WeRead Powered by ReaderPub
Homo sum: Roman cover

Homo sum: Roman

Chapter 1: VOORREDE.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A desert-set narrative follows a contemplative community built around a solitary ascetic who accepts exile intended for another and remains silent until the true culprit confesses. The story functions as a psychological and moral study of self-denial, apathy, conscience, and the motives that drive resignation and sacrifice. Vivid depictions of caves, oases, and ritual solitude frame small-group interactions, and doctrinal disputes are left in the background as the author probes inner life and ethical tensions rather than offering a historical account.

The Project Gutenberg eBook of Homo sum: Roman

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Homo sum: Roman

Author: Georg Ebers

Translator: Hendrik Cornelis Rogge

Release date: June 2, 2013 [eBook #42861]
Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by J.H. Berends, Jeroen Hellingman and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for
Project Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HOMO SUM: ROMAN ***

HOMO SUM

HOMO SUM

Homo sum, humani nil a me alienum puto.
Terentius, Heautontimorumenos, 77.

VIERDE DRUK
Naar de elfde Hoogduitsche uitgave herzien
AMSTERDAM
VAN HOLKEMA & WARENDORF

AAN DEN HEER

ALMA TADEMA, M. A.,

DEN GROOTEN MEESTER IN HET SCHILDEREN VAN VOORSTELLINGEN UIT HET LEVEN DER OUDEN,

WIJDT DIT VERHAAL

MET VRIENDELIJKEN GROET

DE SCHRIJVER.

VOORREDE.

Toen ik bezig was mij voor te bereiden tot het schrijven van eene geschiedenis van het Sinaïtisch schiereiland, hield ik mij geruimen tijd onledig met de studie van de eerste christelijke eeuwen. Onder de massa martyrologische en ascetische geschriften, de geschiedenissen van heiligen en monniken, die ik voor mijn zeer beperkt doel had te doorworstelen en te ziften, vond ik, en wel in de Ecclesiae graecae monumenta van Cotelerius, een verhaal dat, hoe weinig beteekenend ook op zichzelf, mij zeer eigenaardig en roerend toescheen. Het tooneel der handeling was de Sinaï en de aan zijn voet gelegen oase Pharan.

Toen ik daarna op mijne reis door Petraeïsch Arabië de holen der Anachoreten van den Sinaï met eigene oogen zag en met mijn eigen voeten betrad, kwam dit verhaal mij weder voor den geest, en ik kon het maar niet vergeten, terwijl ik verder door de woestijn trok.

Het kwam mij voor, dat in het eenvoudig verloop der gebeurtenis zich een zielkundig probleem voordeed, bijzonder eigenaardig in zijn soort.

Een Anachoreet, ten onrechte in plaats van een ander beschuldigd, neemt, zonder zich te verdedigen, diens straf, de verbanning, op zich. Eerst door de bekentenis van den misdadiger wordt zijne onschuld aan het licht gebracht.

Ik gevoelde mij bijzonder aangetrokken, de zielsaandoeningen te ontleden, die tot zulk eene apathie, zulk eene vernietiging van het gevoel konden leiden, en terwijl de denk- en handelswijze der zonderlinge grotbewoners voor mij steeds grooter aanschouwelijkheid verkreeg, ontstond voor mijne verbeelding de gestalte van Paulus. Weldra groepeerden zich om deze figuur een kring van denkbeelden, en eindelijk inzichten, die mij geen rust lieten, vóor ik eene poging waagde, om ze in het kleed van een verhaal, in kunstvorm weer te geven.

De naaste aanleiding tot het uitwerken van dezen stof, die reeds lang bij mij tot volledige aanschouwelijkheid was gerijpt, in een roman, werd mij gegeven door het lezen van Koptische monniksgeschiedenissen, waartoe ik gebracht werd door Abel’s Koptische Studiën. Later maakte het kleine maar degelijke werk van R. Weingarten, over den oorsprong van het monnikwezen, een diepen indruk op mij, die mij ook thans, bij de studie der eerste eeuwen van het christendom, met name in Egypte is bijgebleven.

Het is hier de plaats niet om de punten te doen uitkomen, waarin ik van Weingarten meen te moeten afwijken. Mijn scherpzinnige collega uit Breslau verwerpt veel, dat geen recht van bestaan heeft, maar op vele plaatsen van zijn boek schijnt hij mij met een al te ruwen bezem te vegen.

Het zou mij even gemakkelijk zijn geweest, mijn verhaal van het dertigste naar het veertigste jaar van de vierde eeuw te verplaatsen; maar ik heb dit gelaten, omdat ik met zekerheid meen te kunnen aanwijzen, dat er in het door mij gekozen tijdperk niet slechts heidensche kluizenaars in de Serapis-tempels, maar ook christelijke Anachoreten waren. Hierin ben ik het geheel met Weingarten eens, dat het begin van een georganiseerd christelijk monnikenwezen in elk geval niet voor het jaar 350 gesteld kan worden.

Mijn Paulus mag niet met den eersten heremiet Paulus van Thebe verwisseld worden, wiens naam Weingarten terecht op de lijst van historische personen heeft doorgehaald. Hij is, evenals elke andere figuur in dit verhaal, een persoon van mijne eigene vinding, de drager van een idee, niets meer en niets minder.—Voor mijn held heb ik geen bepaald voorbeeld gekozen, en ik onderstel alleen de mogelijkheid, dat er in zijn tijd zulk een man bestond. Allerminst heb ik gedacht aan den heiligen Antonius, die nu ook zijn uitstekenden levensbeschrijver Athanasius heeft moeten verliezen, en die ons geteekend wordt als een man met een zeer gezond verstand, maar van zoo gebrekkige ontwikkeling, dat hij enkel het Egyptisch verstond.

De dogmatische geschillen, die reeds in den tijd van dit verhaal ontbrand waren, zijn met opzet onvermeld gebleven. In later tijd hebben de Sinaïeten en de bewoners van de oase er levendig aan deel genomen.

De Sinaï, waar ik den lezer heenvoer, mag niet verwisseld worden met den berg, die een groote dagreis zuidelijker gelegen is. Deze berg, aan welks voet het beroemde »klooster der opstanding” ligt, draagt in ieder geval sedert Justinianus dien naam, en wordt algemeen voor den Sinaï van den bijbel gehouden. In de beschrijving van mijne reis door Petraeïsch Arabië1 heb ik getracht de door Lepsius op wetenschappelijke gronden uitgesproken zienswijze, dat namelijk de reusachtige berg, die thans Serbal wordt genoemd, en niet de Sinaï der monniken, voor den berg der wetgeving gehouden moet worden en ook in den tijd vóor Justinianus daarvoor gehouden is, door nieuwe bewijzen te staven.

Wat aangaat het steenen huis van den Senator Petrus, met zijne vensters aan de straatzijde, iets wat geheel in strijd is met de Oostersche zeden, moet ik, om gegronde twijfelingen te voorkomen, doen opmerken, dat nog heden ten dage in de oase Pharan, de bijzonder goed onderhouden buitenmuren van een tamelijk groot aantal van dergelijke gebouwen aanwezig zijn.

Maar aan zulke uitwendige dingen ruim ik in dit psychologisch tafereel slechts eene ondergeschikte plaats in. Terwijl in mijne vroegere romans de geleerde wel gedwongen was aan den dichter en de dichter wederom aan den geleerde iets toe te geven, heb ik in dit verhaal, enkel en alleen aan eene idee, die mijne ziel vervulde, een afgeronden kunstvorm willen geven, zonder rechts of links te zien, zonder te willen onderrichten, of de resultaten mijner studiën in gestalten van vleesch en been te willen omzetten. De eenvoudige figuren, wier innerlijk wezen ik aan mijne lezers tracht bloot te leggen, vullen de ruimte van de schilderij, terwijl de stroom der wereldgeschiedenis zich op den donkeren achtergrond beweegt.

Ik heb den Latijnschen titel gekozen, gedachtig aan een dikwijls gebruikte spreuk, waarin eene opvatting ligt opgesloten, waartoe ik gekomen ben door het denken en zijn aller menschen opmerkzaam gade te slaan, ook van hen die meenen reeds hoogere sporten beklommen te hebben van den ladder die ten hemel leidt.

In den Heautontimorumenos van Terentius (Act. I, sc. I vs. 77) antwoordt Chremes zijn buurman Menedemus: »Homo sum, humani nil a me alienum puto”; hetgeen woordelijk vertaald zeggen wil: »Ik ben mensch, ik acht niets menschelijks mij vreemd.”

Doch reeds Cicero en Seneca gebruiken dezen dichtregel als spreekwoord, en wel in een zin, die veel verder reikt dan die daarin, volgens den samenhang van de plaats waar zij voorkomt, schijnt te liggen. Mij bij hen aansluitende, vertaal ik, doelende op den titel van dit boek:

»Ik ben een mensch, en meen dat ik overal mensch ben.”

GEORGE EBERS.


1 G. Ebers, Durch Gosen zum Sinaï. Aus dem Wanderbuche und der Bibliothek. Leipzig, 1872. Van het eigenlijk reisverhaal is eene vertaling in het licht gegeven door A. M. Cramer.