WeRead Powered by ReaderPub
Huize "Canneheuvel" cover

Huize "Canneheuvel"

Chapter 6: V V DE ZIGEUNERBENDE
Open in WeRead

About This Book

The narrative returns to a bustling multigenerational household where grandparents, grown children, and grandchildren maintain a warm, lively home after years of change. A sickly boy sent from a hotter climate arrives to live with his grandparents, and scenes dwell on everyday care, family decisions about moving to a suburban villa, and the gentle routines that knit relatives together. Emphasis falls on childhood pleasures, the boy’s affectionate relationships with a clever dog and a voracious kitten, minor domestic crises and recoveries, and the steady, affectionate labor that sustains family life and reveals small acts of devotion.

[Inhoud]

V V DE ZIGEUNERBENDE

’t Was toch zulk prachtig weer. Wel erg warm! Maar wat merkte je daarvan, als je zalig aan ’t spelen en ravotten bent, in de Bataaf? Basje, Eric, Tobi, hun vrienden, de twee Driotjes, en de kleintjes, Jopie en Careltje, waren er al vroeg op uitgetrokken. De Van Rithempjes en Jopie [46]hadden Basje en Cartje, die met zijn moeder voor een paar dagen bij Oma Canneheuvel logeerde, in de Bataaf gevonden. Dat was de afspraak geweest. Basje zou op de kleintjes passen. „Niet op ons natuurlijk,” verklaarde Tobi bijdehand, „we zijn groot genoeg, om voor ons zelf te zorgen.” Basje had, toen de afspraak met moeder Nel werd gemaakt, bij Tobi’s verklaring een knipoogje met tante gewisseld.

In de Bataaf was het heerlijk veilig spelen. Al wou je, dan kon je daar al heel moeilijk een ongeluk krijgen. Grootma had Basje geld mee gegeven, om te kunnen tracteeren op limonade en gebakjes. Eric wist nog net op ’t laatste nippertje, vóór hij uitreed, twee dubbeltjes van vader te veroveren voor hem en Tobi ieder een. Ze hadden er chocolaadjes en zuurtjes voor gekocht.

Basje zorgde er voor, dat de kleintjes niet te kort kwamen in den draaimolen en op den schommel. Want Eddy en zusje Driot deden met Tobi, Eric en andere kinderen liefst woeste spelletjes. Basje „voelde” zich. ’t Is dan ook maar geen baantje om vrede te bewaren, onder zoo’n troepje woeste kinderen, allemaal een beetje overmoedig en stout, omdat ze zooveel pret hadden, er geen groote menschen waren om te verbieden, en geen Juf om te bedillen.

Juf ging bij gelegenheden als nu anders altijd mee. Maar dit keer was ze thuis gebleven, om Mevrouw te helpen, die ’t druk had met de vruchteninmaak. [47]

Juf was een trouwe, onontbeerlijke zorg in huis. Puck kon gerust uitgaan en alles aan haar overlaten. Niemand kwam te kort, alles vond zij steeds in de beste orde bij haar thuiskomst.

Toch zou Puck er niet aan gedacht hebben, om een Juffrouw te nemen als dit niet zoo van zelf gekomen was.

Op een keer, nu al een heelen tijd geleden, kwam Frits thuis met een droef verhaal. Hij had een arm naaistertje behandeld en genezen van een ernstige oogontsteking. Maar den eersten tijd mocht ze volstrekt nog niet naaien of ander oogeninspannend werk verrichten. Haar tranen nauwelijks kunnende bedwingen, had Jetje van Tol deze uitspraak aangehoord. En toen Frits haar met vriendelijke woorden drong hem te vertellen waarom ze zoo bedroefd was, was hem de reden toevertrouwd. ’t Arme schepsel stond heel alleen op de wereld. Waar moest ze heen, als zij haar kost niet meer kon verdienen?

Frits, die veel met het geduldige, zachte meisje op had, voelde diep meelij met haar en Puck niet minder. De zaak werd lang en breed besproken en het einde was, dat Jetje van Tol zoo’n beetje als hulp in ’t huishouden bij Puck en Frits zou komen, en voorloopig blijven. Doch van ’t voorloopig was een altijd geworden. Puck kon Jetje al gauw niet meer missen, en Juf zou zich de oogen uit ’t hoofd hebben geschreid, wanneer zij de familie, die haar zoo lief was geworden als eigen, vaarwel had moeten zeggen.

Frits was ook steeds vol lof over Jetje. Want zoo attent [48]en flink als zij, was er stellig geen tweede te vinden. Jetje vergat nooit iets, wat de praktijk betrof, was secuurder dan secuur met boodschappen en opdrachten.

Met hartelijke, aanhankelijke Jopie, kon Juf ’t best vinden, maar de andere kinderen in de familie zagen Jetje liever niet dan wel. Ze was zoo stil en zeurig, „niks niet aan,” verklaarden de Van Rithempjes. Altijd was Juf bang, dat je je zou bezeeren of je goed bederven.

„Tolletje,” zooals Tobi oneerbiedig zei, was een best mensch, om allerlei te beredderen, niet om pret mee te maken. „Daarvoor is ze een veel te bange haas.” En Eric besliste: „Ze is een goeie voor de kleintjes, maar wij, grooten, kunnen best zonder een Juf.”

Dus speet ’t niemand, dat Juf thuis was gebleven om aardbeien- en frambozen-gelei te maken.

Basje had praatjes voor tien en verbeeldde zich, dat hij de baas was, maar dat zat nog. Als je niet naar hem luisterde, dan.… „dee hij nog niks.”

Tobi zwaaide met zusje Driot aan ’t zweeftouw, Eric en Eddy klauterden en gleden langs het: „huisje” en Basje speelde met de kleintjes in den draaimolen, toen de zon op eens schuil ging. ’t Leek plotseling bepaald donker te worden. Zoo even was er nog geen wolkje te zien, en nu.… In een ommezien scheen al ’t blauw van den hemel verdwenen, en in plaats daarvan stonden en dreven dikke grijze wolken, waar je ook keek.

„Goeie Grutje,” riep Tobi, „’t gaat stellig regenen,” en [49]Basje commandeerde, terwijl hij zijn troepje bijeen dreef: „Vooruit jongens, misschien ontloopen we de bui nog.

„En we hebben geen capes, en wat moet dat nou met Jopie en Cartje? Die kunnen niet zoo hard rennen,” viel Tobi driftig uit.

„Ik wel,” verzekerde Jopie, en ze gooide haar beentjes hoog de lucht in.

Intusschen had Basje de kleine bende ’t hek uit gedreven. „Vlug aanstappen, kinders. We gaan natuurlijk naar de Duiventil, dat is ’t dichtst bij.”

„Nee, wij vliegen naar huis, hè Eric?” besliste Tobi.

„Geen kwestie van, dat is te ver weg,” zei Basje kalmpjes, „daar heb je de bui al. Rennen jongens, rennen!”

„Zou moeder niet ongerust zijn, Eer?” vroeg Tobi angstig.

„Dommert, we telephoneeren toch dadelijk bij Grootma.”

Basje had Cartje op zijn rug genomen; Eric en Tobi namen Jopie tusschen zich in, de Driotjes waren al een flink eind vooruit gedraafd. Maar de bui was veel vlugger dan de kinderen. En ’t was me maar geen buitje van stavast! In een oogenblik was ieder drijfnat. Gelukkig! daar kwam „Huize Canneheuvel” in ’t zicht. Jopie hield zich dapper, doch Cartje ging aan ’t huilen en wou van Basjes rug af. „Hij was daar nog dichter bij den regen dan op den grond,” dacht hij.

Grootma, Bet en Kee stonden in de vestibule naar de kinderen uit te kijken.

Dat werd me een drukte en door elkaar heen gepraat, [50]toen de heele bende veilig binnen was. „Ach, ach, wat zijn de stumperds nat! Je kunt ze wel uitwringen,” beklaagde Bet.

Grootma dreef ’t troepje voort naar de kleedkamer, en ’t werd daar al gauw een leven als een oordeel. In minder dan geen tijd was ’t natte goed uitgetrokken door de vlugge handen van Grootma, Bet, Kee en Marietje. Eric, Tobi, Eddy en zus Driot in hun ondergoed en op bloote voetjes, speelden ’t kikkerspel en rolden telkens om van plezier. Cartje, die door Marietje in een veel te groote hansop was gestoken, want hij was heelemaal drijfnat („zie je wel,” zei Cartje, „omdat Cartje zoo dicht bij de regen was”) begon een nieuw spelletje te leeren, dat Jopie den vorigen avond van vader had geleerd.

Jopie liet Cartje op den grond hurken, waar de kleine jongen zoet op zijn duimpje bleef zuigen.

„Zie zoo,” riep Jopie over Cartje neerhurkend: „nou begint ’t. Cartje is Jopie’s nichie. En ze zong met haar lief, fijn stemmetje: „Nichie, nichie, ik vraag jou te gast. Nou Cartje.” Maar Cartje zweeg in zeven talen.

„Nou, dan doet Jopie voor Cartje.”

„Waarop?” vraagt Cartje.

En nou zegt Jopie: „Op spek en boonen. Nou Cartje weer: „Die lust ik niet.”

En Jopie zegt: „Wat lust je dan?”

En nou zingt Cartje weer: „Hoendeltjes, kapoendeltjes, gebraden in de pan.”

„Nichie, nichie, kom over dan?” [51]

Cartje was door Marietje in een veel te groote hansop gestoken.

[52]

Dit deel van ’t spel, speelde Cartje op Jopie’s voorbeeld meer dan goed. Eerst rolde hij omver, over de hansopspijpen, maar hij krabbelde vlug overeind, en nu ging ’t prachtig. Al hurkende sprongen de peuzels op elkaar toe, vielen elkaar om den hals, en ’t spel begon van nieuws af aan.

Basje was natuurlijk ’t eerst van allen behoorlijk aangekleed. Hij had zijn kleeren bij de hand. Eric en Eddy zouden een pak van hem aantrekken. Maar Kee wenkte de jongens. Boven op zolder stond een koffer vol kleeren van vroegere verkleedpartijen. De kleintjes bleven aan hun „Nichie, nichiespel.” De anderen stoven naar boven.

Toen Bet de gong liet spelen, traden vijf vreemde gasten de eetkamer binnen. Vooraan Basje, in een pandjesjas, met ’n hoogen hoed schuin op ’t hoofd. Hij fiedelde verbazend valsch op een viool. Achter hem, gearmd met Tobi, verscheen Eric als Indiaansch opperhoofd. Hij zag er prachtig uit, gedost in een zeer kleurig kostuum, met een hoofdsieraad van groene papegaaien-veeren op zijn blonde krullebol. Om zijn hals droeg hij een ketting van aan een touwtje geregen tijgernagels, en in de hand zwaaide hij Bet’s keukenbijl. Aan zijn arm liep Tobi. Zij was zijn „squaw,” doch daar er geen Indiaansch vrouwenkostuum in de koffer was, had zij een zeer kort zijden rokje (vol slijtgaatjes) aangetrokken, met een vuurrood fluweelen keursje. Op haar hoofd prijkte ook een krans van papegaaienveeren. [53]

Eddy Driot stelde een mensch-aap voor. Hij had een beddevacht van geitewol om zijn schouders geslagen en liep op bloote voeten, steunend op een dikken stok.

De jongen zag er bepaald „eng uit,” vond Marietje. Zijn zusje was heel wat aardiger om te zien als lentefee, in een tullen japonnetje, volgeprikt met groote rose rozen (van papier). Op haar voorhoofd bengelden gouden munten. Je kon bijna niet zien, dat die ook al van papier waren, zoo schitterden zij. Maar zonderling stond ’t wel onder uit de verlepte krans van rozen.

Jopie en Cartje, nu behoorlijk aangekleed, gilden ’t uit van plezier en sprongen opgewonden om ’t vijftal heen.

Daar kwam grootpapa binnen, en sloeg zijn handen van verbazing in elkaar. „Lieve Hemel! vrouw, wat is dat voor een zigeunerbende! Moet die soms bij ons blijven eten? Kerel, jij met je viool, schei uit met je muziek, of ik laat je door Terry de deur uitzetten.”

Maar Terry, die den grooten baas gevolgd was, kreeg nauw zijn allereigenaardigsten baas in ’t oog, of hij sprong hem vol woeste vreugde bijna omver. Je kon Terry niet foppen met pandjesjas en hoogen hoed. Die herkende zijn baasje in duizend vermommingen.

„Lieve man,” zei grootmama, „strijk je hand maar eens over ’t hart. ’t Booze weer heeft deze dames en heeren overvallen. ’k Heb ze dus maar binnen laten komen, en hun ten eten gevraagd op wat de pot schaft. [54]

Want op zooveel monden meer heeft onze Bet natuurlijk niet gerekend.”

„Enfin dan maar,” gaf Grootvader toe. Waarop de vioolspeler met een diepe buiging zijn „hooge zijden” afnam. Eric salueerde, hetgeen een Indianenopperhoofd gewoonlijk niet doet, en Tobi maakte een knix, wat ook al niet paste bij haar veeren hoofdkrans. De onbeleefde aap dankte in ’t geheel niet, hij schudde met zijn kop en strompelde naar de tafel.

„Kom je maar naast mij zitten, Krullemietje,” noodigde de heer Canneheuvel zusje Driot, en hij trok even aan haar kastanjebruine krulletjes, die dubbel op waren gekroest nà ’t lekkere regenbuitje. „Wat een mooie krans heb je opgezet, vrouwtje; je hebt die rozen toch niet in den tuin geplukt, hoop ik?”

„Nee menheer,” fluisterde ’t meisje schuchter, maar ze vond ’t plaatsje naast mijnheer nog zoo kwaad niet. Want hij legde de lekkerste hapjes op haar bord: bruin gebakken aardappeltjes met appelmoes, naderhand zalige pannekoekjes.

Bet had op verzoek van Jopie een massa pannekoekjes gebakken. Jopie was ’t met Cartje zelf gaan vragen in de keuken.

Voor een zoentje van Cartje deed Bet alles. Ze hield anders niet van jongetjes, „maar op Lientiens’ jongetje was ze mirakel dol,” zei ze tegen Kee, die dit best begrijpen kon.

„En vertel nu eens,” zei Grootvader deftig: „waar komen [55]jullie vandaan, jongelui? Zeker uit Hongarije, want daar hooren de Zigeuners thuis.”

„We hebben elkaar onderweg ontmoet, edele Heer,” sprak de „Hoog Zijden.” We zijn van plan de kermissen in Uw land met onze tegenwoordigheid te vereeren, want allen zijn wij groote kunstenaars.”

„Dat zou men jullie zoo niet aanzien,” meende de heer Canneheuvel.

’t Indiaansch Opperhoofd nam nu het woord, en sprak: „Schijn bedriegt, edele Heer, we zijn wel degelijk zeer bekend en gezocht. ’t Vioolspel van mijn vriend met den hoogen hoed, is door de heele wereld beroemd. We willen U graag een proefje van onze kunst geven.

Mijne squaw en ik dansen buitengewoon voortreffelijk, en onze Orang-Oetan, die wij in de wildernis vonden en opleidden, is een acrobaat van het zuiverste water.

In ruil voor onze kunstvoorstelling, zouden we dan een poos van Uwe gastvrijheid willen genieten.”

„Dank je wel, Indiaansch Opperhoofd, ik geloof je best,” verzekerde grootvader. „Naar het spel van Uw vriend „Hooghoed” te oordeelen, verlang ik nou juist niet bizonder naar ’t geen de andere dames en heeren kunnen aanbieden. Een uur of wat moogt U met Uw gezelschap hier blijven, en dan afgemarcheerd marsch! Neem intusschen nog deze lekkere vette pannekoek, edel opperhoofd, en pas op, dat de groene veer uit Uw krans, die bedenkelijk naar omlaag hangt, niet meesmult. ’t Zou jammer [56]zijn van de suiker … neen ik bedoel van Uw hoofdsieraad.”

Waarop zelfs de aap, (die zich lang niet onbetuigd had gelaten aan de pannekoeken) maar in zijn rol meende te blijven, door zeer droefgeestig rond te kijken, het uitproestte van plezier. Eric, een beetje rood en verlegen, greep naar de groene veer, doch kon die niet te pakken krijgen, waarop zijn goede squaw den steen des aanstoots uit de krans trok, en midden op haar eigen hoofd plantte.

Careltje was lekker ingedut op Grootma’s schoot, en kleine Jopie vielen ook de oogen toe. Terwijl de kleintjes naar bed werden gebracht, (Jopie mocht in de Duiventil blijven slapen dien nacht) nam Grootpa de Zigeunerbende mee naar boven. Gezellig om zijn leunstoel geschaard, op de armleuningen of den grond gezeten, zagen de kinderen vol verwachting naar den heer Canneheuvel op. Want Grootpa had beloofd hun wat van ’t echte Zigeunerleven te vertellen. Van die immer rondzwervende menschen, die geen vaste woonplaats hebben, liefst in wagens wonen, van land tot land, van stad tot stad voorttrekkend. Doch ze willen niet anders, omdat ze van geslacht tot geslacht gewend zijn geweest aan een zwervend leven, en niet beter weten of het hoort zoo,

„’t Is wel jammer, dat de Zigeuner (en niet onverdiend) in een slechten reuk staat. Hij heet lui, vuil en verbazend diefachtig,” vervolgde Grootvader. „Toch brengt hij den ketel, die hem ter reparatie is toevertrouwd, wel eens terug. De zigeunerkindertjes zijn schattig om te zien, maar ze leeren [57]ook al jong alles weg te kapen, wat ze vangen en grijpen kunnen, wanneer dit ongemerkt gebeuren kan.”

„Hé,” riep Tobi en haar oogen straalden, „behalve, dat ik niet zoo gemeen wou stelen, zou ik wel een Zigeuner willen zijn. Jij niet, Eric?”

„Voor een poosje wat graag,” stemde Eric toe, „zalig in zoo’n wagen voort te trekken.…” Maar toen bedacht hij: „Grootpa, waar gaan die kinderen school en zoo? Leeren ze niks?”

’k Vrees, dat ’t leeren er treurig bij inschiet, vent, met dat eeuwig reizen en trekken. Neen Tobiaantje, ’t zou jou ook niks meevallen zigeunermeisje te zijn. Je trekt je neusje nou al op voor een onschuldig preitje in de sla, en waar zou je dan wel heen moeten? Want Zigeuners zijn dol op knoflook, en koken dat smakelijk, welriekend kruid overal door heen, hebben ze me wel eens verteld.… En nou tenslotte wat goeds van dat vreemde volkje. Ze hebben één groote gave op bijna alle andere menschen vooruit: ze zijn onbegrijpelijk muzikaal, en spelen b.v. prachtig viool, zonder ooit een noot muziek te hebben geleerd. Die kunst schijnt bij hen overerfelijk, en ’t is bepaald een wonder.”

„Maar Eric speelt toch ook erg mooi, hé Grootpa?” verkondigde Tobi, „al is hij bij toeval geen Zigeuner.”

„Hé, Tobi, schei toch uit,” riep Eric een beetje boos.

„Eric speelt heel goed voor zijn leeftijd,” stemde Grootpa toe, „maar zonder zijn lessen.… hij moet ook nog veel leeren. [58]

Een Zigeunerkereltje dat muzikaal is, weet van zelf, zonder ooit les genomen te hebben, hoe hij spelen moet. De Zigeuner schijnt een uitstekend gehoor te hebben. Hoe dat nu mogelijk is moet je mij niet vragen. Eens hebben Grootma en ik een Zigeuner-orkest hooren spelen, en ’t was prachtig, dat is alles wat ik er van zeggen kan.

Maar daar hoor ik de auto van mijnheer Driot, die zou jullie komen halen. Grootma heeft dat alles per telefoon in orde gebracht; Juf komt mee.”

„Hoera,” riep Eric, „jullie brengt ons dus thuis, hé, lieve aap?”

Juf had voor al de kinderen bovenkleeren meegebracht. Met veel drukte en gelach werd er op nieuw toilet gemaakt. Dankbaar en voldaan reed ’t troepje heen, en Eric zei, uit den grond van zijn hart: „’t Is toch altijd maar eenig leuk in de Duiventil, hé jongens?” met welke uitspraak ’t heele stelletje ’t roerend eens was.—