Jan met de Pijp.
Midden tusschen de huizen van het dorpje Schootwerve lag een allerliefst tuintje, dat door een heg van hulst van den weg afgescheiden lag. Dat tuintje zag er keurig net onderhouden uit. Tusschen de perkjes, die allerlei vormen hadden, slingerden zich paadjes, die met schelpzand bedekt waren. De perkjes zelf waren omringd door een laag hegje van steekpalm en versierd met allerlei soorten van zaaibloemen.
Het grootste perk, dat in het midden lag, was een zoogenaamd tapijtbed, dat er met zijn veelkleurige bloemen uitzag als een groote, heel groote lappendeken, waardoor middenin een mannetje gekropen was. Dat mannetje was een pop van aardewerk en stelde een rookenden Moor voor. Vroeger had hij voor een tabakswinkel gestaan, maar toen hij bij de een of andere gelegenheid zijn rechterhand, die de pijp vasthield, gebroken had, was hij bij een uitdrager verzeild, en bij dezen had de eigenaar van het tuintje den invalide gekocht. De timmerman van het dorp, een echte knutselaar, had den steenen Moor een houten hand en pijp gegeven en deze met draadnagels aan zijn lichaam vastgemaakt.
En zoo stond daar de rookende Moor den heelen zomer midden tusschen de bloemen. Kwam het najaar aan, dan werd hij op den zolder gebracht en eerst in April, na goed afgestoft, geveegd en opgeverfd te zijn, kwam hij, den eersten zomerschen dag den besten, weer te voorschijn.
Roepen op andere plaatsen de jongens elkaar toe, als ze den koekoek voor het eerst in het jaar hebben gehoord: “Ik heb den koekoek gehoord!” hier riepen alle jonge Schootwervers: “Ik heb Jan met de pijp gezien!” Want Jan met de pijp was de bijnaam van den opgelapten Moor. Ja, de vrouw van den smid zou niet eer aan de groote voorjaarsschoonmaak beginnen, vóór zij wist, dat Jan met de pijp van den zolder in den tuin gekomen was.
Achter het tuintje stond een ouderwetsch huis. De muren waren van onder tot boven begroeid met klimop en het was er zoo rustig en stil, dat verscheidene vogeltjes het waagden hun nestjes in de altijd groene takken te maken.
Het huis zelf had een groote voorkamer, een zijvertrekje, een tuinkamer en een keuken. Boven waren nog een paar kamers en drie slaapvertrekken. Tusschen de voor- en de tuinkamer was een alkoof en hierin sliep de eigenaar van het huis, de oude heer Van Laeken.
Wie de oude heer Van Laeken was, zal ik jelui eens even vertellen.
Met Nieuwejaar van het jaar 1800 was hij te Antwerpen geboren, waar zijn vader magazijnmeester was. De menschen hadden fatsoenlijk hun brood, maar toen Napoleon beval, dat er geen Engelsche schepen meer in de havens mochten komen om voortbrengselen uit Oost en West binnen te brengen, toen was er in het magazijn van den rijken koopman, bij wien Van Laeken’s vader in dienst was, geen magazijnmeester meer noodig; want het pakhuis was ledig.
Nu stond bittere armoede voor de deur.
De oude Van Laeken kon goed rekenen, schrijven en lezen, maar van een ambacht verstond hij niets. Zijn eenig zoontje moest terstond van school af, hoewel het ventje nog maar elf jaar oud was, en zijn twee zusjes, die reeds bij een Franschen meester waren, werden ook thuis gehaald.
“Als je nu nog leeren wilt, dan moet je jezelf maar oefenen en als je met het een of ander niet voort kunt, vraag er mij dan maar naar en, als ik kan, dan zal ik je helpen!” zei vader.
Maar van dat leeren kwam niet veel; want wie wat verdienen kon met werken of boodschappen doen, die moest er maar op uit.
Toen George, zoo heette de jongen, zag, dat hij met boodschappen doen het niet heel ver in de wereld brengen zou, zag hij naar alle kanten uit, of hij niet iets kon vinden waarmede hij een eerlijk stuk brood verdienen kon.
Zoo liep hij eens tegen den avond langs de kade toen een zeeman op hem afkwam en vroeg: “Wat zoek je, jongen?”
“Ik zoek werk! Ik wil een ambacht leeren!” antwoordde George.
“Daar geef ik niet om, als het maar iets is waarmee ik mijn brood verdienen kan!”
“Je bent een onverschillige jongen,” zei de zeeman.
“Dat is niet waar,” antwoordde George. “Nu heb ik twaalf ambachten en dertien ongelukken. Dat wordt nooit wat goeds! Ik wil één ambacht leeren!”
“Nu, nu, het was zoo erg niet gemeend, manneke! Weet je wat ik ben?”
“Matroos?”
“Neen!”
“Stuurman of hofmeester dan?”
“Ook al niet! Ik ben scheepstimmerman aan boord van een oorlogsschip.”
“En is dat een goed ambacht?”
“Dat zou ik wel gelooven. Z. M. de Keizer zorgt goed voor zijn manschappen. Er is maar één Napoleon!”
“Dat zeg je! Maar zou ik dat scheepstimmeren ook kunnen leeren?”
“Waarom niet? Zou jij het bij mij aan boord willen leeren? Ik was er juist op uit een jongen te zoeken!”
George’s oogen glinsterden en den zeeman bij den arm vattend, zei hij: “Ga mee naar vader en moeder en doe een goed woordje voor me!”
De man voldeed hieraan gaarne en.... veertien dagen later was George aan boord van La France, een prachtig linieschip.
In den scheepstimmerman, meester Barend, zooals hij door de Hollandsche matrozen genoemd werd, vond George een goed leermeester en een warm vriend. Jarenlang, ook nog na den val van Napoleon, voeren ze samen, doch na 1825 niet meer ten oorlog, maar ter koopvaardij.
Eindelijk was meester Barend zoo gelukkig een erfenis te krijgen en daar zijn dienstjaren juist verloopen waren, ging hij uit den zeedienst en vestigde zich als scheepstimmerman in de stad, waar hij zijn vriend en makker George bij zich nam. George had de eerste drie jaren aan boord van La France niet alleen zijn vak geleerd, maar daar de betrekking van schrijver door een gewezen schoolmeester vervuld werd, en deze in zijn ledigen tijd gaarne nog wat deed, had George van hem geleerd wat hij, door het ongeluk van zijn vader, in Antwerpen niet had kunnen leeren. George schreef een goede hand en wist van het Fransch en Engelsch zooveel, dat hij deze beide talen, zonder grove fouten te maken, lezen, spreken en schrijven kon. Deze kennis kwam hem nu uitmuntend te pas. Hij hield boek en meester Barend zorgde, dat het volk op de werf zijn plicht deed. Het gevolg hiervan was, dat de scheepmakerij in bloei toenam en toen meester Barend op 62-jarigen leeftijd aan een slepende ziekte overleed, was George van Laeken eigenaar van de geheele zaak. Meester Barend, die op de geheele wereld geen familie meer had, had kort voor zijn dood alles aan George vermaakt.
Hadden George’s ouders nu nog geleefd, dan had hij voor hen kunnen zorgen, maar ze waren in 1812 kort na elkaar gestorven, en zijn zusters waren de wijde wereld ingegaan, zonder eenig spoor van zich achter te laten.
Oude buren verzekerden, dat ze met de vrouw van den gewezen maire (burgemeester) van Antwerpen waren medegegaan naar Frankrijk.
Twintig jaar lang bleef George scheepstimmermansbaas, maar toen besloot hij stilletjes te gaan leven. Hij zocht daarom een vriendelijk gelegen plaatsje en vond dat in Schootwerve. Hij kocht daar een groot stuk duingrond, liet er een huisje bouwen en legde er, met heel veel moeite en voor heel veel geld, een mooi tuintje aan. Achter zijn huis had hij berken en dwergeiken laten planten en die tierden daar uitmuntend.
Toen hij ongeveer een jaar of tien te Schootwerve met een huishoudster geleefd had, kwam op zekeren dag de burgemeester bij hem om te vragen, of hij ook nog familie in Antwerpen had.
Nu, wat zou mijnheer Van Laeken zeggen? Hij wist niet beter dan van neen.
“Ik heb anders vanmiddag een brief gekregen uit Antwerpen waarin me gevraagd werd, of bij mij op het dorp niet een zekere George van Laeken woonde. Daar waren twee kleine meisjes te Antwerpen gekomen met een brief waarin stond, dat haar grootmoeder een zuster was geweest van George van Laeken, die als scheepmakersleerling in Franschen dienst gegaan was. Die grootmoeder had daar in Frankrijk haar man, haar dochter en haar schoonzoon zien sterven en toen zij voelde dat ze ook niet lang meer leven zou, had ze aan de twee kinderen van haar dochter een brief gegeven om dien aan den burgemeester van Antwerpen te brengen, als ze gestorven zou zijn. Kort daarop stierf ze; haar geringe bezitting werd verkocht en in gezelschap van den pastoor van het dorp waren ze naar Antwerpen gegaan!”
“Nu,” zei mijnheer Van Laeken, “dat kan best waar zijn. Ik zal naar Antwerpen gaan en de zaak onderzoeken!”
Drie weken later kwam de oude heer te Schootwerve terug met twee meisjes bij zich. Ze waren tweelingen en heetten Helena en Anna.
Voor die nichtjes was hij alles, en waar hij haar pleizier kon doen, daar deed hij het, en zij toonden dat ze die liefde ten volle verdienden.
Die meisjes kregen weldra vriendinnetjes en menigmaal was er kinderfeest in huis, op welk feest ook de broertjes van de vriendinnetjes mochten komen.
Eindelijk maakte de oude heer met al de jongelui de volgende afspraak. “Iedere week zal ik aan den hoofdonderwijzer vragen wie er de heele week goed opgepast heeft en zij nu, op wie hij niets te zeggen heeft, mogen Zaterdags bij me komen, dan zal ik hun een vertelling doen!”
Dat werd natuurlijk goedgevonden en den volgenden Zaterdag was de oude man door wel dertig kinderen omringd. Een stuk of acht jongens, echte belhamels, hadden om hun slecht gedrag niet mogen komen, en die waren hierover zóó boos, dat ze mijnheer Van Laeken allerlei leelijke namen gaven, en op het laatst hem bijna niet anders kenden, dan onder den naam van “Jan met de Pijp.”
“Wel,” zei de vriendelijke oude heer, toen hij dat hoorde, “ze noemen me Jan met de Pijp, best, heel best!” Hierop was hij naar de stad gegaan, had zijn portret laten maken en veertien dagen later gingen meer dan dertig kinderen naar huis, en ieder had een keurig nette afbeelding van den goeden man in den zak.
Ik heb het geluk gehad zulk een portret meester te worden, en als je nu weten wilt, hoe mijnheer George van Laeken er als Jan met de Pijp uitziet, bekijk dan maar eens het prentje in dit boek, dan weet je het. Hij lijkt sprekend. En als je hem nu goed bekeken hebt, lees dan maar verder wat hier in dit boekje staat. De vertellingen, die ik uit zijn mond opgevangen heb, staan hierin, en ik twijfel geen oogenblik of ze zullen je wel bevallen.
Jan met de Pijp
Naar Zee.
Het was vroeg in het voorjaar van 1817 en we lagen met onze korvet, dat is een soort van oorlogsschip moet je weten, te Vlissingen in het dok. Het was meer dan noodig, dat we die haven binnengeloopen waren; want De Windhond, zoo heette ons schip, had het vorig jaar nogal wat geleden, toen we den Algerijnen den mantel uitgeborsteld hadden, dat de wol er afvloog. We moesten in het droogdok, maar die het eerst komt, het eerst maalt, dat was ook hier waar; want niet minder dan zes schepen waren ons voor. Als die klaar waren werd het onze beurt.
Zulk een leven aan den wal is voor Janmaat het onplezierigste wat er wezen kan. We verveelden ons vreeselijk en dikwijls dacht ik, als ik zoo naar de groote beelden keek, die boven het beeldenhuis staan: “We hebben nu op het oogenblik veel weg van die steen en dingen daarboven! Is dat een leven?”
We hadden een bovenstbesten kommandant. Hij hield van zijn volk, en zijn volk hield van hem. Waar hij ons maar pleizier kon doen, daar deed hij het, zoodat we menigmaal verlof kregen om eens te gaan wandelen.
Ik weet niet of je op het eiland Walcheren bekend zijt. Denkelijk wel niet en daarom wil ik je even zeggen, dat het een der mooiste streken van ons land is. Weiland, bouwland, buitenplaatsen, vriendelijk gelegen dorpjes, mooi aangelegde wegen, mooie duinstreken, zware dijken en zee wisselen elkander af.
Geen wonder, dat we dan ook altijd van de vergunning om te wandelen gaarne gebruik maakten en wel zorgden, dat er nooit klachten over ons kwamen. Want, zie je, dan wisten we, als er een veldwachter aan boord van De Windhond kwam om te klagen, dat een der matrozen hier of daar wat gedaan had, dat niet in den haak was, dan zat er wat op. De minste straf was een maand dekarrest, dat wil zooveel zeggen als een maand lang aan boord blijven.
Zooals ik daar straks al zei, het was vroeg in het voorjaar toen we in het dok kwamen te liggen. We hadden een koude, schrale Februari en Maart was nog een beetje erger. Op de timmerwerf van de schepen was werk in overvloed, maar al de andere ambachten wachtten op het mooie weer om te beginnen; vooral hadden de metselaars het kwaad, bitter kwaad. In het najaar was het werk vroeg gedaan geweest en nu duurde het zoo lang eer ze weer beginnen konden met wat te gaan verdienen.
Voor ons kwam het er evenwel niet zoo erg op aan; we ondervonden alleen het onaangename van de koude, maar voor het overige hadden we er geen hinder van. Spek en gort kregen we meer dan we lustten, en dikwijls gebeurde het, dat de bakmaats den bak met gort niet leeg konden krijgen.
Eens op een morgen, dat ik zoo aan den valreep naar de beelden van het beeldenhuis en dan weer naar de beweging op straat stond te kijken, zag ik twee jongetjes door de modder van de pasgevallen watersneeuw loopen. Ze zagen er schraaltjes uit. De kleertjes, die ze aan het lijf hadden, waren brandhelder, maar dun, dun, o, men kon de ribbetjes, die er onder zaten, bijna tellen. Gezond zagen ze er ook niet uit; de oudste had lange, zwarte haren en daardoor kwam zijn mager gezichtje nog veel meer uit. Zijn oogen kropen bijna weg, alsof ze zich schaamden, dat ze boven een paar zulke magere wangen staken, en de wijde pijpen van de broek woeien met den wind zoo achteruit, dat men de beentjes, zoo dun als talhoutjes, er in kon zien zitten.
En toch scheen dat kereltje geen verdriet te hebben; want onderwijl zijn jonger broertje, dat er iets beter uitzag en die ook betere kleertjes aanhad, liep te huilen, floot hij een deuntje.
“Jongens,” dacht ik, “vanmorgen hebben we wel een bak half vol met gort overgehouden, er is nog een stuk spek in ook, wie weet of die kleine snuiters dat niet graag hebben zouden!”
“Wat sta je daar als een baliekluiver de straatsteenen te tellen?” vroeg opeens iemand, die achter me stond.
Het was onze kommandant; ik keerde me om, sloeg de voorste vingers van mijn rechterhand tegen mijn wollen muts en zei: “Ik keek naar die twee arme kinderen, kommandant, en ik dacht ... ik dacht ...”
“Nu, wat dacht je?”
“Ik dacht, kommandant, dat die arme zielen misschien de gort wel zouden lusten, die wij vanmorgen hebben overgehouden!”
“Wel, vraag het dan, kerel! Van mij heb je permissie!” antwoordde hij.
“Alstublieft, kommandant,” zei ik, liep de loopplank af en haalde de jongens, die op hun sukkeldrafje al een heel eind ver geloopen waren, spoedig in.
“Hei, hei!” riep ik.
De kinderen keken om en toen ze mij zagen wenken stonden ze stil.
“Heb jelui soms ook honger?” vroeg ik.
“Ik heb mijn buik vol gefloten, maar mijn broertje kan niet fluiten en die denkt nu zijn buik vol te kunnen huilen; maar dat schijnt hem niet te gelukken!” zei de oudste.
“Lust je ook gort met spek?” vroeg ik weer.
“Die niet lust is dood! Ik lust alles!” antwoordde hij.
“Best, ga dan maar met me mee, dan kan je bij ons aan boord schaften. Hallo, frisch op maar! Wie van jelui beiden er het eerste is krijgt het meeste.”
Rrrt, daar ging de kleinste, loop je niet, zoo heb je niet! als een kogel uit eene draaibas! De oudste deed het niet en kwam langzaam achteraan slenteren.
“Wat,” riep ik hem toe, “kan jij niet loopen?”
“Neen, mijn broertje wint het altijd van me,” zei hij en kwam wel een paar minuten later aan boord dan zijn broertje en ik.
Weldra zaten we tusschendeks, ik op zij, en die twee plat op de planken met den bak tusschen zich in.
“Jij mag twee prikken tegen dat ik er een neem, Jan,” zei de oudste; “jij hebt het gewonnen, jij mag dus het meeste!”
En, verbazend, wat at die kleine! Zulk eten heb ik nooit gezien! Maar toch kon hij alles niet op en er bleef nog heel wat over. Zoodra Jan den lepel neerlegde deed Tom, zoo heette de ander, het ook.
“Nu, Tom,” sprak meester Barend, die er ook bij gekomen was, “nu Tom, heb jij zoo’n kleine maag?”
“Welneen,” antwoordde hij, “maar ik heb ze al vol gefloten en ... en thuis, weet u ... thuis ...”
“Ja, vader en moeder en de twee kleintjes kunnen ook niet fluiten!”
Ik keerde me om, zag meester Barend aan en ... dat had ik nog nooit gezien, meester Barend kreeg opeens zulke natte oogen, alsof hij zwaar verkouden was en niezen moest en het niet kon.
“Te weerga, jongen, eet!” riep hij. “Eet, zeg ik je! Jij bent een jongen, hoor! Je bent van de stof waaruit onze Lieve Heer de engelen gemaakt heeft! Eet, zeg ik je! Die daar thuis zijn en niet fluiten kunnen, krijgen van mij en mijn kameraads een bak vol! Toe kerel, eet, eet dan!”
Maar zie eens aan! In plaats van nu opnieuw toe te tasten, vloog de lange lummel zijn broertje om den hals en begon hardop te huilen, en daar huilen een aanstekelijke ziekte is, begon Jan ook. Dat was me een mooi gezicht! Twee huilende kwajongens en een schaftbak met gort en spek er naast.
“Mag ik ook weten wat hier te doen is, meester Barend?” vroeg de kommandant.
“Wij hebben hier een jongen gevonden met een groot hart in ’t lijf, kommandant,” antwoordde meester Barend en, terwijl hij vertelde wat die oudste jongen zoo al gezegd en gedaan had, kwamen een paar groote tranen langs zijn wangen rollen.
“Dat is mooi, dat is heel mooi,” sprak de kommandant. “Eer die jongens van boord gaan, moeten ze eens even bij mij in de kajuit komen!”
Wat de kommandant met deze jongens besprak, kwam ik natuurlijk niet te weten, althans dien dag niet. Maar dat is zeker, dat ze meer van boord rolden dan liepen, en dat ze voortaan elken morgen om de overgeschoten gort kwamen. Zoo werden we langzamerhand bekenden.
Intusschen werd het in Juni ook onze beurt in het droogdok te gaan liggen, dat is te zeggen, het schip, weet je, maar wij niet. Zoolang De Windhond daar lag, gingen wij aan boord van de Neptunus, een oud linieschip, dat daar al sinds jaar en dag in het dok gelegen en nooit zee gezien had. Op zoo’n schip, dat volstrekt geen tuigage had, hadden we nog veel minder te doen dan op De Windhond, zoodat de kommandant ons gaarne vergunning gaf met meester Barend eens een rijtoertje te gaan maken.
Wij hadden een prettigen dag en kwamen tegen den avond langs Koudekerke terug.
“Weet je wat, jongens,” zei meester Barend, “het zitten en rijden begint me te vervelen. Ik stel voor, den wagen naar Vlissingen leeg terug te laten rijden, en dan gaan we van hier naar de duinen om zoo langs het strand naar huis te gaan!”
De anderen hadden evenwel geen zin in het loopen, en daarom reden er vijf mee en meester Barend en ik gingen loopen. Na bijna twee uur gewandeld te hebben, we waren nog verdwaald geweest op den koop toe, kwamen we zoowat een groot uur van Vlissingen af op het strand. Er woei een stevige bries en dat beviel ons; want we waren niet weinig warm.
Toen we zoo omstreeks een half uur geloopen hadden riep meester Barend opeens: “Kijk eens, George, zijn daar ginds geen jongens aan het zwemmen?”
Ik keek op en zag ze ook; maar zwemmen deden ze niet. Ze schenen maar wat in het water te loopen spelen.
“De lange lummel daar mag wel voorzichtig zijn,” sprak meester Barend. “Er gaat hier een sterke eb en de kwajongen waagt zich veel te ver! Pas op, straks kunnen we nog gaan zwemmen om hem te redden.”
Toen we nader kwamen zagen we wat er aan de hand was. Op de eb dreef een heel klein scheepje, waarmee ze gespeeld hadden, doch dat omgeslagen was, al verder en verder zee in.
“Ik weet al wie het zijn,” zei ik na een poosje. “Die lange daar met zijn stroohoed op is Tom, en die met dat mutsje, is Jan van den metselaar uit de Vrouwenstraat. Zeker aan het spelen!”
“Mooi spelen!” bromde meester Barend. “Ze leggen het er op toe om te verdrinken. Als hij nog wat verder gaat, dan ... daar gaat hij al, daar gaat hij al!” Hierop zette meester Barend de holle handen voor zijn mond en schreeuwde, evenals door een scheepsroeper: “Hei!”
Tom zag op en Barend wenkte hem, dat hij terug zou komen.
Maar dat terugkomen was gauwer gezegd dan gedaan. Er ging een sterke stroom en eer Tom er op verdacht was, daar ging hij.
“Help! Help!” schreeuwde hij.
“Heb ik het niet gezegd?” riep Barend, “dat geeft vanavond nog een bad!” en zoo als hij dat gezegd had, liep hij langs den kortsten weg dwars door het water heen.
Tom dreef met den stroom al verder af en, was meester Barend niet een baas in het zwemmen geweest, dan had Tom zijn onderneming om het drijvende scheepje weer terug te krijgen, met den dood moeten bekoopen.
Onderwijl mijn oude kameraad zich met het redden van den onvoorzichtigen Tom bezighield, had ik Jan op het droge gebracht, en daar ik wel kans zag het scheepje nog te krijgen, ging ik opnieuw te water, om van mijn zijde ook wat te doen.
Barend kwam op hetzelfde oogenblik met Tom aan wal, als ik met het scheepje, maar ik zou liever het scheepje dan Tom geweest zijn; want die kreeg van Barend een ongemakkelijk pak voor de natte broek. Dat deed hij nu niet om den armen jongen te straffen, maar alleen om den schrik er uit te slaan.
Wij zagen er met ons viertjes keurig mooi uit. We waren heelemaal nat en, al was het nu ook al in Juni, toch kan ik niet zeggen, dat zulk een nat pak zoo heel plezierig en verkwikkend was. We beefden van koude, en toen wij ’s avonds in kooi lagen, konden we er ons nog maar niet diep genoeg in rollen om toch maar warm te worden.
Een paar dagen later liepen meester Barend en ik eens langs den Nieuwendijk te wandelen toen er een metselaar op ons afkwam.
“Meester Barend,” zei hij, “ik bedank u wel voor het redden van mijn jongen, hoor! Hij was er bijna geweest!”
“Ja,” antwoordde Barend, “hij zal nu vooreerst wel geen scheepjes meer laten varen; hij zal er wel schrik van gezet hebben!”
“Schrik van gezet hebben? Schrik van gezet hebben?” riep de man. “Lieve schepsel, dat lijkt er niet naar. Hebben die kwajongens vanmiddag het alweer niet gedaan? Ik kan hen maar niet van het water houden; zóó ben ik de deur uit en zijn zij de straat op, of, jawel, op het Hoofd, op het Rondeel, op het Dok, op de Kaai, nu hier, dan daar, maar altijd om of bij het water!”
“Dan zullen ze zeeman moeten worden, vriend!” zei Barend.
“Ja, dat roepen ze allebei. Als ik vraag: Tom, wat moet je worden? dan is het: Naar zee, vader! en doe ik diezelfde vraag aan Jan, dan is het: Naar zee, vader!”
“Wel, stuur ze dan naar het wachtschip, vriend!”
“Naar het wachtschip? Wel, voor geen nog zooveel! Ze kunnen worden wat ze willen, als ze maar aan den wal blijven! Want, een zeemansleven, geen leven!”
“Zeker om daar ’s winters gebrek te lijden, hé?” zei Barend, die wat boos werd. “Je hebt gelijk, man, groot gelijk! Als ik jou was, dan liet ik ze metselaar worden en anders aschman of zoo iets! Dan heb je altijd volop werk, je verdient veel geld, en eten, drinken, vuur, licht, kleeren en al wat je maar wilt, heb je volop. Ik zeg ook: een zeemansleven, geen leven!”
“Neen, meester Barend, niet omdat jelui geen eten of drinken of goede kleeren hebt, daarom niet; maar,—maar,—och, ik zal het u maar zeggen: ik ben bang, dat er van die twee aan boord niet veel goeds groeit. Als al het zeevolk was, zooals meester Barend en hier de deze,”—hij wees op mij,—“dan zou ik zeggen: Ga naar zee, jongens, en je zult wat worden. Maar nu,—neen, mijn vrouw zou het ook niet willen hebben!”
Toen de arme metselaar dat gezegd had, stond meester Barend een poosje in gedachten. Eindelijk zei hij: “En als ik nu eens aan onzen kommandant vroeg of de jongens bij ons aan boord mochten komen, dan zouden mijn jonge vriend George en ik een oogje op die twee houden en, misschien, misschien, dat er een paar ferme zeelui uit je jongens groeiden! Wil je hebben, dat ik het vraag?”
De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: “Als u dat doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!”
Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, maar daar ze een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen wat niet onplezierig was.
Op den 31sten Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen tegen de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten.
We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed; zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk niemendal te doen.
Maar spoedig kwam er een vijand, op wien we niet gerekend hadden en waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen zulk een vijand helpen geen kanonnen of scherpe sabels. De eerste, die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij vreeselijk ziek en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij hem te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens aan stierf! Ik was toch nog zoo jong!
Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven konden. Ze hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als een vader gezorgd.
“Tom,” zei de dokter eens, “Tom, weet je wel, dat de gele koorts een besmettelijke ziekte is, hé?”
Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had.
“Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan verzorgen! Waag je leven niet, hé!”
“Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en gezorgd, dat mijn broertje en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden hem toch liever oppassen!”
“Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het mij onverschillig, hé!”
Onder ons, we noemden den dokter altijd “meneertje Hé,” omdat hij, als hij wat zei, altijd eindigde met “hé!”—Toen dan “meneertje Hé” bij den kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze: “Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar kunnen zijn en het zou jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!”
De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, dat een moeder niet beter op haar kind kon passen.
Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde.
Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld waren, aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in het gezicht zou zijn.
“Wel, Tom,” zei ik op zekeren dag, “zie je niets?”
“Ja,” was het antwoord, “ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen wat het is!” Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip loopen en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een wolk, die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen; het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap tegen het want.
“Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze zee zegt zoo iets!” riep meester Barend.
Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die storm nu komen moest.
“Bravo!” riep nu de kommandant, “dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te bieden!”
Intusschen was in minder dan tien minuten tijds de heele westelijke hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden wat los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed.
Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon zooeven was ondergegaan.
Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: “Komt het nog niet?”
Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat er uit alle monden een: “Hè!” klonk en de slag, die er op volgde, geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog sterker! Dit was het begin van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan....
“Hij komt, jongens, hij komt!” riep hij onverwachts.
“Wie, meester Barend, wie komt er?” vroegen wij alle drie te gelijk.
“De orkaan, kinderen, de orkaan!” was zijn antwoord, en pas had hij dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even, de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen, de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en...
Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester Barend uitschreeuwde: “Man over boord!”
“Man over boord!” riep men aan alle kanten.
Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk bij meester Barend aankwam en hem vroeg: “Wie is er over boord geslagen?” wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan meester Barend vastklemde en uitriep: “Jan, meester Barend, red Jan toch! Jan! Jan!”
Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan in een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp mes doormidden gesneden werd.
Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven; de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren op zijde geschoven; stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en nog veel meer, lagen overal langs het dek verspreid, en nog was er geen kijk op om een en ander te herstellen; want al was de orkaan voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede te worstelen, en eerst den derden dag kwam het weer tot zichzelf, en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao konden voortzetten, ja of neen. Maar daar was geen denken aan. Alles was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met ons ontredderd schip het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel moeite mocht ons dat gelukken.
Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat waren we; maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, die de grootste grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht.
“Tom,” zei ik, “je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!”
“Zeg, George,” antwoordde hij, “heb je ooit een broer verloren, en dat nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, als ik thuis kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!”
Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. Tom zou van verdriet sterven, of....
“Zoo,” zei de stuurman, “die Deensche bark ziet er ook lief uit; die heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar wat weerga, wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!”
Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin vier mannen klommen, die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.—Ze legden het voorzichtig neer, namen de riemen op en roeiden naar ons schip.
Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. Hieraan werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons....
Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel.
Naar Zee!
Jan was weer bij ons aan boord. Wel was hij zwaar gekwetst en had hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet herstellen zou.
Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was, dat ze dien knaap hadden kunnen redden.
Toen vertelde de man dit:
“Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. De golf sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk in ons want verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem er uit en dachten eerst dat hij dood was, maar onze scheepsdokter onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken, zijn rechterarm gekneusd en over heel zijn lichaam had hij bulten en schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen wij hem van welk schip hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman, Spanjaard of Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: ‘Drinken, drinken!’ Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het Nederlandsche oorlogsschip De Windhond diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was, namen we het besluit hem hier aan boord te brengen.”
“En daar heb jelui goed aan gedaan,” antwoordde de kommandant en gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun vaartuig terugroeiden.
Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen van allen als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste.
En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je dan vraagt: “Van wie is deze werf?” dan zullen de werklieden je zeggen: “Ze is van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten Thomas en Jan Epelaere. En goed,—er leven er geen beter op de wereld.—Ze hebben vroeger ter zee gevaren, maar....”
Verder behoeven we niets meer te hooren; je weet de rest!”
Dit was de eerste vertelling van Jan met de Pijp.
De Weg naar de Gevangenis.
“Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!” zoo riep op zekeren Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer Van Laeken achter in den tuin kwam, waar reeds het geheele gezelschap vergaderd was.
“Wie, Herman? Wie?” vroegen terstond eenige meisjes en jongens.
“Wel, Govert de Plinte!”
“O die!” riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: “is het anders niet?”
“En wie is die Govert de Plinte, Herman?” vroeg mijnheer Van Laeken.
“Dat is....” riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan, legde de oude heer met een: “Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar niet samen praten,—ik vraag het aan Herman,” dien driftigen mondjes het zwijgen op.
“Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel een half uur van hier midden in het land woont. Op school was hij zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis, dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben wilde. O, meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met kleurkrijt gestolen, dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den lessenaar gezet en het vergeten mede te nemen toen ik naar huis ging!”
“Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid,” riep Jan van den timmerman.
“En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!” zei een ander en een derde voegde er bij: “Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi Faber-potlood gekaapt!”
Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: “Stop maar, ik weet genoeg van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis gebracht is. Van zulk een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een paar deugnieten te vertellen, waarmee het niet veel beter afgeloopen is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen.
Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor mij een school gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat ook veel geld, dat had vader er wel voor over; want hij zei altijd: “een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak met geld. Geld kunnen ze een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd zit, daar moeten ze afblijven!”
Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. Nu spreekt het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat wel moest. Geheele dagen was hij soms van huis en daar hij veel van zijn kinderen hield, gaf hij om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis was. En Henri en Jacques,—zoo heetten de jongens,—waren slim. Ze wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja, ze wisten zich zóó mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls klachten over de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde, dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei: “Ze schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik die lui wel eens terechtzetten.”
Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was.
Hoe ze zich bedrogen!
Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde, zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was in een krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer beter zou worden.
Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was, en door haar neef al eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou moeten, als ze weer over zijn “arme, lieve kinderen” klagen kwam, had ze besloten te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde.
Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het die oude vrouw niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten en goeden ouden dag te hebben.
En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. Gelukkig was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats van te slapen. En dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven, dan moet hij ’s nachts slapen en geen andere dingen doen.
Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin, die ongehuwd was en een goede school had.
“Weet je wat,” zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten, den schrijnwerker, die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de broers klagen kwam, “weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede school! De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van mijn school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet beterden. Daarom vraag ik je op den man af: Wil je je jongens nu straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?”
“Neen,” sprak baas Daelhouten kortaf, “neen, ik straf mijn kinderen niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van al wat er leelijks gebeurt de schuld geeft.”
“Zooals je wilt!” antwoordde monsieur Levin, “zooals je wilt; maar dan heb ik je ook wat te zeggen!”
“En dat is?” vroeg baas Daelhouten.
“Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen, want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!”
Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: “Och wat, dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! Als hij zoo met alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij leven moet! Morgen stuur ik ze toch!”
Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur Levin had liever armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen morgen Henri en Jacques stilletjes naar hun plaats gegaan waren, riep monsieur hen voor de klasse en zei: “Hoor eens, jongeheertjes, je vader schijnt niet begrepen te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!”
In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven, dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die een groot huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en toen Henri en Jacques thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had, lachte de vader en zei: “Gelukkig, dat er meer scholen zijn en ook nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan die verwaande Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!”
Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek was, dat hij doof was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet, dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht spraken en dan gaf hij ons wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden.
Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons binnen.
“Goeden morgen, monsieur Gozewinus,” zei hij met een beweging of keizer Napoleon zijn adjudant was, “goeden morgen, monsieur Gozewinus! Hier heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin, maar die man had me te veel noten op zijn zang en hij had het altijd op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel niet, of u zult er anders over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons brave en vlugge jongens zijn!”
Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden prijzen, keken we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach, toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en Henri, de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een schop van zijn broer kreeg.
Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij hen zou zetten, viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf ik hem de grootste plaats en zei, dat, als hij geen grift of pen had, hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en dat ik koopman wilde worden. Ik vroeg hem of hij ’s middags tusschen schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij ’s avonds bij me kwam spelen. Op alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me vertelde, dat ik ’s avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude tante dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat was ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik ’s avonds thuis kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten en ’s nachts droomde ik, dat ik boven in het pakhuis van zijn vader uit een stuk mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden.
Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde, maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude tante en nog zoo vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk gelachen zou hebben.
Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde.
“Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof is,” zei Jacques stilletjes tegen me.—Met die vlasschuit bedoelde hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan een gewone menschenneus uitgevallen was.
Ik knikte van ja.
“Dan zullen we een grap hebben,” zei hij.
“Zeg eens, jongeheer Daelhouten,” riep monsieur, “noem de eilanden eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen.”
En daar begon hij: “Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood, Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!”
Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en daarom schoten wij allen in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had, dat hij ze niet goed had opgenoemd en zei: “Als ik je wel verstaan heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb je gevraagd naar de eilanden boven Duitschland en Nederland, waarvan de meeste boven de Zuiderzee liggen.”
“O, meent u die!” riep Jacques met het brutaalste gezicht van de wereld, “jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney, Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, Texel!”
“Best, jongen, best! Dat gaat goed!” zei monsieur en vervolgde: “En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!”
“Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland,” fluisterde Jacques, terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de jongen, die aan den anderen kant zat, het best hooren konden.
Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en mochten geen beurt meer hebben.
Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: “Dat is jouw schuld, dat wij een slechte aanteekening gekregen hebben. Als je dat nog eens doet zal ik de waarheid zeggen en....”
“Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!” zei Jacques. “Ik bedank voor zoo’n vriendschap!”
Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon ik zulke zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: “Zeg, kom je straks bij ons spelen?”
Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden.
“Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade geven!”
“Dat zal prettig zijn,” zei ik.
“Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!”
“Geld? Ik heb geen geld!”
“Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen, anders kan je wel wegblijven!” Nadat hij dit gezegd had ging hij heen.
Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf was er baas over. Iedere week kreeg ik er van vader een schelling in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch woordenboek. Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar boven ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven moest gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide hem uit het raam en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart.
Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, dat ik iets gedaan had dat niet goed was.
“Wat ben je toch een domme jongen, George,” zei ik tot mijzelf. “Als vader vraagt: ‘Waar is de spaarpot?’ dan ga ik hem zoogenaamd halen; ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!”
Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor het huis van den schrijnwerker. Jacques stond me al op te wachten en het eerste wat hij vroeg, was: “Wel, heb je geld?”
Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik twee schellingen en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad had, had ik er weer alles in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan kunnen dienen om nog eens te gaan dobbelen,—ja, wat nu?
Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. Er was geen haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles hetzelfde behalve dat er geen groote G op stond.
Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste letters van onzen voornaam gesneden.
Goede raad was duur; wat zou ik doen?
Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot te koopen.
Zonder te vragen: “Hoeveel kost die spaarpot?” zei ik: “Och, geef mij dien spaarpot eens!”
“Asjeblief,” zei de winkelier, zette er een op de toonbank en vervolgde: “veertien stuivers!”
Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus drie schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. Ik meende voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, ik had daarenboven nog twee stuivers minder dan toen ik heenging.
Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies eender van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even groot geweest.
Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar.
Als ik er nu maar die G op krijgen kon.
Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een lade. Als moeder maar eens wegging!
Klingeling—-klingeling!
Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer.
Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders pennemes naar boven.
Nu aan het snijden.
Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep me langs het voorhoofd.
Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader, maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield, dan kon ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den spaarpot van Mina en daar stond een op.
Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al zijn leven! Daarop stond een .
Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een zijn.