Werken Beter dan Bedelen.
Om tegen de hitte der zon beveiligd te zijn, koos hij den laatsten.
Maar ach, de weg werd al smaller en smaller, en eindigde op het laatst in een aantal voetpaden. Een er van sloeg hij op goed geluk in; maar hoe hij ook zocht en uitkeek, nergens zag hij menschen of huizen. Ach, niets anders dan boomen en nog eens boomen!
Wel besloot hij nu terug te keeren, en den weg door het dal te nemen, doch hij verdwaalde op de kleine paden al meer en meer. Hoe licht Sim ook woog, hij werd den jongen veel te zwaar om te dragen, en bij iederen stap, dien hij deed, had hij het wel kunnen uitschreeuwen van de pijn.
Eindelijk hoorde hij hetzelfde schelle gefluit als dat, hetwelk hem zoo verveeld en haast bang gemaakt had, toen hij in den boevenwagen op het spoor zat.
Hij keek op, en ja, daar ginds zag hij over een breed water een steenen brug, en met vreeselijk geweld kwam er een spoortrein over rollen.
Doch op dien weg kon hij weer niet komen; want een andere snelvlietende beek scheidde hem er heelemaal van.
Moedeloos zette hij zich bij het frissche, heldere water neer. Zijn dorst had hij spoedig bevredigd en thans trok hij de oude kousen uit, om in het koele water zijn brandend heete voeten te verkwikken. Uit zijn ransel haalde hij een paar lappen, die hij trachtte er om heen te winden.
Onderwijl hij daar zoo zat en van pijn en verdriet huilde, hield Sim zich met wat anders bezig. Toen zijn baas den ransel had geopend om er zwachtels uit te halen, liet hij hem open staan ook, en al dadelijk vielen de oogen van den aap op het brood, dat er in lag.
Spoedig had hij het beet en begon er van te eten, en reeds had hij het meer dan half op, toen Luigi omkeek en Sim zoo bezig zag. Het beest wist zeker, dat hij kwaad deed; want het brood in den mond stekend, klom hij er, zoo schielijk hij kon, mede in een boom. Welke lieve namen Luigi hem ook gaf, de aap trok maar leelijke gezichten en klom nog hooger.
Plotseling echter hoorde Luigi een schot en, eer hij tijd had om te zien wie dat loste, tuimelde Sim uit den boom en viel dood aan zijn voeten neder.
Daar kraakten de takken en een man, gekleed in een jas met koperen knoopen, trad met een geweer onder den arm en een sabel op zijde, te voorschijn. Een groote hond sprong hem achterna.
“Was dat jouw aap, jongen?” vroeg hij.
Luigi kon den vreemdeling nauwelijks verstaan, doch hij begreep hem toch wel, en zei daarom: “Jawel, meneer, dat was mijn aap!”
“En wat zit je hier te doen?” vroeg de man weer.
Luigi vertelde hem alles en wees op zijn voeten.
“Een mooie geschiedenis,” bromde de jager. “Daar schiet ik je kostwinner dood, en ik zit met jou opgescheept! Maar zeg, wil je werken?”
De arme knaap antwoordde, dat hij wel werken wilde, maar het nooit geleerd had.
Dat kon de man, die een houtvester was, maar niet gelooven en daarom zei hij: “Och wat, niet werken kunnen! Alle menschen kunnen werken! Ga maar mee!”
Luigi droogde zijn voeten af, trok de oude kousen en schoenen aan, en, na den dooden aap opgenomen te hebben, strompelde hij den houtvester na.
Toen ze zoo ongeveer een kwartier geloopen hadden, kwamen ze aan een alleraardigste woning. Voor de deur zat een jonge vrouw en op het grasperk liepen drie kinderen te spelen.
“Vrouw,” riep de houtvester, “ik breng hier een jongen mee, die niet werken kan; maar die honger heeft. Heb je wat te eten voor hem?”
De vrouw was dadelijk bereid, het hem te geven.
Onder het eten begonnen de houtvester en zijn vrouw den knaap allerlei vragen te doen, en de eerste schaterde het uit van lachen toen Luigi vertelde, dat hij niet thuis mocht komen vóór hij de zakken vol geld had; maar toen hij daarna ook vertelde, dat hij niet lezen of schrijven kon, ja, zelfs nog nooit gebeden had, riep hij uit:
“Vrouw, heb je ooit van je leven zulke menschen gezien? Dat leert hun kinderen niet lezen, schrijven, rekenen, bidden of werken! Mijn hemel, jongen hoe kun je dan je zakken vol geld krijgen?”
Luigi tastte dapper toe en ondertusschen spraken de man en de vrouw wat met elkander af.
Toen alles op was, legde Luigi den lepel neer.
“Zoo, heeft het je gesmaakt?” vroeg de jager.
“Goed, en zou je zóó heerlijk wel driemaal op een dag willen eten?”
“O, wat graag, meneer!”
“Best, dat kan je hier doen! Je mag een week bij ons blijven. In den kleinen stal hier achter zal mijn vrouw een slaapplaats voor je gereedmaken. Maar, als ik je het dan leer, zou je dan willen werken?”
“Jawel meneer!” gaf Luigi ten antwoord.
“Kom, ga dan alvast maar mee, dan zal ik je aardappelen leeren delven en gras snijden; want ik heb zes geiten, weet je, en voor die dieren moet jij dan zorgen.”
Luigi ging met den houtvester mee en deze deed hem een en ander van het werk voor.
De knaap was niet dom en had spoedig den slag er van beet. Zijn dooden aap begroef hij in het bosch.
Toen de week om was vroeg de houtvester hoe het hem beviel, en of hij bij hem wilde blijven.
“Jawel, meneer, maar, maar....”
“Nu, wat maar, jongen, spreek maar zooals je het meent!” zei de man.
“Maar, meneer, ik zou zoo graag gauw, heel gauw mijn zakken vol geld hebben!”
“Aha! Jawel, ik dacht wel dat er zoo iets komen zou. Maar, hoor eens, beste jongen, dat zijn maar praatjes van je vader geweest om van je af te komen. Heb je met je aap wel ooit zooveel verdiend, dat je goed eten kon krijgen en een bed om op te slapen?”
Luigi moest hierop zwijgen; want het was waar, en daarom vervolgde zijn vriendelijke baas: “Zonder werken, mijn jongen, kan je geen rooden penning overhouden! Je moet tegenwoordig in de wereld zoo wat van alles kunnen doen, en dan is het nog een geluk, als je volop je brood verdient. Maar, dat wil ik je wel zeggen, als je het werk, dat je hier doen moet, altijd zoo goed afmaakt als in de afgeloopen week, dan zal je bij mij ook geld verdienen en nog goede kleeren bovendien. Zeg, heb je er lust in?”
Luigi bedacht zich geen oogenblik, maar zei dadelijk met een vroolijk gelaat: “Jawel meneer! Dat doe ik heel graag!”
Acht jaren zijn sinds verloopen en Luigi is nu een knaap van zeventien jaren. Nog heeft hij zijn zakken niet vol met geld, maar toch al een aardig spaarpotje. En dan heeft hij nog iets, dat eigenlijk meer waard is dan zakken vol met geld. Hij heeft in al dien tijd heel wat aangeleerd. Hij kan nu bidden en werken en, als de winterdagen kort en de avonden lang waren, leerde de houtvester hem ook lezen, schrijven en rekenen. Hij heeft nuttige kennis opgedaan, en.... kennis is macht.
Zoons heeft de houtvester niet, en daarom hebben ze al eens verteld, dat de vreemde knaap veel kans heeft, om, als zijn pleegvader oud geworden is, houtvester in zijn plaats te worden. Wanneer men dat den goeden man zoo eens vertelt, dat begint hij te lachen en gewoonlijk zegt hij dan: “De jongen zou het verdienen ook!”
Maar zijn ouders, hoor ik je vragen?
Ja, kinderen, ik heb gehoord, dat in dienzelfden boevenwagen, waarin Luigi eens van Verona naar Trient reed, zijn ouders ook gezeten hebben. Maar niet om er weer uitgelaten te worden evenals hun zoon, doch om van het station af naar de gevangenis gebracht te worden. Men vertelde heel leelijke en vreeselijke dingen van die lieden.
Nu, dat is niet te verwonderen ook. Van ouders, die zoo leelijk met hun kinderen handelen, verwacht ik nooit veel goeds.
Luigi weet evenwel niet beter, of ze zijn beiden gestorven, en dit is maar goed ook; want het moet voor een kind al heel treurig zijn, als hij zijn ouders niet thuis, maar in de gevangenis heeft wonen.
En hier aan het slot dezer vertelling heb ik een wensch voor jelui en die is deze:
Ik hoop, dat de Lieve Heer jelui allen eenmaal op dezelfde eerlijke wijze het dagelijksch brood doe vinden, en dat je van jullie kant niet alleen zult zeggen: “werken is beter dan bedelen,” maar ook: “het geluk zit niet in zakken vol goud.”
De Baviaan.
“Kijk, kijk, die moet er ook wezen! Wat maait hij met zijn beenen! Het lijkt wel of het roeiriemen zijn! En wat zwaait hij met zijn armen! Het is of hij aanstonds op den hol zal gaan! Dat is een gekke vent! Zie je hem wel, Douwes?”
“Och, jij met je geschreeuw, zwijg toch! Straks poetst die oppasser met zijn lederen helm en sabel op zijde, ons nog weg! Wat zeg jij er van, Huibert?”
“Wat ik er van zeg? Dat er hier voor ons toch zooveel niet te zien is. Ik ga er uit en buiten op het plein wat vangballetje spelen. Kijk eens wat een mooie bal, Douwes!” riep de derde en duwde zijn makker, die eigenlijk een heel anderen weg uitzag, een grooten elastieken bal onder den neus.
“Och, loop, jij met je bal! Ik blijf hier, George, en het is een knappe jongen, die me er vandaan krijgt!” antwoordde Douwes.
Dit gesprek werd gevoerd bij een gebouw van den dierentuin, waarin allerlei opgezette dieren bewaard werden. Het was kermis en de directie van die diergaarde wilde den vreemdelingen en onbemiddelden burgers ook wel eens wat laten kijken, en daarom stond dien dag voor een onnoozele vijfentwintig cents het hek open.
En, er werd druk gebruik van gemaakt ook.
Matrozen, die van de lange reis teruggekeerd waren en nu in het vaderland het zuur verdiende geld bijna zoo goed als gingen opmaken; soldaten, die niet veel te missen hadden en toch ook wel eens wat zien wilden; kindermeisjes met kleine kinderen op den arm, die bang werden; heeren en dames, die van buiten de stad kwamen en oude vrouwtjes uit een hofje, alles woelde en wriemelde door elkander.
Tusschen het gedrang aan de poort was het Douwes, Huibert en George gelukt om, zonder de entree te betalen, toch binnen te komen, en als echte stads-kwajongens dachten ze er geen oogenblik aan, dat ze heel leelijk deden, en dat ze wel eens op een gevoelige wijze konden weggejaagd worden.
Overal waar ze kwamen hadden ze het hoogste woord, en als ze het konden gedaan krijgen, dan hielden ze vooral de menschen, die van buiten kwamen, braaf voor den gek.
Zoo hadden ze bij de apenkooi tegen een ouden zeeman, die er heusch heel leelijk uitzag, gezegd:
“Baas, is die baviaan daar je broertje of je zoontje?”
Ze waren hierop schielijk weggeloopen; maar Douwes was nog niet vlug genoeg geweest, want hij had van den zeeman nog een fermen draai om zijn ooren opgeloopen.
“Baviaan, leelijke baviaan!” riepen de drie jongens, toen ze zoo ver waren, dat hij hen toch niet meer krijgen kon.
“Wel foei, dat waren dan toch eens echte kwajongens!” denk jelui zeker.
Ja, wat zal ik je daarop antwoorden? Ik hoop maar, dat je nog nooit zoo iets zult gedaan hebben, en het ook nooit doen zult! Anders.... Doch laten we nu weer maar naar ons ondeugend drietal terugkeeren.
Alleen Douwes had dan gezegd, dat hij hier blijven wilde. Waarom, dat wist hij zelf niet; hij keek tóch nergens naar.
“Hoor je het, Huibert, hoor je het? Douwes blijft hier en wil niet meespelen. Wat ’n brave jongen toch, hé?” riep George op tergenden toon.
“O, hij is vast bang, dat hij den Baviaan weer ergens zien zal, en dat wil hij liever niet,” antwoordde Huibert.
Toen hij dit gezegd had, werd hij door een dikken heer tegen het lijf geloopen, en achter zich kijkend om te zien wie dat deed, zag hij, achter een langen rekruut, den man staan over wien ze zooeven gesproken hadden.
“Ik zie iemand met een wollen muts op. Op die wollen muts is een kwastje, en onderaan een randje van rood, wit en blauw. Wie zou dat zijn, Douwes?” zei hij.
Douwes keek ook om en zag den man, dien hij had uitgescholden, en van wien hij een klap om de ooren gekregen had, ook staan. Hij stond te lachen, omdat niet ver van hem af, een kind op den arm van een meisje uit benauwdheid hard begon te huilen.
“Nu blijft Douwes nog hier,” sarde Huibert.
“Neen, neen, laten we maar gauw maken, dat we wegkomen! Ga je mee naar de Markt, daar is Dassie met zijn honden- en apenspel. Dat is veel mooier dan hier!” zei Douwes en trok zijn kameraads mede naar buiten.
Het kostte onzen jongens nogal moeite om uit het hek te komen; want zóó dom waren ze toch niet, of ze begrepen, dat de portier, hen ziende, wel zou kunnen nagaan, dat zij geen jongens waren om een kwartje entree te betalen.
Doch ze wisten ook hier hun kans zóó goed waar te nemen, dat ze er ongemerkt uit konden komen, en spoedig daarop stonden ze op de Markt voor het honden- en apenspel. Wat ze daar zoo al uitvoerden, wil ik liever maar niet vertellen, want dat was ook al niet veel moois, dat begrijp je wel.
Liever willen we kennis maken met den leelijken zeeman.
Zie, daar komt hij het hek uit.
Ja, het is waar! Hij is foeileelijk en heusch niet veel mooier dan een baviaan.
Welke dikke lippen! Welk een stompe neus! Wat rare oogen! En wat loopt hij “sjok-sjok” langs de straat! Het is of hij dronken is.
Nu maar, dan kijk je toch verkeerd, hoor! De man is volstrekt niet dronken, en we kunnen hem gerust volgen ook. Als wij hem maar niet uitschelden, zal hij ons geen kwaad doen.
Kijk, daar slaat hij links af en loopt de Maansteeg in.
Dat is geen mooie straat. Allemaal groentewinkels en water-en-vuur-huizen.
Wat hindert dàt? Daar kunnen ook wel goede menschen wonen, zou ik zoo meenen.
“Dag, grootvader! Ben je daar al?” roept een klein meisje, dat den ouden zeeman te gemoet komt en hem bij de hand vat. “Grootmoeder slaapt nog, en het eten is bijna klaar. Ik ben blij, dat je terugkomt!”
“Zoo, Leentje, was je bang, meid?”
“Neen, grootvader; maar het is hier zoo stil in de steeg! Al de menschen zijn naar de kermis.”
“Nu, als grootmoeder wakker is, en je hebt de tafel afgenomen, dan wed ik, dat je wel met me mee mag. Kijk, dat heb ik alvast voor je gekocht!”
Dit zeggend, haalde de man uit zijn jaszak een alleraardigst speldenkussentje en een naaldenkokertje, die allebei keurig mooi met schelpjes opgelegd waren.
“Is het goed, lieve meid?” vroeg hij.
Leentje stond te dansen van blijdschap, en den ouden man om den hals vallend, zag zij niet, dat hij zoo verschrikkelijk leelijk was, maar gaf hem drie frissche zoenen.
“Nu, nu, je bent een beste meid, hoor!” zei grootvader en stapte met Leentje het kleine en armoedige huisje aan het eind van de Maansteeg binnen.
Het zag er armoedig maar knapjes uit. Wat blinken kon, blonk, en wat helder en schoon kon zijn, was niet vuil, maar bij de sneeuw af, zoo wit.
En hier woonde nu Jochem Pels met zijn vrouw, die echter in den laatsten tijd wat sukkelde. Daarom was Jochem naar zijn zoon gegaan, en had hem gevraagd of Leentje, op een na het oudste van zijn kinderen, grootmoeder wat in het huishouden mocht helpen. De zoon deed dat natuurlijk graag, en zoo komt het, dat we op dezen mooien kermisdag Leentje Pels bij grootvader in de Maansteeg, en niet bij haar vader in de Turflaan vinden. Na afloop van het middageten knapte Leentje zich wat op, om met grootvader naar de kermis te gaan. Grootmoeder was nu opgestaan, en op het oogenblik iets beter.
Hé, wat keek Leentje op de kermis rond! Wat was er veel, waarvan ze zelfs den naam niet wist!
Ze kwam haast oogen te kort!
Dat was vooral bij een groote speelgoedkraam het geval.
Onverwachts hoorde ze echter eenige jongens schreeuwen; “Baviaan, leelijke baviaan!” en naar den kant ziende, vanwaar de stemmen kwamen, zag ze drie jongens, die hard lachend achter de kraam liepen, en aan de andere zijde weer voor den dag kwamen.
“Baviaan, leelijke baviaan!” riepen ze nogmaals.
Eén der jongens kende ze wel. Het was Douwes Vlinder, die vroeger ook in de Turflaan gewoond had; maar wie de twee andere waren, dat wist ze niet. Ze had hen nooit gezien.
De oude Pels deed net, alsof hij niets gehoord had en ging met Leentje verder de kermis op.
Toen ze weer thuis waren, vroeg Leentje: “Maar, grootvader, wat is een baviaan?”
“Dat is een groote, leelijke aap!” was het antwoord.
“Maar was er dan bij die kraam een baviaan? Ik heb er geen gezien!”
“Och, dat riepen die jongens maar om iemand uit te schelden!” was het antwoord, en hij zei er verder maar liever niets van.
Den anderen dag ging Leentje in den vroegen voormiddag een boodschap doen.
Daar zag ze Douwes loopen en dadelijk dacht ze weer aan den baviaan.
“Douwes, Douwes!” riep ze.
De jongen keek om en vroeg: “Wat moet je?”
“Toen ik gisteren met grootvader bij die speelgoedkraam stond, riep je met je drieën: ‘baviaan’! Waar was die dan, zeg?”
“Zoo, was dat jouw grootvader?” antwoordde Douwes. “Wel, dat riepen we tegen hem.”
“Maar grootvader is toch geen aap?” riep Leentje verwonderd uit.
“Neen, maar hij lijkt er toch veel op. Of is hij niet leelijk genoeg?” riep Douwes en ging weer verder.
—“Grootvader net een baviaan, omdat hij zoo leelijk is! Wel, dat heb ik nog nooit gezien! Ik vind hem zelfs wel mooi, en.... hij is toch zoo goed, o, zoo goed,” sprak het kind in zichzelf. Ze begreep er niets van, en het is geen wonder, dat ze bij grootvader terugkomend, hem, heel onschuldig, dadelijk alles vroeg.
“Och ja, lieverdje,” sprak de oude man, “ik ben leelijk, heel leelijk, mijn hartje! Ik ben zoo geworden toen ik een buurvrouw uit een brandend huis gehaald heb. Geheel mijn gezicht was verbrand en ik werd doodziek. Toen ik beter was en in den spiegel keek, kende ik mijzelf niet, zoo leelijk was ik geworden. En daarom riepen die jongens, toen ze me zagen, ‘baviaan’! Begrepen?”
“Ja, grootvader, maar dat is toch heel leelijk van die jongens, niet?”
“Zeker, beste meid; maar ik hoop, dat ze later wel zullen leeren begrijpen, dat een leelijk mensch toch ook een mensch is, en even goed en braaf kan zijn, als de mooiste man of vrouw!”
Leentje keek haar grootvader nog eens aan en zei toen:
“Maar, stellig, grootvadertje, u is heusch niet leelijk! Dat zeg ik”
“Ja, kind, ik ben het wel; maar dat kan jij niet zien!”
“En waarom niet, hé?”
“Omdat je zooveel van me houdt, engel!” antwoordde de man en gaf toen de zoenen, die hij den vorigen dag van haar gekregen had, wel driedubbel terug.
De kramen zijn afgebroken en nergens meer te zien!
In heel de stad is het weer alles, zooals vóór de kermis.
De scholen zijn ook weer begonnen, doch Douwes, George en Huibert, die het leeren nog hard noodig hebben, vinden het straatloopen pleizieriger, en zijn dus maar stilletjes uit school gebleven.
“Zeg, Douwes, wat zullen we gaan doen?” vraagt Huibert op zekeren dag.
“Op de wallen spelen!” antwoordt George.
“Ben je wel dwaas?” roept Douwes, “op den wal spelen, waar iedereen loopt en ons zien kan! Neen, ik ga buiten in den Vliet bij de sluisdeuren vischjes vangen. Daar ziet geen mensch ons, en toch kunnen wij de klok hooren slaan; want, we moeten op ons uurtje passen, weet je! Als we kwartier voor twaalven naar huis gaan, dan weten vader en moeder niemendal.”
“En waarmee wil je visschen?” vroeg George.
“Wel, we binden onzen zakdoek aan een stok, dan hebben wij een schepnetje. Eergisteren heb ik wel dertig stekelbaarsjes gevangen. Twee leven er nog, die zwemmen thuis in de waschtobbe.”
Zoo iets stond den twee jongens aan en het was geen kwartier later, of ze waren alle drie bij de sluisdeuren.
Die sluis was in 1784 gemetseld, en hoewel de deuren in dien langen tijd vast wel vernieuwd zullen zijn, toch waren ze niet te best meer. Aan den eenen kant was het water veel lager dan aan den anderen kant in den Vliet; het water sijpelde evenwel door de deuren heen, en kwam in de ondiepe vaart. Hier was geen visch. Neen, maar aan de andere zijde, in den Vliet! Voornamelijk in de hoeken en op het plekje waar een lek was, daar wemelde het van stekelbaarsjes. Dat zou een goede vangst geven!
Hé, wat zoog dat water! De zakdoeken werden heelemaal tegen de deuren gedrukt. Hierdoor vingen ze al bijzonder weinig.
“Wacht,” riep Douwes, “ik ga midden over de sluisdeuren hangen, dan vang ik zeker. Maar dàn doe ik het aan den anderen kant.”
“Pas op, dat je er niet invalt!” waarschuwde George.
“Och loop! Denk je dan, dat ik mij niet kan vasthouden? En bovendien, ik kan heel goed zwemmen,” riep Douwes en kroop langs een der sluisdeuren naar het midden.
Onderwijl hij daar zoo lag, hoorden de beide andere jongens het geluid van roeiriemen in het water.
“Ga eens kijken wie daar komt!” zei George.
Huibert klauterde naar boven en gluurde door het lange gras heen naar den Vliet.
“O jongens,” riep hij, “het is de Baviaan! Gauw, Douwes, gauw, kom hier!”
En Douwes kwam, maar toen hij bijna aan het kantje was, gleed hij uit en plofte in het water.
O, hij kon zwemmen, zie je, dat was minder! Als hij maar aan den kant was eer de Baviaan kwam!
Maar Douwes had gepocht toen hij zei, dat hij zwemmen kon. Er was niemendal van aan en hij plompte in het water van belang.
Pels hoorde het; roeide er heen en nam Douwes in zijn schuitje.
George en Huibert liepen hard weg, en zagen uit de verte toe wat de Baviaan Douwes toch wel doen zou.
Maar hij deed hem niets. Hij roeide eenvoudig naar den wal, zette Douwes op den kant en zei alleen: “Wees voortaan voorzichtiger, manneke, als je bij de sluisdeuren gaat visschen, in plaats van naar school te gaan, zooals je moet!”
Druipnat en met beschaamde wangen stond Douwes aan den oever, en wist niet wat hij doen moest.
De Baviaan roeide verder en toen hij uit het gezicht was, kwamen George en Huibert aanloopen om te vernemen, wat de leelijke vent hem gedaan of gezegd had.
Douwes vertelde het hun; maar voegde er dadelijk bij: “Wat moet ik nu doen? Ik kan toch zoo maar niet naar huis gaan!”
“Wel neen, dat hoeft ook niet! Het is nog maar half tien. Je trekt je kleeren uit en laat ze drogen. Anders zit er niet op!” zei George.
Douwes begreep, dat dit nog het beste was, en zijn kleederen uittrekkend, wrong hij die eerst uit en legde ze toen te drogen.
Gelukkig was het zomer, en toen hij ze kwartier voor twaalven weer aantrok, kon men er bijna niets meer van zien.
De Baviaan.
Daar kwam hij dan nog eens goed af! Dat had hij nu in het geheel niet gedacht, hoor! Hij had al vast op een pak slaag van den Baviaan gerekend, en nu hij dàt misgeloopen was, meende hij dat alles wel goed zou gaan!
Ja, dat meende hij. Maar het kon toch wel eens anders wezen, nietwaar?
Precies op klokslag van twaalven kwam Douwes thuis.
Het was etenstijd en Douwes ging op zijn gewone plaats naast moeder zitten.
“Wat is er toch een rare lucht in huis!” zei ze en keek overal rond of ze ook wat zag.
“Ik ruik niemendal!” antwoordde vader.
“En ik ook niet!” zei Douwes.
“Net modder! Heb je soms op straat in de modder getrapt?” vroeg moeder weer en zag haar zoon aan.
“Neen, moeder, ik ben naar school geweest!” gaf de jongen ten antwoord.
“Maar daarom kan je toch wel in de modder trappen! Nu zou ik haast gelooven, dat je er stilletjes uitgebleven bent,” hernam zij.
“Neen, ik ben naar school geweest, hoor! Vraag het maar aan George en Huibert!”
“Ja, dat zijn ook lieve jongens! Maar kijk eens, vader, Douwes heeft kroos in zijn haar zitten en aan een knoop van zijn jas ook!” hervatte moeder.
Douwes wilde een nieuwe leugen verzinnen; maar eer hij daartoe kwam, zei vader: “Waarom zit je zoo te jokken, kwajongen? Je hebt in de sloot gelegen! Kijk maar, het eendenkroos zit nog in je haar. Spreek op, hoe komt dat?”
“Ik heb in het gras gerold en het is gras,” bromde Douwes, doch vader verstond geen gekscheren en ging na afloop van het eten naar school. Juist toen ze den hoek van de Vinkestraat, waarin de school stond, insloegen, liepen ze bijna den Baviaan tegen het lijf.
“Hei, hei, Vlinder, je loopt me haast omver! Man, wat heb je een haast!” zei Pels, die Vlinder goed kende.
O, wat werd Douwes benauwd! Het zweet brak hem van angst naar alle kanten uit. Als de oude nu maar niet vertelde, dat hij en zijn twee kameraads hem altijd uitscholden, dan was het nog minder. Dat hij stil uit school gebleven en in het water gevallen was, wist vader nu toch al!
“Ja, Pels, ik moet mijn jongen naar school brengen. Hij is vanmorgen stilletjes thuis gebleven en op den koop toe in het water gevallen.”
“Zoo, is dat je jongen?” vroeg Pels.
“Ja! Ken je hem?” was het antwoord.
“Ik heb hem wel eens meer gezien; maar ik wist niet, dat het je zoon was. Hoe heet hij?”
“Douwes!”
“Zoo, zeker naar zijn grootvader?”
“Ja!”
“Nu, als hij dan maar half zoo braaf wordt, als die oude man was, dan zal het best met hem schikken.”
“Ja, vader was een braaf mensch,” zuchtte Vlinder; maar naar den toren ziende, bemerkte hij, dat het al laat geworden was en zei daarom:
“Nu, Pels, ik moet weg. Maar zeg, wanneer kom je me toch eens opzoeken?”
“Als ik maar weet waar je woont!” antwoordde Pels.
“Hoe is het, weet je dat niet meer? Ik woon in het Kaneel-slop, Nº. 8!”
“O zoo, woon je daar? Nu, ben je vanavond zoo omstreeks acht uur thuis, dan kom ik een uurtje praten!”
“Dat is goed, ik zal je wachten!” zei Vlinder en ging met Douwes naar school.
Maar meester had geen lust om den jongen, zooals hij er uitzag, tusschen de andere kinderen te zetten, en daarom vroeg hij of Vlinder het goedvond, dat hij hem maar heel den middag bij den spekslager naast het varkenshok zette.
Vader had er niets tegen, en zie, den ganschen middag stond Douwes bij het varkenshok met de lei in de handen; want ledig staan mocht hij niet. Honderdmaal moest hij keurig netjes op de lei schrijven: Soort zoekt soort!
Douwes had er in het eerst niet veel lust in; hij legde zijn lei op den grond en begon de varkens te bekijken.
“Ben ik dan een varken?” bromde hij. “Waarom laat meester me schrijven: soort zoekt soort? Hij scheldt me niet uit, neen, dat doet hij niet; maar het is toch langs het kantje af!”
En zoo redeneerde hij al voort, tot hij ten laatste aan den Baviaan dacht.
“Dien leelijken vent heb ik uitgescholden, dat is waar, maar hij geleek toch meer op een baviaan dan ik op een varken gelijk!”
Wacht, daar stond een emmer met schoon water. Net een spiegel! Als hij er eens in keek, dan zou hij toch eens goed kunnen zien, dat hij geen varken was.
Juist was hij bezig met kijken, toen een kweekeling kwam om zijn strafregels te zien.
Hij had er nog niet één.
“Nu, Douwes, dan komen er vijfentwintig bij, heeft de bovenmeester gezegd!” zei de kweekeling en ging heen.
Nog een poosje bleef Douwes staan, doch hij begon te bedenken, dat hij er nog wel eens vijfentwintig bij kon krijgen, en daarom besloot hij maar bedaard aan het werk te gaan.
”Soort zoekt soort,” het stond er honderd vijfentwintig maal toen de klok vier uur geslagen had en meester op de plaats kwam.
Douwes moest nu in de school. Al de kinderen waren weg.
Wat zou er gebeuren?
“Hij moet niet probeeren me te slaan,” dacht de brutale knaap, “want dan zal ik het den Burgemeester gaan vertellen, en dan zal hij leelijk tegen de lamp loopen!”
Maar meester sloeg niet. Hij legde een pen voor Douwes neer en zei: “Komaan, manneke, nu zullen we al het werk, dat we vanmorgen hier onder schooltijd gedaan hebben, met ons beitjes eens na schooltijd doen. Vindt je het goed?”
Neen, Douwes vond het niet goed. Hij vond het zelfs gemeen en slecht; maar tegenpruttelen durfde hij niet.
Om zeven uur ging Douwes naar huis met de boodschap, dat hij morgenmiddag van hetzelfde laken een pak zou hebben, als hij weer niet school kwam en vischjes ging vangen.
Toen hij thuis kwam, vond hij zoowaar den Baviaan al op vader zitten wachten.
Dat was evenwel zoo afgesproken; want toen Vlinder naar zijn werk ging, stond Pels hem op te wachten en vroeg hem, of hij het goedvond, dat hij vanavond een beetje vroeger kwam om wat met Douwes te praten.
Vader had dit uitmuntend gevonden.
“Zoo, Douwes, kom je nu pas uit school?” begon hij. “Ik heb gehoord, dat je moeder je schoon goed wil laten aantrekken, en daar je vader toch eerst te acht uur thuis komt, heb ik er wat op verzonnen. We zullen samen naar de badinrichting gaan, en daar eens een bad nemen. Dat zal je heelemaal opknappen. Ga je mee?”
Douwes had er maar half lust in; maar moeder stopte hem zijn schoon goed, in een doek geknoopt, in de handen, en de twee gingen heen.
Toen ze klaar waren, kende Douwes zichzelven niet. Het was, alsof hij een andere jongen geworden was, zoo vreemd gevoelde hij zich.
Dat kwam vooreerst door het frissche bad en dan, neen maar, als hij dien ouden Pels zoo eens aankeek, dan was die man toch zoo leelijk niet!
En wat praatte hij aardig! Hij sprak over geen schelden, of over geen stil-uit-school-blijven, niets van dat! Hij had het over heel andere zaken, en toen hij thuis kwam had hij spijt, dat vader nu met Pels praten ging.
Eindelijk ging de oude zeeman heen, doch toen hij de kruk van de deur al vast had, zei hij: “Wat ik zeggen wil, Douwes, ik ga morgenmiddag om vijf uur in de plassen buiten de stad visschen. Als je mee wilt, en je mag van je ouders, dan moet je maken, dat je op dat uur bij de sluis bent! En als je kameraads ook mee willen, en hun ouders hebben er niets tegen, dan breng je ze maar mee, hoor! Gegroet!”
In den vroegen morgen van den volgenden dag zocht Douwes zijn twee kameraads op. Hij vertelde hun alles wat er gebeurd was en ook dat ze vanavond mee mochten gaan visschen, als vader of moeder er niets tegen hadden.
Wel stonden Huibert en George gek te kijken; maar Douwes wist zooveel van den ouden Pels te vertellen, dat ze besloten verlof te vragen om mee te gaan.
Natuurlijk moesten ze dan ook naar school; want anders liep het heelemaal mis.
Meester zei niets en keek de drie luitjes zoo nu en dan maar eens even aan.
Hé, ze hadden nog nooit zoo veel gewerkt en, om de waarheid te zeggen, ze vonden het toch wel prettig.
Doch toen ’s middags om vier uur de school uitging en meester kortaf beval, dat ze alle drie zouden blijven zitten, zie, toen keken ze toch niet heel vriendelijk en ze meenden, dat ze heel onrechtvaardig behandeld werden.
Doch meester had volstrekt geen plan om de jongens te straffen; hij wilde hen eens ernstig over dat stil uit school blijven onderhouden. Hoe hij het aanlegde heb ik nimmer vernomen, maar een buurvrouw, die voor het raam stond, dat op het schoolplein uitzag, had de knapen alle drie zien schreien, toen ze een kwartiertje later dan de andere kinderen uit school kwamen.
“Heb je slaag gehad, jongens?” vroeg ze.
“Neen!” was het korte antwoord.
“Wat scheelt er dan aan?” hernam ze weer; want ze was wat nieuwsgierig uitgevallen.
De jongens gaven haar echter geen antwoord en gingen bedaard verder.
Te vijf uur waren ze bij de sluis. Ze behoefden niet lang te wachten; want spoedig was Pels er ook.
Hij kwam met zijn roeibootje naar den wal en zei: “Stap maar in, jongens!”
Dat lieten ze zich geen tweemaal zeggen.—Weldra waren ze nu met hun vieren in de boot, en de oude Pels trok nog zoo stevig aan de riemen, dat een voetganger, die nogal goed doorstapte en langs het smalle jaagpad liep, het bootje niet bij kon houden.
En toen ze op de plassen kwamen, wat hadden ze toen een pret!
Wat wist die oude man aardige geschiedenisjes te vertellen. En wat werd er veel gevangen!
De avond was om eer ze het wisten, en toen ze tegen het donker weer bij de sluis aan wal stapten, riep Pels: “Nu, jongens, tot overmorgen, hoor! Wel te rusten!”
Nauwelijks was Pels met zijn bootje den hoek omgedraaid of Douwes zei:
“Wat zeg je nu van den Baviaan?”
“Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Huibert, “maar we moeten hem toch niet meer uitschelden, wel?”
“Neen, want hij is veel te goed, en overmorgen mogen we weer mee!” sprak George.
Nu, overmorgen kwam, en ze gingen weer op de plassen.
Ze dachten er niet meer aan om hem Baviaan te noemen, en toen ze later eens bij hem aan huis kwamen, was het ook de oude Pels, die hun leerde wat ze doen moesten om braaf en gelukkig te worden. Nooit meer verzuimden ze de school, en meester had altijd pleizier van deze jongens.
Nu zijn ze alle drie onder dienst geweest en verdienen hun eigen brood; maar nog altijd is de oude Pels hun beste vriend, en als ze eens een uurtje vrij hebben, en het weer zóó is, dat ze niet weten waar ze loopen zullen, dan kan men hen altijd in zeker huisje van de Maansteeg vinden.
Onlangs kwamen ze er weer uit en toen zei Douwes tot Huibert en George:
“Leelijk is hij, leelijk als de nacht! Hij is waarlijk nog net een baviaan; maar hij is goed, verstandig en braaf, dat zegt meer, zou ik denken!”
“Dat gelooven wij ook!” antwoordden de andere twee.
De oude Pels leefde nog verscheidene jaren en werd zelfs overgrootvader; want Douwes was met Leentje getrouwd en had drie kindertjes, die niets liever deden dan met grootvader spelen. Daartoe had de oude man ook overvloed van tijd; want Douwes, die, door goed leeren en goed oppassen, meesterknecht in een groote smederij werd en goed geld verdiende, wilde niet hebben, dat de brave man, die hem eigenlijk gelukkig gemaakt had, op zijn ouden dag moest werken voor den kost. Hij leefde dus vergenoegd bij zijn kleinkinderen, en toen hij eindelijk gestorven was, zeiden de menschen: “Hij was een aap van buiten, maar een engel van binnen!”