WeRead Powered by ReaderPub
Homo sum: Roman cover

Homo sum: Roman

Chapter 14: DERTIENDE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A desert-set narrative follows a contemplative community built around a solitary ascetic who accepts exile intended for another and remains silent until the true culprit confesses. The story functions as a psychological and moral study of self-denial, apathy, conscience, and the motives that drive resignation and sacrifice. Vivid depictions of caves, oases, and ritual solitude frame small-group interactions, and doctrinal disputes are left in the background as the author probes inner life and ethical tensions rather than offering a historical account.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Het lichtschijnsel in de oase-stad, dat de aandacht van den Alexandrijn had getrokken, kwam uit Petrus’ woning, en wel uit de kamer van Polycarpus, die de geheele ruimte van een klein gebouw innam, dat de senator, als een huisje door het groote huis gedragen, voor zijn zoon aan de noordzijde op het ruime vlakke dak had laten optrekken.

De jonkman was tegen den middag met de pas geworven slaven aangekomen, had alles wat in zijne afwezigheid gebeurd was vernomen, en zich na het avondeten stil in zijn vertrek teruggetrokken. Daar was hij nu aan het werk. Een bed, een tafel, waarop en waaronder verschillende wastafeltjes, papyrusrollen, metalen stiften en schrijfrietjes lagen, benevens een kleine bank met een waterbekken en kan vormden de meubileering van deze ruimte, tegen welker wit gepleisterde wanden allerlei figuren van dieren en menschen, en verschillende steenplaten met relief-voorstellingen in eene lange rij naast elkander stonden en hingen. In een hoek lag, naast een steenen watervat, een groote klomp klei glimmende van natheid. Drie lampen, die aan standaards bevestigd waren, verlichtten meer dan voldoende deze werkplaats, en vooral een op een hoog voetstuk staand beeld, waaraan Polycarpus vingers ijverig bezig waren te vormen.

Phoebicius had den jongen beeldhouwer een heertje naar de mode genoemd, en niet geheel ten onrechte, want hij hield er van zich goed te kleeden, en was zeer kieskeurig op vorm en kleur van zijne eenvoudige gewaden; ook verzuimde hij zelden zijne weelderige lokken zorgvuldig te ordenen en geurig te zalven. Toch was het hem bijna onverschillig, hoe anderen over zijn uiterlijk dachten, maar hij kende niets edelers dan de menschelijke gestalte, en zekere neiging, waaraan hij geen weerstand bood, drong hem juist zijn eigen lichaam zóo te onderhouden, als hij dat van een ander wenschte te zien. In dit nachtelijk uur droeg hij echter niets dan zijn onderkleed van witte wollen stof met donker roode randen. Zijn gewoonlijk zoo keurig geschikte lokken waren verward en schenen naar boven te vliegen; in plaats van ze te beteugelen en neer te strijken, hielp hij ze in hunne weerspannigheid, door vaak onder zijn arbeid driftig met de hand door zijn haar te strijken.

Een vleermuis, aangetrokken door het helder licht, vloog door de vensteropening, die alleen van onderen met een donker doek behangen was, en beschreef eenige cirkels langs de zoldering van het vertrek. Maar hij merkte het dier niet op, want zijn werk hield hem naar ziel en lichaam geheel bezig. Terwijl hij zoo hartstochtelijk en met zooveel inspanning aan den arbeid was, en iedere zenuw, elke ader scheen mede te werken, zou zijn oor geen hulpgeschreeuw, zijn oog zelfs geen aan zijne zijde opflikkerende vlam hebben waargenomen. Zijne wangen gloeiden; over zijn voorhoofd spreidde zich een net van parelende zweetdruppels uit, en zijne blikken schenen als vastgekluisterd te zijn aan het beeldwerk, dat zich al meer en meer begon af te ronden. Soms deed hij eenige schreden achterwaarts en verhief hij beide handen tot op de hoogte van zijne slapen, als wilde hij den weg begrenzen, die zijne blikken volgen moesten. Dan weder naderde hij het model en greep hij in de kneedbare kleimassa, als ware deze het vleesch van zijn vijand.

Thans arbeidde hij aan de dichte haren van het voorwerp, dat sedert lang reeds de vormen van een vrouwekop vertoonde, en wierp de brokken klei, die hij van het achterhoofd wegnam, zoo onstuimig op den grond, als slingerde hij ze zijne tegenpartij voor de voeten. Nu was hij met de vingertoppen en de spatel aan den mond, de neus, de wangen en de oogen bezig, en daarbij nam zijn gelaat eene zachte plooi aan, die eindelijk overging in eene uitdrukking van dweepzieke verrukking, toen de trekken die hij vormde meer en meer begonnen te gelijken op het beeld, naast hetwelk geen ander in dit uur in zijne voorstelling plaats kon vinden.

Eindelijk had hij, terwijl zijne wangen sterk kleurden, ook de weeke vormen van de ronde schouders afgewerkt, en toen hij nu weder terugtrad, om den vollen indruk te ontvangen van zijn voltooid werk, voer er eene koude rilling door zijne leden en kwam hij in verzoeking het op te nemen en met alle kracht op den grond te slingeren. Doch weldra werd hij deze stormachtige aandoening weder meester, streek hij meermalen met de hand door zijne haren, en plaatste zich ten laatste met een weemoedig lachje en gevouwen handen vóor zijne schepping.

Terwijl hij daar al dieper in beschouwing verzonken stond, bemerkte hij niet dat de deur achter hem open ging, hoewel de vlammen zijner lampen, door den tocht bewogen, heen en weer flikkerden, en zijne moeder, die de werkplaats binnentrad, volstrekt het voornemen niet had hem onopgemerkt te naderen en hem te verrassen. Uit zorg voor haren lieveling, wien de dag van gisteren zoovele illusiën had ontnomen, had zij den slaap niet kunnen vatten. De kamer van Polycarpus lag boven haar slaapvertrek, en toen de stappen boven haar hoofd haar zeiden, dat hij, hoewel de morgen weldra zou aanbreken, zich altijd nog niet ter ruste had gelegd, was zij zachtkens opgestaan, zonder Petrus, die scheen te slapen, te wekken. Zij volgde hare moederlijke begeerte, om Polycarpus met vriendelijke woorden te bemoedigen, toen zij den smallen trap, die naar het dak leidde, opklom en zijn vertrek binnentrad.

Zij bleef een tijdlang verrast, besluiteloos en zonder te spreken achter den jongeling staan en beschouwde de helder verlichtte, schoone trekken van het pas ontworpen beeld, dat maar al te zeer op het haar welbekende voorbeeld geleek. Eindelijk legde zij de hand op den schouder van haar zoon, en riep hem bij zijn naam. Polycarpus ging achteruit en keek zijne moeder aan met verwarde blikken, als iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt. Zij brak echter de stamelende woorden af, waarmede hij begon haar te begroeten, en vroeg, terwijl zij op het beeld wees, niet zonder eenige gestrengheid in den toon harer stem: »Wat moet dat beteekenen?”

»Ja, moeder, wat moet dat beteekenen?” antwoordde Polycarpus, en schudde het hoofd. »Vraag mij thans niet verder. Al wildet ge mij niet met rust laten voor ik een antwoord heb gegeven, en al wilde ik beproeven u te verklaren, hoe ik heden, juist heden gedrongen en gedwongen werd het beeld van deze vrouw te boetseeren, zoo zoudt gij, zoo zouden allen mij toch niet begrijpen!”

»God beware mij, dat ik dat ooit zou begrijpen,” riep Dorothea. »Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw! heeft de Heer op dezen berg bevolen. En gij?—Ik zou u niet kunnen begrijpen, meent gij? Wie zal u dan anders verstaan dan uwe moeder?—Dat begrijp ik niet, hoe de zoon van Petrus en mij het voorbeeld en de lessen zijner ouders zoo geheel in den wind kan slaan. Doch wat gij met dit uw beeld bedoelt is toch, zoo ik meen, niet zoo moeielijk te raden. Wijl de verbodene vrucht te hoog voor u hangt, misbruikt gij uwe kunst en vormt gij voor u een beeld, dat haar gelijkt, naar uw smaak! Kom er maar eenvoudig en rond voor uit: daar uw oog de vrouw van den Galliër niet meer werkelijk kan bereiken, en gij den lieflijken aanblik van deze schoone toch niet kunt missen, maakt gij voor u eene beeltenis van klei, om met haar te kozen en afgoderij te plegen, gelijk de joden van weleer met het gouden kalf en den koperen slang.”

Polycarpus luisterde zwijgend en onder smartelijke aandoeningen naar de hevige berisping van zijne moeder. Zoo had vrouw Dorothea nog nooit tot hem gesproken, en het deed hem onuitsprekelijk leed, zulke woorden te hooren juist uit een mond, die anders nooit tot hem pleegde te spreken dan op een toon van innige teederheid. Zij was tot hiertoe steeds geneigd geweest voor zijne zwakheden en kleine misslagen eene verschooning te vinden, ja de ijver waarmede zij, in tegenwoordigheid van vreemden zoowel als van de zijnen, zijne gaven en zijne werken waardeerde en prees, had hem wel eens pijnlijk aangedaan. En thans? Voorzeker zij had recht op hem vertoornd te zijn, want Sirona was de vrouw van een ander, had zijne neiging zelfs nooit opgemerkt, en was, zooals ten minste allen zeiden, misdadig geworden ter wille van een vreemde. Het moest den menschen dus wel dwaas en zondig toeschijnen, juist van hem, dat hij het beste wat hij bezat, zijne kunst, aan zulk eene vrouw ten offer bracht. Maar hoe weinig begreep Dorothea, die er toch anders altijd op uit was hem te verstaan, welk een overmachtig gevoel hem tot dezen arbeid had gedwongen!

Hij beminde en vereerde zijne moeder met geheel zijn hart, en daar hij gevoelde dat zij door de valsche en onwaardige uitlegging, die zij aan deze daad gaf, hem onrecht aandeed, antwoordde hij op hare ernstige toespraak, terwijl hij biddend de handen tot haar ophief: »Neen, moeder, neen! Zoo waar God mij helpen mag, zóo is het niet! Wel heb ik dit hoofd geboetseerd, maar niet om het te bewaren en er een zondig spel mede te drijven, maar om mij los te maken van het beeld, dat dag en nacht voor het oog mijner ziel staat, in de stad en in de woestijn, het beeld welks glans mijn verstand benevelt als ik denk, mijne ziel als ik poog te bidden. Aan wien is het gegeven een mensch in het hart te lezen? Maar is niet de gestalte en het gelaat van Sirona eene wonderbare schepping van den Allerhoogste? Sedert ik haar voor het eerst zag, toen zij in ons huis haar intrek nam, heb ik mij voorgenomen dit beeld zóo na te bootsen, dat de betoovering, die de aanblik van de Gallische op mij uitoefende, door ieder zou moeten worden gevoeld, die mijn werk zou beschouwen. Ik moest naar de hoofdstad terugkeeren, en daar verkreeg het werk, dat ik scheppen wilde, meer bepaalde omtrekken, en ik vond elk uur iets te veranderen en te verbeteren in de houding van het hoofd, den opslag der oogen en de uitdrukking van den mond. Maar het ontbrak mij aan moed om de hand aan het werk te slaan, want het scheen mij eene bovenmenschelijke stoute onderneming, het beeld, dat zoo helder voor mijne ziel stond, door middel van grauwe klei en bleek marmer zóo tot eene werkelijkheid te doen worden, dat het voltooide kunstwerk voor de zinnelijke aanschouwing niet minder uitwerking zou hebben, dan het beeld in het heiligdom van mijn gemoed voor mijn geestelijk oog. Intusschen verzuimde ik mijn arbeid niet, won ik den prijs met mijne modellen van leeuwen, en toen ik den goeden herder die de kudde zegent voor den lijksteen van Comes gelukkig mocht voltooien, en de meesters in de kunst de uitdrukking van zelfverloochenende liefde in het beeld van den Verlosser prezen, toen wist ik—neen, val mij niet in de rede, moeder, want wat ik ondervonden heb is rein, en ik spot niet!—toen wist ik, dat ik den steen met liefde kon bezielen, omdat ikzelf van liefde vervuld was. Ten laatste liet dat beeld mij geen rust, en ook zonder vaders roepstem zou ik tot u teruggekeerd zijn. Ik zag haar thans weder en vond haar nog veel schooner, dan de voorstelling die mijne ziel beheerschte. Bovendien hoorde ik haar spreken en lachen, met een geluid zoo helder als van eene klok. En toen.... toen.... Gij weet wat ik gisteren moest vernemen! De onwaardige echtgenoote van den onwaardigen man, de vrouw Sirona ging voor mij verloren, en ik beproefde ook haar beeld uit mijne ziel te verwijderen, het te vernietigen, het op te lossen;—maar te vergeefs! Al meer en meer werd ik door eene wonderbare kracht gedreven om te boetseeren. Spoedig maakte ik de lampen gereed, nam de klei ter hand, en bracht daarin met pijnlijk welgevallen trek voor trek over van het beeld, dat diep in mijn hart stond gegrift, en meende dat ik op deze wijze alleen daarvan verlost kon worden. Daar staat nu de vrucht, die hier binnen gerijpt is; maar daar zij zoo lang verborgen leefde, gevoel ik eene akelige leegte, en wanneer nu de schalen, die dit beeld zoolang met teedere liefde hebben omsloten, verdorren en uit elkander vallen, dan zal het mij niet verwonderen.—Aan dit voorwerp hangt het beste deel van mijn leven!”

»Genoeg!” viel Dorothea haar zoon in de rede, die diep bewogen en met bevende lippen vóor haar stond. »Dit moge God verhoeden, dat dit schijnbeeld u naar lichaam en ziel ten verderve voert. Gelijk ik niets onreins duld in mijn huis, zoo moogt gij het ook niet dulden in uw hart! Wat slecht is, kan nooit schoon zijn, en hoe liefelijk dat gelaat er ook uitziet, zoo heb ik er toch een afkeer van, wanneer ik bedenk, dat het dien weggeloopen bedelaar misschien nog vriendelijker heeft toegelachen. Als de Galliër haar weer terugbrengt, dan zet ik haar mijn huis uit, en ik zal met deze handen het beeld vernielen, wanneer gij het niet dadelijk hier in stukken slaat!”

Dorothea’s oogen zwommen in tranen, terwijl zij deze woorden uitte. Zij had onder het spreken van haar zoon met trots en ontroering gevoeld, welk een eigenaardig en edel karakter hij had. De gedachte dat deze zeldzame en groote schat bedorven, ja misschien vernietigd zou worden, terwille van eene slechte vrouw, deed haar zichzelve vergeten, en vervulde haar goedhartig moederhart met hevigen toorn.

Vast besloten hare bedreiging terstond tot waarheid te maken, liep zij naar het beeld toe. Doch Polycarpus trad haar in den weg, hief smeekend en afwerend tegelijk zijne armen op, en zeide: »Nog niet, heden niet, moeder! Ik wil het bedekken en stellig niet weder aanzien voor morgen; maar eenmaal, een enkele maal wil ik het in het zonlicht beschouwen.”

»Opdat morgen de oude dwaasheid opnieuw in u ontwake!” riep Dorothea. »Ga mij uit den weg, of neem zelf den hamer.”

»Gij beveelt het, en gij zijt mijne moeder,” antwoordde Polycarpus.

Langzaam naderde hij de kast, waarin zijne werktuigen lagen, en dikke tranen biggelden langs zijne wangen, terwijl hij den greep van den zwaren hamer vatte.


Wanneer in den zomer de hemel vele dagen achtereen volmaakt helder is geweest, en heden zich wolken samenpakken tot een onweder, en de eerste zwijgende en onheilspellende bliksemstraal, gevolgd door het luid en statig rollen van den donder, den menschen schrik heeft aangejaagd, dan volgt er weldra een tweede en een derde weerlicht.

Sedert den stormachtigen nacht van gisteren, die stoornis had gebracht in het stille, arbeidzame en eentonige leven van Petrus’ gezin, was er veel gebeurd, dat den senator en zijne vrouw met nieuwe onrust vervulde. In andere huizen was het geen zeldzaamheid, dat een slaaf de vlucht nam; in dat van Petrus had zich dat sedert twintig jaren niet voorgedaan. Gisteren was het echter gebleken, dat de herderin Mirjam was weggeloopen.

Dat was verdrietig, maar de stille droefheid van zijn zoon Polycarpus maakte den senator meer bezorgd. Het beviel hem niets, dat de anders zoo levendige jongeling het verbod van Agapitus om zijne leeuwen te voltooien, zonder tegenspraak, ja bijna onverschillig had aangehoord. De sombere blik en de matte, gebrokene houding van zijn zoon kon Petrus maar niet vergeten, toen hij zich eindelijk ter rust begaf. Het was al laat, maar hij kon zoo min als Dorothea den slaap vatten. Terwijl de moeder dacht aan den zondige liefde van haren zoon, en de wonde die zijn jong, bitter bedrogen hart zou doen bloeden, beklaagde de vader Polycarpus, omdat deze teleurgesteld was in zijne hoop van zijne kunst in een groot werk te mogen toonen. En hij herinnerde zich daarbij de zware smartvolle dagen van zijne eigene jeugd; want ook hij was bij een beeldhouwer te Alexandrië in de leer geweest; ook hij had de werken der heidenen als verhevene voorbeelden bewonderd en getracht na te volgen. Zijn meester had hem zelfs toegestaan zijne eigene ontwerpen uit te voeren. Uit het groot aantal onderwerpen had hij als symbolische voorstelling van de ziel die naar verlossing smacht, een Ariadne gekozen, die vol verlangen naar den terugkeer van Theseus uitziet. Hoe had dit werk zijne ziel vervuld, hoe genotvol waren voor hem de uren geweest, waarin hij aan het verwezenlijken van deze schepping zijner verbeelding had gearbeid!

Daar verscheen zijn strenge vader in de hoofdstad, en zag zijn arbeid vóor die geheel voltooid was. In plaats van het werk te prijzen, spotte hij er mede, noemde hij het minachtend een heidensch afgodsbeeld, en beval Petrus terstond met hem terug te keeren en bij hem te blijven; want zijn zoon en erfgenaam moest een vroom christen zijn en bovendien een degelijk steenhouwer, geen halve heiden en vervaardiger van afgodsbeelden. Petrus had zijne kunst zeer liefgehad, maar er viel tegen het bevel zijns vaders niets in te brengen, wien hij naar de oase volgde, om daar toe te zien op de werkzaamheden der slaven, die steenen moesten houwen, en om de voor sarcophagen en zuilen bestemde granietblokken af te meten en hunne bewerking te leiden.

Zijn vader was van staal en hij een jongeling van ijzer. Toen hij zich gedwongen zag den vaderlijken wil op te volgen, en de werkplaats van zijn meester en zijn onvoltooiden lievelingsarbeid vaarwel te zeggen, om een handwerker, een man van zaken te worden, toen zwoer hij nooit weder een stuk klei in de hand te zullen nemen, noch den bijtel te voeren. En hij hield woord, ook na den doods zijns vaders; maar zijne lust om ontwerpen te maken en zijne liefde voor de kunst leefde in hem voort, en ging op zijne beide zonen over.

Antonius was een kunstenaar van grooten aanleg, en als de meester van Polycarpus zich niet vergiste en zijne vaderlijke liefde hem niet bedroog, dan was zijn tweede zoon op weg om den hoogsten, slechts voor de uitverkoren bereikbaren trap der kunst te bestijgen. Petrus kende de modellen van zijn goeden herder en van de leeuwen, en moest erkennen, dat zij in waarheid, kracht en majesteit niet te overtreffen waren. Was het wonder dat de jonge kunstenaar vurig begeerde ze in harden steen uit te voeren, en ze te zien prijken op eene waardige, zij het ook onheilige plaats, die hem was toegestaan? En nu verbood den bisschop hem den arbeid, en de arme jongen kon niet anders te moede zijn dan hijzelf, ongeveer dertig jaren geleden, toen hem bevolen was zijn eerste werk onvoltooid te laten.

Was de bisschop werkelijk in zijn recht?—Deze en vele dergelijke vragen verdrongen zich in de ziel van den vader, terwijl hij niet slapen kon, en zoodra hij hoorde dat zijne vrouw opstond, om haar zoon op te zoeken, wiens voetstappen ook hij boven zijn hoofd hoorde, volgde hij Dorothea.

Hij vond de deur van de werkplaats open en werd, zonder gezien of gehoord te worden, getuige van de hevige woorden zijner vrouw en de rechtvaardiging van den jongeling, wiens werk, door het licht der lampen beschenen, daar vóor hem stond. Zijn oog was onafgebroken op dat kleibeeld gericht. Hij zag en zag altijd, en werd niet moede het te beschouwen. Zijne ziel werd vervuld met denzelfden eerbied, dezelfde aandachtige bewondering, die hij had gevoeld, toen hij als jongeling in het Caesareum voor de eerste maal de werken van de groote meesters van het oude Athene met zijne oogen had gezien.

En deze kop was het werk van zijn zoon!

Innerlijk geroerd stond hij daar, drukte de handen samen, hield zijn adem in en slikte een en andermaal met zijn drogen mond, om zijne tranen te bedwingen. Daarbij luisterde hij in groote spanning, om toch geen woord uit Polycarpus’ mond te verliezen.

»Zoo, ja zóo alleen ontstaan de groote werken der kunst,” zeide hij tot zichzelven. »Had de Heer mij met zulke gaven begenadigd als deze bezit, waarlijk, geen vader, geen godheid had mij kunnen dwingen mijne Ariadne onvoltooid te laten. De houding van het lichaam was toch zoo slecht niet, zou ik meenen, maar de kop, het hoofd..... Ja, wie zulk een beeld als dat daar vormen kan, diens blikken en handen worden door heilige geniën der kunst geleid. Hij die dit hoofd heeft gemaakt, hij zal nog in later dagen geroemd worden naast de groote meesters van Athene. Hij, ja hij, barmhartige hemel, hij die daar staat is mijn lijfelijke zoon!

Een zalig gevoel, zooals hij sedert zijne jeugd niet had ondervonden, vervulde zijn hart, en de ijver van Dorothea scheen hem deels beklagenswaardig, deels belachelijk toe.

Eerst toen zijn zoon naar den hamer greep, plaatste hij zich tusschen het beeld en zijne vrouw, en zeide vriendelijk: »Wij kunnen met de vernietiging van dit kunstwerk toch nog wel wachten tot morgen. Vergeet het model, mijn jongen, nadat gij er zoo gelukkig gebruik van hebt gemaakt. Ik weet eene betere geliefde voor u, de kunst, wie alles toebehoort, wat de Allerhoogste schoons heeft geschapen; de kunst, waarop een Agapitus niet smalen kan, háar geheel en onverdeeld!”

Polycarpus vloog zijn vader in de armen, en de anders zoo ernstige man, zichzelven nauwelijks meester, kuste het voorhoofd, de oogen en de beide wangen van den jongeling.