VI.
Casper van Eyken was geëngageerd sedert eenige maanden.
Het was zoo gekomen; hij had een fabriek in Holland gekocht en zou deze nu zelf besturen: door den dood zijner moeder was hij in het bezit geraakt van een aardig kapitaaltje en Glasgow verveelde hem in den laatsten tijd. In den voorzomer was hij dus naar Holland verhuisd en had in het stadje, waar de fabriek stond zijn intrek genomen; toen de eerste drukte van het in gang brengen der zaak voorbij was, begon hij het verbazend eentonig te vinden in de stille omgeving; hij sukkelde met de meiden, zijn huis was zoo groot en zoo leeg, zijn zusters hielden niet op met hem voor te houden hoe verstandig hij zou doen te trouwen, de dames in de stad hadden het allen op hem gemunt, en op een zekeren avond bij gelegenheid van een societeitsbal werd zijn aandacht gevestigd op een mooi, frisch meisje van negentien jaar, een blondine met verblindend teint dat die nieuwerwetsche liefhebberijen en pretentiën, welke hij zoo verafschuwde, volstrekt niet had.
Dit meisje was doodeenvoudig hoewel zij tot de eerste families van het stadje behoorde. Zij had den naam een goed huishoudstertje te zijn. Zij kon zoo alleraardigst lachen om elke kleinigheid, die hij zeide en dus deed Casper alle moeite zich te verbeelden dat zij een uitstekende vrouw voor hem zou zijn en dat hij verliefd op haar was.
Hij vroeg haastig haar hand, kreeg ze even haastig, zond haastig de verlovingskaarten rond en had nog haastiger willen trouwen als de familie van Emilie er niet tegen was geweest. Vader en moeder deelden nog het ouderwetsche idée, dat men elkander in het engagement moet leeren kennen, hun dochter was nog zoo jong, zij konden best nog een paar jaar wachten en met heel veel moeite kreeg Casper het er door, dat het huwelijk tegen het begin van den winter zou worden voltrokken.
Zijn familie was vrij ingenomen met zijn keuze, Berkmans alleen had iets degelijkers voor hem gewenscht, maar de zusters en de andere zwagers vonden haar een snoesje en zoo bij de hand, zelf japonnen maken, zelf het huishouden doen. Goddank, dat Cas op haar zijn keus had laten vallen! Zij waren altijd zoo bang geweest dat hij eens een dolle streek zou doen, met een engelsche schoonzuster er aankomen, die zij niet eens konden verstaan, die alles anders deed dan zij, of een meisje van minderen stand, een actrice of zoo iets, neen, Emilie was uitstekend voor hem geschikt, het zou een allergelukkigst huwelijk worden, daar twijfelden zij niet aan.
En Casper zelf?
Hij wond zich op, hij zocht verstrooiing, hij bedwelmde zich aan de schoonheid van zijn aanstaande, maar wanneer hij alleen was, voelde hij zich wanhopend leeg van binnen.
Men kon toch niet altijd met elkander stoeien, lachen, zoenen, en wat was zijn verloving anders? De vrouw met allerlei liefhebberijen, met hooge aspiratiën, die op hem neer zou zien, die onbegrepen in een zoogenaamd schijnhuwelijk met hem zou leven, was hij ontsnapt, maar was hetgeen hem nu wachtte niet nog erger?
Toen Augustus naderde begon hij zich nog meer op te winden, nog meer wijs te maken dat Emilietje het ideaal eener vrouw voor hem was; eigenlijk begonnen de banden, die hem aan haar bonden reeds pijnlijk te drukken. „Als wij getrouwd zijn, zal het wel beter gaan,” maakte hij zich zelf wijs, maar geloofde zich zelf niet. Hij voelde zelf reeds bij intuïtie dat hij een maand na zijn huwelijk het gevoel zou hebben van in een kooi opgesloten te zijn, tegen welks traliën hij dan wanhopend zou opspringen.
De herinnering aan juffrouw Bauer was geheel op den achtergrond geraakt; in den drukken winter, die bijna geheel voorbij ging in onderhandelingen over den aankoop der fabriek, had hij geen tijd gehad aan haar te denken. Soms als hij een oogenblikje door het een of ander herinnerd werd aan dien zeetocht moest hij onwillekeurig glimlachen als om een dwaasheid, maar toch vond hij het een prettig hoekje in den tuin zijner herinneringen; het was hem een feest daarheen te vluchten en er eens in rond te wandelen; als hij aan haar geestig lachje dacht, trilde er nog altijd iets aangenaams in zijn ziel.
In de eerste maanden had hij zich vast voorgenomen, op het rendez-vous te komen, maar later vergat hij deze afspraak meer en meer, en toen de gedachte aan dat vreemde meisje geen beletsel meer voor hem was zich met Emilie te engageeren, had hij elk plan om op den afgesproken tijd naar Friedrichroda te gaan, natuurlijk opgegeven.
Juist op dien dag vierde de stad het vijftig-jarig jubilé van een zangersvereeniging; hij had logés over, er werd druk feest gevierd en hij dacht pas aan den datum toen deze reeds een week oud was.
„Zij heeft mij ook vergeefsch zitten wachten op dien berg,” dacht hij, „maar ’t is toch zeker maar gekheid van haar geweest. Verbeeld je, wat een mal figuur ik had gemaakt, als ik die reis daarheen had ondernomen om daar uren lang te wachten op een dame, die niet kwam en zich in stilte verkneukelden over de poets, die zij mij speelde. Ik ben wijzer, hoor!”
Maar dan kon hij soms er met angst aan denken dat Andrée hem vergeefs had gewacht, dat voor haar die woorden hooge ernst waren geweest, en dat zij bedrogen zou zijn omdat hij niet verscheen.
Vreemd, hoe meer de tijd van zijn huwelijk naderde hoe meer hij aan Andrée dacht; vooral als Emilie lachte, kwam haar ernstig ovaal gezichtje met de diepe lijnen langs de kin telkens voor hem op, en dan zag hij weer die aardige kuiltjes en die vonkelende oogen, waaruit de ziel zich baan brak naar buiten.
Bij Emilie geen spoor van zoo iets; zij zag er altijd even mooi, even frisch en kalm uit, haar lach deelde zich nooit mee aan haar oogen, de frissche lippen schitterden om de prachtige tanden, maar de oogen bleven altijd even onverstoorbaar kalm en nietszeggend; zij hadden ook niets te zeggen, er ging achter hen blijkbaar niets om.
Het huwelijk werd weer uitgesteld tot het begin van het volgend jaar; mama kon niet klaar komen met den uitzet, Casper was boos.
„Als er niets van de heele trouwerij komt, is het hun schuld en niet de mijne,” schreef hij aan een zijner zusters.
Hij werd hoe langer, hoe ongeduriger en prikkelbaarder; die eeuwige lach van zijn meisje, soms in giegelen ontaardend en dat zij in alle omstandigheden deed hooren; maakte hem zenuwachtig, ja zeker, zij zag er allerliefst uit als zij lachte, maar hij kende dat lieve gezicht nu eenmaal en zou zoo graag haar desnoods wat minder lief hebben gezien, maar dit gebeurde nooit als hij er bij was. Kwade tongen beweerden dat juffrouw Emilie te huis de schade inhaalde en dan soms heele dagen allesbehalve lief keek om de minste kleinigheid, die haar niet beviel en dikwijls ook om niets; alleen uit louter plezier.
Het werd Maart en Casper begon het als een last te beschouwen dagelijks naar de ouders van zijn meisje te gaan, met haar te wandelen en te vrijen; als zij eens een dag uit de stad was, voelde hij zich gelukkig eens op zijn gemak in zijn luien stoel te kunnen liggen om te lezen of te denken. De gedachte dat Emilie over eenige maanden hier tegenover hem zou zitten en altijd lachen drukte hem.
„Ik ben niet geschapen voor een huwelijk, ik heb het altijd gevoeld,” bromde hij in zich zelf, „het loopt bepaald mis met mij of ik Emilie trouw—of een ander.”
Maar dan dacht hij er aan òf hij het ook zoo hinderlijk zou vinden als die andere tegenover hem zat met haar kalme manieren, haar verstandige oogen en haar geestig lachje dat nooit hoorbaar werd; neen, hij sloot de oogen en kneep zijn handen in elkaar, daar kon hij niet aan denken, dát was beter dan eenzaamheid.
Hij vond het een verademing toen zijn aanstaande schoonmoeder hem voorstelde met haar en Emilie eens naar Amsterdam te gaan, om nog eenige inkoopen te doen voor den uitzet; zij en Emilie zouden bij een vriendin logeeren, hij kon naar een hotel gaan.
Dat idée wekte hem op, dat gaf verandering, misschien verbetering: die nieuwe indrukken zouden Emilie waarschijnlijk wakker maken, een beetje pittigheid brengen in haar lach, in haar conversatie, en een ander denkbeeld, dat hij met geweld trachtte te onderdrukken kwam telkens en telkens terug.
In Amsterdam woonde juffrouw Bauer, wie weet of hij haar niet eens ontmoette, dat hoopte hij eigenlijk niet, in de verte zien maar, iets naders van haar hooren, want wat zou hij haar nu zeggen, eigenlijk had hij haar zeer leelijk behandeld, want hij had haar toch in alle ernst ten huwelijk gevraagd. Wanneer zij hem als een eerlijk man beschouwde dan had zij alle redenen hem te minachten en hij zou zich doodschamen als hij haar ontmoette met zijn mooie Emilie aan den arm.