WeRead Powered by ReaderPub
In het Schemeruur cover

In het Schemeruur

Chapter 10: I.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een bundel vertellingen voor jonge lezers die in korte, anekdotische verhalen het dorpsleven en de zeevaart verkennen. Centraal staan een vriendelijke, oudere verteller en jeugdige luisteraars; verhalen brengen levensloop en herinneringen van een vroegere scheepstimmerman, avonturen naar zee, morele lessen en gebeurtenissen zoals weggaan van huis of een tocht naar de gevangenis. De verhalen wisselen realistische portretten van personages met praktisch opvoedkundige thema's, nadruk op arbeid, doorzettingsvermogen en wederzijdse hulp. Sfeervolle beschrijvingen van tuin, huis en haven geven telkens een huiselijke achtergrond voor de morele en ontwikkelingsgerichte episodes.

De Weg naar de Gevangenis.

Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een te maken. Had ik die G maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een G en nu zat ik met dien leelijken, langen staart. In vrede, dan maar een héél groote . Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had; want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes.

Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik?

“Wat voer je toch daar boven uit, George?” vroeg moeder.

“Ik leer mijn les, moeder,” riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die leugen tot achter de ooren rood werd.

“Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens naar den kruidenier om rijst, gauw!”

Alle ongelukken opeens!

In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op, zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken pennemes in den zak en ging naar beneden.

“Een pond,” zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef staan, zei ze: “Nu, waar wacht je op?”

“Op een flesch, moeder!”

“Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een flesch gehaald?”

“O ja,” zei ik, “het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het hoekje, hé?”

Wierhoeve was een smid, moet je weten.

“Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den smid halen!—Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad gedaan?”

Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg: “Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!”

“Goed, ga dan maar heen!” zei ze.

Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon te vragen.

Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van in. De letters dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo fel te kloppen, dat ik er raar van werd.

Als hij zijn pennemes maar niet noodig had.

“Vader,” zei moeder, toen ze in de kamer kwam, “ik moet je eens wat zeggen. Kom eens even hier!”

Vader stond op en ging met moeder in de gang.

Ik voelde dat ze het daar achter de deur over mij hadden en ik begon nog akeliger te worden.

Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik die boterhammen binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote brokken in mijn keel bleven zitten.

Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan.

“Je moet eens even blijven zitten, George!” zei vader.

Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te schreien.

“Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel eens eerlijk, wat is er gebeurd?” vroeg vader en zette den spaarpot op de tafel.

Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was.

Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen, toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig te snikken en greep vaders hand.

“Je zult je ziek maken, George,” sprak vader. “Vertel maar eerlijk wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de twaalf schellingen gebleven zijn! Je ziet, ik weet al veel!”

Ja, vader wist veel en daarom—neen, liegen kon ik niet, ik vertelde hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee en dertig duiten op de tafel.

“Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis of bij monsieur Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend Jacques! Die jongen zal een kerel van je maken! Nacht, George!”

Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig.

Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden, als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden vader gedankt, als op dien avond.

Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, dat ik niemendal met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor den neus, zoodat deze begon te bloeden.

Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, dat ik daardoor op het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles.

“Kom eens hier, Jacques!” beval monsieur.

“Blijven zitten, Jacques!” riep Henri uit de andere klasse zijn broer toe en deze verroerde zich niet.

“Kom eens hier, Jacques!” beval monsieur nogmaals.

“Niet doen, hoor!” riep Henri weer en Jacques deed het ook niet.

Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, en monsieur brutaal aanziende, schreeuwde hij: “Blijf af!”

Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven.

Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, zoo waar, de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, waarover we verbaasd stonden, pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende kinderen, in een hoekje bij den schoorsteen.

“Vanmiddag blijven zitten, kwajongens,” zei hij en begon toen weer aan het werk, alsof er niets gebeurd was.

Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht had. Van dien dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem, als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem nog even lief als vroeger.

Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens staan zonder iets anders te zeggen dan: “Over een half uur kom ik terug en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!”

Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, neen, dat had hij niet vermoed.

Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te komen?

“Wacht,” zei Henri, “hier achter deze heining maar!”

Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil.

Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in het sleutelgat en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit te barsten. Daar ging de deur open en, snel als de wind liep Henri er heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur Gozewinus zat gevangen.

“Wie brutaal is, wint de halve wereld,” zei Henri en nam Jacques mee naar de achterdeur van monsieurs tuin.

“Wat moet jelui?” vroeg de meid.

“Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!”

De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open.

We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg afgetrokken.

De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet.

“Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?” vroeg ik.

“Den weg op naar de gevangenis, mannetje,” was het antwoord, dat ik niet begreep.

Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, als monsieur zelf het zei.

“Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?” fluisterde een jongen me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van monsieur om vreemd op te zien.

“Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en Jacques in de gevangenis zijn?”

“Uzelf monsieur!” antwoordde ik.

“Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als ze zoo voortgaan, dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren, dat ze nog in de gevangenis kwamen ook!”

Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; ik was nog niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was.

Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op school gebeurd was.

“Zoo,” zei vader, “dat jongetje zal het ver brengen!”

“Jawel, vader, maar er zijn er twee!”

“Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!”

“Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!”

“Ik hoop het, jongen, ik hoop het!”

Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne lesje genoeg.

En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme moeder vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis gestorven.


De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter zei: “Maar, meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet veel beter en misschien nog wel erger afgeloopen is dan met Govert de Plinte!”

“Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?”

“Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen als met die twee.”

“Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje kan er nog mee door, maar herinner je altijd het versje:

Och, bedenk het, jongensstreken

Worden licht’lijk mansgebreken.”

Hoe Frans door de Wereld kwam.

“Frans, Frans!”

“Ja, moeder, ik kom!”

Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden.

Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk niet. Het was een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het was zeer laag van verdieping en in een hoek stonden stoelen en tafels, stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door elkander. De roode steenen vloer geleek veel op een modderzee, te midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in de andere hand en een emmer water aan de voeten.

Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat tegen den Zondag haar huisje schoon was.

Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden niet meedeed, maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren mochten lap op lap staan, zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op nahield, dat kon men Frans best aanzien; want zijn haren zaten netjes en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met plezier naar keek.

Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei: “Wat is het, moeder?”

“Buurman is zooeven aan de deur geweest!”

“Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren neus?”

“Ja, Frans!”

“En wat moest die hebben, moeder?”

“Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!”

“Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in.”

“Kom, kom, jongen, het is of je bang voor den nieuwen buurman bent! Dat is toch niet zoo?”

“Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond en die heeft me gezegd, dat hij zoo’n akelige vent is, die altijd maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?”

“Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als je me plezier wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch maar leelijke dingen van hem!”

“Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De heele buurt noemde hem ‘den Beer.’

“Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je buurman niet anders noemt dan ‘meneer Moerdijk’, begrepen?”

“Ja, moeder!”

“Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!”

Frans beloofde dit en ging.

Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand door de gang aankomen. De deur ging open en een oude vrouw met een vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde.

“Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde doen, juffrouw!”

“O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!”

“Ja, juffrouw!”

“Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen, dat je er bent! Voeten vegen, hoor!”

Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer, en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te zien hoe kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal, dat het vrouwtje gezegd had: “Voeten vegen, hoor!” Maar lang tijd had Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open en zei: “Meneer, hier is het jongetje van hiernaast!”

“Goed,” klonk het, “laat den slungel maar achter komen!”

“Zie je,” dacht Frans, “dat die vent wel verdient Beer genoemd te worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. Als hijzelf maar geen slungel is!”

Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan de deur.

“Binnen!” riep een barre stem.

Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag Frans niet. Hij zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat.

Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd boven een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon, van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde zak om de magere leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels.

“Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?” zei hij en sloeg zijn donkerzwarte oogen op Frans.

“Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?” vroeg deze.

“Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan eens netjes op alles, wat ik je vraag!”

Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra bij den ouden heer aan tafel, en toen had het volgende gesprek plaats.

“Hoe heet je, jongen?”

“Ik heet Frans Jacobsen, meneer!”

“Zoo, en wat is je vader?”

“Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!”

“Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?”

“Ja, meneer, hij moest ’s nachts op den toren zijn, en als het heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een klarinet ‘Wilhelmus’ blazen!

De oude heer glimlachte en zei: “O zoo, hij was dus torenwachter? En wat is hij nu?”

“Hij is al vier jaar dood, meneer!”

“Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?”

“Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!”

“Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga je school?”

“Ik ga niet school, meneer!”

“Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan al goed lezen, rekenen en schrijven?”

“Ik heb nooit school gegaan, meneer!”

“Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?”

“Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!”

“Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!”

“Jawel, meneer, maar....”

“Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar straks toch zoo op te zagen?”

“Ik, meneer?”

“Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat was zóó mooi, dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon te mauwen!”

“O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool van grootvader!”

“Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?”

“Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!”

“Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?”

“Jawel, meneer!”

Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, dat het een kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen te gelijk aan.

Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel niet zeggen en zweeg dus.

“Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!”

“Het is leelijk, meneer!” antwoordde Frans.

De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar toen hij nu weer vroeg: “Is dat mooi of leelijk?” riep Frans: “Dat is mooi, meneer!”

Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans de tranen in de oogen sprongen.

“Wel?” vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen.

“Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!” riep Frans.

Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: “Mooi, zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt gehuild. Goed, goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap voor me doen in de Zilverstraat!”

Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: “Als hij een goed gehoor heeft, dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!”

En wat wilde hij nu doen?

Dat zullen we zien.

De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer Moerdijk een paar uren werken; want “Aaltje, de meid wordt wat oud,” had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij al elf jaar oud was en nog bij kinderen van vijf jaar moest zitten om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen, en hij beet er zóó goed doorheen, dat hij twee jaar later al in de hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als hij thuis was, hielp mijnheer Moerdijk hem altijd aan zijn lessen, zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was.

Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen.

Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: “Hoor eens, Frans, ik hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je daar niet meer aan?”

“Ik heb geen tijd, meneer,” antwoordde Frans.

“Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht, wat je worden moet?”

“Neen, meneer!”

“Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?”

Frans’ oogen schitterden, en zijn “ja, meneer!” kwam er zóó blij uit, dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij wel meende, wat hij zei.

“Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen met de noten te leeren!”

Hoe Frans door de Wereld kwam.

“O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?”

“Dat komt er op aan wat het is, manneke!”

“Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd, als u niet thuis was!”

“Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!”

De oude man bracht Frans voor de piano en zei: “Speel!”

“Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?”

“Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen hebben?”

“Dat dikke, meneer!”

Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd de bladen omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van wist, had hij altijd bij het einde van ieder blad gezegd: “Keer om!”

Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. Op het laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje rukte en uitriep: “Van wien heb je dat zoo geleerd, jongen?”

“Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb ik alles onthouden en....”

“Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is onbegrijpelijk!” En hierop liep hij de kamer eenige malen rond, telkens uitroepende: “Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!”

Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij zeggen zou.

“Weet je wat, jongen, wacht hier even!” zei mijnheer en verdween in een zijkamer.

Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: “Ga mee, Frans!” en deze volgde gewillig.

Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op een pleintje voor een groot gebouw stilstonden.

“Wat staat daar boven de deur?” vroeg mijnheer Moerdijk en wees met zijn stok naar het gebouw.

“Muziekschool, meneer!” was het antwoord.

“Precies! Nu, hier moeten we zijn!” hervatte de oude heer en schelde aan.

Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje, waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden baard en knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde.

Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat wel een half uur duurde.

Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde meneer: “Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de wereld. Zoodra ik merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit, kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus de boodschap, begrepen? En nu, morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje hiernaast zal openstaan, en je zult er wel meer jongens binnen zien gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!”

Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter beiden dicht.

Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo al dag aan dag met Frans voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen, dat de blonde heer Frans niet behoefde weg te zenden. De arme knaap werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen.

Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde hem dat erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, neen, dat niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam hij het besluit, ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde.

Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat deze toch al zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen zou, toen hij op zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker tegenkwam, die hem vroeg: “Garçon, jij mij kan zek, waar woont die monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!”

Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier tijd had, en daarom zei hij: “Ga maar mee, meneer, ik zal u er brengen!”

Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij niet meer van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. Frans vond dat ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, dan zou hij ... ja, als dat eens kon ... dan ...

Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. Reeds had de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg aan te schellen toen Frans zich omkeerde en zei: “Meneer!”

“Eh, watte?”

Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans ’s avonds bij hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond werd er tusschen die twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden.

Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren wil en den wil heeft, die komt er wel.

Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en al haperde er hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil kan men bergen verzetten. Dat ondervonden deze twee ook.

Den 13den Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? Ik zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd op, toen Frans hem zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was, met hem Fransch begon te spreken! De tranen kwamen hem in de oogen en de goedige oude legde zijn hand op Frans’ hoofd en zei: “Je bent een flinke jongen! Je moeder kan plezier aan je beleven!”

En werd dit woord bewaarheid?

Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde man erbarmelijk op een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren, liet duidelijk zien, wat hij aan de menschen vroeg.

Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets meer te verdienen dan een stukje droog brood.

Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met een dame voorbij.

“Och,” zei de dame, “kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe, geef hem wat!”

De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld.

“Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!” zei de heer.

“O, als u ook spelen kunt, graag!” was het antwoord en de viool ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den rijken heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars, en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer voorbijging zonder te blijven staan luisteren.

Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, maar dezen heer kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar zoo stond te spelen.

Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het nog nooit gehoord en.... klink-klank,—klink-klank—het goud- en zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk en te schreien van blijdschap.

Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en zeide: “Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je nu maar thuis brengen, vriend!”

“O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent....”

“Ssst!” zei de heer en verwijderde zich snel met de dame.

En weet je wat de dame zei?

Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem: “Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank je ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal je zegenen!”

“Zeg, man, wie was die vioolspeler?” vroeg een heer, die in een mooie koets zat en ook stil had laten houden.

“Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!” antwoordde de blinde.

“Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig pond voor!” liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat de blinde voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument gaarne afstond.

Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was, en waren vijf menschen overgelukkig.

De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige.

En de andere vier, wie waren die?

In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel.

Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de Haarlemsche courant te spellen.

Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde ze uit de korf zonder zorg, maar....

Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, dat ze haar jongen kon laten schoolgaan!

Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een moed, die zeeën konden leegmalen!

En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en nooit vergeten zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die het eenvoudige muschje voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn.

Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd mee. En overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er zich den geheelen dag mee bezig kon houden.

“The Times, sir!” zei een knecht, die binnentrad.

De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte en begon te lezen.

Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn sigaar vallen, en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: “Vrouw Jacobsen, dat is een bericht! Lieve Vader in den Hemel, dat is een bericht, dat me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!”

“Maar wat, wat is er dan toch?” vroeg de vrouw bevende.

“Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het Engelsch staat.

“Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar dag aan dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde, dat men op die oude kast nog wat anders kon doen dan zagen. Doch zie, vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel van een vreemden heer, die op dezelfde viool zoo heerlijk speelde, dat ieder verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud en zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter aan het meesterlijk spel en zei: ‘God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!’”

“Wie, wie, wat, wat zeg je?” schreeuwde de oude vrouw. “Mijn, mijn Frans, mijn eigen Frans?”

“Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die....”

Andermaal ging de deur open en....

“Dag moeder, dag meneer Moerdijk!” zeiden de heer en de dame, die binnentraden.

“Lieve, lieve Frans!” riep de oude vrouw. “O, mijn jongen, wat maak je me gelukkig!”

“God zegene je, Frans!” sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen uit zijn oogen.—zegene je!—Jongen, jongen, wat een gelukkige dag!”

“Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover de lui hier, naar ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten staat. U beiden hebt me gelukkig gemaakt, waarom mag ik anderen nu ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is mijn viool: we zullen samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!”

De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist.

Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. En dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven.

Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar het orkest. De zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het gegons en gebrom bleef aanhouden en niemand acht sloeg op den heer, die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij het orkest verdween. Het zou misschien een andere muzikant zijn; dien avond speelden er nog meer.

Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: “Stilte!” Dadelijk was alles stil.

“Mee, ouwentje, mee!” zei de heer, die de lord was, die de viool gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest.

“Dames en heeren,” dus begon de lord, “dezen man zult u wel kennen! Hij is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer Jacobsen gespeeld heeft!”

Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe.

“En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. Zie, ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten graveer en: ‘Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen.’ Blinde John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil, kan dat straks bij het verlaten der zaal in een bus doen. Al wat er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor Blinden John! Dat had ik te zeggen! Stil, stil, daar komt de meester!”

Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar met de grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige woorden de prachtige vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er gehoord. Wat de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand, maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was, maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare hart.

Eindelijk legde hij de viool neer en—zonder de goedkeuring van het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het orkest om—zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden te danken, die den armen torenwachterszoon zoo over- en overgelukkig had gemaakt.

Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord zijn hoed moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu zelfs niet meer naar een gesticht te gaan.

Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren, zul je vanzelf wel begrijpen.

En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet uit zijn en dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden.

Met Goeden Wil en een Weinig Hulp.

I.

De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen geslagen.

De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en steeg, op stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon: