WeRead Powered by ReaderPub
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart cover

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Chapter 50: VERHAAL.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young woman's transition from sheltered youth into wider society, recounting her personal growth, romantic entanglements, and the social pressures she encounters. Presented largely through letters and personal accounts, the work interleaves sentimental episodes with practical moral reflections and advice aimed at young women. It sketches a gallery of social types and domestic situations to critique hypocrisy, emphasize prudence and virtue, and explore the tension between feeling and social expectation. The tone balances instruction with sympathy, combining realistic observation of everyday behaviour and relationships with didactic commentary on manners and education.

HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.

DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.

Lieve Broeder!

Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit, om hem hoog te achten, en te beminnen.

Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan, ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort.

Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar, en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel, dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]: de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw genegenheid gegeven hadt!

Zy. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet, als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling? (Ik voelde die zet!)

Ik. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man onderscheid van Religie noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden.

Zy. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet.

Ik. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam zullen deeze drie reizigers zyn!

Zy. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder; als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken.

Ik. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis.

De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen.

Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende, spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert, doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.—Hier op vertrouwende, geef ik u het

VERHAAL.

Dierbaarste Vriendinnen!

Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen; ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen: ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen:

Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den Hortus Medicus, vast voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den Hortus alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende, dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde, dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen des vry spoedig uit den Hortus, de Plantage door, de Muider-Poort uit. Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven, dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis.

Hy. (tegen den Tuinman.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken; hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (De Kerel ging heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk.)

Ik. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier mogt!

Hy. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil zitten.

Ik. Wel, laten wy wandelen.

Hy. Eerst wat uitrusten. (De Tuinman bragt theegoed, wij dronken spoedig een kopje.)

Ik. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd.

(Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei: Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig, gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik niet met u zou gegaan zyn. (Hy lachte, en wilde my kusschen.) Hou af, zei ik; gy railleert te sterk.

Hy. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (en hy zwoer een duren eed,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn; (al weder naar my toe dringende.)

Ik. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil hier niet langer blyven.

Hy. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (Ik bestorf als myn linnen.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker, nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt, om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan. (Hy wilde my weder kusschen.)

Ik. Schelm! Deugniet! Judas!

Hy. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt. (Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my moedig.)

Ik. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt maken, zo gy de deur niet open doet.

Hy. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave. (Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open schuiven.)

Hy. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van buren-gerugt. (Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling! ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding; immers niet met myn weten?)

Hy. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven.

Ik. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen. (Hy lachte.)

Hy. Ziet gy my voor zo een verd… gek aan, dat ik, een prooi onder myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen?

Ik. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt, laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (Ik schreide bitterlyk.)

Hy. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor gaarne Variantes, en gy zyt uw onderwerp magtig.

Ik. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb ik gedaan?

Hy. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk op u verlieft is, en die u tot zyne Sultane Favorite hoopt te maken. Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (Ik zeeg op een stoel neder, en ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder.)

Ik. Deugeniet, lieve goede menschen … ô God! hoort my niemand! (Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal, verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en vloekte). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet.

Hy. Ja, op de Fargon. (Ik bedagt my.)

Ik. Kom aan, als het toch zyn moet.

Hy. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn, doch nu is die voorzorg onnodig.

Ik. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten. (Hy lachte hartlyk.)

Hy. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt hebben, ik had het wel anders overleit. (En toen drukte hy my zo sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle oogenblikken toe.)

Ik. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien; wat recht hebt gy op my?

Hy. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (en hy tradt naar my toe), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke. (Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat ik hem myn waarde R. noemde).

Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen, dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik doen: Hy riep, (met een vloek,) u gaan ophangen, voor ik u den hals breek. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by my.

Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en, dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje? zei ik.

Zy. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust! ik zal u helpen.

Ik. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk geluk hebt gy my dus verre geret?

Zy. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans, ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw, ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare bescherming, en ik bad een vyf of zes Aves en Paters, zo al in de kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in 't Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch, al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven, en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw.

Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden! door my lyden!…

Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende, dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was, zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom, Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet, waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy: "God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is een boos kaerel, als hy begint."

Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.—"Ik, zei 't meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo benaauwt."—"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my te komen.

De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk. Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek, en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde. Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan 't vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer. Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten zwygen; wy zyn maar gemene lui."

Ik. Wat zal je man toch denken van my?

Zy. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy slapen allemaal hier boven ons hoofd.

Ik. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want, hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis.

Zy. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis, toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen." Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan, Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw, daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw, heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (Ik gaf haar vier Ducaten.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen." O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen. Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen.

Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden, omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;—om thuis te komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde, hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen.

Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen, moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen.

SARA BURGERHART.

Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden, zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder,

T. T.
HENDRIK EDELING.

Noten:

[1] Hier: kunstmatig romantisch. [2] Lambrizeeringen. [3] Toonaard. [4] Duidelijk.

HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed heeft uit Indië een erfenis gekregen van 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit de Honderd-een en veertigste brief.

In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed.

HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.—Papa Edeling geeft zijn koppigen tegenstand op; hij is overtuigd door Blankaart.

HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.—Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta Brunier, ook over Sara.

HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.

Ge-eerde Vriendin!

Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over, toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer; zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft, hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet; dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan, maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel, wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, die geen gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn.

Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder van Ruth, uit den Bybel. Willems land is uw land, en Willems God is uw God; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen. Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw; en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind. En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan spreken.

Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd hebben; ik zei dikwyls: Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen; maar dan was ik, (dat Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde; plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis daar naast?

En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was, en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken; maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in, doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen, die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne, wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja, zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik zou die bedriegers zo veel smeert hem Keesje hebben laten geven; ik zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten hebben, wat het is den ouden mensch te kruissigen; zie ik word zo satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo misbruikt.

Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt toch maar een Moeder in Israël. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo een meisje mogt zyn.

Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen.

Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een Heiligje uitkeek: net Moeder Maria, zo als ik haar in de Paapsche Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik, met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man, die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. Myn Heer, gy zyt een Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog is. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken, als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen, zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is myn man, weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de man zei, dat niet te trouwen beter was; en ik verzoek Juffrouw Willis, dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg mores te leren: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers wel! ik wensch nog eens uw man te worden.—Nu—is het er uit. Zeg nu wat gy wilt: 't is er uit.

Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet alle middag by my. Ik ben

Uw nederige Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Hij is "gehard". [2] Beslommeringen.

HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.—Hendrik aan Cornelis: hij is in de wolken: vader heeft Sara aan Blankaart gevraagd voor 'm—èn: de lasterbrief was van Cornelia Hartog!—dat komt uit door Rien du Tout.

HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.—Willem Willis is heusch verliefd op Aletta; Sara behandelt hem als broer.

HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.

Mevrouw, zeer waarde Vriendin!

Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel; (en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben, om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen, en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy daar als de Roze van Saron in 't midden, sprekende, onderrichtende, goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om u te spreken gekomen ben.

't Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van weten; 't is zulk een olyk platje!

Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje, voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft.

Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."—Uw Dienaar, myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy, terwyl hy de glazen uitkeek. (Ik, niet lui, ging over 't horretje gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is.)

Edeling. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt, en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen: die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.—Gy zegt niets?

Ik. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik wil my er niet meê bemoeijen.

Hy. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een Remonstrantsche Kerk maken?

Ik. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon?

Hy. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert.

Ik. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met liefde en achting ontfangt.

Hy. Wat moet ik dan doen?

Ik. Dat's uw zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand gepaart gaan.

Hy. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even eens als gy, en zyn Vrouw ook.

Ik. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven; wat geef ik daaröm?

Hy. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen Leer?

Ik. Om dat wy—laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit die? Onderzoek de schriften. Dat klinkt u wat anders voor den snoet, dan zyn Geloof te laten leren. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog maar te veel Papery onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en duiveljagen tegen den Antichrist, tegen den Gog en den Magog, tegen den Paus; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei, ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man, zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te schamen. Hoor, jou geloof is een enkel toeval; want je hebt er magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje—op myn ziel, (en ik sloeg op de tafel,) uw geloof is 't regte geloof niet!

Hy. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof.

Ik. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is.

Hy. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man?

Ik. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen maken kunt. (Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen.)

Ik. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (Hy lachte.)

Hy. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt. Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven? want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld.

Ik. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen.

Hy. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben?

Ik. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn.

Hy. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, als ik over den hond kan, kan ik ook over den staart. Als Cornelis het wel maakt, en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben.

Ik. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart; alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te zyn.

Hy. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien ouden Adam er uitramei.

Ik. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de beminde Vader is van brave kinderen.

Hy. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen; ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte….

Ik. (hem in de rede vallende.) En met dit al, gy zyt wel gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt.

Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is! Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte Bullebak.

Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen, dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't meisje.

En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt het Vrouwtje van Thecoa,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te bezorgen.—Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit; evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5], er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart. Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben

Uwe oprechtste Vriend,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Meer dan genoeg. [2] Cornelia Hartog. [3] Boos. [4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV. [5] Vertelde.

HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

Broeder Lichtmis!

Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger- meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al, en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen. Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt. 't Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem; thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen, maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met dit al, het is niet anders.

Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag uitgieten.

T. T.
R.

HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Wed. Willis laat Blankaart een blauwtje loopen.

HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Hendrik schrijft Sara een solide liefdesbrief.

HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Sara antwoordt hem niet minder degelijk; er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat Hendrik nog niets weet van 't geval met R., maar uit de Honderd-vier en vijftigste brief blijkt dat hij alles wist.

HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Anna Willis noemt haar verloofde Smit "waarde vriend"—deelt hem de officiëele verloving mee van Sara en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg.

HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

Myne Tederbeminde!

Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u te schryven.

Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal aanbreken; iets, waarom ik vurig bid.

Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen, om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie, Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van ons Geloof is."

Ik. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt.

Hy. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my spyten!

Ik. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor den braven Vader, dien hy my gaf.

Hy. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken? Wanneer gaat het Huwlyk aan?

Ik. Zo dra wy een huis hebben, denk ik.

Hy. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen?

Ik. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert, dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze aanbieding.

Hy. Waar is uw Broeder Cornelis?

Ik. Die eet by den Heer Blankaart.

Hy. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo eens aan 't oor geweest over uw Broêr.

Ik. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde, eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk….

_Hy-. (my in de reden vallende.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar al weer niet van myn Geloof, denk ik?

Ik. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles wel berichten.

Hy. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben. Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters!

Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef: Beter hart dan het zyne is er niet.

Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die my gelukkig kan maken.

Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen, geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin.

Ik. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al?

Zy. (Zeer verwonderd opkykende.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u niet!

Ik. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon, Pieter?

Zy. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk bezig is.

Ik. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens spreken.

Zy. Als 't je belieft, myn Heer. (Zy ging met my onder een zwaren Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt.)

Ik. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen.

_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel: die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende R. zal zyn loon wel krygen.

Ik. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen.

Zy. (Zy lachte.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag, of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen Heer zeggen. (Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met Klaartje te rug.)

Ik. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien.

Klaartje. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan?

Ik. Gy hebt gelyk. (Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my).

Zy. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn.

Hy. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy 't opstaan vergat; dat zou ik! (en hy zette zyn hoed in de oogen.)

Ik. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer?

Pieter. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook miserabel lief, ook Klaartje? (Klaartje kreeg een kleurtje en zweeg).

Ik. En waarom gaat het Huwlyk niet voort?

Klaartje. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen.

Ik. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te redden, zou het dan wel zyn.

Hy. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook Wyf?

Ik. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen.

De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?" en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid, die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar juist van pas binnen.

Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden! Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen.

Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is.

En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen, komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste, en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik

Uwen

EDELING.

HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.

Ge-eerde Vriendin!

Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde. Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen, Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my af te wyzen: Nu zal ik al vast als een niets beduidend oud Vryer sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven.

Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen, een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen.

Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast, en ging met Snap naar het huis.

Ik. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en onbekent maakt onbemint.

Hy. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt?

Ik. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:—maar, kyk zoo niet op, niet voor my.

Hy. Ik zal u met genoegen horen.

Ik. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne affaire.

Hy. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even onverdient, was; Letjes Vader.

Ik. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten; (en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag.) Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer —— op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u, om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het meisje kreeg.

Hy. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief?

Ik. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy.

Hy. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart, haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar; doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan zie ik er niet door.

Ik. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken, met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God! het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat zo niet, myn goeje Vriend?

Hy. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even als gy.

Ik. Met al myn hart: nu, wat zegt gy?

Hy. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben; en laat voorts alles aan uwe bestiering over.

Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel. Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen waar ik kan en mag.

Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende, en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied,

Uwe Hartvriend,

ABRAHAM BLANKAART.