TIENDE HOOFDSTUK.
Weinige oogenblikken nadat Hermas uit het venster van den centurio op straat was gesprongen, trad Phoebicius zijn slaapvertrek binnen.
Sirona had nog even tijd gevonden, om zich te bed te begeven. Zij was zeer angstig en lag zich neder met haar gezicht naar den wand. Zou hij wel weten dat iemand bij haar geweest was? En wie kon haar verraden en hem gewaarschuwd hebben? Kwam hij misschien maar bij toeval vroeger dan anders van het feest terug?
Het was donker in haar vertrek en hij kon haar niet onderkennen. Toch sloot zij de oogen alsof zij sliep, want zelfs het kleinste onderdeel van een oogenblik, waarin zij hem niet in zijne woede behoefde te zien, scheen haar een geschenk toe. Daarbij klopte haar hart zoo onstuimig, dat zij niet anders denken kon of hij moest het hooren, toen hij met den hem eigenen zachten tred hare legerstede naderde. Zij hoorde hoe hij nu hier- dan daarheen liep, en eindelijk in de aan het slaapvertrek grenzende keuken ging. Spoedig daarop nam zij met hare half geslotene oogen een schijnsel van licht waar.
Hij had aan den haard een lampje opgestoken, en zocht nu in beide vertrekken rond. Hij had haar nog niet geroepen, noch een enkel woord gezegd. Thans was hij in het woonvertrek en opeens—onwillekeurig trok zij hare leden samen en haalde het dek over haar hoofd—opeens barstte hij in lachen uit, zoo luid en honend, dat zij gevoelde hoe hare handen en voeten al kouder werden, terwijl het haar was alsof een purperrood doorschijnend gordijn voor hare oogen op en neder werd getrokken.
Wederom werd het helder in het slaapvertrek, en het licht kwam al nader en nader. Zij gevoelde op haar hoofd de aanraking van zijne hand, en met een kreet trok zij het dek weg en richtte zich op.
Hij sprak nog altijd geen woord, maar wat zij zag was wel geschikt, om de laatste vonk van moed en hoop in haar uit te dooven. Want alleen het wit zijner oogen was merkbaar; zijn geelachtig gelaat was doodsbleek en op zijn voorhoofd kwam het ingedrukte Mithras’ teeken duidelijker uit dan anders. In zijne rechterhand hield hij de lamp en in de linker het schaapsvel van Hermas.
Toen zijn starre blik haar trof, hield hij haar het wollig Anachoreten-kleed zoo dicht voor het gelaat, dat zij het voelde. Vervolgens wierp hij het met kracht op den grond, en vroeg op doffen heeschen toon: »Wat is dat?”
Zij zweeg; doch hij liep op het beddetafeltje toe, waarop haar nachtdrank stond in een schoon gekleurd glas, dat Polycarpus haar als een aandenken van zijne reis naar Alexandrië had medegebracht, en streek het met de achterzijde van zijne hand daar af, zoodat het rinkelend in scherven op den grond viel. Zij gaf een gil; het hondje sprong op haar bed en begon tegen den Galliër te blaffen.
Daar greep hij het diertje hij den halsband en slingerde het met zooveel geweld in de kamer, dat het jammerlijk begon te huilen.
Reeds als meisje had Sirona het hondje bezeten. Het was haar naar Rome en in de oase gevolgd. Het was met teederheid aan haar gehecht en zij aan dit diertje; want Jambe liet zich door niemand zoo gaarne liefkozen en streelen als door haar. Zij was zoo vaak alleen, maar het hazenwindje was steeds bij haar. Het hield haar bezig, niet alleen door kunstjes, die men gewoon is aan honden te leeren, neen, het was voor haar een lieve, stomme maar volstrekt niet doove metgezel uit haar vaderland, die de ooren spitste, wanneer zij de namen noemde van hare lieve kleine broertjes en zusjes in het verre Arelate, van welke zij sedert een jaar niets had vernomen; die haar ook droevig aanzag en hare blanke handen lekte, wanneer het heimwee de tranen in hare oogen deed wellen. In haar eenzaam, ledig, kinderloos leven was Jambe veel, zeer veel, en toen zij zag hoe deze trouwe metgezel en vriend werd mishandeld en huilend naar hare legerstede kroop; hoe het diertje vergeefs alle krachten inspande, om in haar schoot bescherming te zoeken; hoe het bevend zijn gekwetste, misschien gebroken pootje al kermend naar haar uitstak; toen week alle vrees uit het hart der beangstigde jonge vrouw. Zij sprong van haar bed op, nam het hondje in hare armen, en zeide met een blik, waarin Phoebicius alles behalve vrees of berouw kon lezen: »Raak het diertje niet weder aan; dit raad ik u!”
»Ik zal het morgen verzuipen,” antwoordde Phoebicius zeer gelaten, maar met een boosaardig lachje om den ingevallen mond. »Er komen zooveel tweebeenige vrijers in mijn huis, dat ik niet inzie waarom ik uwe liefde nog met een vierbeenigen deelen zal. Hoe komt dit schaapsvel hier?”
Sirona verwaardigde zich niet hem op de laatste vraag een antwoord te geven, maar riep op verbolgen toon: »Bij uw god en de Mithras-rots en alle goden! Als gij dit dier eenig leed aandoet, ben ik den langsten tijd bij u geweest!”
»Kijk nu eens aan!” antwoordde de centurio. »Waar gaat de reis naar toe? De woestijn is groot en daar is ruimte genoeg om te versmachten en voor verbleekende beenderen. Wat zouden uwe vrijers van verdriet wegkwijnen! Om hunnentwil zal ik, alvorens den hond te verzuipen, de meesteres moeten opsluiten.”
»Waag het mij aan te roeren!” riep Sirona buiten zichzelve, en liep naar het venster. »Als gij slechts een vinger naar mij uitsteekt roep ik om hulp, en vrouw Dorothea en haar echtgenoot zullen mij tegen u beschermen.”
»Juist,” hernam Phoebicius droogjes. »Dat zou u bevallen, wanneer gij daarover onder éen dak kondet huizen met dien knaap, die u gekleurde drinkglazen medebrengt, die u rozen in het venster werpt, en daarmede misschien den weg heeft bestrooid, waarlangs hij heden tot u wist te komen. Maar er zijn nog wetten, die een Romeinsch burger voor inbrekers en onbeschaamde verleiders beschermen. Ge waart me reeds veel te veel in het huis daarover en dat spelen met die kleine schreeuwleelijken heeft toch alleen gediend, om dien opgeschoten jongen, dien rozenstrooier, dien pronkhaan te ontmoeten, die om uwentwil en om niet herkend te worden, over zijn purperen kleed een schaapsvel heeft gehangen. Ja, ge moet mij verliefde nachtwandelaars en vrouwen leeren kennen! Ik doorzie u allen. Gij zult voortaan geen voet meer over den drempel van Petrus zetten. Daar is het open venster! Schreeuw nu maar zooveel ge wilt en brengt zelve uwe schande onder de menschen. Het was mijn voornemen eerst morgen dit schaapsvel naar den rechter te brengen. Thans ga ik heen om het kamertje achter de keuken voor u in orde te maken. Dat heeft geen venster waardoor men mij schapenvachten in mijn huis kan dragen. Daar zult gij wonen, totdat gij gedwee wordt en mij de voeten kust, en gebiecht zult hebben wat heden nacht hier gebeurd is. Door de slaven van den senator, dat weet ik, zal ik niets te weten komen, want gij hebt hun het hoofd op hol gebracht. Zij schreeuwen van pleizier, als zij u zien. U zijn alle vrienden even welkom, al dragen zij ook maar een schaapsvel. Laten ze doen wat ze willen, ik heb de rechte wachters voor u gevonden. Nu ga ik heen. Schreeuw maar gerust; maar het zou mij toch wel zoo aangenaam zijn, wanneer ge u rustig hieldt. Over dien hond hebben wij het laatste woord nog niet gesproken. Ik wil het beest hier houden. Zijt gij rustig en komt gij tot rede, dan mag hij wat mij betreft leven. Maar blijft gij weerspannig, dan is er ras een strik en een steen te vinden, en de beek vloeit daar omlaag. Ik spot nooit en heden allerminst.”
Sirona verkeerde in de grootste spanning. Zij hijgde naar adem, beefde over al haar leden, maar was niet in staat een woord uit te brengen.
Phoebicius zag wat er bij haar omging en sprak: »Maak u nu maar boos, doch er komt eene ure, waarin gij, evenals uw lamme hond, naar mij toe kruipen en mij om genade bedelen zult. Maar wacht, daar rijst een ander denkbeeld bij mij op. Gij hebt eene legerstede noodig in het donker kamertje, en die moet zacht zijn, anders schelden uwe vrijers mij uit. Ik zal daar het schaapsvel voor u spreiden. Gij ziet dus hoe ik de geschenken van uwe aanbidders weet te eeren!”
De Galliër barstte in lachen uit, raapte het kluizenaarskleed op en begaf zich daarmede en met de lamp in het donker vertrek achter de keuken, waarin thans huisraad en provisiën van allerlei aard bewaard werden, die hij opruimde, om het tot eene slaapkamer in te richten voor zijne vrouw, van wier schuld hij zich overtuigd hield. Hij wist niet wie de man was, ter wille van wien zij hem bedrogen had, want Mirjam had hem alleen deze woorden gezegd: »Ga naar huis; daar lacht uwe vrouw met haar lief.”
Onder de laatste bedreigingen van haar echtgenoot had Sirona reeds tot zichzelve gezegd, dat zij liever wilde sterven dan langer met zulk een man samenleven. Het kwam niet bij haar op, dat zijzelve niet geheel vrij van schuld was. Wie strenger bestraft wordt dan hij verdient, vergeet licht zijn eigen misdrijf door de fout van den rechter.
Phoebicius had gelijk. Noch Petrus, noch Dorothea bezaten de macht, haar tegen hem, den Romeinschen burger in bescherming te nemen. Als zij zichzelve niet hielp, was zij eene gevangene, en zonder lucht, licht en vrijheid kon zij niet leven. Door de laatste dreigende woorden van haar echtgenoot was haar besluit tot rijpheid gekomen, en nauwelijks had hij den drempel overschreden en haar den rug toegekeerd, of zij vloog naar hare legerstede, wond het bevend hondje in het laken, nam het als een kind op den arm, en liep met haren lichten last naar het woonvertrek. Daar stonden de luiken van het venster nog open, waardoor Hermas een goed heenkomen had gezocht. Door middel van een stoel nam zij denzelfden weg, en liet zich van de borstwering op straat neerglijden. Zonder een bepaald doel, of te weten waarheen, maar alleen vervuld van den wensch om eene opsluiting in dat duister vertrek te ontgaan, en elken band te verscheuren, die haar verbond aan dien gehaten man, liep zij in de richting van den kerkheuvel naar den weg, die over den berg naar zee leidde.
Phoebicius gaf haar ruimschoots gelegenheid hem vooruit te komen, want nadat hij het donkere vertrek achter de keuken tot eene gevangenis had ingericht, bleef hij daar nog zeer lang vertoeven, niet om haar tijd te geven tot nadenken, noch om te overpeinzen welk eene houding hij verder tegenover haar zou aannemen, maar omdat hij gevoelde dat zijne krachten waren uitgeput.
De centurio was dicht bij de zestig, en zijn lichaam, dat eens krachtig mocht heeten, maar door uitspattingen van allerlei aard geheel ontzenuwd was, bleek niet langer in staat om aan de inspanning en de aandoeningen van dezen nacht weerstand te bieden. De magere, gespierde, zeer bewegelijke man gevoelde gewoonlijk zulk eene verslapping slechts overdag, terwijl er na zonsondergang bij den grijzen krijgsman, die alleen gedurende de uitoefening zijner dienstplichten het voorkomen had van een kloek soldaat, eene merkbare verandering plaats greep. Want dan verhieven zich zijne zware oogleden, die anders de oogappels bijna geheel bedekten; dan trok zich zijne slaphangende onderlip krachtig samen; de lange hals, waarop het smalle langwerpige hoofd rustte, rekte zich uit, en wanneer hij laat in den avond uitging naar eene drinkpartij of om Mithras te dienen, zou men hem nog een flink, jeugdig en onverzwakt man hebben kunnen noemen.
Doch ook in zijn roes was hij niet vroolijk, maar onstuimig, pochend en luidruchtig. Dikwijls overviel hem te midden zijner drinkebroers, eer hij het gelag verliet, diezelfde inzinking van krachten, waardoor hij Sirona vaak den schrik op het lijf had gejaagd, en waarvoor hij dan alleen niet te vreezen had, wanneer hij in dienst aan de spits zijner soldaten stond. De hartstochtelijke lange man zag er in zulke oogenblikken van onmacht afzichtelijk uit, want dan werd zijn traankleurig gelaat doodsbleek, dan scheen zijne rug gebroken en elk lid uit het gewricht te zijn. Zijne oogappels alleen bleven voortdurend in beweging, en nu en dan beefde zijn lichaam, als dat van iemand die door de koude bevangen is. Zijne lieden zeiden, wanneer de centurio in zulk een toestand geraakte, dat zijn bleeke demon in hem was gevaren en hijzelf geloofde aan zulk een boozen geest en vreesde dien. Ja, hij had beproefd door heidensche geestenbanners en zelfs door christelijke duivelbezweerders zich daarvan te bevrijden.
Hij zat nu in de donkere kamer op het schaapsvel, dat hij, om zijne vrouw nog meer smaad aan te doen, op een harde houten bank had uitgespreid. Zijne handen en voeten rilden, zijne oogen gloeiden, en hij voelde zelfs de kracht niet om een vinger te verroeren. Zijne lippen alleen vertrokken zich, terwijl hij in zijne verbeelding terugzag op een lang vervlogen verleden, dat zich in steeds scherper trekken aan hem voordeed.
»Had ik,” zoo dacht hij, »na dat onzinnig loopen door de oase, dat geen jongere mij zoo spoedig zal nadoen, aan mijne woede den teugel gevierd, in plaats van mij met geweld in te houden, dan zou die demon zich niet zoo gemakkelijk van mij hebben meester gemaakt. Hoe vonkelden de oogen van die duivelin, die Mirjam, toen zij mij zeide, dat een man mij bedroog! Zij heeft hem die deze vacht droeg zeker gezien, doch vóor ik de oase bereikte verloor ik haar uit het oog. Ik geloof dat zij omkeerde en den berg weder is opgestegen. Wat mag Sirona haar toch wel gedaan hebben? Die vrouw weet anders met hare oogen harten te vangen, gelijk een vogelaar de vogels met zijne fluit. Wat hebben die heertjes in Rome haar nageloopen! Zou zij mij daar ook al bedrogen hebben? Den legaat Quintillus, die mij gaarne een gunst zou hebben bewezen, en wiens vijandschap ik aan deze gekkin te danken heb, heeft zij afgewezen. Doch hij was nog ouder dan ik, en zij houd zeker meer van jongere. Zij is als de rest; dat had ik, domkop, moeten weten! Zoo gaat het in de wereld: heden deelt men klappen uit, en morgen wordt men zelf geslagen.”
De centurio vertrok de lippen tot een weemoedig lachje. Vervolgens kwam er sombere ernst in zijne gelaatstrekken, want duidelijk verschenen er allerlei beelden voor zijne ziel, die hem minder welkom waren, en die hij toch niet geheel van zich kon zetten. Het geweten van den Galliër stond in omgekeerde verhouding tot zijne lichaamskracht. Als het hem goedging, dan had hij met zijn verleden, dat zoo rijk was aan donkere vlekken, weinig te stellen, maar wanneer de zwakheid hem overmande, wist hij den boozen demon niet te keeren, die hem dwong zich juist zulke feiten met pijnlijke duidelijkheid voor den geest te brengen, die hij liefst vergeten wilde. Zoo moest hij in deze ure aan zijn vriendelijken weldoener en krijgsoverste, den tribuun Servianus en zijne schoone vrouw denken, die hij door duizende kunsten had verleid om echtgenoot en kind te verlaten, en met hem de wijde wereld in te vluchten. Op dit oogenblik beeldde hij zich in, dat hijzelf de tribuun Servianus was en toch tegelijk Phoebicius. Al de smart, het naamloos lijden, dat zijn bedrogen weldoener aan hem te danken had gehad, nadat hij hem Glycera, zijne vrouw, had ontroofd, moest hij thans doorworstelen, en de vijand die hem, Servianus, bedroog, was bovendien, dit gevoelde hij, geen ander dan Phoebicius zelf. Hij zocht zich te verweren en zon op wraak tegen den verleider, en toch verloor hij daarbij niet geheel en al het bewustzijn van zijn eigen persoon.
De verwarring van al die schijnbeelden, waarin hij te vergeefs eenige klaarheid zocht te brengen, dreigde hem krankzinnig te maken, en hij slaakte een luide zucht. Het geluid zijner eigene stem bracht hem in de werkelijkheid terug. Hij was Phoebicius en geen ander, dat wist hij nu, en toch gelukte het hem nog niet geheel en al zich in de werkelijkheid te huis te gevoelen. Het beeld van de schoone Glycera, die hem naar Alexandrië gevolgd was, en die hij daar had verlaten, nadat hij zijn laatste stuk geld en hare kostbare sieraden in de Grieksche stad verbrast had, verscheen niet alleen telkens weder voor zijne oogen, maar altijd en altijd weder naast dat van zijne vrouw Sirona. Glycera was een droefgeestig liefje geweest, dat veel had geweend en weinig gelachen, sedert zij haren echtgenoot had verlaten. Hij meende thans ook zachte verwijten van hare lippen te hooren, terwijl Sirona hem met luide bedreigingen tegemoet was gekomen, en het gewaagd had den zoon van den senator, Polycarpus, door beloften tot zich te lokken. De afgematte droomer, verzamelde in woede al zijne krachten, balde de vuisten en stond dreigend op.
Deze beweging was het eerste teeken, dat de veerkracht van zijn lichaam begon terug te keeren, en nadat hij, evenals iemand die uit den slaap wakker wordt, zijne leden had uitgerekt en zijne oogen uitgewreven, drukte hij de handen tegen zijne slapen. Langzamerhand kwam hij weder tot zijn volle bewustzijn, en begon hij zich te herinneren, wat hij in de laatste uren had doorleefd. Hij verliet nu dadelijk het donkere vertrek, versterkte zich in de keuken met een teug wijn, en plaatste zich voor het open venster om naar de sterren te zien.
Het uur van middernacht was lang voorbij. Hij dacht aan zijn gezellen, die thans op den berg offerden, en richtte een lang gebed »tot de kroon,” »den onoverwinnelijken zonnegod,” »het groote licht,” »den god uit de rots,” of hoe hij Mithras ook noemde. Want sedert hij behoorde tot de ingewijden van deze godheid, was hij bijzonder ijverig geworden in het gebed, en kon hij het vasten buitengewoon lang uithouden. Hij had reeds vele van de tachtig proeven doorgestaan, waaraan ieder zich onderwerpen moest, die in een hoogeren graad wilde opgenomen worden, en de zwakte, die hem ook heden overmeesterde, had hij voor het eerst ondervonden, toen hij, om den leeuwengraad te ontvangen, zich dagelijks gedurende eene gansche week uren lang in de sneeuw had neergelegd, om daarop ten strengste te vasten. Sirona’s gezond verstand had een afkeer van al deze oefeningen, en daar zij beslist weigerde daaraan deel te nemen, was de kloof nog grooter geworden, die haar van haar gemaal scheidde. Het was Phoebicius op zijn manier echter volkomen ernst met al deze dingen, want daardoor alleen kon hij zich losmaken van sombere herinneringen, en van de vrees voor eene vergelding van zijne daden, als zijne laatste ure zou slaan, terwijl Sirona juist uit de herinnering aan vroeger dagen haar besten troost en de kracht putte, om het droevig heden blijmoedig te dragen en de hoop op beter tijden vast te houden.
Phoebicius voleindigde heden zijn gebed om kracht, opdat hij de trots van zijne vrouw mocht breken en het hem gelukken mocht zich op haren verleider te wreken, zonder overhaasting en met inachtneming van alle voorgeschreven vormen. Vervolgens nam hij twee stevige touwen van den wand, richtte zich in al zijne lengte zoo fier op, als moest hij zijne soldaten vóor den slag moed inspreken, kuchte als een redenaar op het forum, alvorens zijne voordracht te beginnen, en overschreed met waardigheid den drempel van de slaapkamer.
Hij waande zich zoo zeker van zijne zaak, dat zelfs de geringste gedachte aan de mogelijkheid van eene ontvluchting niet bij hem opkwam, toen hij, aangezien Sirona niet in het slaapvertrek was, de woonkamer inging, ten einde de straf, die hij haar had toegedacht, aan haar te voltrekken. Doch ook hier vond hij niemand. Hij bleef verbaasd stilstaan; maar het denkbeeld dat zij ontvlucht kon zijn kwam hem zoo dwaas voor, dat hij het terstond weder uit zijn hoofd zette.
Voorzeker, zij vreesde zijn toorn en hield zich onder het bed verborgen of achter het gordijn dat zijne kleederen bedekte. »Het hazenwindje,” dacht hij, »kruipt thans dicht bij haar,” en daarom begon hij half te fluiten, half te sissen, op eene manier die Jambe altijd hinderde en het beest aanleiding gaf hem nijdig aan te blaffen. Doch te vergeefs. Alles bleef stil in het verlaten vertrek, doodstil.
Hij werd nu ernstig bezorgd. Hij lichtte eerst voorzichtig, daarna met steeds sneller en zenuwachtiger beweging onder elk meubel, in iederen hoek, achter elk gordijn, en zocht haar zelfs op zulke plaatsen, die voor geen kind, ja ter nauwernood voor een vervolgden vogel voldoende zouden geweest zijn om zich te verbergen. Eindelijk ontgleden de touwen aan zijne rechterhand, en de linker die het lampje vasthield begon te beven.
Hij vond de luiken van het venster der slaapkamer geopend, en daarvóor een stoel, waarop Sirona, alvorens Hermas was gekomen, in het maanlicht had zitten kijken. »Hier dus,” prevelde hij, schoof de lamp op het nachttafeltje, waarvan hij het glas van Polycarpus had afgeworpen, rukte de deur open en vloog den hof in. Dat zij op straat zou zijn gesprongen, en in den nacht den weg op en de woestijn in gevlucht zou zijn, kon hij zich nog maar altijd niet voorstellen.
Hij trok aan de deur, die de hoeve afsloot, maar vond deze gesloten. De wachthonden ontwaakten en sloegen aan, toen Phoebicius zijne schreden richtte naar het huis van Petrus, en met den koperen klopper aan de poort eerst zacht, en vervolgens in boosheid steeds harder begon te slaan. Hij hield zich overtuigd, dat zijne vrouw bij den senator bescherming gezocht en gevonden had.
Hij had het van woede en smart wel kunnen uitschreeuwen, en toch dacht hij nauwelijks aan zijne vrouw en het gevaar van haar te verliezen, maar aan Polycarpus en den smaad hem door dezen aangedaan, aan de wraak die hij wilde nemen op dezen en zijne ouders, die het gewaagd hadden de rechten van zijn huis, van een keizerlijken centurio te schenden. Wat kon hem Sirona schelen? In de opwelling van het oogenblik had hij overmoedig zijn lot aan het hare geketend. Twee jaren geleden was een zijner kameraden te Arelate bij hem gekomen, en had verteld, terwijl hij in den kring zijner vrienden zat te drinken, dat hij getuige was geweest van een merkwaardig tooneel. Een aantal jongens hadden een knaap omsingeld en dezen gruwelijk geslagen; waarom, dat wist hij niet. De kleine had zich dapper geweerd, maar moest voor de overmacht zwichten. Plotseling, zoo vertelde de soldaat, ging de deur open van een huis in de nabijheid van den circus. Een meisje met lange blonde haren stormde naar buiten, joeg al die jongens op de vlucht en bevrijdde den mishandelde, haar broeder, van zijne kwelgeesten. »Het meisje zag er uit als eene leeuwin,” had hij die het verhaalde uitgeroepen. »Zij heet Sirona, en onder de mooie meisjes van Arelate is zij zonder twijfel de schoonste.”
Die woorden werden door velen der aanwezigen bevestigd. Doch Phoebicius, die toen juist onder de Mithras-vereerders den graad van leeuw had verkregen, en zich gaarne »leeuw” hoorde noemen, zeide: »Ik zoek reeds naar eene leeuwin, thans heb ik haar, meen ik, gevonden. Phoebicius en Sirona dat zijn twee namen, die heerlijk samen passen!” Den volgenden dag vroeg hij haar aan haren vader tot vrouw, en daar hij binnen weinige dagen naar Rome moest vertrekken, werd de bruiloft in haast gevierd. Zij had Arelate nooit verlaten, en wist dus niet wat zij prijs gaf, toen zij het ouderlijk huis misschien voor altijd vaarwel zeide. Phoebicius vond zijne jonge vrouw in Rome terug. Mochten daar velen zijne schoone gade bewonderen en zich in haar gunst trachten te dringen, voor hem was zij toch maar een schat, die hij zich gemakkelijk verworven had, en waaraan hij dus weinig waarde hechtte; ja, die hij weldra beschouwde als een lastig sieraad, dat moeielijk te bewaken was.
Toen de schoone vrouw ook de aandacht had getrokken van zijn legaat, beproefde hij haar dienstbaar te maken aan zijn eigenbelang, en door haar bevordering te erlangen; doch Sirona had Quintillus zoo beleedigend en zonder genade afgewezen, dat de legaat den centurio vijandig werd, en zijne verplaatsing naar de afgelegene oase, die met eene verbanning gelijk stond, wist te bewerken. Sedert dien tijd beschouwde hij haar als zijne vijandin, en meende hij, dat zij met voordacht zich het vriendelijkst toonde jegens hen, die hem een afkeer inboezemden. Onder hen waaraan hij het meest hekel had, rekende hij ook Polycarpus.
Wederom viel de klopper op Petrus’ deur. Thans ging zij open en de senator stond met eene lamp in de hand tegenover den woedenden centurio.