WeRead Powered by ReaderPub
In Extremis cover

In Extremis

Chapter 10: VIII.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a man confronting a terminal illness who records his loneliness, physical decline, and longing for attentive care, even proposing marriage to secure a devoted nurse during his remaining weeks. Domestic scenes show acquaintances debating the plan and the uneasy contrast between surrounding tropical prosperity and the protagonist's wasting body. Through letters and interior reflection the work traces changing self-awareness, regret over past attitudes toward women, and practical negotiations of dependency. It meditates on mortality, the social arrangements that shape dying, and how small gestures of compassion and personal choice alter the last stage of life.

VIII.

Den volgenden middag toen het spreekuur van Dr. Wencke ten einde liep, ging Casper van Eyken naar het huis, hij bleef voor de deur staan en bekeek aandachtig het naambordje.

Gisteren was het hem niet opgevallen; hij had gelezen Dr. A. Wencke, en nu zag hij dat er duidelijk stond: Dr. Andrée Wencke, maar al had hij ook toen op den voornaam gelet, dan zou zijn aandacht door die dubbele ée nog niet getrokken zijn.

De meid, die hem open doet, vroeg wat er van zijn dienst was.

„’t Is immers het spreekuur van den dokter.”

„Ja, maar mevrouw behandelt geen heeren.”

„’t Is voor die dame, met wie ik gisteren hier ben geweest,” loog Casper brutaalweg.

„O zoo,” en zij liet hem in de wachtkamer, waar niemand meer zat. Hij zette zich neer en streek met de hand over het voorhoofd en vroeg zich nu eerst af, wat hij hier kwam doen, wat hij haar wilde zeggen; hij had gehandeld sinds gistermiddag als onder den invloed eener suggestie. Emilie en haar moeder had hij weggezonden; den halven nacht en den heelen morgen had hij zoek gebracht met door de straten te drentelen, en nu zat hij in haar huis te wachten tot hij als een vreemde in haar tegenwoordigheid zou worden toegelaten. Maakte hij een gek figuur? Toen dacht hij eensklaps aan een woord van het dienstmeisje. Die sprak van „Mevrouw” zou zij dan getrouwd zijn, heette zij daarom geen juffrouw Bauer meer; in elk geval hij moest zekerheid hebben en niemand kon hem die beter geven dan zij zelf. Hij moest veel langer wachten dan gisteren; eindelijk klonk weer het electrisch schelletje en de meid kwam hem waarschuwen precies als gisteren.

Een oogenblik later stond hij weer in de kamer; zij zat iets te noteeren in een groot voor haar liggend boek en sloeg niet dadelijk de oogen op.

„Juffrouw Bauer,” zeide hij half luid. Zij schrikte en zag hem nu aan.

„Mijnheer.... van.... van Eyken? Hé, is ’t niet goed met de juffrouw?”

Hij nam een stoel en zette zich tegenover haar, rustig als kon niets hem van daar jagen.

„O ja heel goed, dank u wel! Maar ik kom voor mij zelf. Ik weet, u behandelt geen heeren maar de zaak, die mij betreft is zoo gewichtig.”

Zij lachte nu even, heel eventjes, en hij voelde dat zij haar oude macht over hem herwonnen had.

„Is u getrouwd?” vroeg hij, „en is u daarom geen juffrouw Bauer meer?”

„Neen!” antwoordde zij, „ik ben niet getrouwd en ik heb nooit Bauer geheeten. Ik noemde een anderen naam omdat ons land zoo hopeloos klein is en ik op vacantie was.”

„En een vrouwelijke arts is nog altijd zoo’n zeldzame vogel bij ons, dat men haar reeds van verre herkent. Enfin, dat is uwe zaak, maar dat u er zoo geheimzinnig mee was, waar diende dat voor? U heeft misschien een leven er door bedorven.”

„Het uwe?” vroeg zij met den helderen, doordringende blik, waarvan hij nu de kracht kende: daarmede maakte zij immers haar diagnose op de patiënten. Zij had zich half omgekeerd op haar bureaustoel en wanneer zij niet een vouwbeen onophoudelijk tusschen beide handen schoof, zou men haar voor volmaakt kalm hebben gehouden.

„Ja, het mijne. Wanneer ik alles dadelijk had geweten, wat—wat zou—dan alles anders geweest zijn.”

Zij glimlachte spottend en legde het vouwbeen resoluut op tafel neer; hij schaamde zich over zijn woorden en zijn heele houding; had hij haar dan niets anders te zeggen?

„U heeft zich toch dunkt mij niet over het leven te beklagen; naast zoo’n allerliefst meisje—een beauté.”

„O ja zeker—maar ik heb u toch niet vergeten, toch niet kunnen vergeten.”

En nu zeide zij kalm zonder een zweem van verwijt in de stem:

„Waarom is u dan in Augustus niet in den Gottlobtempel gekomen?”

Het bloed steeg hem naar het hoofd terwijl hij vroeg:

„Is u daar geweest? Heeft u mij gewacht?”

„Ja zeker! Ik had het immers gezegd.”

„Ik zag het voor gekheid aan,” zuchtte hij, stond op en ging met groote stappen de kamer op en neer.

„Dan is het immers goed,” hernam zij weer even bedaard, maar opnieuw met het vouwbeen tusschen de vingers, „u vertrouwde mij niet, dus was het immers het beste dat de kennismaking zóó eindigde.”

„Maar ik had niet kunnen denken....”

„Neen, u zag mij voor een avonturierster aan, niet waar? U was bang voor het geheim dat mij omringde, nu kent u het en—wat zegt u er van?”

Zij stond rechtop met opgeheven hoofd, fier, trotsch, mooi van een geheel intellectueele schoonheid, die straalde uit haar voorhoofd, haar oogen, haar ernstige, half geopende lippen, haar geheele houding; hoe had hij haar eens klein kunnen noemen, een poppetje, zij scheen nu zoo’n krachtige, flinke, sterke vrouw.

Hij zweeg en verslond haar met de oogen.

„Is u niet blijde, dat ik u voor een dwaasheid heb behoed? Pas ik nu wel bij u?”

„O neen,” zeide hij bitter, „u is veel te groot voor mij! Hoe belachelijk zal u dat gevonden hebben, toen ik u voorstelde u op te nemen in mijn armen, u door het leven te dragen, toen ik u het ideaal vond van het vrouwtje, waarvoor ik zorgen en werken wilde en van wie ik niets anders verlangde dan liefde en aanhankelijkheid. Hoe kon ik het weten dat ik het vroeg aan zoo’n geleerde dame, aan een doctor in de geneeskunde, aan een vrouw, die hemelhoog op mij armen stumper neerziet.”

Hij maakte zich boos onder het praten, hij achtte zich werkelijk door haar verongelijkt en slecht behandeld, zoo hinderde hem zijn vergissing.

„Ga even zitten, mijnheer Van Eyken,” zeide zij met trillende lippen.

„Heeft u tijd? Wachten uw patiënten u niet?”

„Neen, ik heb nog een half uur vóór dat mijn coupé voorkomt. Zullen wij het uitvechten? U beweert grieven tegen mij te hebben en ik heb ze misschien tegen u.” Hij maakte een beweging. „O neen! Dat u geëngageerd is neem ik u niet kwalijk, en dat u niet op het rendez-vous is geweest na hetgeen u op den „Columban” gezegd heeft, ook niet, maar dat u mij niet vertrouwde en toch ten huwelijk vroeg, dat is erger. Nu is alles voorbij! Wij hebben beiden gekozen en kunnen dus kalm spreken over hetgeen geweest is en had kunnen wezen.”

„Er is niets onherroepelijks gebeurd,” zeide hij halfluid, als vreesde hij dat zij het verstaan zou.

„Toch wel! Ik zal u alles vertellen. Tout savoir c’est tout pardonner, of liever neen niet alles maar toch veel vergeven. Ik ben nu arts, maar toen ik u leerde kennen, was ik nog student, een vermoeide, afgematte, moedelooze student. Toen begon de crisis, de reactie, die op een jeugd vol ingespannen studie, zonder de gewone genoegens van een meisjesleven noodzakelijk volgen moest.”

„Waarom heeft u dan dien weg ingeslagen?

Zij zuchtte even.

„Ja, waarom? Ik wist niet anders dan dat het zoo moest zijn van jongsaf; mijn moeder heb ik nooit gekend; zij stierf toen ik nog heel jong was. Mijn vader was leeraar aan een Gymnasium in een provinciestadje, een geleerde man, die geheel buiten het gewone leven stond; mijn drie oudere broers waren ondeugende bengels, waarover hij niet het minste gezag had en die ook allen verkeerd zijn gegaan. Vader leefde in en voor theorieën; theoretisch had hij zijn jongens bedorven, theoretisch moest ik opgevoed worden als jongen.”

Zij zweeg even en drukte de lippen pijnlijk samen.

„En ik was toch maar een meisje, niets dan een zeer gewoon meisje, misschien met iets bevattelijker verstand dan andere meisjes, maar ik was gehoorzaam, volgzaam, elk woord van vader was mij een bevel en toen ik zag hoe de jongens steeds ondeugender werden, voelde ik er behoefte aan hem te vergoeden wat zij misdeden. En alles ging geleidelijk voort; ik leerde Latijn en Grieksch zooals andere meisjes Fransch en Duitsch. Ik wist dat ik dokter moest worden en ik vond het goed of liever ik dacht er niet aan dat het niet goed kon zijn. Ik maakte behoorlijke studiën, niet buitengewoon maar toch meer dan voldoende. Vader was gelukkig en tevreden, hij noemde mij zijn troost en zoo werd ik jong meisje altijd tusschen boeken en thema’s; nooit ging ik met vriendinnen van mijn leeftijd om, nooit was ik aan een handwerkje bezig, nooit las ik romans, nooit bemoeide ik mij met het huishouden; ik stond buiten alles wat aan mijn vrouw-zijn herinnerde en ik wist niet anders of het hoorde zoo, totdat ik na het gymnasium doorloopen te hebben aan de Akademie kwam.”

Zij streek met de hand over het voorhoofd.

„Verveel ik u?” vroeg zij.

„Integendeel. Ik heb nog nooit zoo aandachtig geluisterd, naar wie ook.”

„’t Is voor het eerst dat ik het vertel. Tot nu toe heb ik er altijd alleen mee geleefd.

„Nu dan, aan de Akademie begon mijn eigenlijke leertijd; toen was het dat voor het eerst mijn neigingen in opstand kwamen tegen mijn lot. O die snijkamer en die operatiën en die gasthuislucht en die zieken; hoe ben ik dien tijd doorgekomen, wat walgde mij dat alles, die lijken, welke ik moest onderzoeken om het samenstel van het menschelijk lichaam te leeren kennen, die flauwe praatjes van de studenten, die angst voor bloedvergiftiging en dan ’s nachts dat droomen van afgesneden handen en voeten, van verkankerde magen en.... en.... ik word er gek van als ik aan dien tijd denk.”

„Waarom gaf u er den heelen rommel niet aan?”

„Vader had zijn betrekking laten varen om in Amsterdam te wonen, opdat ik daar de colleges kon volgen en hij had juist in dezen tijd zoo’n verdriet van de jongens; als ik mijn studie had opgegeven zou ik hem radeloos hebben gemaakt. Hij was zoo trotsch op mij! Ik studeerde hard, nacht en dag kan ik zeggen, zonder eenige afleiding, eenige verstrooiing, altijd met walg en afkeer in het hart; ik werd niet bezield door den dorst om veel te weten en ik voelde ook geen roeping om mij aan de lijdende menschheid, zooals de term luidt, toe te wijden, ook niet om een positie te verwerven: ik studeerde omdat vader mij van jongsaf had ingeprent dat het zijn bedoeling was, en omdat ik hem niet teleur wilde stellen.”

„Maar dat was toch een onwaardige tyrannie!”

„Och! zoo beschouwde de arme man het niet. Hij zag in studie en wetenschap alleen zijn heil, hij was vast overtuigd dat het mij gelukkig zou maken, of neen, geluk heeft hij nooit geweten wat dat was; ’t zou mij door de wereld helpen. Maar zoolang hij leefde had ik nog een prikkel, een steun die mij voortdreef en staande hield; een jaar nadat ik mijn candidaats gedaan had stierf hij plotseling en nu begon eerst mijn leed. Toen voelde ik eerst hoe eenzaam ik stond en hoe mij nu alles ontbrak.”

„Toen was het nog tijd om....”

„Een gewone vrouw te worden. Ik heb het beproefd, ernstig en vastbesloten; ik liet mijn studiën rusten; financieel kon ik mij redden, meer niet, en zocht ik het gezelschap van meisjes van mijn leeftijd op. Ik ging uit bij families, maar ach! ik stond overal alleen; over niets van wat hen interesseerde kon ik meepraten; ik trachtte mij in hun belangen in te leven, het gelukte mij niet. Ik stond zoo buiten alles, mijn sfeer was zulk een geheel andere dan de hunne! Ik kon er mij niet meer t’huis voelen. Men vond mij stil, zonderling, onbeholpen, links. De heeren ontvluchtten die geleerde dame, de meisjes keken mij over den schouder aan; toen heb ik geleerd de vrouwen onuitstaanbaar te vinden.” En deze herinnering ontspande even haar strakke trekken.

„Nu begreep ik dat mijn plaats niet meer in de gewone wereld was; ik kon er geen vasten voet in krijgen dan onder voorwaarde, dat ik ten minste uiterlijk werd als zij, dat ik spreken kon over romans en komedies en buitenlandsche reizen, huishouden, muziek, flirtations en—chronique.”

„Maar in wat voor kringen is u dan geweest?”

„In zeer ontwikkelde, fatsoenlijke, nette kringen; overal voelde ik dat men mij niet begreep, dat men mij duldde en ik kon niet meer worden als die anderen, hoe graag ik ook had gewild.”

„Wilde u dat? Hoe is het mogelijk?”

„Ja, ik weet, ’t is onverstandig, onredelijk, maar ik voelde een ziekelijk verlangen in mij om te worden als die meisjes, oppervlakkig en geaffecteerd, opgewonden over een bal of een concert, alles dolletjes, en gezellig en leuk vindend of lief, eenvoudig, hartelijk, naïef, koket, want die heb ik ook ontmoet. Ik benijdde ze en zij dachten dat ik op haar neerzag en ze minachtte.”

„En u vond ze onuitstaanbaar?”

„Misschien omdat ik niet kon zijn als zij, omdat alles wat ik gehoord, gezien, gestudeerd had zulk een kloof had gegraven tusschen haar en mij. Ik had de diepste ellenden gepeild van het menschelijk bestaan, hoe kon ik dan nog in al dat frivole belang stellen? Met een ander karakter was het misschien nog mogelijk geweest, maar ik bezat den zwaartillenden aard van mijn vader, ik was te eenzijdig ontwikkeld, mijn andere vermogens waren kunstmatig verstompt door dat eeuwig analyseeren, dat eindeloos studeeren.”

„U was bestemd een lief, aardig, gewoon vrouwtje te worden; maar zij hebben u schandelijk van uw weg afgeleid.”

„Ik geloof het ook! Eindelijk vreesde ik krankzinnig te worden en ging op reis, mijn schotsche reis.”

Zij zweeg en hij zag naar haar gespierde kleine handen, die nu onbeweeglijk in haar schoot lagen.

„Daar voelde ik in de frissche hooglandsche lucht mijn gezondheid sterker worden, mijn zenuwen zich opnieuw spannen en daar droomde ik een droom.”

„Door mij?”

„Ja, door u! U sprak woorden tot mij, die ik nooit gehoord had en toen voelde ik wat mij rust en steun kon geven, waar ik naar smachtte, een arm waarop ik kon leunen als toen op dat steenachtige voetpad in Jona, een man die mij lief had ondanks alles en die mij wilde helpen gewoon gelukkig te worden als vrouw.”

„En waarom dan niet....”

„Wist ik hoe de andere meisjes handelen in zulke gevallen? Ik hoorde u aan, ik was op het punt ja te zeggen. Gelukkig heb ik mij bedacht, ik besloot u op de proef te stellen. Als zijn liefde zoo groot is, als ik ze noodig heb, dan zal hij het volgende jaar mij ook zoeken, waar ik ter wereld ook zijn mag en zoo niet—zoo niet, dan is het misschien beter.”

„Dwaze, die ik was om niet te komen!”

„Het was niet dwaas, maar heel verstandig; u is verliefd op mij geweest een paar uur lang. Het geheimzinnige, vreemde, waarmede ik verkoos mij te omringen, heeft u aangetrokken, en de poëtische omgeving werkte mede. Dat is alles, maar wanneer u mij daar gevonden had en u had alles gehoord, zou u dan den moed hebben gehad uw vraag te herhalen?”

„Als ik er gekomen was—ik geloof ja.”

„U is niet gekomen! U heeft anders gekozen, en ’t dient tot niets nu nog te praten over hetgeen had kunnen zijn en niet geweest is. Dat jaar heb ik hard gestudeerd en mijn laatste examens gedaan; ik wilde niet als mislukt student mijn aanstaanden man ontmoeten.”

Zij vertelde hem niet hoe dubbel hard zij gestudeerd had om huishouden, keuken, handwerken aan te leeren; gewerkt had zij tot zij er haast onder bezweken was en uitgeput, afgebeuld zich naar de ontmoetingsplaats slepen moest.

„U heeft mij zooveel bekend,” vroeg Casper, „zeg mij dit ééne nog. Was u erg teleurgesteld toen ik niet kwam?”

Zij bedacht zich even, toen sprak zij vastberaden:

„Het eerste oogenblik ja, maar een regenbui, waartegen ik op moest werken, heeft mij een goede douche bezorgd en toen heb ik mijn leven cordaat in de oogen gezien. Ik was kunstmatig ontwikkeld; in die richting moest ik nu verder groeien en mijn heil zoeken. Dat heeft mij gestaald; ik heb mij hier gevestigd, maar het bevalt mij niet. Een damesdokter heeft bij ons geen raison d’être, de vrouwen gaan liever naar mannen om zichzelf en haar kinderen te laten behandelen; zij vertrouwen haar seksegenooten ’t minst, ik kom wel goed in mijn praktijk, maar zij bevredigt mij nog niet.”

Er werd aan de deur geklopt en de meid kwam zeggen:

„Mevrouw, de coupé is voor.”

„Best Daatje! Ik laat mij mevrouw noemen, omdat ik als gegradueerde recht op dien titel meen te hebben even goed als de vrouwen van artsen en advocaten.”

„Ik houd u op?”

„Een oogenblikje heb ik nog. Ik denk dat ik naar het Oosten vertrek; daar sterven honderden en duizenden vrouwen uit gebrek aan geneeskundige hulp, omdat nooit een man haar zien mag. Aan haar wil ik mij wijden. Die hebben mij noodig.”

„Waartoe is dat noodig? Hier immers—kost het u maar een woord om een gelukkige en geachte vrouw te worden.”

„Mijnheer Van Eyken,” sprak zij uit de hoogte, „Ik heb u deze oprechte biecht gedaan, enkel en alleen, omdat ik u als gebonden beschouwde aan uw aanstaande. In mijn oog is u reeds met haar getrouwd. Ik meende verplicht te zijn u te bekennen, wie ik ben en wat ik gedroomd heb naar aanleiding van uw vraag. Voelt u zich dan zoo krachtig mij door het leven te dragen...”

Casper wist dat van zijn antwoord alles afhing, een enkele spontane beweging en zij zou haar aangeleerde rust en kalme hoogheid afleggen.

„Ik voel me sterk omdat ik u liefheb.” Zij verwachtte misschien dat hij het zeggen zou;

„Ik ga heen—maar ik kom terug—vrij!”

De woorden lagen op zijn lippen, maar hij sprak ze niet uit.

Hij wendde het hoofd af en zuchtte; hij begreep hoe sterk men moest zijn om dit kleine vrouwtje met den zwaren last van haar weten, haar denken en haar voelen door het leven te dragen en toen overviel hem plotseling een vaag verlangen naar Emilie, die niets in haar ziel verborg dan heel gewone dingen. Emilie die zoo licht was als een veer, die niets woog omdat zij zoo weinig bezat. Voor haar was hij forsch genoeg, maar niet voor dit schepseltje, met haar hoofd afgemat van veel studeeren en veel peinzen, met haar oogen, die zooveel ellende hadden gezien, met haar ooren waarin de eindelooze klacht van het menschelijke lijden ruischte, met haar handen, die de scherpste instrumenten wisten te hanteeren om in levend en dood vleesch te werken en wier lippen tegenover de examinatoren vragen hadden beantwoord, welke een gewone vrouw niet zonder blozen kon aanhooren.

„Neen,” bekende hij oprecht, „ik sta te ver, veel te ver onder u.”

„Dat weet ik niet, wie onder en wie boven staat, maar dat is zeker, naast elkander geloof ik niet, dat wij kunnen gaan.”

Zij reikte hem de hand.

„Nu wordt het mijn tijd, mijnheer Van Eyken, adieu!” Haar stem trilde even.

Weer overkwam Casper de lust haar te zeggen, dat zij ondanks alles zijn ideaal bleef, de vrouw zijner keuze, dat Emilie hem onverschillig was, akelig onverschillig, dat hij met haar een leven te gemoet ging grijs van eentonigheid en dof van alledaagschheid, dat zijn liefde haar zou schenken wat zij had gewenscht, een plaats op den gewonen, grooten levensweg der vrouwen, maar nu was het te laat, het oogenblik was voorbij, hij twijfelde aan zichzelf en zij twijfelde aan hem. Zij stond zoo hoog en hij was van zijn voetstuk gevallen.

„Ik ben blijde, dat ik u ontmoet, dat ik u gesproken heb,” sprak hij eindelijk dood gewoon, „en wij blijven toch zeker vrienden?”

„Als u wil ja, maar u zal niet veel aan die vriendschap hebben wanneer ik naar Damascus of naar Constantinopel trek.”

Zij drukte op het schelletje en beval de dienstbode:

„Laat mijnheer uit!”