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen.
HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.—Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin en Slimpslamp zijn er met bijna al haar geld van door! Ze vraagt vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart.
HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.—Sara vergeeft alles en belooft voorspraak. Zal zelf komen.
HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.—Hendrik aan Cornelis: Saartje is zoek! Ze is met R. uitgegaan en niet teruggekeerd. Ze wachtten op haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, om vijf uur, daar is Sara. O, o!—die vreeselijke R! Gelukkig Saartje is ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur. Hendrik is er zelf ziek van!
HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT.
Lieve Vriendinne!
Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin. Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in, dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O, 't was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den Hypocryt zei, kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in werpen; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja! en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.—'s Ogtends ontwaakte ik vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. 't Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje, ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt; meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten. Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen. Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten, en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja!
Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong, moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden, wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven. Schryf een lettertje aan
Uwe elendige Zusje,
ZUZANNA HOFLAND.
[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij! Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]
HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
Vriendinne Hofland!
Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet: maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze menschen in de Waereld zyn, die, onder den dekmantel der Godzaligheid, erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid! Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen, die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen, aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.—Ik weet, dat men daar, met oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: ô! gy kind der Helle, vol van alle bedrog en godloosheid, zo als hy tegen Simon den Tovenaar zei.
Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig; gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden; men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest hebben, om u laagjes te houden; zo een Engel Satanas, die u sloeg. Hoe meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer men u wys maakte, dat gy by Jezus waart.
Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden begaan. Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden. Is u de Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje. Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een geestlyk Sodom geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen, haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden; om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja, Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het Innig Christendom. Buiten dit is alles ydelheid; dan hebt gy geen Godsdienst. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult zien, dat uw verlies tot winst wordt.
Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting maken.—Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in myne gebeden, want ik ben in waarheid
Uwe Vriendinne,
STYNTJE DOORZICHT.
HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.—Arnold Helmers, Aletta's vroegere weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, is zeer geschikt voor je.
HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.—Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van Thomas à Kempis: Imitatio Christi. Brecht is in een bierkroeg verzeild.
HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.—Hendrik heeft Sara gesproken; zeer zwak, maar beterend.
HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.—Aletta aan Helmers; ze kent Pieter heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien….
HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.—Stijntje Doorzicht héél wijs en vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara heeft ze een lieven indruk.
HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.—Anna Willis bericht Sara de thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. Zij weet van de historie met R. niets. Zij zelf gaat binnenkort trouwen. Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan blijft hij er; hij is gematigd, houdt niet van godsdiensttwist.
HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara gevoelt zich H. nu vooral niet meer waardig, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar Blankaart, die al op reis is huiswaarts.
HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
Ge-eerde vrouw!
Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet beäntwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u, en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje bruit er nog zo wat meê heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu, wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft; en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts; en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de Papen voor de Heilige Maagd deden.
Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal, in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga om eens Hollandsche knap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen, toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos, en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: hei, hoor eens hier! jy, met die groene rok daar, wie ben je? Nog geen half kwartier daar aan, of daar komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "ô, Zei de goeje jongen, myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen, dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was; wat zou ik gezeit hebben?
Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten; "ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen, dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is."
Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo; doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo, jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen." Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens! Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u.
Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is, moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert: Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt; "'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudägtig worden, Mevrouw, wil dat zo goed niet meer. Alles, zeit de wyze man, heeft zyn tyd. En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel.
Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven, tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen; want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben knorrig op u. Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de maan vol is, schynt zy overal. Groet myn meisje, en geloof dat ik van harte ben
Uw misnoegde Vriend,
ABRAHAM BLANKAART.
Noot:
[1] Maraudage, hier "avontuurtjes".
HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder!
Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is, in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen, geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik waarlyk zó wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert.
Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien, en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem. Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg? 't Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en twintig jaar!"—"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by u?"—"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan." —"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy.
Ik. Daar kan ik niet aan denken.
Hy. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige Dochter, en gy kost er gelukkig meê zyn, ik gaf ze u, met de helft van myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broêr verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet; dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet bleek worden, Willem; ik zal u óók helpen; jy zult een Vrouw als een geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik weet zo iets voor u, dunkt my.
Edeling. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst bevelen!
Hy. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen.
Edeling. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud vaderlands drinken. (Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van genoegen.)
Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste, maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat my, vrees ik, droevig zal opbreken!—Ik ben daar zo maar op myn eigen houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint, capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk gegoet.
Blankaart. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel van een Tante, denk ik! (Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik denk aan Tante Hofland.)
Edeling. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen, als de Duivel met de takkebossen.
Hy. Is 't een Leidsch maakzel?
Edeling. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel niet eeten; en, dewyl hy my op het advocaten bestelt heeft, zal ik voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen.
Hy. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch?
Edeling. Mejuffrouw de Fortuin.
Hy. ô Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (en hy schaterde van lachen.)
Edeling. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa; want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo niet bedagt.
Hy. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (Hy trok zo een potzig bakkes, dat ik hem niet aan kon zien zonder lachen.)
Edeling. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart!
O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is 't niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen, myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero, een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes, jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen, dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar waweling."
Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief.
Ik ben met de tederste hoogachting,
Uw gehoorzame Zoon,
WILLEM WILLIS.
HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.—Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft Blankaart ontmoet; voortreffelijk!—Parijs is heerlijk, de Franschen zijn sympathiek.