TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Paulus zat voor het hol, dat Sirona en Polycarpus geherbergd had, en keek de fakkels na, wier licht al kleiner en kleiner scheen te worden, terwijl de dragers afdaalden naar het dal. Zij verlichtten den weg voor den gewonden beeldhouwer, die gezeten in den draagstoel zijner moeder, door zijn vader en zijne zuster Marthana begeleid, naar de oase werd gedragen.
»Nog een uur,” dacht de Anachoreet, »en de moeder heeft haar zoon weder; nog eene week en Polycarpus staat van zijn bed op; nog een jaar, en dan herinnert alleen nog een litteeken en misschien een kus, die hij op de roode lippen van de Gallische drukt, hem aan den dag van gisteren. Ik zal dien echter niet zoo gemakkelijk vergeten. De ladder, waaraan ik jaren lang getimmerd heb, langs welke ik tot den hemel dacht te stijgen, en die mij zoo hoog en zeker toescheen, ligt daar in stukken gebroken, en de hand die haar versplinterde, was die mijner eigene zwakheid. Het komt mij voor als oefende deze mijne zwakheid grooter invloed uit, dan wat wij inwendige kracht noemen, want wat de laatste in jaren opbouwt, verstoort de eerste in ééne minuut. In zwakheid alleen ben ik een reus.”
Paulus trok bij de laatste woorden huiverend zijne leden samen, want de koude beving hem. In dien vroegen morgen, toen hij de schuld van Hermas op zich nam, had hij de gelofte gedaan het schaapsvel te zullen afleggen, en zijn lichaam, dat aan de warme vacht gewoon was, en waarin, sedert de buitengewone inspanningen, het nachtwaken en de aandoeningen der laatste dagen, het heete bloed zich koortsachtig snel bewoog, leed hevig pijn. Rillende van kou trok hij zijn kleed steviger om de leden, en prevelde in zichzelven: »Ik ben te moede als een schaap, dat men midden in den winter de wol van het lijf geschoren heeft. Nu gloeit mij weder het hoofd, als ware ik een bakker en moest ik het brood uit den oven halen. Een kind zou mij omver kunnen werpen, en de oogen vallen mij toe. Ik mis zelfs de kracht, om door het gebed weder tot mijzelven te komen, dat ik zoo noodig heb. Ik heb zeker wel het goede doel voor oogen, maar zoodra ik dit nader schijn te komen, wordt het mij weder ontrukt door mijne zwakheid, evenals de wind den tak met de vruchten wegrukt, waarnaar de dorstende Tantalus grijpt. Uit de wereld heb ik mijn toevlucht genomen op dezen berg, en de wereld is mij achterna gevlogen, en heeft mij hare strikken om de voeten geworpen. Ik moet een nog eenzamer woestijn opzoeken, waarin ik alleen ben, geheel alleen met mijn God en mijzelven. Daar vind ik misschien den weg dien ik zoek, wanneer niet zeker iemand, namelijk mijn eigen Ik, waarin de geheele wereld in het klein zich vertoont met al hare verleidingen, mij vergezelt en ook ditmaal weder al mijn arbeid vruchteloos maakt. Wie zichzelven in de woestijn medeneemt, is toch niet alleen.”
Paulus slaakte een diepe zucht en dacht verder: »Wat was ik toch trotsch, toen ik in Hermas’ plaats een proefje had gehad van den geesel des Galliërs! Vervolgens ging het mij als een beschonkene, die trede voor trede van de trappen valt. Ook de arme Stephanus struikelde, en was toch reeds zijn doel zoo nabij. Hem ontbrak de kracht om te vergeven, en de senator die mij zoo even verliet, en wiens onschuldigen zoon ik toch zoo deerlijk gewond heb, gaf mij bij het scheiden de hand der verzoening. Ik kon het hem aanzien dat hij mij van ganscher harte vergeven had. En deze Petrus staat midden in het leven, en geeft zich van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat met wereldsche dingen af.”
Een tijdlang keek hij nadenkend voor zich, daarna ging hij met zijne alleenspraak voort: »Hoe was die geschiedenis ook weer die de oude Serapion mij vertelde? In de Thebaïs woonde een boeteling, die meende zeer godzalig te leven en al zijne metgezellen in strenge deugd ver overtrof. Toen droomde hij eens, dat er in Alexandrië iemand gevonden werd, die nog volmaakter was dan hij. Phabis zoo heette hij, was een schoenmaker, en woonde in de Witte straat aan de haven Kibotos. De Anachoreet wandelde terstond naar de hoofdstad, vond den schoenmaker, en toen hij hem met belangstelling vroeg: ‘Hoe dient gij den Heer? Welk een levenswijze leidt gij?’ gaf hij verbaasd ten antwoord: ‘Ik? Wel, als mijn Heiland. Ik werk van vroeg tot laat en zorg voor de mijnen, en bid ’s morgens en ’s avonds met weinige woorden voor de geheele stad!’—Petrus meen ik, is zulk een Phabis. Maar er leiden vele wegen tot God, en wij en ik....”
Wederom verstoorde eene rilling zijn denken, en het werd terwijl de morgen begon aan te breken, zoo gevoelig koud, dat hij beproefde een vuur te ontsteken.
Terwijl hij met moeite de kolen aanblies, kwam Hermas bij hem. Deze had van hen, die Polycarpus wegbrachten, vernomen, waar hij Paulus vinden zou, en toen hij nu tegenover zijn vriend stond, vatte hij zijne hand, streelde hij zijne ruwe haren, en dankte hij hem teeder en diep ontroerd voor het zware offer, dat hij voor hem had gebracht, toen hij de onteerende straf voor zijn misdrijf op zich genomen had.
Paulus wees alle medelijden en dank kortweg af, en sprak vervolgens met Hermas over zijn vader en zijne toekomst tot het dag was geworden, en de jongeling zich gereed maakte naar de oase te gaan, ten einde de afgestorvenen de laatste eer te bewijzen. Op zijn verzoek om hem te vergezellen, antwoordde Paulus: »Neen, neen, thans niet, thans niet; want indien ik nu met menschen in aanraking kwam, sprong ik zeker uit elkander, evenals een versleten zak vol gistende wijn. In mijn hoofd gonst een bijenzwerm, en mijn borst is een mierenhoop geworden. Ga nu heen en laat mij alleen.”
Na de begrafenis nam Hermas van Agapitus, Petrus en Dorothea vriendelijk afscheid en keerde daarna tot den Alexandrijn terug, met wien hij zich naar het hol begaf, waarin de gestorvene zoolang met hem had gewoond. Hier overhandigde Paulus hem den brief zijns vaders aan zijn oom en sprak tot hem op liefderijker toon, dan ooit te voren.
Dien nacht legden beiden zich op de bekende legersteden neder, maar noch de een noch de ander kon rusten of slapen. Van tijd tot tijd prevelde Paulus zacht maar zeer smartelijk: »Te vergeefs, alles te vergeefs,” en eindelijk: »Ik zoek, ik zoek, maar wie wijst mij den weg?”
Vóor de dag aanbrak stonden beiden op. Hermas daalde nog eens af naar de bron, knielde daarbij neder, en dacht bij het afscheid nemen aan zijn vader en de wilde Mirjam. Herinneringen van allerlei aard doken in zijne ziel op, en zoo groot is de verheerlijkende macht der liefde, dat hem de beeltenis van de armzalige bruine herderin duizendmaal schooner toescheen dan die van de schoone vrouw, die de ziel van een groot kunstenaar in verrukking bracht.
Kort na zonsopgang bracht Paulus hem naar het visschersvlek, en wel tot den Israëliet, die de zaakwaarnemer was van het huis zijns vaders, liet hem rijkelijk van goud voorzien en geleidde hem tot aan het kolenschip, dat hem naar Klysma zou overbrengen.
Het afscheid viel hem zeer zwaar. Toen Hermas zijne oogen vol tranen zag en voelde dat zijne handen beefden, zeide hij: »Bekommer u niet om mij, Paulus; wij zien elkander weder, en ik zal u zoowel als mijn vader gedenken.”
»En uwe moeder,” voegde de ander er bij. »Ik zal u wel missen; maar dat wat ik zoek is juist het lijden. Als het iemand gelukte het leed der gansche wereld zich toe te eigenen, en als hij bij elke ademtocht een smart door zijne ziel voelde gaan, hoe zou deze niet smachtend uitzien naar een wenk des Verlossers?”
Hermas viel hem weenend om den hals, en hij verschrikte toen de gloeiende lippen van den Anachoreet zijn voorhoofd aanraakten.
Eindelijk haalden de matrozen de touwen in. Toen keerde Paulus zich nog eens naar den jongeling om en zeide: »Gij gaat nu uw eigen weg. Vergeet dezen heiligen berg niet en bedenk ook dit nog: Van alle zonden zijn deze drie de zwaarste: valsche goden te dienen, zijns naasten vrouw te begeeren, en de hand tot doodslag op te heffen. Hoed u voor deze! En van alle deugden zijn er twee, schijnbaar de geringste en toch de grootste: waarheid en deemoed. Deze zult gij ter harte nemen. Van alle vertroostingen zijn deze twee de beste: Het bewustzijn dat men het goede wil, hoe vaak men ook uit menschelijke zwakheid moge dwalen en struikelen, en het gebed.”
Nog eens omarmde hij den scheidende, en ging toen over den zandigen oever naar den berg, zonder zich om te keeren.
Hermas zag hem lang met groote bezorgdheid na, want zijn sterke vriend waggelde als een beschonkene, en drukte vaak de hand tegen zijn voorhoofd, dat zeker niet minder heet was dan zijne lippen.
De jonge krijgsman heeft den berg en Paulus nooit wedergezien, maar wel, nadat hijzelf in het leger roem had verworven en tot aanzien was gestegen, Petrus’ zoon, Polycarpus, dien de keizer met groote onderscheiding naar Byzantium had geroepen, en wiens huis bestuurd werd door de Gallische Sirona, als eene trouwe gade en moeder.
Paulus was, nadat hij van Hermas afscheid genomen had, verdwenen. Lang werd hij vruchteloos gezocht door de andere Anachoreten en den bisschop Agapitus, die van Petrus vernomen had, dat de Alexandrijn onschuldig was bestraft en uitgebannen, en hem nu met zijn eigen mond vergeving en troost wilde brengen. Eindelijk, na tien dagen, vond hem de Saïet Orion in een ver afgelegen hol. De engel des doods had hem weinige uren geleden onder het gebed opgeroepen, want hij was ter nauwernood koud. Knielend leunde hij nog met het voorhoofd tegen den rotswand, en zijne uitgeteerde handen waren saamgevouwen om den ring van Magdalena. Toen zijne metgezellen hem op de baar gelegd hadden, lag er een edel en vriendelijk lachje op zijn rein en verheerlijkt gelaat.
Verwonderlijk snel werd het gerucht van zijn dood verspreid in de oase, in het visschersvlek, in alle Anachoretenholen wijd en zijd in den omtrek, en zelfs in de hutten der Amalekieten. Onafzienbaar was de rij dergenen, die hem naar zijn laatste rustplaats volgde. De bisschop Agapitus ging met de oudsten en diakenen vooruit, en achter hen volgden Petrus met zijne vrouw en de zijnen, waartoe ook Sirona behoorde.
De in beterschap toenemende Polycarpus legde als een zoenoffer een palmtak op zijn graf, dat door zoovelen, wier ellende hij in stilte verzacht had, en weldra ook door alle boetelingen van heinde en verre als eene bedevaartplaats bezocht werd.
Petrus richtte een gedenksteen bij zijn graf op, waarin Polycarpus deze woorden beitelde, die Paulus’ bevende vinger vóor zijn dood met een kool aan den wand van zijn hol had geschreven: