WeRead Powered by ReaderPub
Homo sum: Roman cover

Homo sum: Roman

Chapter 10: NEGENDE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A desert-set narrative follows a contemplative community built around a solitary ascetic who accepts exile intended for another and remains silent until the true culprit confesses. The story functions as a psychological and moral study of self-denial, apathy, conscience, and the motives that drive resignation and sacrifice. Vivid depictions of caves, oases, and ritual solitude frame small-group interactions, and doctrinal disputes are left in the background as the author probes inner life and ethical tensions rather than offering a historical account.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Mirjam had goed gehoord. Terwijl zij bij het avondeten werd opgehouden, had Hermas de deur van den hof geopend. Hij was gekomen om den senator, uit erkentelijkheid voor de geneesmiddelen, waaraan zijn vader zooveel beterschap had te danken, een flinken jongen steenbok te brengen, dien hij weinige uren geleden geschoten had. Hij had hiermede wel tot den volgenden morgen kunnen wachten, maar hij vond geen rust boven op den berg en hij kon noch wilde het zichzelven verhelen, dat veel minder het verlangen om zijn gevoel van dankbaarheid uit te spreken hem naar de oase dreef, dan wel de hoop om Sirona te zien en een woord van hare lippen te hooren.

Sedert zijne eerste ontmoeting had hij haar meermalen gesproken, en hij was zelfs in haar huis geweest, als zij hem wijn voor zijn vader gaf en hij de ledige flesschen terugbracht. Eens, terwijl zij de flesch die hij vasthield uit de groote kan vulde, hadden hare blanke vingers de zijne aangeraakt, en haar vraag of hij dan bang voor haar was, of waarom anders zijne hand, die toch zoo sterk scheen te zijn, zoo angstig beefde, kon hij maar niet vergeten.

Hoe meer hij het huis van Petrus naderde, des te heviger klopte zijn hart. Hij bleef voor de deur van den hof staan om adem te halen en weder op zijn verhaal te komen, want hij gevoelde dat het hem, in zulk een opgewonden toestand, moeielijk zou vallen in behoorlijke orde zijne gedachten uit te spreken. Eindelijk greep zijne hand den knop van de deur en trad hij den hof binnen.

De honden kenden hem al en sloegen maar even aan, toen hij den drempel overschreed. Hij had iets te brengen en wilde niets wegnemen, en toch scheen het hem toe alsof hij een dief was, toen hij eerst opzag naar het groote huis, dat door het maanlicht helder werd beschenen, en dan naar het huis van den Galliër, dat daar, in duisternis gehuld, in onbestemde omtrekken stond, en eene breede donkere schaduw wierp op het glad geloopen en glinsterend graniet van het plaveisel. Er was geen mensch te bespeuren, en de reuk van het feestgebraad zeide hem, dat Petrus en de zijnen aan den maaltijd zaten.

»Ik zal hun, die daar zitten te smullen, ongelegen komen,” sprak hij in zichzelven, terwijl hij den bok neerlegde op den steenen bank bij de deur en daarbij naar het hem maar al te goed bekende venster van Sirona keek. Het was niet verlicht, maar hij zag toch iets wits in het steenen kozijn, en dit trok zijne blikken met onweerstaanbare toovermacht aan. Nu bewoog het zich; daar verhief Sirona’s hazewindhondje vlak bij hem zijn schelle stem.

Zij was het, zij moest het zijn! Haar beeld trad hem in al zijn glans voor de oogen, en opeens kwam het hem in de gedachte, dat zij alleen was, want hij was Phoebicius en de oude slavin te midden van de Mithras’ aanbidders op den weg in de oase tegengekomen.

Hoe was die vrome jonkman, die de geeselriemen op zijn vleesch deed nederdalen, om verleidelijke droomgestalten te verbannen, in weinige dagen veranderd! Om zijn vaders wil had hij den berg nog niet verlaten, hij was echter besloten de wereld niet langer te ontvluchten, maar haar veeleer op te zoeken. De verpleging zijns vaders had hij aan den vromen Paulus overgelaten, en hij had beneden de rots omgezworven. Nu eens oefende hij zich daar in het werpen met de schijf, dan weder maakte hij jacht op steenbokken en roofdieren. Soms daalde hij, doch altijd wel een weinig schroomvallig, in de oase af, om daar rondom het huis van den senator te loopen, ten einde Sirona te zien.

Thans werd hij met eene onweerstaanbare kracht tot haar getrokken, daar hij wist dat zij alleen was. Wat hij van haar wilde, wist hij zichzelven eigenlijk niet te zeggen, en volmaakt duidelijk was hem niets, dan dat hij wenschte haar vinger nog eens met den zijnen aan te raken. Of dat zonde moest heeten of niet, dit was hem vrij onverschillig. Zonde had men ook zijn onschuldig spel genoemd, zonde elke gedachte aan de wereld, waarnaar hij verlangde, en hij was geheel besloten de zonde voor zijn rekening te nemen, ten einde zijn doel te bereiken. Het was ten slotte toch niet anders dan een schrikbeeld, waarmede men kinderen bang maakt, en de waardige Petrus had hem verzekerd, dat hij een man was, van wien men daden moest verwachten. In het gevoel dat hij een ongehoord waagstuk ging beginnen, naderde hij het venster van de Gallische, en deze herkende hem terstond, want hij werd beschenen door het licht van de volle maan.

»Hermas!” hoorde hij zacht roepen.

Hem overviel zulk een hevige schrik, dat hij als aan den grond genageld bleef staan, en meende dat zijn hart ophield te kloppen.

Andermaal riep eene zachte vrouwestem: »Hermas zijt gij het? Wat brengt u zoo laat in den avond tot ons?”

Hij stamelde onsamenhangende woorden; doch zij zeide: »Ik kan u niet verstaan; kom wat nader bij.”

Onbewust bewoog hij zijn voet en trad in de schaduw van het huis tot aan haar venster.

Zij droeg een wit gewaad met open mouwen, en hare armen kwamen niet minder helder dan haar kleed tegen de duisternis uit.

Het hazewindje begon weder te keffen. Zij bracht het tot bedaren en vroeg vervolgens aan Hermas hoe het zijn vader ging, en of hij ook wijn noodig had.

Hij antwoordde dat zij goed was, engelachtig goed; dat de kranke weder geheel bijkwam, en dat zij hem veel te veel van hare goede gaven had geschonken. Wat beiden verder spraken mocht ieder hooren; toch fluisterden zij, alsof het over verbodene dingen handelde.

»Wacht even,” verzocht Sirona, en verdween in de kamer. Een oogenblik later verscheen zij weder en zeide op zachten treurigen toon: »Ik wilde u uitnoodigen binnen te komen, maar Phoebicius heeft de deur gesloten. Ik ben geheel alleen. Houdt de flesch omhoog, opdat ik haar door het venster uit de kruik vulle.”

Bij deze woorden bukte zij naar de groote wijnkan. Zij was sterk, maar de kruik scheen haar heden veel moeielijker op te tillen dan op andere dagen, en zuchtend zeide zij: »De amphora is mij te zwaar.”

Hij hief de hand naar het venster op; wederom raakten hare vingers de zijne aan, en weder had hij hetzelfde zalig gevoel, waaraan hij dag en nacht had gedacht, sedert hij het voor de eerste maal had ondervonden.

Op dit oogenblik kwam er beweging in het tegenoverliggende huis. De slaven stonden van den maaltijd op. Sirona wist wat er plaats had. Zij schrikte en riep, terwijl zij angstig naar de deur van den senator wees: »Bij alle goden, zij komen, en wanneer zij u hier opmerken, ben ik verloren.”

Hermas overzag, terwijl hij scherp luisterde naar hetgeen er in het andere huis gebeurde, met een snellen blik den hof. Zoodra hij begreep, dat het onmogelijk zou zijn de meer en meer naderende slaven van Petrus te ontloopen, riep hij Sirona gebiedend toe: »Ga achteruit!” en sprong door het venster in het vertrek van den Galliër.

Op hetzelfde oogenblik ging de deur van den senator open en liepen de slaven den hof in, Mirjam de eerste van allen. Vol verwachting overzag zij de groote ruimte, om met hare oogen hem te zoeken. Zij zag zich teleurgesteld; hij was er niet. Toch had zij hem hooren binnenkomen, en de deur had zich niet andermaal geopend; dat wist zij stellig en zeker.

Eenige slaven begaven zich naar den stal, anderen gingen de poort door de straat op, om van de avondkoelte te genieten. Jethro’s oog viel op den steenbok. Hij liet het beest door een der slaven optillen en in de schuur brengen. Hij onderzocht niet hoe het hier kwam, want een Amalekietisch jager, wien Petrus een stuk grond in gebruik had gegeven, was gewoon telkens het beste deel van zijn buit, zonder een woord er bij te voegen, voor de deur van zijn weldoener neer te leggen.

De slaven zetten zich buiten in groepen op den grond, keken naar de sterren, babbelden en zongen. De herderin bleef alleen in den hof achter, en doorsnuffelde dien in alle hoeken, als zocht zij een verloren kleinood. Zij keek zelfs achter de molensteenen en de donkere schuur, waarin de werktuigen der steenhouwers bewaard werden. Eindelijk bleef zij staan en balde de kleine vuisten. In weinige vlugge sprongen stond zij in den schaduw van het huis, waarin de Galliërs woonden. Tegenover Sirona’s venster bleef zij staan. De man die daar binnen op en neer liep was hij en geen ander.

Thans wist zij waar hij toefde. Zij beproefde te lachen, omdat de smart die zij ondervond haar te brandend heet scheen om die door tranen te kunnen blusschen. Met dit al verloor zij toch hare tegenwoordigheid van geest niet geheel en al. »Zij zijn in het donker,” dacht zij, »en zullen mij zien wanneer ik onder het venster ga staan om te luisteren. Toch moet ik weten wat zij samen doen.”

Fluks keerde zij de woning van den Galliër den rug toe, trad in den helderen maneschijn, bleef daar een oogenblik staan, en ging vervolgens het slavenverblijf binnen. Weinige oogenblikken later sloop zij achter de molensteenen, en kroop van daar zonder geritsel als een slang over den grond, langs de in den donkeren schaduw liggende fundamenten van het huis van den centurio, om onder het venster van Sirona te blijven liggen. Haar hart klopte zoo luide, dat het hare scherpe ooren moeielijk viel te luisteren. Maar al kon zij niet verstaan wat hij zeide, zij onderscheidde toch de klank van zijne stem. Hij bevond zich niet meer in Sirona’s vertrek, maar met haar in de kamer aan de straat. Zij kon liet dus wagen op te staan, om door het geopende venster naar binnen te zien.

De deur, die de beide vertrekken van den Galliër verbond, was gesloten, en eene lichtstreep zeide haar, dat er in Phoebicius’ woonkamer, waar zij samen waren, eene lamp brandde. Reeds strekte zij de hand uit, om in het donkere slaapvertrek te klimmen, toen een luide schaterlach van Sirona haar oor trof.

Het beeld harer vijandin trad haar voor de verbeelding, schitterend en in een stralenkrans van licht, als op dien morgen, toen Hermas tegenover haar had gestaan, door betoovering als aan den grond genageld. En thans, thans lag hij zeker aan hare voeten, zeide hij haar zoete, vleiende woorden, sprak hij haar van liefde, strekte hij zijn arm naar haar uit. En zij had gelachen!

Daar lachte zij weder!

Waarom werd het nu stil?—Bood zij hem misschien hare lippen aan tot een kus?—Zeker, zeker!—En Hermas rukte zich niet los uit hare blanke armen, zooals hij op dien middag aan de bron zich met afschuw uit de hare had losgewrongen, om niet weder te keeren!

Het koude zweet stond haar op het voorhoofd. Als eene waanzinnige greep zij in hare dikke zwarte haren, en haar bleeke mond kon een luide kreet niet terughouden, die geleek op het geschreeuw van een angstig dier. Eenige oogenblikken later sloop zij door de stallen en de poort, waardoor men het vee uitdreef, naar buiten, en vloog, zichzelve niet meer meester, den berg op naar de Mithrasgrot, naar Phoebicius, Sirona’s echtgenoot. De Anachoreet Gelasius zag van verre in de maneschijn de gedaante van de herderin, die daar den berg opklauterde, en hoe haar schaduw haar volgde van steen tot steen. Hij wierp zich ter aarde en sloeg een kruis over zijn voorhoofd, want hij meende eene spookgestalte gezien te hebben uit de heidensche godenwereld, eene Oreade1, door een satyr vervolgd.

Sirona had de kreet van de herderin gehoord.

»Wat was dat?” vroeg zij verschrikt den jonkman, die in den vollen feestdos van een Romeinsch officier, zoo schoon als een jonge krijgsgod, maar links en tamelijk onkrijgshaftig in zijne bewegingen voor haar stond.

»Er heeft een uil gekrast,” antwoordde Hermas. »Vader moet mij eindelijk zeggen uit welk geslacht wij afkomstig zijn, en dan ga ik naar Byzantium, het nieuwe Rome, om den keizer te zeggen: »Hier ben ik. Ik wil onder uwe soldaten voor u strijden.”

»Zóo bevalt ge mij,” riep Sirona.

»Als dat waar is,” hernam Hermas, »zoo bewijs het mij, en laat mij slechts eenmaal mijne lippen op uw gouden haren drukken. Gij zijt zoo schoon en vriendelijk als eene bloem; zoo vroolijk en schitterend als een vogel, en toch zoo hard als het gesteente van onzen berg. Als ge mij niet éen kus toestaat, word ik ziek en kwijn ik weg van smachtend verlangen, eer ik van hier weg kan komen, om in den krijg mijne kracht te toonen.”

»En willigde ik uw verlangen in,” zeide de Gallische lachend, »zoo zoudt gij steeds meer kussen willen hebben, en ten laatste in het geheel niet meer weg kunnen komen. Neen, neen, mijn vriend, ik ben de wijste van ons beiden. Ga nu in de donkere kamer. Ik wil eens onderzoeken of de lieden weder naar binnen zijn gegaan, en of gij door het venster aan de straat ongehinderd weg kunt komen; want gij zijt reeds veel te lang bij mij geweest. Hoort gij, dit verlang ik bepaald!”

Hermas gehoorzaamde met een zucht. Sirona opende intusschen de vensterluiken en zag naar buiten. De slaven gingen juist in den hof terug. Zij riep hen eenige vriendelijke woorden toe, die niet minder vriendelijk beantwoord werden, want de Gallische, die ook met welgevallen op den geringste neerzag, was bij allen even geliefd. Met volle teugen dronk zij de koele nachtlucht in, en zag vergenoegd naar de maan op, want zij was zeer tevreden over zichzelve.

Toen Hermas in haar kamer was gesprongen, was zij verschrikt achteruitgegaan. Doch hij had haar hand gegrepen en zijne brandende lippen op haar arm gedrukt. Zij had hem laten begaan, want een zonderlinge verwarring had zich van haar meester gemaakt. Daar hoorde zij hoe vrouw Dorothea riep: »Zoo aanstonds, zoo aanstonds! Ik wil de kinderen eerst goeden nacht zeggen.”—Deze eenvoudige woorden uit dien mond werkten als met een toovermacht op de schoone vrouw, die zoo mishandeld en gewantrouwd werd, die toch zoo geheel geschapen was voor geluk, liefde en vreugde, en wier hart zoo warm klopte.

Toen haar echtgenoot haar opgesloten en zelfs hare slavin met zich medegenomen had, was zij eerst begonnen te razen en te weenen. Zij dacht aan wraak, aan vluchten, maar was geëindigd met, innerlijk beleedigd en stil, voor het venster plaats te nemen, om te denken aan haar schoon vaderland, hare broeders en zusters, en de donkere olijvenbosschen van Arelate.

Daar verscheen Hermas. Het was haar niet ontgaan, dat de jonge Anachoreet haar hartstochtelijk bewonderde, en dat verheugde haar, want hij beviel haar. Het streelde haar en scheen haar van dubbele waarde, dat hij in verwarring was geraakt toen hij haar aanzag; want zij wist dat de kluizenaar in het schaapsvel, wien zij den wijn schonk, toch eigenlijk een aanzienlijk jongeling was. En hoe verdiende de arme jongen medelijden, daar een harde vader hem zijne jeugd ontstal!

Eene vrouw toont den man, met wiens lot zij begaan is, gemakkelijk eene teedere toegenegenheid, misschien omdat zij het aan hem te danken heeft, dat zij zich de sterkere mag gevoelen, en omdat door hem en zijn leed de edelste begeerte van haar vrouwelijk gemoed, namelijk om hulp te bewijzen door zorgvuldige verpleging, bevrediging mag verwachten. In de harten van mannen pleegt de liefde te verflauwen, als het medelijden begint. Op de ontkiemende plant eener vrouwelijke neiging werkt de bewondering als de zonneschijn, en het medelijden is de glans, die van het vrouwelijk gemoed zelve uitstraalt.

Maar noch het een noch het ander had dien avond Sirona aanleiding gegeven, om Hermas aan haar venster te roepen. Zij gevoelde zich zoo beangst en verlaten, dat ieder haar welkom moest zijn, uit wiens mond zij een vriendelijk woord mocht verwachten, een woord dat haar beleedigd gevoel van eigenwaarde weder kon opwekken. Daar verscheen nu de Anachoreet, die in hare nabijheid zichzelven, en al het overige vergat; wiens blikken, wiens bewegingen, wiens zwijgen haar zelfs scheen te huldigen. En dan zijn dwaze sprong in haar venster, en zijn hartstochtelijk bedelen om een gunst! Dat is liefde, zeide zij tot zichzelve. Hare wangen gloeiden, en toen Hermas hare hand greep en zijne lippen op haar arm drukte, weerde zij hem niet af, totdat de stem van Dorothea haar herinnerde aan die waardige vrouw en hare kinderen, en door deze aan hare eigene ver verwijderde broertjes en zusjes.

Als een reinigende stroom vervulde de gedachte aan deze reinen haar ontroerd gemoed, en opeens stelde zij zich de vraag: Wat zou ik toch zijn zonder die daar aan de overzijde, en is deze groote verliefde knaap, die nog pas als een schoolknaap tegenover Polycarpus stond, dan waard, dat ik om zijnentwil het recht opgeef hun vrij in de oogen te zien? Zij weerde daarom Hermas, die het voor de eerste maal waagde met zijne lippen hare welriekende goudgele haren te naderen, met gestrengheid af, en gebood hem bescheiden te zijn en hare hand los te laten.

Zij sprak zacht, maar op zulk een beslissenden toon, dat de jongeling, aan gehoorzaamheid gewend, zich zonder weerstand te bieden door haar in het woonvertrek liet duwen. Daar stond een brandende lamp op de tafel, en op de rustbank, geplaatst tegen een der zijwanden, die met bonte kleuren beschilderd waren, lagen de kleederen, de helm, de staf van den centurio en de overige deelen van zijne wapenrusting, die Phoebicius had afgelegd, vóor hij naar het Mithrasfeest was gegaan, om zich te tooien met het gewaad van een ingewijde in den leeuwengraad.

Het lamplicht deed nu ook Sirona’s edele gestalte uit het duister te voorschijn komen. Toen zij daar zoo in al hare schoonheid, met blozende wangen, voor hem stond, begon het hart van den jonkman sneller te kloppen. Opnieuw ontwaakte zijne stoutheid en breidde hij zijne armen uit om haar te omvatten. Doch de Gallische ging voor hem uit den weg, trad achter de tafel, legde hare handen op het gepolijste blad, en verweet hem, door dit meubel als door een schild beschut, op schier moederlijken toon, zijne meer dan vrije, aanmatigende, ja onpassende handelwijze. Iemand die het vrouwelijk hart kent, zou over deze woorden, uit dezen mond en in dit uur, geglimlacht hebben, doch Hermas sloeg schaamrood de oogen neder, en was niet in staat een enkel woord tegen te spreken.

Bij de Gallische had eene groote verandering plaats gegrepen. Zij gevoelde zich trotsch op hare deugd, op de overwinning die zij over zichzelve had behaald, en wenschte, terwijl zij zich vermeide in den glans harer eigene voortreffelijkheid, dat ook Hermas deze mocht opmerken en erkennen. Zij begon hem onder het oog te brengen, hoeveel zij in de oase te ontbeeren en te lijden had, en sprak over de eerbaarheid en de plichten van de vrouw, en de slechtheid en vermetelheid der mannen. Hermas, zeide zij, was niet beter dan de rest, en omdat zij goed voor hem was geweest, daarom meende hij reeds een recht op haar hart te hebben. Daarin bedroog hij zich echter zeer, en als de hof maar vrij was, zou ze hem reeds lang de deur hebben gewezen.

De jonge kluizenaar luisterde maar half naar hare woorden, want zijne aandacht werd geboeid door de voor hem liggende wapenrusting van Phoebicius, die aan zijne hartstochtelijke aandoeningen eene nieuwe richting gaf. Onwillekeurig strekte hij zijne hand uit naar den blinkenden helm, en viel de schoone spreekster in de rede met de vraag: »Mag ik hem opzetten?”

Toen lachte Sirona. Zij riep vroolijk en in eene geheel andere stemming: »Neem hem maar! Gij zoudt wel een soldaat willen zijn?—Wat staat hij u goed!—Doe nu die leelijke schaapsvacht eens af en laat zien hoe een Anachoreet er als centurio uitziet.”

Hermas liet zich dit geen tweemaal zeggen. Hij kleedde zich met de wapenrusting van den Galliër, en Sirona hielp hem daarbij.

Het moet toch wel treurig met ons menschen gesteld zijn! Hoe komt het anders, dat wij reeds van onze jeugd zulk een groote lust plegen te hebben in verkleedingen, dat is in het prijsgeven van onzen eigen persoon ten gunste van een ander, wiens gestalte wij borgen? Dit moeielijk te verklaren genot deelt het kind met den wijze, en de ernstige man, die het zou willen veroordeelen, zou daarom juist geen wijze zijn. Want wie zich geheel en al van elke dwaasheid wil onthouden, is des te zekerder een dwaas, naarmate hij het minder meent te zijn. Met name voor de vrouwen heeft het verkleeden van anderen iets buitengemeen bekoorlijks. Men mag dikwijls vragen wie meer geniet, de kamerjuffer die hare meesteres tooit, of de met zooveel kostbaarheden opgesierde gebiedster.

Sirona hield van elke vermomming. Indien men naar een grond had moeten zoeken, waarom de kinderen en kleinkinderen van den senator haar zoo liefhadden, dat had men zeker niet in de laatste plaats mogen noemen dat zij zich door dezen gewillig en in opgeruimde stemming met bontkleurige doeken, linten en bloemen liet opsieren, en dat zij van hare zijde ook de kunst verstond, om de allergrappigste verkleedingen uit te denken.

Zoodra zij Hermas met den helm voor zich zag staan, bekroop haar de lust om de vermomming, die hijzelf begonnen was, te voltooien. Geheel onbezorgd was zij ijverig in de weer om de wapenrok recht te trekken. Zij hielp hem het pantser dichtgespen en het zwaard vastmaken. Onder dezen arbeid, waarbij de Anachoreet zich tamelijk onbeholpen aanstelde, klonk telkens haar buitengemeen gulle en vroolijke lach. Zoodra hij, hetgeen trouwens nog al eens gebeurde, hare hand zocht te grijpen, tikte zij hem gevoelig op de vingers en zette hem met een krachtig woord op zijn plaats.

Hermas’ verlegenheid verdween al meer en meer bij dit genoeglijk spel, en weldra begon hij haar mede te deelen, hoe hij dat eenzame leven op den berg verafschuwde. Hij vertelde haar, dat Petrus zelf hem geraden had zijne kracht in de wereld te beproeven, en deelde haar in vertrouwen mede, dat hij, als zijn vader genezen zou zijn, soldaat wilde worden en roemrijke daden verrichten. Zij betuigde hare ingenomenheid met dit besluit, prees hem en wekte hem er nog meer toe op. Dan weder berispte zij zijne linksche houding, toonde hem met komischen ernst hoe een krijgsman moet staan en gaan, noemde zich zijn drilmeester, en verlustigde zich in den ijver, waarmede hij zich bereid toonde haar in alles na te volgen.

Met dit spel vloog de tijd om. Hermas gevoelde zich trotsch in zijn soldaten-uniform, en gelukkig door hare tegenwoordigheid en in het uitzicht op zijne toekomstige daden. Sirona was echter zoo opgeruimd als anders bij het spelen met de kinderen, en zelfs de rauwe kreet van Mirjam, dien de jonkman voor het gekras van een nachtuil had gehouden, kon haar slechts voor een oogenblik herinneren aan het dreigend gevaar, waaraan zij zich blootstelde.

De slaven van Petrus waren reeds lang ter ruste gegaan, toen het spel met Hermas haar begon te vermoeien, en zij hem beval de wapenrusting van haar man af te leggen en haar te verlaten.

Hermas gehoorzaamde, terwijl zij het vensterluik, dat op de straat uitkwam, voorzichtig opende, en zich tot hem omkeerende zeide: »Gij moogt niet door den hof, door dit venster moet gij naar buiten. Doch daar komt iemand de straat op. Laat hem eerst voorbijgaan. Het zal wel niet lang duren, want hij schijnt haast te hebben.”

Zeer voorzichtig trok zij het luik naar zich toe en lachte weder, toen zij zag hoe onbeholpen Hermas te werk ging bij het losgespen der scheenplaten. Maar op hare vroolijke lippen bestierf weldra het lachen, toen de tuindeur openvloog, en zij de stem van haar echtgenoot herkende, die de honden het stilzwijgen oplegde.

»Voort, voort, om aller goden wil!” riep zij met bevende stem, doofde de lamp uit, met eene snelle tegenwoordigheid van geest, die de natuur aan zwakke vrouwen als wapen heeft verleend, wanneer zich plotseling een gevaar opdoet, drong Hermas naar het venster en stiet de luiken open. De jonkman sprong, zonder haar vaarwel te zeggen, met een vaart op den weg, en vloog, achtervolgd door het geblaf der honden, die hij in alle huizen deed ontwaken, de straat op in de richting van het kerkje.

Hij was nog niet halverwege gekomen, toen eene mannelijke gedaante hem tegemoet kwam. Angstig sprong hij in de schaduw van een huis, maar de nachtwandelaar verhaastte nu zijne schreden en kwam recht op hem af. Toen begon hij opnieuw te loopen. De andere vervolgde hem echter en bleef hem op de hielen, tot hij buiten het bereik der huizen was gekomen, en het bergpad betreden had. Hermas gevoelde, dat hij vlugger was dan zijn vervolger, en maakte reeds aanstalte om over een rotsblok te springen, dat hem in den weg lag, toen hij hoorde dat hij bij zijn naam werd geroepen. Hij bleef staan, want hij had in de stem van den man voor wien hij vluchtte, die van den goeden Paulus herkend.

»Gij zijt het dus,” zeide de Alexandrijn, en snakte kuchend naar adem. »Ja, gij zijt vlugger dan ik. De jaren hangen lood aan de voeten. Doch weet gij wat u zulke snelle vleugels verleent? Gij hebt het zooeven ondervonden. Ik bedoel een slecht geweten. Van het uwe is bijzonder veel fraais te vertellen! De honden blaften het luid genoeg uit in den nacht!”

»Laat ze blaffen,” antwoordde Hermas trotsch, en zocht zich te vergeefs los te wringen uit de sterke hand van den Anachoreet, die hem vasthield. »Ik heb niets kwaads gedaan!”

»Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw,” hernam Paulus met hoogen ernst op zijn zwaren toon. »Gij zijt bij de schoone vrouw van den centurio geweest, en uwe samenkomst is gestoord. Waar is uw schaapsvel?”

Hermas verschrikte, greep naar zijn schouder en riep, terwijl hij zich met de hand voor het voorhoofd sloeg: »Barmhartige hemel, ik liet het bij haar liggen. Nu zal die wreedaard het vinden?”

»Heeft hij u zelven dan niet gezien?” vroeg Paulus met ijverige belangstelling.

»Neen, stellig niet,” zeide Hermas zuchtend, »maar dat vel...”

»Zoo, zoo,” prevelde Paulus. »Uwe zonde wordt daardoor niet kleiner. Maar er dient toch iets gedaan te worden. Denk eens, als dit uw vader ter oore kwam, het zou hem het leven kunnen kosten.”

»En de arme Sirona!” zuchtte Hermas.

»Laat dat maar aan mij over,” vervolgde Paulus. »Met haar zal ik den arm wel in ’t lid brengen. Daar, neem mijn schaapsvel.—Gij wilt niet? Waarlijk, wie zich niet ontziet den echt te breken, die maakt er ook geen gewetenszaak van den moordenaar zijns vaders te worden.—Zóo is het goed! Hier aan den schouder wordt het saamgebonden. En gij zult het noodig hebben, want gij moet van hier weg. Niet voor slechts heden en morgen. Gij verlangdet zoo om de wereld in te gaan; nu zult gij er een proef van kunnen geven, of gij waarlijk in staat zijt op eigen beenen te staan. Gij gaat eerst naar Raïthoe en brengt daar mijn groet aan den vromen Nikon. Deel hem mede, dat ik op den berg moet blijven; want in mijn langdurig gebed in de kerk ben ik te weten gekomen, dat ik niet waardig ben het ambt van presbyter, dat zij mij hebben opgedragen, te aanvaarden. Vervolgens laat gij u door een schipper over de Roode zee zetten, en zwerft rond langs den Egyptischen oever. Daar aan de overzijde hebben zich troepen Blemmyers vertoond, die gij in het oog moet houden. Zoodra die wilde gezellen beproeven over te steken, om ons opnieuw te overvallen, moet gij de wacht op den bergtop waarschuwen. Hoe gij de zee weder over en hen vóor komt, dat is uw zaak. Acht gij u zelven dapper en omzichtig genoeg om deze taak te volbrengen?—Ja?—Dat had ik verwacht! Nu, zoo moge de Heer met u zijn. Voor uw vader zal ik zorgen; zijn zegen en die uwer moeder zullen u geleiden, wanneer gij oprecht berouw toont en thans uw plicht doet.”

»Gij zult ondervinden dat ik een man ben,” riep Hermas, en zijne oogen vonkelden. »Mijn boog en mijne pijlen liggen in uw hol; ik ga ze halen, en dan.... Nu, gij zult het wel zien, of gij den rechten bode hebt uitgezonden. Groet mijn vader en geef hem nog eenmaal de hand.”

Paulus vatte den jongeling bij de rechterhand, trok hem naar zich toe en kuste zijn voorhoofd met vaderlijke teederheid. Daarop zeide hij: »In mijn hol, onder den groenen steen naast den haard, vindt gij zes goudstukken. Neem daarvan drie op de reis mede. Misschien zult gij ze noodig hebben, al ware het alleen voor de schippers. Nu, maak dat gij in tijds te Raïthoe zijt!”

Hermas vloog den berg op, geheel vervuld van de moeielijke taak, die hem was opgedragen. Het heerlijk vooruitzicht van de belangrijke daden die door hem verricht zouden worden, verduisterde de herinnering aan de schoone Gallische. Ook was hij zoo gewoon op het verstandig inzicht en de goedheid van Paulus te vertrouwen, dat hij niet meer voor Sirona vreesde, sedert zijn vriend hare zaak tot de zijne had gemaakt.

De Alexandrijn zag hem na en deed een kort gebed. Toen ging hij naar het dal. Het middernachtelijk uur was lang voorbij. Bij het dalen der maan werd het al koeler en koeler, en sedert hij Hermas zijn vacht had gegeven, droeg hij niets dan zijn doorzichtig onderkleed. Toch liep hij langzaam en bleef dikwijls staan de armen bewegende en daarbij onsamenhangende woorden in zichzelven sprekende. Hij dacht aan Hermas en Sirona, aan zijne eigene jeugd, en hoe hij te Alexandrië bij de donkere Aso en de blonde Simaïtha aan de luiken had geklopt.

»Dat kind, die jongen,” prevelde hij: »wie had dat wel gedacht? Die Gallische moet wel zeer mooi zijn, en hij—waarachtig, toen hij met de schijf wierp, was ik zelf verbaasd over zijn heerlijken lichaamsbouw. En zijne oogen! Ja, zijne oogen zijn die van Magdalena. Had de Galliër hem bij zijne vrouw gevonden en hem zijn zwaard door het hart gejaagd, dan zou hij straffeloos zijn geweest voor aardsche rechters. Doch zijn vader bleef dit leed bespaard. In de afzondering, zoo meende de oude man, kon de wereld en hare verleiding zijn lieveling niet bereiken. Maar thans? Deze braambezie, dacht ik eens, verdroogt op den bodem en schiet nooit op tot de kroon van den palm, waar de dadel rijpt. Daar kwam een vogel aangevlogen, plukte de bezie, en droeg haar in zijn nest boven op den top van den boom.

»Wie kan de wegen van een ander richten en heden zeggen: Zoo en niet anders zal ik hem morgen zien?—Wij dwazen trekken ons in de eenzaamheid terug om de wereld te vergeten, en de wereld volgt ons achterna en blijft aan onze hielen hangen. Waar is de schaar, die de schaduw van onze voeten afsnijdt? Hoe heet het gebed, dat in staat zal zijn ons, zinnelijke menschen, van het vleesch geheel te verlossen? Mijn Heiland, gij Eenige, die dit hebt kunnen doen, leer het ook mij, den armste van alle armen!”


1 Bergnymf.