WeRead Powered by ReaderPub
Homo sum: Roman cover

Homo sum: Roman

Chapter 9: ACHTSTE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A desert-set narrative follows a contemplative community built around a solitary ascetic who accepts exile intended for another and remains silent until the true culprit confesses. The story functions as a psychological and moral study of self-denial, apathy, conscience, and the motives that drive resignation and sacrifice. Vivid depictions of caves, oases, and ritual solitude frame small-group interactions, and doctrinal disputes are left in the background as the author probes inner life and ethical tensions rather than offering a historical account.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Het was een kostelijke verfrisschende avond. De volle maan verhief zich statig aan het donkerblauw gewelf van den nachtelijken hemel, en goot een stroom van licht over de koele aarde uit. Maar de lichtkracht harer zilveren stralen was niet sterk genoeg om den fijnen blauwachtigen sluier op te heffen, die de reuzenmassa van den heiligen berg omhulde.

Daarentegen trad de oasen-stad geheel uit de duisternis te voorschijn. De breede weg van de hoofdstraat viel den wandelaar, die van de hoogte afdaalde, dadelijk in het oog als een wit marmeren baan, en de pas gepleisterde wanden van de nieuwe kerk kwamen zoo schitterend uit, als op den vollen middag. De schaduwen der huizen en palmen lagen als donkere stukken tapijt over den weg, die niet zeer bevolkt was, niettegenstaande de avondkoelte, die anders de burgers naar buiten lokte.

Door de geopende vensters van de kerk klonk het gezang van mannen en vrouwen. Thans ging de deur open, en de christelijke Pharanieten, die hier het avondmaal hadden gevierd met brood en den kelk, die van hand tot hand ging, kwamen buiten. Vóor de ouderlingen en diakenen, de voorlezer en de zangers, de akolyten en de geheele geestelijkheid van de plaats, liep de bisschop Agapitus. De leeken werden voorafgegaan door het opperhoofd van de oase, Obedianus, en den senator Petrus. De laatste werd vergezeld door zijne vrouw, zijne volwassene kinderen en een aantal slaven.

Het kerkje was reeds leeg, toen de deurwachter, die de kaarsen uitdoofde, in een donkeren hoek van het voorportaal, dat voor de boetelingen bestemd was, en waarin eene altijd springende bron ruischte, een man gewaar werd, die roerloos op den grond zat neergehurkt, diep in het gebed verzonken. Eerst toen hij hem aanriep en met zijn lampje in het gelaat lichtte stond hij op.

De deurwachter sprak hem eerst toe met harde woorden; toen hij echter in den achterblijvenden Anachoreet Paulus uit Alexandrië herkende, veranderde hij van toon, en vroeg hij vriendelijk, bijna onderdanig: »Wil nu niet langer bidden, vrome man! De gemeente heeft de kerk verlaten, en ik moet haar sluiten ter wille van ons fraai nieuw kerkgereedschap en die heidensche roovers. Het is mij reeds bekend, dat de broeders van Raïthoe u tot hun presbyter kozen, en dat hunne gezanten u hebben bekend gemaakt met den hoogen eer, die u te beurt viel. Zij hebben ook onze kerk bezichtigd en zeer bewonderd. Vertrekt gij dadelijk daarheen, of viert gij de hooge feesten nog met ons?”

»Dat zult gij morgen vernemen,” antwoordde Paulus, die zich had opgericht en leunde tegen een der pijlers van de smalle, naakte ruimte voor de boetelingen. »In dit huis woont Een, aan wien ik raad wil vragen. Ik bid u, laat mij alleen. Zoo gij wilt, sluit dan de deur en laat er mij na eenigen tijd, eer gij ter ruste gaat, weder uit.”

»Dat kan ik niet doen,” antwoordde de andere bedenkelijk. »Mijne vrouw is ziek, en mijn huis ligt ver van hier aan het einde van het vlek, bij de kleine poort. Ook moet ik heden den sleutel nog brengen bij den senator Petrus, wiens zoon, de bouwmeester Antonius, morgen vroeg wil beginnen met het nieuwe altaar op te stellen. De arbeiders komen tegen zonsopgang, en wanneer....”

»Laat mij den sleutel zien,” viel Paulus hem in de rede. »Tot welk een zegen kan zulk een klein ding den toegang sluiten of wel openen! Weet ge wat, vriend; wij kunnen, meen ik, elkander helpen. Gij gaat naar uwe zieke vrouw, en ik breng den sleutel, wanneer ik mijn gebed voleindigd heb, naar den senator.”

De portier bedacht zich een oogenblik, en willigde toen de bede van den toekomstigen presbyter van Raïthoe in, ofschoon hij hem verzocht toch niet lang te vertoeven. Toen hij het huis van den senator voorbijging, rook hij de geur van gebraden vleesch. Hij was een arm man en dacht bij zichzelven: »Deze vast als hij er lust in heeft; wij vasten ook, maar wanneer wij het liefst niet zouden doen.”

De heerlijke geur, die deze klacht in hem had doen oprijzen, werd veroorzaakt door het braden van een hamel, die heden voor alle huisgenooten van den senator, als een feestschotel, zou worden opgedragen. Zelfs de slaven namen aan dezen laten maaltijd deel. Petrus en vrouw Dorothea zaten, naar Grieksche gewoonte, in een half liggende houding naast elkander op eene eenvoudige rustbank. Vóor hen stond eene tafel, waaraan niemand anders gezeten was, waarbij zich echter de zetels voor de volwassene kinderen des huizes onmiddellijk aansloten. De slaven zaten dichter bij de deur op den grond neergehurkt, en verdrongen zich in twee kringen om een tweetal rookende schotels, waaruit zij met de vlakke hand de bruinachtige linzenbrei aten. Naast ieder lag een rond grauw brood, dat eerst gebroken werd, nadat de hofmeester Jethro den hamel gesneden en verdeeld had. Aan Petrus en de zijnen werden de malsche stukken van den rug en de schenkels van het dier aangeboden om te kiezen; voor de slaven legde de hofmeester echter eene snede op ieders brood, voor de mannen eene grootere, voor de vrouwen eene kleinere. Menigeen zag zeker met nijd naar de lekkere stukken van zijne meer begunstigde dischgenooten. Doch hij, die het karigst bedeeld werd, mocht niet klagen. Het was den slaven slechts geoorloofd te spreken, wanneer de heer hen iets gevraagd had, en Petrus verbood zelfs zijne kinderen over de spijzen een goed- of afkeurend oordeel te vellen.

Te midden van de dienstboden zat ook Mirjam neergehurkt. Zij at altijd weinig, en van vleesch had zij een afkeer. Daarom schoof zij het stuk van de rib, dat men haar gegeven had, een ouden tuinman toe, die tegenover haar zat, en haar dikwijls eene vrucht of wat honing schonk; want Mirjam hield van zoetigheid.

Petrus sprak heden met de slaven in het geheel niet, en met de zijnen maar zeer weinig. Vrouw Dorothea merkte niet zonder bezorgdheid de diepe rimpels op tusschen zijn ernstige oogen, en hoe hij de lippen vast op elkaar klemde, wanneer hij, de spijzen vergetende, in gedachten zat verzonken.

Het maal was geëindigd, maar hij verroerde zich niet en hem ontgingen de vragende blikken, die uit veler oogen op hem geslagen werden. Niemand waagde het op te staan, alvorens de heer daartoe het teeken had gegeven.

Het ongeduldigste van alle aanwezigen volgde Mirjam zijne bewegingen. Zij schoof onrustig heen en weer; het brood, dat zij overgelaten had, met hare spitse vingers verkruimelende. Nu eens versnelde zich hare ademhaling, dan weder scheen deze geheel stil te staan.

Zij had de deur van den hof hooren kraken en de schreden van Hermas herkend. »Hij zoekt den heer des huizes; weldra zal hij binnentreden en mij onder dezen hier vinden,” dacht zij, streek onwillekeurig met hare hand over de verwilderde haren, om ze wat gelijk te maken, en wierp een blik, waarin zoowel haat als verachting was gelegen, op de andere slaven.

Maar Hermas verscheen niet. Zij dacht er geen oogenblik aan, dat haar oor haar bedrogen kon hebben. Wachtte hij thans aan de deur, tot het maal zou zijn afgeloopen? Gold zijn laat bezoek de Gallische, tot wie zij hem gisteren weder had zien gaan met de wijnkruik? Sirona’s echtgenoot, Phoebicius, dat wist zij, was op den berg en offerde daar aan Mithras met zijne gezellen, bij het licht der volle maan, in een hol, dat haar sedert lang bekend was. Zij had den Galliër gezien, toen hij, gedurende de avond-godsdienstoefening, den hof verliet met eenige soldaten. Twee van dezen hadden hem een grooten kist, waaruit het hengsel van een verbazend grooten mengketel stak, benevens een zak vol water en allerlei gereedschap nagedragen. Zij wist dat deze mannen den ganschen nacht in de Mithras-grot zouden vertoeven, en daar »den jongen god,” de opgaande zon, met vreemde ceremoniën begroeten. Meer dan eenmaal toch had de nieuwsgierige herderin hen beluisterd, wanneer zij, vóor het krieken van den morgen, met hare geiten het gebergte optrok, en haar ter oore was gekomen, dat de Mithras-dienaars hun nachtelijk feest vierden.

Daar viel haar opeens in dat Sirona alleen was, en dat het late bezoek van Hermas misschien haar en niet den senator gold. Zij schrikte; haar hart deed haar pijn, en gelijk altijd, wanneer eene heftige gemoedsbeweging haar aangreep, werd zij door haren hartstocht medegesleept, zoodat zij alle heerschappij verloor over haren wil. Zij sprong overeind en stond reeds bij de deur, toen de stem van den senator haar terughield, om haar het onbetamelijke van haar gedrag onder het oog te brengen.

De kranke dien zij verpleegde lag nog altijd met de koorts, een gevolg van de ontsteking der wond. Zij wist dat zij alle berisping zou ontgaan, wanneer zij op de strenge vraag van haar meester zou antwoorden, dat Anubis haar hulp noodig had. Doch zij had nog nooit gelogen, en trotschheid verbood haar ook onwaarheid te zeggen. De andere slaven verschrikten toen zij den senator ten antwoord gaf: »Ik kan het hier niet uithouden. De maaltijd duurt zoo lang!”

Petrus keek door het venster naar buiten, en toen hij bemerkte hoe hoog de maan reeds stond, schudde hij het hoofd, als verwonderde hij zich over zichzelven, sprak zonder verdere berisping het dankgebed uit, gaf den slaven door een teeken te verstaan, dat zij de zaal konden verlaten en trok zich in zijn kamer terug, nadat hij zijne kinderen, waaronder alleen Polycarpus werd gemist, eene nachtkus had gegeven.

Hij bleef er niet lang alleen, daar Vrouw Dorothea, nadat zij met hare dochter Marthana en den hofmeester alle beschikkingen had gemaakt voor den volgenden dag, en in het slaapvertrek harer jongste kinderen een vriendelijken blik had geslagen op hen, die daar zoo vreedzaam sluimerden, hier een dekje, daar een klein hoofdkussen recht schikkende—den drempel van zijn vertrek overschreed en hem bij den naam riep.

Petrus bleef staan, keek om, en uit zijne ernstige oogen stroomde thans zijne gade eene overvloed van dankbare teederheid tegemoet.

Dorothea kende het goede hart van den strengen man en knikte hem toe, ten teeken dat zij hem begreep. Doch eer zij tijd had om te spreken, zeide hij: »Kom maar dichter bij! Het drukt mij hier zwaar, en uw deel van den last mag u niet ontgaan.”

»Geef het dan maar hier,” haastte zij zich te zeggen. »Het slanke meisje is eene breed geschouderde vrouw geworden, zoodat het haar lichter zal vallen haren heer de velerlei lasten des levens te helpen dragen. Maar ik ben inderdaad zeer bezorgd. Reeds vóor wij naar de kerk gingen is u iets onaangenaams bejegend, en dat niet alleen in de raadsvergadering. Er moet met de kinderen iets niet in orde zijn.”

»Wat gij toch voor oogen hebt!” zeide Petrus.

»Leelijke, grijze,” hernam Dorothea, »en ze zijn niet eens bijzonder scherp. Maar wat ulieden aangaat, de kinderen en u, dat kunnen zij in donker waarnemen. Gij zijt over Polycarpus niet tevreden. Gisteren, toen hij naar Raïthoe reed, hebt gij hem aangezien, zoo...zoo...ja, hoe zal ik het zeggen! Ik kan mij wel begrijpen waarover het is, maar ik geloof dat gij u noodeloos ongerust maakt. Hij is jong, en eene zoo wonderschoone vrouw als Sirona....”

Petrus had tot hiertoe zijne vrouw zwijgend aangehoord. Thans vouwde hij de handen samen en zeide, haar in de rede vallende: »Waarlijk dat grenst aan het ongeloofelijke;—maar ik moest daar al aan gewend zijn. Wat ik u in eene stille ure wilde toevertrouwen, dat vertelt ge mij, alsof het eene lang bekende zaak was.”

»Waarom ook niet?” vroeg Dorothea. »Wanneer gij een twijgje op den boom ent en het is er goed ingegroeid, dan voelt het ook de snede van den zaag, die den boom doorsnijdt, en de verkwikking van de bron, die zijne wortels besproeit, alsof het zelf dit leed en deze vreugde had ondervonden. Gij zijt de boom en ik het twijgje, en de wonderkracht van het huwelijk heeft uit u en mij een geheel gemaakt. Als uw hart slaat, klopt ook het mijne; uw denken is het mijne geworden, en daarom weet ik ook altijd eer gij het mij zegt, wat er in uwe ziel omgaat.”

In Dorothea’s goedige oogen blonk bij deze woorden een traan; doch Petrus greep met hartelijkheid hare beide handen en zeide: »En wanneer de oude knorrige stam menigmaal eene zoete vrucht draagt, dan heeft hij het te danken aan het twijgje. Ik kan niet gelooven, dat die Anachoreten daar boven den Heer bijzonder welgevallig zijn, omdat zij in de eenzaamheid leven. De man wordt eerst volmaakt mensch door vrouw en kind, en wie deze niet bezit, hij leert nooit de helderste hoogten en de donkerste diepten des levens kennen. Zoo de man al wat hij is en wat hij vermag voor iets kan geven, dan is het voor zijn eigen huis.”

»Voor ons huis,” hernam Dorothea, »hebt gij dit naar uw vermogen gedaan.”

»Voor ons huis,” herhaalde Petrus op vasten toon, terwijl zijne zware stem klonk in al hare volheid. »Twee zijn sterker dan éen, en hoe lang is het toch wel geleden, sedert wij verleerd hebben bij alle vragen, die op het gezin en de kinderen betrekking hebben, ‘ik’ te zeggen. In beide opzichten heeft men ons heden getroffen.”

»Wil de senaat dan geen deelnemen aan het aanleggen van den weg?”

»Neen! De Bisschop Agapitus heeft den doorslag gegeven. Ik behoef het u niet te zeggen, in welke verhouding wij tot elkander staan. Ik wil geen kwaad van hem spreken, want hij is een rechtschapen man; maar in vele dingen zullen wij elkander nooit begrijpen. Zooals gij weet, was hij in zijne jeugd soldaat, en zijne vroomheid heeft wat ruws, ik zou haast zeggen krijgshaftigs. Als het naar zijn zin was gegaan, en ons opperhoofd Obedianus mij niet had bijgestaan, dan zouden wij geen enkel beeld in de kerk hebben, die er dan zou uitzien als een schuur en niet als een bedehuis. Wij hebben elkander nooit kunnen verstaan, en sedert ik mij tegen zijn wensch, om Polycarpus tot priester op te leiden, heb verzet; sedert ik den jongen, die waarlijk reeds als kind beter teekende dan menig meester in dezen ellendigen tijd, waarin geen groote kunstenaars geboren worden, bij den beeldhouwer Thalassius in de leer bracht, spreekt hij over mij alsof ik een heiden ben.”

»En toch acht hij u hoog, dat weet ik,” hernam vrouw Dorothea.

»Gaarne betaal ik hem met dezelfde munt,” antwoordde Petrus. »Dat wat hem van mij vervreemdt is waarlijk niet iets laags. Hij waant het zuiver geloof alleen te bezitten, en daarvoor te moeten strijden. Hij noemt de werken der kunstenaars heidensche gruwelen. Die nimmer de louterende kracht van het schoone ondervonden heeft, meent dat elke afbeelding tot afgoderij voert. Polycarpus’ engelen en diens goede herder mochten zijne goedkeuring nog wegdragen, maar over de leeuwen geraakte de oude krijgsman in woede. Hij noemde ze vervloekte afgoden en duivelswerk.”

»Maar ook in den tempel van Salomo waren leeuwenbeelden te zien,” sprak Dorothea.

»Dat juist wierp ik hem tegen, en verder nog, dat men in de catecheten-scholen en in de stichtelijke dierkunde die wij bezitten, den Heiland zelven bij een leeuw vergelijkt; dat ook Markus de evangelist, die het evangelie des Heeren naar Alexandrië overbracht, met een leeuw wordt afgebeeld. Maar hij bestreed mij steeds heftiger, op grond dat de werken van Polycarpus bestemd zijn niet om eene heilige plaats, maar het Caesareum te versieren. Want hij ziet daarin niets anders dan een heidensch gebouw, en de schoone werken der Grieken, die daar bewaard worden, noemt hij ellendige fratsen, waarmede de Satan de harten der christenen verleidt. De andere senatoren verstaan zijne onbeschaafde taal, maar mijne redenen niet, en daarom vielen zij hem bij en werd mijn voorstel om den weg aan te leggen verworpen, op grond dat het eene christelijke gemeente niet betaamt de afgoderij in de hand te werken, en wegen te banen voor den duivel.”

»Ik kan het u aanzien, dat gij hun scherp te woord hebt gestaan.”

»Dat geloof ik wel,” ging Petrus voort met neergeslagen oogen. »Er zal menig hard woord gevallen zijn, en dat liet men mij ontgelden. Agapitus was bijzonder ontevreden. Hij toonde een verslag der diakenen met mijne rekening en verantwoording. Zij misprezen het zeer, dat gij evenveel brooden aan heiden- als aan christengezinnen had uitgedeeld. Dat is nu wel waar, maar...”

»Maar,” vervolgde Dorothea levendig, »de honger kwelt de ongedoopten evenzeer. Hunne christelijke buren ondersteunen hen niet, en zij zijn toch ook onze naasten. Ik zou mijn ambt al zeer slecht uitoefenen, wanneer ik ze liet verhongeren, omdat zij den besten troost moeten ontberen.”

»Toch,” zeide Petrus, »besloot de raad, dat gij in het vervolg hoogstens een vierde deel van het u toegewezen graan voor hen zoudt besteden. Gij behoeft niet te schrikken. Wat vroeger van het onze verkocht werd, zal voortaan ter uwer beschikking zijn. Gij zult voortaan aan geen van uwe pleegkinderen een enkel brood onthouden. Doch wat de aanleg van den weg betreft, dat kan nog een poos duren. Er is echter geen haast met de voltooiing, want Polycarpus zal toch bij ons zijne leeuwen moeielijk kunnen afwerken. Die arme knaap! Met welk eene liefde heeft hij de modellen van klei gevormd, en hoe wonderbaar is het hem gelukt de houding der koninklijke dieren weder te geven! Het was alsof de geest van de oude meesters van Athene hem bezielde. Wij zullen nu eens overleggen, of zich te Alexandrië niet....” »Beproeven wij liever terstond,” zeide zijne vrouw hem in de rede vallende, »Polycarpus over te halen om deze modellen te laten liggen en andere meer heilige werken uit te voeren. Agapitus ziet scherp, en die heidensche werken gaan den jongen al te zeer ter harte.”

Bij de laatste woorden fronsde de senator het voorhoofd, en zeide niet zonder opgewondenheid: »Niet alles wat de heidenen hebben gemaakt, is te verwerpen. Polycarpus moet ernstig en voortdurend aan het werk blijven, want hij richt zijn oogen op iets, waarvan zij afgewend moeten blijven. Sirona is de vrouw van een ander, en men mag ook niet uit scherts de vrouw van zijn naasten voor zich trachten te winnen. Acht gij de Gallische in staat haar plicht te verzaken?”

Dorothea aarzelde; na een oogenblik nadenkens antwoordde zij: »Zij is een schoon en ijdel kind, ja een kind! Ik denk daarbij aan hare geheele manier van zijn, niet aan haar ouderdom, ofschoon zij inderdaad de kleindochter kon zijn van den wonderlijken man, voor wien zij geen liefde of achting, neen, niets dan afkeer gevoelt. Wat het is weet ik niet, maar reeds in Rome moet hij haar iets ontzettends voorgesteld hebben, en ik doe maar geen pogingen meer om haar hart gunstig voor hem te stemmen. In alle andere dingen is zij gevoelig en laat zij zich gemakkelijk leiden, en dikwijls kan ik mij niet begrijpen, hoe zij zoo uitgelaten kan zijn, wanneer zij met de kinderen speelt. Gij weet toch hoe de kleinen, zelfs Marthana aan haar gehecht zijn. Ik wenschte wel dat zij eene christin was, want ook ik, waarom zou ik het verzwijgen, heb haar lief. Men kan in hare tegenwoordigheid niet droefgeestig zijn. Zij is mij genegen, zij vreest mijne berisping en is er altijd op uit mijne goedkeuring te winnen. Het is waar, zij tracht alle menschen te behagen, zelfs de kinderen; doch Polycarpus, welk een flink man hij ook is, zoover ik zien kan, niet meer dan de anderen, stellig niet!”

»Doch de jongen,” zeide Petrus, »ziet telkens naar haar om, en Phoebicius heeft het opgemerkt. Gisteren is hij mij tegengekomen, toen ik naar huis ging, en hij verzocht mij, op zijne beleefde maar scherpe manier, mijn zoon den goeden raad te geven, in het vervolg, als hij rozen wilde schenken, deze liever in de vensters van anderen dan in het zijne te werpen, want hij was geen vriend van bloemen, en voor zijne vrouw plukte hij ze liever zelf.”

De vrouw van den senator verbleekte, en zeide kortaf en op stelligen toon: »Wij hebben dien huurder niet noodig, en hoezeer ik zijne vrouw ook missen zal, geloof ik toch dat het beste zal zijn, wanneer gij hen verzoekt naar een ander verblijf uit te zien.”

»Spreek niet verder, vrouw,” zeide Petrus ernstig, terwijl hij met de hand zijne afkeuring te kennen gaf. »Zullen wij er Sirona voor laten boeten, dat onze zoon om harentwille eene onbezonnenheid heeft begaan? Gij hebt echter gezegd, dat het verkeer met de kinderen en hare achting voor u haar voor afdwalingen zullen bewaren, en nu zouden wij haar de deur wijzen? Dat nooit. De Galliërs blijven in mijn huis, zoolang zij niets doen wat mij dwingt hen er uit te zetten. Mijn vader was wel een Griek, maar van moederszijde heb ik Amalekietisch bloed in de aderen, en zoo ik hen, met wien ik eens onder mijn dak het brood deelde, over mijn drempel joeg, zou ik mijzelven onteeren. Polycarpus moet gewaarschuwd worden en vernemen, wat hij aan ons, aan zichzelven en aan het gebod des Heeren verschuldigd is. Ik weet zijne uitnemende gaven te waardeeren en ben zijn vriend, maar ook zijn heer, en zal weten te voorkomen, dat mijn zoon de losse zeden van de hoofdstad in zijn eigen vaders huis invoert.”

De laatste woorden klonken als hamerslagen, en in de oogen van den senator stond te lezen, dat hij op dit punt vastbesloten was.

Toch naderde zijne vrouw hem zonder vrees. Zij legde hare hand op zijn arm en zeide: »Wat is het toch goed dat de man het rechte in het oog houdt, terwijl wij vrouwen gewoon zijn den eersten indruk van ons hart te volgen. Ook bij het worstelen bedient gijlieden u enkel van geoorloofde handgrepen, terwijl vechtende vrouwen soms nagels en tanden gebruiken. Beter dan wij weet gij het onrecht te voorkomen; dat hebt ge mij weder getoond. Maar in het ten uitvoer brengen van hetgeen goed is, zijt gij onzen meerderen niet. De Galliërs mogen in vrede bij ons blijven, en gij kunt Polycarpus streng in ’t verhoor nemen; doe het echter allereerst als zijn vriend. Of ware het niet beter, wanneer gij dit aan mij overliet? Hij heeft zich zoozeer verheugd in het vooruitzicht op het voltooien zijner leeuwen, en zijne medewerking bij den grooten bouw in de hoofdstad, en daarmede zal het nu uit zijn! Ik wenschte dat ge hem dit reeds aan het verstand had gebracht. Doch liefdesgeschiedenissen zijn vrouwenzaken, en gij weet hoe lief de jongen mij heeft. Een moederlijk woord werkt dikwijls meer uit, dan de klap eens vaders. Het is in het leven als in den krijg: eerst brengt men de boogschutters in het veld; de zwaargewapenden blijven achter en dienen hun tot steun. Eerst als de vijand niet wijken wil, treden de laatsten vooruit en beslissen den slag. Laat mij vooraf met den jongen spreken. Het kon toch zijn, dat hij enkel uit scherts eene roos in het venster der Gallische wierp, die immers met zijne broertjes en zusjes speelt, alsof zij tot onze familie behoorde. Ik zal hem in ’t verhoor nemen, en is het er zóo mede gesteld, dan zou het noch billijk, noch verstandig zijn hem te berispen. Zelfs met eene waarschuwing moet men voorzichtig te werk gaan, want menigeen, die nooit aan stelen heeft gedacht, is door eene valsche verdenking een dief geworden. Zulk een jeugdig gemoed dat begint lief te hebben, is als een wilde knaap, die bij voorkeur langs paden wandelt, waarvoor men hem gewaarschuwd heeft. Toen ik nog een meisje was, ontwaarde ik zelve eerst hoe lief ik u had, nadat de vrouw van den senator Aman, die u voor hare eigene dochter begeerde, mij den raad had gegeven mij voor u te wachten. Wie zijn tijd te midden van al de verleidingen van het Grieksche Sodom zoo ernstig heeft besteed als Polycarpus, wie zich daar zulk een lof van zijne leeraars en meesters heeft verworven gelijk hij, hem heeft de loszinnigheid der Alexandrijnen niet geschaad. In de eerste jaren bepaalt de mensch in welke richting hij gedurende zijn volgend leven zal voortgaan, en die richting heeft Polycarpus aangenomen, alvorens hij ons huis verliet. Ja, als ik niet wist hoe braaf hij is, dan zou ik slechts op u hebben te zien, om tot mijzelven te zeggen: »uit het kind, dat door dezen is groot gebracht, kan nooit een slecht man groeien.”

Petrus haalde bedenkelijk, als hield hij die vleiende woorden zijner vrouw voor ijdele dwaasheid, en toch lachend de schouders op, en vroeg: »Bij welken rhetor hebt gij toch school gegaan? Het zij zoo; spreekt gij met den jongen als hij uit Raïthoe terugkomt. Wat staat de maan reeds hoog! Kom, laat ons ter ruste gaan, Antonius zal morgen zeer vroeg het altaar opstellen, en daar wil ik bij zijn.”