VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Omstreeks den middag van den volgenden dag trad de senator het vrouwenvertrek binnen en richtte reeds op den drempel de vraag tot zijne vrouw, die aan het weefgestoelte zat: »Waar is Polycarpus? Ik vond hem niet bij Antonius, die bezig is het altaar op te stellen. Ik dacht hem bij u te vinden.”
»Na de kerk bezocht te hebben,” antwoordde Dorothea, »heeft hij den berg bestegen. Loop eens in de werkplaats, Marthana, en zie of uw broeder al terug is.”
Hare dochter gehoorzaamde volgaarne en spoedig aan dit bevel, want zij had haren broeder innig lief, in wien zij den schoonste en beste van alle mannen meende te zien.
Zoodra de echtgenooten alleen waren, zeide Petrus, terwijl hij zijne vrouw vrijmoedig en hartelijk de hand toestak: »Nu, moeder, sla toe!”
Dorothea aarzelde een oogenblik en zag hem aan, als wilde zij vragen: »Zal eindelijk uw trots u vergunnen, mij niet langer onrecht aan te doen?”
Dat was een verwijt, maar waarlijk geen streng, anders toch zou men dien vriendelijken trek om hare lippen niet hebben kunnen opmerken, waarmede zij als het ware zeggen wilde: »Gij kunt toch niet lang boos op mij zijn; het is daarom goed dat alles weder wordt gelijk het wezen moet.”
Er had inderdaad eene verkoeling plaats gehad, want sedert dat beide echtgenooten elkander in de werkplaats huns zoons hadden ontmoet, gingen zij als twee vreemden naast elkander. In hun slaapvertrek, op weg naar de kerk en bij het ontbijt hadden zij niets meer met elkander gesproken, dan wat de welvoegelijkheid vorderde en noodzakelijk scheen, om hunne tweespalt voor de bedienden en kinderen te verbergen. Tusschen hem en haar had tot hiertoe,—als iets dat vanzelf sprak en nimmer onder woorden behoefde gebracht te worden,—eene afspraak bestaan, waarop nauwelijks eene enkele maal inbreuk was gemaakt, namelijk dat de eene niets in hare kinderen prees, wat de ander afkeurenswaardig achtte, en omgekeerd.
En wat was er gebeurd in dezen nacht! Op haar streng doemvonnis was gevolgd, dat haar man den misdadiger had omhelsd. Zóo hard was zij nog bij geene gelegenheid, zóo weekhartig en teeder daarentegen was Petrus, zoo ver zij zich herinneren kon, nog nooit jegens een harer zonen geweest. Toch had zij over zich kunnen verkrijgen, haar man in het bijzijn van Polycarpus niet te weerspreken en zwijgend met hem de werkplaats te verlaten. »Als wij aanstonds in het slaapvertrek alleen zijn,” dacht zij, »zal ik hem doen gevoelen, zooals het behoort, hoezeer hij onrecht had, en zal hij zich moeten verantwoorden.”
Maar zij had dat voornemen niet uitgevoerd, want zij gevoelde, dat er in haar echtgenoot iets moest omgaan, dat zij niet begreep. Waarom anders hadden na het gebeurde, toen hij met de lamp in de hand de smalle trap afdaalde, zijne meestal zoo ernstige oogen thans zoo zacht en vriendelijk gekeken, zijne strenge lippen zoo recht gelukkig zich tot lachen kunnen plooien?
Dikwijls had hij tot haar gezegd, dat zij in zijne ziel kon lezen als in een open boek, maar zij kon zich niet verhelen, dat er in dat werk toch enkele bladzijden waren, waarvan zij den zin niet vermocht te vatten. Zonderling! Altijd en altijd weder stuitte zij op die onverstaanbare aandoeningen zijner ziel, wanneer er sprake was van afgodsbeelden en onheilige tempels der heidenen, en de ontwerpen en werken van hare zonen. Petrus was toch ook de zoon van een vroom christen. Zijn grootvader was echter een Grieksche heiden geweest, en misschien stroomde er iets van diens bloed in zijne aderen, dat haar beangstigde, daar zij het niet kon overeenbrengen met de leer van Agapitus, hoewel zij het niet waagde er tegen op te komen. Want haar man, die zoo spaarzaam was in woorden, zag er nooit zoo vroolijk en onbezorgd uit, dan wanneer hij met zijne zonen en hunne vrienden, die hen dikwijls in de oase vergezeld hadden, over deze dingen spreken kon.
Het kon toch niet iets zondigs zijn, wat het gelaat van haar echtgenoot thans weder, en juist in dit oogenblik, verjongde en verheerlijkte. »Ze zijn toch ook mannen,” zeide zij tot zichzelve, »en hebben zeker wel een en ander op ons vrouwen voor. Ziet vader er niet uit als op onzen bruiloftsdag? Polycarpus is zijn evenbeeld, dat zegt ieder. Doch wanneer ik thans den ouden man aanzie, en mij voor den geest breng hoe de jongen er straks uitzag, toen hij mij verklaarde waarom hij niet laten kon Sirona’s beeld te maken, dan moet ik toch zeggen, dat mij zulk eene gelijkenis nog in mijn leven niet is voorgekomen.”
Hij had haar vriendelijk een »goeden nacht” toegeroepen en de lamp uitgedoofd. Zij had hem gaarne een hartelijk woord gezegd, want het trof en verheugde haar, dat hij er zoo blijmoedig uitzag. Maar dat was dan toch te veel geweest, na hetgeen hij haar in de werkplaats had toegevoegd, onder het oog van haar zoon. In vroeger jaren was het niet zelden gebeurd dat zij, wanneer de een den ander had ontstemd en er twist tusschen hen geweest was, onverzoend naar bed waren gegaan. Maar hoe ouder zij werden, des te minder kwam dit voor, en sedert langen tijd had geen schaduw de volkomene eenigheid van hun huwelijksleven verstoord.
Toen zij vóor drie jaren, na het huwelijk van hun oudsten zoon, te zamen aan het venster stonden, onder het opzien naar den sterrenhemel, was Petrus dicht aan hare zijde gaan staan en had gezegd: »Zie hoe die wandelaars daarboven zoo stil en vreedzaam hunne banen beschrijven, zonder elkander ooit aan te raken of af te stooten! Zoo vaak ik eenzaam in de stilte van den nacht bij hun vriendelijk licht uit de steengroeve naar huis ging, heb ik over allerlei dingen gedacht. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin de sterren zich wild door elkander bewogen. De eene kruist den weg van den ander, en bij die botsingen zijn er misschien velen in stukken gevlogen. Toen schiep de Heer de menschen, en de liefde kwam in de wereld en vervulde hemel en aarde. De Allerhoogste gebood de sterren onze nachten te verhelderen. Thans begon iedere ster de baan van de andere te ontzien, en het gebeurde al zeldzamer dat de eene ster tegen de andere stootte, tot eindelijk ook de kleinste en snelste zich hield aan haar weg en haar uur, en het schitterende heir daarboven zoo eendrachtig was als ontelbaar. De liefde en het gemeenschappelijk doel hadden dit wonder uitgewerkt, want wie een ander liefheeft wil hem geen nadeel doen, en wie geroepen is met hulp van een ander een werk te voltooien, die hindert hem niet en houdt hem niet op. Wij beiden hebben reeds sedert lang de rechte banen gevonden, en gebeurt het soms dat de een den weg van den ander wil kruisen, dan houdt de liefde, en stellig ook onze gemeenschappelijke plicht om het levenspad der kinderen met rein licht te beschijnen, den voet terug.”
Dorothea had deze woorden niet vergeten. Zij kwamen haar voor den geest, toen Petrus haar heden zoo hartelijk de hand toestak, en terwijl zij nu hare rechterhand in die van haren echtgenoot legde, zeide zij: »Om des lieven vredes wil moge het dan goed zijn. Eén ding kan ik toch niet verzwijgen: weekhartige zwakheid is anders uw gebrek niet, maar Polycarpus zult gij toch geheel en al bederven.”
»Laat hem begaan, laten wij hem doen blijven die hij is!” hernam Petrus en kuste zijne vrouw op het voorhoofd. »Is het niet zonderling, hoe wij onze rollen verwisselen? Gisteren hebt gij mij tot zachtheid jegens den jongen aangemaand, en heden....”
»Heden ben ik strenger dan gij,” viel Dorothea hem in de rede. »Wie kón ook vermoeden dat een oude grauwbaard, even als Ezau zijn erfdeel voor een schotel met linzenbrei, voor een lachend vrouwengezicht van klei de plichten van zijn vaderlijk rechtersambt zou vergeten?”
»En wien zal het in den zin komen,” antwoordde Petrus, om in denzelfden geest van zijne vrouw te spreken, »dat eene zoo teedere moeder als gij zijt, haar lijfelijken zoon kan veroordeelen, omdat hij bezig is door eene daad, eene daad die zijn meester hem zou kunnen benijden, den vrede zijner ziel terug te vinden?”
»Ik heb het wel opgemerkt,” hernam Dorothea, »Sirona’s beeld heeft u getroffen, en gij meent dat onze jongen daar wonder wat groots heeft tot stand gebracht. Ik heb niet veel verstand van het kneden van klei en van het beeldhouwerswerk, en wil u dus niet tegenspreken. Maar indien het gezicht van het blondkopje wat minder aanvallig was, en Polycarpus eens niets bijzonders had vervaardigd, zou dat zelfs in ’t minste iets veranderen in hetgeen hij berispelijks gedaan en gevoeld heeft? Zeker niet! Maar zoo zijn de mannen, zij vragen alleen naar het gevolg.”
»En dat met alle recht,” antwoordde Petrus, »wanneer dat gevolg niet al spelende, maar door groote inspanning werd nagestreefd. Wie geeft, dien zal gegeven worden, en wien God eene ziel heeft gegeven, rijker aan kostelijke gaven dan die van anderen, wien goeden geesten helpen om het grootste tot stand te brengen, dien zal veel vergeven worden van hetgeen ook een zachter rechter ongaarne zal voorbijzien in den minder begaafde, die zich kwelt en inspant en toch niets goeds weet te voltooien. Wees nu maar weder vriendelijk tegen den jongen. Weet gij wel wat u van hem te wachten staat? Gij hebt in uw leven veel goeds gedaan en vaak wijzen raad gegeven, en ik en de kinderen en niemand in deze plaats zullen dit ooit vergeten. Maar dat gij aan Polycarpus het aanzijn hebt gegeven, daarvoor, verzeker ik u, zullen de besten u danken, die thans en in volgende eeuwen zullen geboren worden!”
»En dan wil men beweren,” sprak Dorothea, »dat elke moeder vier oogen heeft voor de bijzondere gaven harer kinderen. Is dit waar, dan hebben de vaders er zeker tien, en gij wel zooveel als die Argus, van wien de heidensche sage vertelt.... Maar daar komt Polycarpus.”
Petrus ging zijn zoon te gemoet en gaf hem de hand, doch zeker op eene andere wijze dan gewoonlijk. Ten minste het scheen Dorothea toe, als ontving haar echtgenoot den jongeling niet gelijk te voren als vader en heer, maar als een vriend, die een met hem gelijkstaand vriend en ambtgenoot begroet.
Zoodra Polycarpus ook haar groette, kleurde zij tot over de ooren, want in haar gemoed ontwaakte de vrees, dat haar zoon haar voor onbillijk en dwaas zou houden, wanneer hij aan den avond van gisteren dacht. Weldra kwam zij weder tot die kalmte en zekerheid, die haar eigen waren, toen Polycarpus bleek geheel de oude te zijn, en zij las in zijne oogen, dat hij voor haar hetzelfde gevoelde als gisteren en altijd. »De liefde,” dacht zij, »wordt door het onrecht niet uitgebluscht, gelijk vuur door water. Ze vlamt nu eens meer, dan weer minder helder op, al naar den stand van den wind, maar niets kan haar geheel verstikken, ja zelfs de dood niet.”
Polycarpus was op den berg geweest, en Dorothea was geheel gerustgesteld, toen hij vertelde wat hem derwaarts had gevoerd. Reeds lang had hij plan gehad een Mozes te ontwerpen. Toen hij gisteren zijn vader had verlaten, bleef hem het beeld van den verheven, waardigen man onafgebroken voor den geest staan. Hij meende het rechte model voor zijn werk ontdekt te hebben. Hij wilde en moest vergeten, en gevoelde dat hij het eerst zou kunnen, wanneer hij een doel vond, dat in staat zou zijn om zijne verarmde ziel opnieuw te vervullen. De gestalte van den grooten godsman, dien hij in beeld wilde brengen, stond nog slechts in zeer onbestemde omtrekken voor zijn geest. Eene onweerstaanbare kracht had hem naar buiten gedreven, naar de plaats der samenspreking, waar volgens de overlevering de Heer met Mozes had gesproken, werwaarts vele pelgrims ter bedevaart gingen. Polycarpus was daar lang gebleven, want zoo ergens, dan zou hij daar, waar de wetgever zelf gestaan had, de ware bezieling ontvangen.
»En hebt gij uw doel bereikt?” vroeg Petrus.
Polycarpus schudde ontkennend het hoofd.
»Ga dan meermalen naar die heilige plaats, dan zult gij er langzamerhand komen,” zeide vrouw Dorothea. »Het begin is altijd het moeilijkste. Vang maar dadelijk aan met te beproeven het hoofd uws vaders te vormen!”
»Daarmede heb ik vroeger reeds een begin gemaakt,” antwoordde Polycarpus. »Doch ik ben nog te vermoeid van den afgeloopen nacht.”
»Gij ziet er ook bleek uit en er liggen schaduwen onder uwe oogen,” sprak Dorothea bezorgd. »Ga naar boven en leg u wat ter ruste. Ik volg u op den voet, om u een beker ouden wijn te brengen.”
»Dat zal hem geen kwaad doen,” zeide Petrus, en dacht bij zichzelven: »Een dronk uit den Lethe-stroom zou hem nog beter bekomen.”
Toen de senator zijn zoon een uur later in zijne werkplaats opzocht, vond hij hem slapende, en op de tafel stond de wijn onaangeroerd. Petrus legde zacht de hand op het voorhoofd van zijn kind, bevond dat het koel was en hij dus geen koorts had. Vervolgens liep hij voorzichtig naar Sirona’s beeld, lichtte de doek op, waarmede het bedekt was, en bleef in beschouwing verdiept lang daarvoor staan. Eindelijk ging hij terug, na het beeld weder gedekt te hebben, en nam de kleimodellen, die op eene aan den wand hangende plank stonden. Eene kleine vrouwelijke figuur trok in het bijzonder zijn aandacht, en toen hij van bewondering in de handen klapte, werd Polycarpus wakker.
»Dat is het beeld van de godin van het noodlot, dat is eene Tyche,” zeide Petrus.
»Word niet boos, vader,” smeekte Polycarpus. »Gij weet immers dat in de hand van het standbeeld des keizers, dat voor het nieuwe Constantinopel bestemd is, de figuur van eene Tyche zal worden geplaatst, en daarom heb ik ook getracht de godin te vormen. Het gewaad en de houding der armen, dacht ik, zijn mij gelukt, maar de kop is slecht uitgevallen.”
Petrus, die hem opmerkzaam had aangehoord, richtte onwillekeurig zijn oog op het hoofd van Sirona, en Polycarpus volgde verrast en bijna met schrik zijne blikken. Vader en zoon verstonden elkander, en de laatste zeide: »Daaraan heb ik ook reeds gedacht.” Daarop zuchtte hij diep en smartelijk, en zeide tot zichzelven: »Waarlijk, zij is voor mij de godin van het noodlot.” Maar hij waagde het toch niet dit uit te spreken.
De zucht van den jonkman was Petrus niet ontgaan, daarom zeide hij: »Laten wij dit rusten. Dit hoofd glimlacht met vroolijke lieftalligheid, en het aangezicht der godin, die zelfs de daden der hemelsche goden beheerscht, moet gestreng en ernstig zijn.”
Toen kon Polycarpus zich niet langer inhouden, en riep: »Ja, vader, vreeselijk is het noodlot, en toch beeld ik de godin af met een glimlach op de lippen, want dat is juist het ontzettendste in haar wezen, dat zij niet handelt naar ernstige wetten, maar lachend haar spel met ons speelt.”