WeRead Powered by ReaderPub
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart cover

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

Chapter 62: EINDE.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young woman's transition from sheltered youth into wider society, recounting her personal growth, romantic entanglements, and the social pressures she encounters. Presented largely through letters and personal accounts, the work interleaves sentimental episodes with practical moral reflections and advice aimed at young women. It sketches a gallery of social types and domestic situations to critique hypocrisy, emphasize prudence and virtue, and explore the tension between feeling and social expectation. The tone balances instruction with sympathy, combining realistic observation of everyday behaviour and relationships with didactic commentary on manners and education.

HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

Lieve Vriendinne!

Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne inwendige vreugd te verbergen.—'t Was of ik in een zedelyk School was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here: Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder, in wat staat of rang, in wat kleding, (zo die der betaamlykheid maar niet kwetst,) die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is? Ja, ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie ik zo Maria en Martha vereenigt. In Letje is een getrouw zaad gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen, als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet ingaan.

Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een Timotheus, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve Johannes eens aan hem schreef, hy zou zeggen: Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld overwonnen. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô Vriendinne, dat was het werkent Christendom! Uwe Tante weende bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here niet woont in 't water noch in 't vuur: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo is het ook met uwe Bruidegom!

Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my, en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend, ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken, zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne stille liefdadigheid blyven beoeffenen.

Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als Joannes de Doper, en troostte haar, als Joannes de lieveling des Heren. Zy viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy, Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide, hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid, kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, gierigheid is een wortel van alle kwaad. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers; maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een graauwe Munnik toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil, dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen, of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in den Here. Nu, zalig zyn zy, die zich beteren. Wat uw bestaan aangaat, zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik, Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen."

Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den Gog en den Magog, of van Constantyn den Groten gesproken wordt? Ik wil Bybels, ik wil practicaal horen preken. Daar liep ik verleden Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar waarlyk, ik kon amen op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf. Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen over Aarons baard? en er dan nog toepassingen by te krygen, die Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig ergeren, om dat zy my doen lachen."

Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: dit is een Israëliet, in wien geen bedrog is. En nu, hartje, moet ik u nog zegenende zegenen: God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen doen, wy en ons huis zullen den Here dienen.—Groet uwen Bruidegom, groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in liefde aan. Ik ben

Uwe ware Vriendinne,

STYNTJE DOORZICHT.

HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr. Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.—Met Sara heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar 't zal wel marcheeren.

HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.—Cornelis schrijft aan zijn Jaantje—Adriana Nijverhart—dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat hij alléén—naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek….

HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.

DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.

Myn allerkostelykste kostelykheid!

De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was. Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.

ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn? Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was négligé. Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd: De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te delen. (Van die nog een woord.)

De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by. Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.

Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen, die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man, als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar; niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt, om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever! Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was, en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster, zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!) zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe aandagt.

De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen. Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen, zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal." Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen; ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op. Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen. Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en ging naar zyn eigen huis.

Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week; ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders, en aan de kleine Familie. Altoos ben ik

Uwe

C. EDELING.

Noot:

[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.

[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje; illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]

HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Saar en Hendrik zijn gelukkig!

HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.

MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

Waarde Willis!

Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen, dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn, zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer betekenent dan gy: ik ben eene getrouwde Vrouw. Foei! Naatje, niet op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet, hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.

Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt, met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen waarden man leerde kennen.

Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit, een eigen weêrspraak hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat Dochter Edeling in de kas is by Vader Edeling: ja, dat hy my overlaadt met gunsten.—Een staaltje van zyne denkwyze:

Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.

Ik. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar in.

Hy. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is al eene aartige zet!

Ik. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als ik niemand by my heb.

Hy. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit! (Myn man lachte.)

Ik. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.

Hy. (Half knorrig, half goedschik.) Nu, ik ben evenwel boos op Blankaart.

Ik. (Hem potzig in de oogen kykende.) En om wat reden? of is Papa ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de gehele waereld, myn man uitgezondert?

Hy. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader, je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je hebt het.

Ik. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy my geven kunt; had ik dat!…

Hy. (My in de rede vallende.) Wat is dat toch? je zult het hebben, kind.

Ik. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag, dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (Ik stond op en kuschte hem.)

Hy. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, dat het heel wat byzonders was.

Ik. Dat is het ook, lieve Vader!

Hy. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (in zyne Brieventas schommelende,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw Almanakje.

Hem inziende, zag ik, dat hy fl 6000 beliep. Ik bedankte met aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan. Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my meer zult geven dan ik verzoek.

Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring geef?—Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.—Zy gingen weg, en ik had zo wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen. Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen, toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt: "dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?

Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, comme il faut. Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik ben met achting,

Uwe liefhebbende Vriendin,

SARA EDELING,

geb. BURGERHART.

Noot:

[1] Hier: grappen, streken.

HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.—Saar verhaalt zelf van haar geluk.

HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.—Anna Smit-Willis is eveneens heel tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "Alweer een gelukkig huwelijk!"

HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.—Hendrik vertelt van zijn geluk en betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed.

HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.—Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat met Letta trouwen; de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te worden.

HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Sara bericht, dat Hendrik doodziek is!—Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat uitgestaan; ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn.

HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden, leef voorzichtig en verstandig!

HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Aletta Brunier en Willem logeeren bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer.

HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.—Willem aan Aletta: hij heeft haar innig lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: deze neemt Jacob bij zich. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter.

HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.

Waarde Vriendin!

Geluk met een jongen Edeling!—Gister avond elf uuren, verloste onze jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet héél gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weêr: de oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens even in de kamer komende, zag.

De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare handen wrong.)—Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld. Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neêr gevallen. Ik wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant. Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. ô, Kon ik u dat toneel schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een zeer gelukkig Vader zyn."

Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien! "Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft? 't is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter traktéren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de Heren, zich weêr naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak, en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg, en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn broederlyk hart in stille zegenwenschen.

Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt: zyn naam is Jan. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is Jan Edeling; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het anders zou dulden.

Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is mantje, jongetje; elk maakt het bestig. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke goede tyding:—met haast, de Brief moet weg.

Uwe Vriendin,

M. BUIGZAAM

Wed. P. SPILGOED.

HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT.

Zeer lieve Vriendin!

Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed, dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me dunkt, ik had, voor den Negenden dag, wel kunnen schryven. Maar de slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding; en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op haar zo wat te betrouwen.

Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd ouder en wyzer te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt. Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag het aan den Heer Blankaart;—aan elk, die het ziet.

En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem." Hoe, best? vroeg ik; kan myn jongje ergens zo best zyn, als op zyn eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten, en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen? Myn stoute Broêr klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn; dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;) en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden, het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd; 't was op een Dingsdag;—neen, op een Woensdag;—toch op een Dingsdag; want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: ô zulke toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem met zo een meisje gelukkig zyn!

Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor? Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit.

De ondervinding alléén is in staat om u te leren, wat het is, Moeder te zyn. Gy weet, ik was altoos een kindergek; maar, myn Hemel! wat onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder. Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken, dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die er zyn kunnen.

Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn; en nu zie ik, dat ik, alléén by gebrek van bezigheden, die voor my berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje, dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel. Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook, en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te véél malle Moeder ben, Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn Brôer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn luijers als iemand die zegt: Nog meer laatste woorden van bisschop T.

Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Dominé, voor Edeling en my. Ik ben altoos

Uwe Vriendin,

SARA EDELING,

geb. BURGERHART.

HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Aletta Willis-Brunier aan haar man Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.—Hun eigen kinderen groeten papa!

HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.—Vader Willem aan zijn vrouw: dol gelukkig!

HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.

Eerwaardige Heer!

Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Dominé, waar je van spreekt. Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik ben zo dikwyls door uwe Predikatiën gesticht, en uw Vrouw is zulk een best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als 't andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur. Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje, nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu Monsieur Kadet; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het myn schuld was, dat ik my er niet meê gemoeit moest hebben, en dat zou niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Dominé, dat Heintje daar op zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u op myn woord van eer; (en hy is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) op myn woord van eer, dat ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar best."—Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte hem weêr zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik, lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar kwam een Schieman [2], en noemde my Dominé, en toen luisterden al de Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Dominé, de Kadets Vader." Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen Dominé en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes zo wat mis, ik ben geen Dominé, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar ik ben een Koopman, en een oud Vryër: nu, dat is 't zelfde. De Kadets Vader is een Dominé, en wel een zo braaf Dominé, als er ooit voor jou lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het overige zal Hendrik u wel schryven.

Eer heeft uw hart, myn goeje Dominé; wel dat zou er bekreten uitzien, als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen, die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal Preken en Bidden? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen; en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op de Zee worden.

Zie zo, dat Karweitje is ook weêr besjouwt. En uw vrouw verdient, dat zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig.

Ja, Dominé, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar zo hoor klagen en stenen, en van Tranendal, en van een elendig leven enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is Dominé Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreên ben? want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal. Wat zegt gy, Dominé?—Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houên van niemand, en niemand van hun. Op zulke Watertjes vangt men zulke Vischjes. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur, dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Dominé? Kyk, denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus is myn man: Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope. En dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn.

Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd! Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank, dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon, hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten, Dominé, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.)

Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my, want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf altoos,

WAARDE DOMINÉ!

Uw hoogachtende Vriend,

ABRAHAM BLANKAART.

P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu, verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte ik er zyn naam nog uit!

Noten:

[1] Hypotheek. [2] Onderofficier.

EINDE.