WILLIE’S MAMA.
I.
„En als ik nu eens neen zeide?” vroeg ze lachend.
„Maar je zult niet neen zeggen.…”
„Dat weet ik nog zoo zeker niet.”
„Cecile?!”
„Mijnheer Dorman.… Stil, Otto, och!.… laat me toch los. Nu dan, ik zeg niet neen.… Maar.… de melk kookt!”
Dit was de liefdesverklaring van den heer Dorman [40]en de wijze waarop juffrouw Haakstra die liefdesverklaring ontving.
’t Vond plaats op een killen morgen, toen de bergen achter dikke nevels verscholen lagen en de regendruppels met eentonig getik neervielen van takken en daken; ’t vond plaats op de nuchtere maag in het ongezelligst hoekje van het geheele huis, waar ze, ieder met een kop koffie in de hand, stonden te wachten op het koken van de melk.…!
Alles zoo prozaïsch mogelijk!
Maar wanneer het anders dan prozaïsch geweest was, wanneer de minnaar gesproken had van gloeiende liefde of eeuwige trouw, dan zou de uitverkorene, losbarstend in haar heldersten lach, zijn weggeloopen van den „mallen kwast”; nu liet ze de melk verkoken, terwijl hij haar kuste en nogmaals kuste, alsof niet papa op zijn koffie wachtte.—
Cecile Haakstra is een der frissche, krachtige bloemen, die op Oosterschen bodem tieren: ze groeien op in de heerlijke berglucht, ze verbranden door het zonnetje, dat de blanke tint bruint, maar warmen gloed roept op de donzige wangen; ze worden [41]gezond en sterk, ze blijven vroolijk en onbezorgd als kinderen, ook dan wanneer de slanke leest, door niets beklemd, zich reeds ontwikkelde tot den vollen wasdom der jonkvrouw.
Schuldeloos en onbevreesd staarden Cecile’s groote eerlijke oogen de wereld in; de lachende mond met de schitterend witte tandjes was nooit om een antwoord verlegen; het aardig wipneusje scheen uit te noodigen tot den strijd, de mooie, kleine handjes waren krachtig en gespierd genoeg om het vurigst paard te mennen; met de fijne voetjes stapte ze moedig over groote keien, desnoods over modderpoelen heen.
Als Otto Dorman iemand had gezocht om in goddelijke maanlichtnachten tochtjes te gaan maken op een Zwitsersch meer, zou hij haar niet gekozen hebben; ook niet om op te zien naar de sterren en te droomen van onbekende werelden of te peinzen over de raadselen des levens; allerminst om te verzinken in liefde’s zaligheid.… ze zou onder zijn teederste omhelzing opspringen als de melk kookte, zooals ze daar straks deed bij zijn eersten kus.
Maar dat alles zocht hij niet. [42]
Hij zocht een vrouw in de beteekenis, daaraan gehecht door iemand, die jaren lang was blootgesteld aan de rampen en tegenspoeden van den vrijgezel.
Reeds lang dacht hij over trouwen, maar trouwen schijnt een zaak te zijn, waarover men niet te lang denken moet wil men er toe komen, en juist begon hij het dan ook op te geven ooit een meisje naar zijn smaak te zullen vinden, toen zaken hem met den heer Haakstra in aanraking brachten. Otto Dorman was namelijk administrateur van een suikerfabriek, waarover, bij afwezigheid van den eigenaar, de superintendentie gehouden werd door Cecile’s vader, een rijk landheer, sedert vijf jaar weduwnaar. Het bestuur der geheele huishouding rustte op de krachtige schouders zijner oudste dochter, die ook de zorg van haar jongste broertje op zich had genomen: de twee andere zoons genoten hun opvoeding in Holland.
Dorman moest een paar dagen bij den superintendent doorbrengen; hij logeerde in nette kamers, at aan een welvoorzienen disch, wandelde door den keurig onderhouden tuin, vertoefde in de comfortable ingerichte woning en kreeg een gewaarwording van welbehagen, [43]zooals hij in zijn eigen wanordelijk huis niet kende.
Als ieder Hollander vatbaar voor zeker geheim verlangen naar orde en netheid, gevoelde hij allerlei onbestemde wenschen in hem opkomen, wanneer hij de lieve gastvrouw, met haar sleutelmandje aan den arm, door huis en tuin zag rondgaan, hier bevelend, daar regelend, nu berispend, dan prijzend, maar altijd vriendelijk en vroolijk, altijd flink en ijverig.
’t Waren maar onbestemde wenschen.
Maar toen hij een geheele week achtereen ’s morgens met haar was uitgereden, ruimschoots in de gelegenheid om het golvend bruin haar en de prachtige taille in het amazonenkleed te bewonderen; ’s middags haar bespied had als ze met een vlugheid en bevalligheid, indische meisjes eigen, zat te tooveren met de naald; ’s avonds haar geaccompagneerd had bij het zingen harer vroolijke liedjes.… toen namen de onbestemde wenschen een zeer duidelijken vorm aan.
Toch zou hij nog geaarzeld hebben, ja misschien was hij nooit tot een verklaring gekomen, als Cecile’s broêrtje, de ondeugende maar aardige Dolf, niet ziek was geworden. [44]
Hij bemerkte met hoeveel liefde en teederheid, met hoeveel moederlijke zorg ze het jongske oppaste, en, daar hij zijne bijzondere reden had om vóór alles iets moederlijks te wenschen in de vrouw die hij zich koos, was zijn besluit genomen. Hij wachtte slechts tot Dolf beter en Cecile weer te spreken was, en verraste haar toen met de declaratie bij de kokende melk.
II.
Herinnerde Cecile met haar frissche schoonheid en vroolijken lach aan een zonnestraal, papa deed denken aan een donkere wolk, zwanger van storm en onweêr.
De man was echter zoo kwaad niet als hij scheen, of liever hij was in het geheel niet kwaad, maar hij nam er den schijn van aan; een slechte gewoonte, waardoor hij zichzelf het meest overlast aandeed, daar niemand zich om zijn gebulder bekommerde en zijn bloedrijk gestel altijd reden gaf om te vreezen voor een beroerte. [45]
„Wat kom je doen, Dorman?” vraagt hij niet onvriendelijk, als deze, na afloop van het ontbijt, zijn kamer binnentreedt, om het verzoek te wagen, dat, zooals Cecile lachend verklaarde, alle kans heeft om te worden afgewezen.
„Goeden morgen, mijnheer Haakstra,” begint Dorman vrij overbodig, daar hij zijn schoonpapa in spe reeds tweemaal dien ochtend ontmoet heeft. „Ik zou het niet gewaagd hebben u te storen, maar zooals u weet, straks.… zou ik weggaan.”
„Is uw vertrek uitgesteld?”
„Neen, dat niet.… maar ik wou u toch vóór dien tijd even spreken, als het niet ongelegen komt.…”
„Ik dacht dat we alle zaken hadden afgehandeld!”
„’t Geldt ook geen zaken. ’t Was.… ik heb … de hand gevraagd van uw dochter, mijnheer Haakstra!”
„Wat? Van Cecile?.… Dat had je wel kunnen laten!”
Er is reeds iets van langzaam naderenden donder in Haakstra’s stem. Dorman, beleedigd door dien uitval, antwoordt: „Cecile schijnt op dit punt anders te denken.” [46]
„Hé.…? Je wilt toch niet beweren dat ze ja gezegd heeft?”
„Hebt u iets tegen me, mijnheer Haakstra?” vraagt Dorman, plotseling kalm en rustig geworden tegenover dien ruwen toon.
„Natuurlijk heb ik iets tegen je,” barst de oude heer los. „Dàt komt je je eenigste weghalen, je lieveling, je hulp en steun, en dàt vraagt je dan nog met een uitgestreken gezicht: „„Hebt u iets tegen me, mijnheer Haakstra?””
„Ik weet,” begint de minnaar nu gemoedelijk, „hoe onmisbaar Cecile voor u is en ik begrijp volkomen hoe hard het u vallen moet haar af te staan, maar.…”
Een ratelende donderslag.
„Afstaan?” buldert de bedreigde vader. „Afstaan? Cecile! Neen, zoover zijn we nog niet! Ik heb het nu vier jaar lang tegengehouden, en ik kan het nog langer tegenhouden ook! Maar nu een andere vraag, mijnheer Dorman. Wat zijn uwe antecedenten, dat u om mijn dochter komen durft?”
De man, reeds lang rood van woede, wordt donkerpaars [47]in zijn verweerd gezicht, maar Dorman is doodsbleek en zijn lippen beven, als hij fier het hoofd opheft en zijn tegenstander in de oogen ziet.
„Mijn antecedenten zijn van dien aard, dat ze mij het volste recht geven uw dochter tot vrouw te vragen, mijnheer! U kent mijn familie,” gaat hij kalmer voort, „ik geloof dat ze wel met de uwe gelijk staat. U weet ook dat ik een weinig fortuin te wachten heb. Ik heb altijd in beschaafde kringen geleefd en een wetenschappelijke opvoeding genoten; aan de Militaire Academie te Breda officier geworden, heb ik vijf jaar gediend; niet zonder eer, dat bewijst mijn Willemsorde.…”
„Alles goed en wel,” spreekt Haakstra een weinig ter neer gezet; „maar de vraag is: waarvan moet Cecile leven?”
„Toen ik den dienst verliet om administrateur van Soeka-Madjoe te worden, is me een tractement van ƒ 600 ’s maands toegestaan, benevens de gewone voordeelen, vrije woning, en zoo voorts! Ik maakte tot dusver jaarlijks tien- à vijftienduizend gulden aan procenten.…” [48]
Een nieuwe slag, zwaarder dan de vorige.
„Maar voor den duivel, als je dat alles hebt, dan kun je kiezen. Waarom moet je dan juist om mijn Non komen?”
„Ik ben niet om Cecile gekomen: het toeval heeft ons saâm gebracht. Toch.… toch, mijnheer Haakstra, heb ik nog lang geaarzeld eer ik haar vroeg.… toch durfde ik haast niet op uwe toestemming rekenen.… Er is één groot bezwaar tegen ons huwelijk, waarop ik het mijn plicht acht u te wijzen vóór we verder gaan.… Ik heb een kind!”
Als had een slang hem gestoken, zoo springt Haakstra overeind. „Een kind! Wel vervloekt.… Hoe kom je dááraan?”
Dorman acht het overbodig die vraag te beantwoorden.
„Een kind!” buldert de superintendent weer. „Een kind! Schaam je je niet, jou kijk in de wereld!”
Een flauw lachje speelt om Otto’s lippen, als hij antwoordt: „Ik ben dertig jaar, mijnheer!”
„Schande te meer! Iemand op dien leeftijd moest zulke dwaasheden niet begaan! Een kind.… God [49]bewaar me! En waarvoor wou je dan mijn Cecile hebben? Om haar door een jaloersche ménagère te laten vergiftigen?”
„De moeder is dood!”
„Zoo? Je zegt het waarachtig of het je spijt! Dat is ten minste nog een geluk bij een ongeluk! Je zoudt … je zoudt dat kind natuurlijk de kampong in sturen?”
„Neen, dat zou ik niet!”
„Naar Holland dan?”
„Neen! Mijn plan is mijn zoon bij me te houden.”
„Bij je houden? Als je met Cecile getrouwd bent?”
„Ik hoop dat zij een moeder zal willen wezen voor mijn arm jongske; ik verwacht dit van haar …”
„Eén woord, mijnheer Dorman. Al was Cecile er toe te bewegen,—maar dat is ze niet, want ze heeft een afschuw van dat zwarte goedje,—maar al was ze er toe te bewegen, dan zou ik nooit—verstaat u me, nooit! mijn toestemming geven. De jongen moet weg.”
„Ik mag, ik wil mijn eigen vleesch en bloed niet [50]verstooten,” spreekt Dorman even vast als de heer Haakstra sprak.
„De jongen moet weg! Als u wezenlijk van mijn dochter hieldt, zoudt u geen oogenblik aarzelen om voor haar dat kleine offer te brengen.…”
„Een klein offer.… o Mijnheer, hoe kunt u, die zelf vader zijt, zoo iets zeggen?…”
„Daar kom ik niet in. De jongen moet weg. Mijn Non met een vóórkind op te schepen! Alsof er niet reeds genoeg huwelijken ongelukkig zijn geworden door die verwenschte vóórkinderen.… Neen, de jongen moet weg!”
„Is dat uw laatste woord, mijnheer Haakstra?”
„Mijn laatste woord.… Om je de waarheid te zeggen, Dorman, het spijt me. Als ik Non dan toch moest afstaan, dan zou ik het nog maar liever aan u doen, dan aan een ander. Maar stuur dien aap weg!”
„Hij is geen aap! En ik stuur hem niet weg! Mijnheer Haakstra, ik geloof dat ons onderhoud verder nergens toe leiden kan. Er rest mij niets dan u dank te zeggen voor de genoten gastvrijheid; [51]wilt u mijn groeten en de betuiging van mijn innig leedwezen overbrengen aan juffrouw Cecile?”
Reeds houdt hij den knop van de deur in zijn hand, als Haakstra hem toeroept: „à propos, Dorman.… zeg er eens.… hm, hm, je bent zoo schrikkelijk heet gebakerd.… Ik wou alleen maar weten.… hm.… heeft Cecile je gezegd dat ze veel van je hield?”
„Ja.”
„Zou ze het zich aantrekken, denk je?”
„Ik denk het wel!”
„Als je dan nog eens niet in de zaak besliste? Als je het nog eens een veertien dagen in beraad naamt en een goede gelegenheid zocht om dat zwartje kwijt te raken.…”
„Het spijt mij, mijnheer, maar.… ik mag het zelfs niet in beraad nemen.”
„Loop dan naar den duivel!” [52]
III.
Wat de oude heer volstrekt niet bedoeld had, toen hij donderslag op donderslag ratelen deed, was gebeurd: de bliksem sloeg in; eenige drukte in het logeergebouw en het voorbij rollen van den wagen, waarmee Dorman zich naar het nabijgelegen spoorwegstation laat brengen, bewijzen het.
Het geklikklak van een paar damesslofjes wordt gehoord op den marmeren vloer der voorgalerij, de deur is geopend, iemand is genaderd, zeer dicht genaderd, maar de heer Haakstra is zóó verdiept in zijn schrijfwerk, dat hij niets hoort.… och, er zijn oogenblikken, waarin die groote man zoo klein is.
„Papa!”
Hij weet dat ze vóór hem staat, de donkere oogen fonkelend van drift, de kleine handjes tot vuisten gebald; hij kent zijn dochter en.… hij is bang voor haar.
„Ja, Non, ja! Stoor me nu niet, lieve, ik heb een massa werk.…” vraagt hij dringend, smeekend bijna. [53]
„Ik moet u spreken. Leg die pen maar neêr, pa!”
„Waarlijk, Cecile.…”
„Papa.… ik ben volstrekt niet in een stemming om me met praatjes te laten afschepen.”
Ze neemt hem de pen uit de handen, alsof hij een ondeugend kind geweest was dat tot zijn plicht moet gebracht worden. „Mag ik van u weten, papa, wat er tusschen u en mijnheer Dorman is voorgevallen?” vraagt ze dan.
„Ja zeker, lieve. Maar ga toch zitten. Je bent zoo schrikkelijk opgewonden, kind!”
„Wilt u me zeggen wat u mijnheer Dorman geantwoord hebt.…? Of neen: doe het niet! Laat ik u eerst eens iets zeggen, papa.”
„Ga je gang, kind, ga je gang!” roept Haakstra, verheugd over het uitstel dat hem geschonken wordt.
Een gloeiende blos komt Cecile’s gelaat bedekken en haar stem is veel minder vast dan daareven, nu ze voortgaat: „Papa, Dorman heeft me gevraagd, dat weet u. En ik heb hem aangenomen, dat weet u ook. Maar.… wat u niet weet is dat er deze keer niets tegen te doen valt.” [54]
„Mijn lieve kind, niemand zal beproeven er iets tegen te doen. Dorman is een beste kerel en ik had hem graag tot schoonzoon gehad, waarachtig! Maar.…”
„Maar?”
„Cecile, mijn lieve Non, je weet zeker niet dat hij.… een kind heeft?”
Ze wordt doodsbleek en staart haar vader verschrikt in het gelaat. „Is dat waar, pa?”
„Ja, lieve, maar al te waar,” antwoordt de oude heer.
„Dat is erg jammer,” zegt het meisje na een lange stilte.
„Niet waar? O, ik wist wel, dat je het een vreeselijk bezwaar zoudt vinden.”
„Ja, dat is zeker. Ofschoon.… ziet u, er zou wel iets aan te doen zijn.… Hij kan het wegsturen.”
„Maar dat is het juist! Ik sprak natuurlijk ook dadelijk van wegsturen, de kampong in, of naar Holland, of de Hemel weet waarheen! Maar daar wil hij niets van hooren; het kind moet bij hem blijven.”
„Is hij gek?” vraagt Cecile, die enkele kernachtige uitdrukkingen van papa heeft overgenomen. [55]
„Ja, kind, dat mag je wel vragen.”
„Maar hij zal toch wel tot andere gedachten te brengen zijn.… Als ik zelve eens met hem sprak, misschien.…”
„Denk dat niet, Cecile! Het schijnt dat hij dol is op dien jongen. Hij houdt idolaat van hem.”
„Meer dan van mij ten minste,” zegt Cecile en bijt zich op de lippen en dringt een lastigen traan terug.
„Je moet niet denken, Non,” begint nu de oude heer verteederd, „dat ik je dit verdriet niet gaarne zou bespaard hebben.… Ik heb gedaan wat ik kon … ja, toen alles reeds was afgehandeld, heb ik hem zelfs teruggeroepen en gevraagd of hij het dan ten minste niet veertien dagen in beraad wou nemen.…”
„En?”
„O, hij maakte zich woedend, alleen bij de gedachte. Toen ik zijn jongen een zwartje noemde, werd hij zoo bleek als een doek. Hij wou naar geen rede hooren. Eindelijk heb ik gezegd dat hij naar den duivel kon loopen.… Dat vind je immers goed?”
„Goed? U hadt het wel wat beleefder kunnen uitdrukken,” [56]antwoordt Cecile met een flauw lachje.
„Nu ja. Maar je bent het toch met me eens? Niet waar, poes, je zult je er niets van aantrekken?”
„Daar kent u me toch te goed voor, pa! Als hij zoo gemakkelijk afstand kan doen van mij, dat hij het niet eens in beraad wou nemen, zou ik dan om hem treuren?”
„En dat om zoo’n ellendigen njo, ’t is godgeklaagd!” roept de heer Haakstra nu. „Neen, het zou al te dwaas zijn als je er je iets van aantrokt, Non! Als je trouwen wilt, dan zijn er plenty goede partijen in de buurt. En mijn mooi meisje kan immers kiezen.…”
„Maar ik had nu al gekozen, pa! En u weet, bedorven kinderen krijgen graag hun zin.…”
„Ja. Maar Cile, hoe is het nu toch mogelijk? Je kent dien man nog geen veertien dagen en je zou voor hem je armen ouden vader gaan verlaten.…?”
„Pa, niet aandoenlijk worden.…!” zegt Cecile.
„En ik die nog wel dacht dat ik alles gedaan had om je het leven prettig te maken. Ik, die geloofde [57]dat je voor mij en Dolf niet zoo heelemaal onverschillig.…”
„Schei toch uit, pa.…” en Cecile’s stem beeft.
„Mijn lieveling, ik kan je niet missen.… En je hadt me beloofd dat je niet van me zoudt weggaan!”
„Dat zou ik ook niet. Neen, mijn lief, goed, oud brombeertje, dat zou ik ook niet,” roept Cecile uit, en de armen om haars vaders hals geslagen, kust ze hem op het gebruind gezicht; dan verbergt ze eensklaps het hoofd aan zijn borst, en fluistert: „Dat zou ik ook niet; maar.… o, papa! ik hield zooveel van hem.”
IV.
Door de spanning, waarin hij de laatste dagen verkeerde, had Dorman verzuimd, als naar gewoonte de bedienden kennis te geven van zijn terugkomst, en toen hij in zijn woning aankwam, vond hij in [58]plaats van de lekkere rijsttafel, die hem welkom geweest zou zijn, alles in de diepste rust.
De jongen, die hem vergezeld had, liep naar de bediendenkamers en in afwachting dat het dezen gelukken zou de slapers te wekken, wierp de heer des huizes zich op een divan in de binnengalerij.
Het ongeluk wilde dat hij naar boven keek, naar het plafond; toen rondom zich; toen naar den grond: Hemelsche goedheid! hij wist dat het wanordelijk bij hem toeging, dat er veel vuil en weinig schoon gemaakt werd in zijn huis, maar dat het er zóó smerig, zóó haveloos uitzag, dat had hij nooit geweten.
Zonder te bedenken dat ook bij hem gewoonte tweede natuur was geworden, dat zijn oog weinig of niet meer werd geërgerd door stof en spinrag, vuil en vlekken, vóór hij die weinige weken had doorgebracht in een nette omgeving, maakte Dorman zich zóó driftig, dat hij haast het oogenblik niet kon afwachten waarop hij zijn luie, vuile jongens onder handen zou nemen.
De spen, wreed ontrukt aan de armen zijner gade, [59]nog slaapdronken, en zich slechts ten deele bewust, dat zijn haastig gemaakt toilet volstrekt niet voldoet aan de eischen der zindelijkheid, komt het eerst aanloopen. Maar hij wordt slecht beloond voor zijn ijver.
„Hoe durf je met zoo’n baadje binnenkomen, smeerlap?” is de eerste begroeting, en dan: „Scheer je weg!”
De spen is verplet. Hoe kan hij ook weten dat toewan in den laatsten tijd altijd jongens om zich heen zag, gekleed in het helderste wit?
De kok, verwaand als alle javaansche kokken, zoodra ze iets meer kunnen dan rijst koken, vindt het in het geheel niet zooals het behoort, dat hij gestoord werd in zijn middagdutje, maar zooals het de gewoonte is in jongeheeren-huishoudens, hij stormt naar den goedang, haalt een paar blikken en gaat ze warm maken.… ’t Is hoogst onaangenaam dat mijnheer op zoo’n ongelegen uur komt, maar over een kwartiertje kan kok weer op zijn balé balé liggen.
„Waarom zijn die frikkadellen niet opgebraden?” [60]vraagt Dorman als het eerste gerecht wordt binnengebracht. De bedienden trekken het wezenloos gezicht, dat ze voor zekere gelegenheden gereed houden, maar weldra klinkt het: „Roep den kok!”
Het air van onbeschaamdheid waarmede deze zijn heer wilde tegentreden, maakt voor dat van schrik en bescheidenheid plaats, als hij hem in de oogen heeft gezien; gedreven door een plotseling ontwaakt plichtgevoel, vliegt hij naar de keuken en binnen den kortst mogelijken tijd komt het gerecht op tafel, zooals het behoort.
Dorman proeft en zucht: „O, Cecile! uw frikkadel.…!”
De jongens hopen nog iets van het oogenblik, dat mijnheer alles zal vergeten in het genot van het eten, maar hun hoop blijkt ijdel: tusschen iedere bete, na elken dronk barsten er vragen los, waarop ze het antwoord schuldig moeten blijven.
„Waarom is er geen mosterd? Kunnen ze geen zuur geven? Schamen ze zich niet om met een kapot tafellaken te dekken.…? Waar is de naaister? Niet binnengekomen? Dan heeft ze haar ontslag!” [61]
Een paniek verspreidt zich onder het personeel.
„Wat is er gevaren in hun heer, hun zachtmoedigen heer, op wien ze sedert jaren straffeloos proeven namen, hoe schandelijk ze hem bedriegen, hoe brutaal ze hem bestelen konden, met hoe weinig bediening hij wel tevreden zou zijn.…”
„O Cecile,” zucht intusschen Otto Dorman, „wat zag je tafel er altijd uitlokkend uit.…”
Nog staan de jongens te rillen en te beven, den angstigen blik gevestigd op het gelaat, dat bleek is van ergernis, als ze het plotseling zien veranderen; een zachte glimlach komt den mond ontplooien, een blijde glans ligt in het somber starend oog.…
Ieder keert zich naar de zijde van waar die betoovering kwam … dáár, in de deur der slaapkamer, staat het liefste kind, dat ooit een onwettig vader het hart deed zwellen van teederheid.
’t Was een knaapje van ruim drie jaar, met een blonden krullebol en groote lichtblauwe oogen door zwarte wimpers beschaduwd, met een donkerrooden blos op de bruine wangen en een aardig rond gezichtje, waarin de min of meer dikke lippen [62]en de eenigszins platte neus volstrekt niet misstonden.
„Papa, papa!”
„Willie, mijn lieve Willie.… Ben je blij dat paatje terug is?” en hij sluit het kind aan zijn borst.
„Ja, Willie zoo alleen, Willie zoo sakit hati”1, fluistert het knaapje, terwijl hij de kusjes van zijn vader beantwoordt.
De spen brengt den hoogen stoel, waarop Willem altijd zit, aan tafel. Maar hij verlaat zijn plaats op papa’s knie niet, hij heeft zooveel te vertellen, zooveel opgespaarde liefdeblijkjes te geven.… Zijn bord en glas worden gebracht, maar hij schuift ze ter zijde, hij wil eten van papa’s bord, drinken uit papa’s glas.
„Pa gaat mee naar bed met Willie?” vraagt hij eindelijk met dat vleiend stemgeluid, dat misschien de grootste bekoorlijkheid van een kind is. „Willie mag slapen in papa’s armen, ja?”
Dit voorstel vindt bijval en weldra liggen vader [63]en zoon in het groote ledikant, dat ze meest samen deelen, hoewel het heet dat Willem in zijn eigen bedje slaapt. In papa’s armen liggen is de geliefkoosde houding van het jongske, en spoedig komt dan ook het woelig hoofdje tot rust, staken de bezige handjes hun spel, krijgt het vriendelijk gezichtje die uitdrukking van ongestoord geluk, van volmaakte tevredenheid, die, helaas! slechts op kindergezichtjes te lezen is!
Maar hoewel vermoeid, hoewel gewoon aan het middagdutje op dit uur, Otto Dorman kan de zoo gewenschte rust niet vinden.
Als wilde horden vlogen hem de gedachten door het hoofd; ze lieten zich niet beteugelen de verlangens, de wenschen.… onstuimig joeg hem het bloed door de aderen bij de herinnering aan die koninklijke gestalte en hoe ze een oogenblik had gerust in zijn armen; bij de herinnering aan dien warmen blik vol zoete beloften, aan de bloeiende schoonheid die hem had kunnen toebehooren.…
Wat had hij gedaan.…?
Hij schold zich een dwaas.… hij wilde alles herstellen, [64]nog heden tot haar terugkeeren.… zij moet de zijne worden, ondanks alle bezwaren, ondanks alle hinderpalen.…
Haastig springt hij overeind.… die beweging doet zijn jongske ontwaken. „Papa.… niet weggaan? Willie niet meer alleen laten!”
„Neen, mijn jongen!”
„Nooit? Nooit meer? Papa moet denken, Willie zoo alleen als papa weg.…”
Nog even last het knaapje zijn lieve vingertjes over vaders gelaat glijden; dan zoekt hij zijn hand en brengt die naar zijn lippen.… zoo sluimert hij weer in.
Maar de vader buigt zich dieper en dieper over zijn slapend kind:.… de strijd op het bleek gelaat, in het brandend oog is bedaard; een traan valt op de blonde krullen, als hij fluistert: „Slaap gerust, mijn jongen; papa zal bij Willie blijven.… altijd!” [65]
V.
Dus was het einde van de prozaïsche declaratie bij de kokende melk nog prozaïscher dan het begin: er kon niets van komen, en de jongelui schikten zich voorbeeldig in hun lot.
’t Is waar, de eerste week na die plotselinge scheiding ging wel wat langzaam voorbij.…, men heeft toch altijd een onbestemd gevoel alsof het noodlot, het toeval tusschenbeide zal komen;.… ook de tweede week duurde nog lang, in het bijzonder voor Cecile, die, hoe hoog ze haar neusje ook in den wind stak en hoe vroolijk ze zong en hoe druk ze praatte, toch niet nalaten kon ’s avonds als de brieven kwamen, even te zien of er ook een van Soeka-Madjoe bij was.
Maar toen er een maand was voorbij gegaan, keek ze zelfs niet meer naar de brieven; ze wandelde buitengewoon ver en reed buitengewoon wild; ze bedacht allerlei toertjes en toen op een der naburige plaatsen een bal werd gegeven, wilde ze er volstrekt heen. [66]
Ze maakte een prachtig toilet, décolleteerde zich veel meer dan haar gewoonte was, danste druk en,—wat haar anders nooit overkwam—den volgenden dag was ze doodmoê.
Dorman had het altijd volhandig, maar sedert zijn terugkomst werkte hij halve nachten door; hij liet zijn huis met bezemen keeren, joeg de helft van zijn personeel weg, schold de andere helft de huid vol, verspreidde schrik en ontsteltenis onder de werklieden op de fabriek, sloeg de boedjans om de ooren, dat hun hoofddoeken her en der vlogen en was woedend op de employés als deze hem, tot hun eigen verbazing, telkens op een verzuim of vergissing betrapten.
Intusschen geloofde Willie zich in den zevenden hemel.
Zijn vader was altijd goed voor hem, maar zóó werd hij nooit met liefde overladen, met lekkers volgepropt, met speelgoed begiftigd als in deze dagen. ’t Was goed, dat het ventje er niets van begreep, als papa hem dagelijks verzekerde, hoe hij zijn alles was en de rest hem niets kon schelen—[67]maar vreemd moest het schijnen, dat hij minder van het kind kon verdragen dan vroeger.
Zoo was dan alles in orde: Otto kon troost zoeken in zijn zoon, Cecile in de teederheid van papa Haakstra.
Maar de belangen van een onderneming gaan boven de gevoelens van den administrateur, ja zelfs boven die van den superintendent, en Haakstra, die slecht met de pen terecht kon en gewoon was zijn zaken zooveel mogelijk mondeling af te doen, zond op zekeren morgen, toen hem uit de correspondentie bleek, dat de bedoeling van den schrijver volstrekt niet begrepen was—een telegram waarbij de administrateur van Soeka-Madjoe verzocht werd over te komen.
Er was niets aan te doen. Reeds den volgenden dag reed Dorman de breede laan op. Het rijtuig hield stil voor de marmeren trappen der prachtige villa; maar hoewel het tegen zes uur liep, de tijd dat het gezellig wordt in de voorgalerij, dat de lampen branden, de bloemen geuren, de stoelen tot schommelen en luieren noodigen, was er niemand vóór. [68]
Dorman had dikwijls den kleinen Dolf verwenscht, wanneer hij Cecile als haar schaduw volgde en elk tête à tête onmogelijk maakte; toen Dolf nu naar buiten kwam stormen, had hij het kind kunnen zegenen.
„Is je pa niet thuis, Dolf?”
„Neen, pa is exprès uitgegaan, omdat u kwam,” spreekt dit enfant terrible. „Waarom vindt pa het zoo „verduiveld beroerd” dat u hier logeeren moet?” vraagt hij dan nieuwsgierig.
„’k Weet niet, Dolf. Kun je me mijn kamer wijzen?”
„Ja, dadelijk. Maar wilt u Cile niet goeden avond zeggen? Ze is in de binnengalerij, kassian!”
„Waarom kassian?”
„Weet u dat niet? Ze is ziek! Kom maar mee! Cile, daar is meneer Dorman, je weet wel, van dolo.…”
Was dat Cecile? Hulpeloos uitgestrekt op den divan, bleek en vervallen, de lange bruine lokken achteloos teruggeslagen op de kussens.
Dorman had zich precies voorgenomen, wat hij [69]zeggen, hoe zij zich houden zou, en, zooals het gewoonlijk in zulke gevallen gaat, hij deed wat hij volstrekt niet had willen doen; hij riep „Cecile?” alsof hij haar nog altijd liefhad.
„Dag mijnheer Dorman!” zei ze met een lachje zoo weemoedig als hij nooit had gezien om haar lippen. „Ik kan u geen hand geven,” voegde ze er verlegen bij.
„Haar hand is gebroken,” verklaarde Dolf.
„Mijn God, Cecile, ’t is toch niet waar?” riep Otto, die op een stoel naast haar rustbank was neergevallen en de andere hand in de zijne hield.
„Neen, ’t is nog niet zeker. De dokter heeft er een gipsverband om gelegd; over vijf dagen wordt het losgemaakt. Maar mijn voet is verzwikt—en o, mijnheer Dorman, ik lig hier al vier weken.…”
Hij begreep ten volle wat dit beteekende: Cecile veroordeeld tot vier weken stil liggen!
„Maar mijn hemel, kind! hoe is het gekomen?”
„’t Is mijn eigen schuld geweest! Roméo was dol, het had drie dagen geregend en hij had al dien tijd op stal gestaan: en ik was ook dol; toen zijn [70]we samen aan den haal gegaan—en hij heeft me afgegooid!”
„Dat ellendige beest! Ik dacht wel dat hij nog eens kuren zou uithalen.…”
„Arme Roméo,” zeide Cecile lachend. „Hij krijgt van alles de schuld.… pa wou hem doodschieten, mijn mooiste paardje! Maar wilt u niet iets gebruiken, mijnheer Dorman? Of gaat u zich misschien eerst wat opfrisschen? U hebt de kamer van vroeger.”
Als hij een half uur later, gebaad en verkleed, binnenkomt, ligt ze nog in dezelfde houding, met een gesloten boek op haar schoot.
„Leest u niet?” vraagt hij.
„Mijn oogen doen te veel pijn. Ik lees den heelen dag; de letters beginnen me voor het gezicht te dansen.”
Een lange stilte volgt. Eindelijk spreekt Otto terwijl hij het boek opneemt: „Mag ik wat voor je lezen, Cecile?”
„Wil je, Dorman?”
Hij had een melodieuse stem en het was een aandoenlijke liefdesgeschiedenis; toen de heer Haakstra eindelijk [71]thuiskwam, voornemens „den vent die zijn Non voor zoo’n leelijken liplap had opgegeven,” heel onaangenaam te behandelen, bleef hij stom van verbazing in de deur der binnengalerij staan.
Hij zou in de eerstvolgende dagen nog meer gelegenheid vinden om zich te verbazen.
De zaken, die de administrateur met zijn superintendent te bespreken had, waren van dien aard, dat de heer Haakstra meende reden te hebben om nu en dan los te barsten in zware onweersbuien.
Dit verlichte hem, want er had zich bijzonder veel electriciteit bij hem opgehoopt: de post van ziekenoppasser was weinig geschikt voor den ouden heer, vooral bij zoo’n prikkelbaar patiënt als Cecile was, want, weinig gewoon aan ziekte of tegenspoed, was haar humeur er niet op verbeterd door het in huis blijven. De vader verdroeg alles; maar als Dorman niet juist bijtijds gekomen was, had hij misschien een beroerte gekregen. Nu ging hij ’s morgens naar het kantoor en kon daar zoo lang en zoo hard hij verkoos razen en tieren. Dorman was bijzonder geduldig en als de gastheer soms een oogenblik bedaarde en [72]opmerkte, dat ze niets vooruit kwamen op die manier, zei de gast, dat het er niet op aankwam, dat hij tijd genoeg had, dat het zijn plicht was aan te hooren welke de meening van den superintendent was in deze hoogst moeilijke zaak.
Niet alleen als bliksemafleider deed Dorman dienst.
„Ik moet je de courant nog voorlezen, Non!” zei Haakstra zuchtend.
„’t Is heel lief van u, pa, maar mijnheer Dorman heeft het al gedaan,” antwoordde Cecile met een licht blosje.
„Als u soms lust hebt in een toertje, mijnheer Haakstra, ik wil met genoegen juffrouw Cecile gezelschap houden,” sprak Otto.
„Laat den tuinjongen maar begaan, pa; mijnheer Dorman heeft al naar de bloemen gezien en me die mooie bouquet gebracht.”
Toen het Zaterdagavond werd, kon de oude heer weer als vroeger zijn vast partijtje maken. Cecile animeerde hem er zelfs toe; pa hoefde volstrekt niet bang te zijn, dat ze zich vervelen zou, ze zou met mijnheer Dorman een spelletje schaken. [73]
Alweer staarde de oude heer haar verwonderd aan; toen hij haar had voorgesteld te schaken, vond ze het vervelend.
Intusschen was de aandoenlijke liefdesgeschiedenis tot een eind gekomen en bij de slotscène, die bijzonder treffend was, hadden Otto en Cecile elkander aangezien.… één oogenblik slechts, want Cecile wilde niet weten dat ze zoo flauw kon zijn van bij een boek te schreien.… maar toch lang genoeg.
Intusschen was ook de dag aangebroken waarop het gipsverband van Cecile’s hand zou worden losgeknipt.
De heer Haakstra was er eenigszins aan gewoon geraakt om door zijn dochter te worden verbaasd, maar wat hem aangreep, toen hij op dien dag onverwacht binnentrad, was meer dan verbazing: het was ontzetting!
„Papa,” riep Cecile, terwijl ze zich blozend losmaakte uit de armen die haar, o zoo vast! omknelden, „papa, de dokter is er geweest; mijn hand is geheel in orde.… ik wist er niets beters meê te doen dan hem aan mijnheer Dorman te geven.…” [74]
VI.
Half acht.
Mevrouw Dorman ziet naar de pendule, legt haar boek neer en buigt het hoofd voorover als iemand die luistert. Dan springt ze ongeduldig op van haar stoel, treedt naar het raam en staart naar buiten.
’t Is pikdonker: ze ziet niets, maar ze hoort hoe de regen klettert en neêrvalt in dichte stroomen, hoe de rivier bruist en buldert met onheilspellend geraas.… en ze zucht bij de gedachte dat manlief uit is in zulk een hondeweer.
’t Gebeurt niet dikwerf dat Otto haar wachten laat.
Hij weet daarvoor te goed hoe lang haar de tijd valt in zijn afwezigheid, hij verlangt daarvoor te zeer naar het vriendelijk tehuis, waar zijn vrouw hem tegentreedt met een kus en een lach, altijd opgewekt, altijd vroolijk, keurig gekleed en gekapt, met dezelfde aardige manieren en onschuldige koketterie, die eertijds den vader, nu den echtgenoot, onweerstaanbaar boeien. [75]
Acht uur.
Ze neemt haar plaats op het aardig stoeltje bij de marmeren tafel wederom in en slaat het boek, dat ze straks zoo knorrig neêrwierp, open, maar lezen kan ze niet; ze luistert naar den stormwind daarbuiten.
Jammer dat hij zoo laat komt!
Den geheelen langen, regenachtigen dag had ze zich verheugd op een gezellig avondje; er was een groote trommel gekomen van het Leesgezelschap, ze had met hem de illustraties willen zien, en dan was er die roman van Ebers, die zooveel opgang maakte; hij zou er haar een paar hoofdstukken uit voorlezen, had hij beloofd.….
Als hij maar geen ongeluk gekregen heeft! Het is zoo donker en men kan zoo licht van den weg afraken.… links waar dat akelige diepe ravijn is.… o God.… hij zal toch niet?.… Maar neen; dat is het geraas van wielen, heel in de verte nog, maar toch naderend, steeds naderend.… ja, Goddank! daar is hij!
Reeds is ze naar voren gevlogen, reeds heft ze [76]het verheugd gezichtje tot hem op om den welkomstgroet te ontvangen.
„Dag man! Ben je daar eindelijk?”
„Dag kind! Ik heb je lang laten wachten, hè? Buiten mijn schuld, lieve.”
„Wat een weêr.… Otto, is er iets gebeurd?”
Eerst nu hij onder het volle licht der lampen kwam, heeft ze gezien hoe bleek hij is, hoe strak en somber zijn gelaat staat.
„O God!” roep ze op eens, „er is bloed aan je handen, bloed aan je kleêren.…”
Verwonderd ziet hij haar aan. „Bloed? heb ik waarlijk zijn kop tot bloed geslagen? Nu, Cecile, maak je daar niet ongerust over, ’t is een beetje schurkenbloed.… Kom, geef me wat verwarmends te drinken.… dan ga ik me verkleeden!”
Met bevende hand schenkt ze een glas cognac in, dan volgt ze hem naar de kleedkamer en als ze de deuren gesloten heeft, achter den jongen die mijnheers natte laarzen uittrok, zegt ze op vasten toon: „Ik moet weten wat het is.”
Het duurt lang voor er antwoord komt; hij werpt [77]het eene natte kleedingstuk na het andere van zich; eerst als hij ze voor slaapbroek en kabaia heeft verwisseld, valt hij op den divan neer en zegt: „Wat het is? Ik heb een schurk afgeranseld.… half dood geslagen.… dàt is het!”
„Dat is niet alles, Otto!”
„Neen. Maar het overige.…”
„Is het iets akeligs?”
„Akelig?” vraagt hij met een zonderlingen lach, „akelig! o neen! Je vader zou het ten minste niets akelig vinden.… ’t geldt immers maar zoo’n leelijken lippert.…”
„O, Otto.…”
„’t Is waar, er is een arm, hulpeloos wezentje mishandeld! God! wie weet hoe lang en hoe vaak reeds mishandeld.… Maar dat komt er immers niet op aan? Het was een kleurling, begrijp je, een onecht.… och, hoe noemt je vader dat ook weer.… een zwarte aap.… Maar Cecile! die zwarte aap, die onecht, die kleurling, dat is mijn kind.… mijn kind! mijn arme, lieve, kleine Willie.…”
Ze naderde hem en nam de handen weg, die hij [78]voor het gelaat had geslagen; toen kuste ze het klamme voorhoofd, streek de vochtige haren terug van de slapen en zeide vriendelijk: „Je bent overspannen, Otto. Je hebt je veel te veel vermoeid; en dàt terwijl je den geheelen dag nog niets gebruikte.… kom, laten we verstandig zijn en eerst kalm gaan eten, dan kun je me straks vertellen wat er gebeurd is.”
Hij liet zich gewillig naar de pendoppo voeren, waar hun een dier uitstekende dinéetjes wachtte, waarvan Cecile het geheim bezat; maar hij deed haar tafel weinig eer aan.
Bleef Otto’s gelaat somber en droevig, Cecile scheen alle treurige gedachten van zich te hebben geweerd om geheel het vriendelijk, zorgend huismoedertje te wezen; ze bediende haar man zelve, ze animeerde hem om toch een goed glas wijn te drinken, na dien akeligen tocht door storm en regen; ze vertelde opgewekt de kleine gebeurtenissen van den dag, in één woord, ze gebruikte al de middelen, die een vrouw ten dienste staan om haar man in betere stemming te brengen. [79]
Toen het eten was afgeloopen, liet ze het theeblad in haar kamer, haar lief gezellig boudoir, gereed zetten, nam een werkje in handen, zette zich op de canapé, trok Dorman’s lagen luierstoel zoo dicht mogelijk tot zich en schonk hem een kopje in.
Niet zoodra had hij aan de stomme en toch zoo welsprekende uitnoodiging gehoor gegeven of ze vroeg: „Nu, Otto, zeg me nu wat er gebeurd is? Kom, man, wat maakt je zoo bedroefd?”
En als hij zwijgen blijft: „’t Moet wel iets buitengewoons zijn, dat het je zoo onrechtvaardig kon maken jegens papa.…”
„Ja, ik had dat niet moeten zeggen; ik weet dat het je grieft, Cecile. Maar onrechtvaardig! onrechtvaardig? Neen! Of spreekt hij niet altijd met zoo’n minachting over vóórkinderen. Heeft hij niet altijd allerlei bijnamen gereed voor die arme schepsels, alsof het hun schuld was dat Europeanen leven met inlandsche vrouwen, alsof zij er iets aan konden doen dat hun moeder een javaansche was? Neen, Cecile, onrechtvaardig is het niet! Of heeft hij je niet opgebracht in datzelfde vooroordeel? Zou je mijn arm jongske [80]zoo wreed verstooten hebben als je vader het niet had gewild? Neen, kind, daar ben je te goed voor! Maar.… o, ik weet het.… hij heeft je het hoofd warm gemaakt; je hebt je laten opstoken; je hebt er je door hem toe laten gebruiken om me over te halen tot het doen van die belofte, die vervloekte belofte, waarbij ik mijn eigen kind, mijn vleesch en bloed verloochen.…”
Een donkere blos komt het gelaat der jonge vrouw verven.
„Dorman, wat draaf je weer door! Mag ik weten tot het doen van welke belofte ik je heb overgehaald? Je bent met papa overeengekomen dat je zoon erkend zou worden, dat er dertig duizend gulden op hem zou worden vastgezet, dat hij over een paar jaar met ons mee zou gaan naar Holland om daar als een groot heer te worden opgevoed, dat je hem tot zoolang in je nabijheid kondt houden.…”
„En dat ik hem zou verbannen uit mijn huis.”
„Juist. Als je je dat nog herinnert, was je er toen bijzonder op gesteld om iemand anders in je huis te brengen.… heb je soms berouw van den ruil?” [81]
Ze doet die vraag, het blozend gelaat met een allerliefsten, uitdagenden blik tot hem gewend en een oogenblik vergeet hij alles om in vervoering uit te roepen: „Neen, o neen! Dat weet je wel, ondeugd! Cecile,” gaat hij dan ernstig voort, „God alleen weet wat het me gekost heeft hem weg te zenden; je hebt me echter zijn gemis ruimschoots vergoed! Ook zou ik er niet over denken; maar, o Cile, ik heb een vreeselijke ontdekking gedaan.… hij wordt mishandeld, mijn arm, klein ventje.…”
„Neen, man?” vraagt ze ontsteld. „’t Is toch niet waar?”
„Ik heb het met mijn eigen oogen gezien!”
„Ben je dan vandaag op Djember geweest?”
„Ja. Ik weet wel, Cecile, we hadden afgesproken, dat ik er niet zoo dikwerf meer heen zou gaan, maar och, soms grijpt me een onweerstaanbaar verlangen aan om hem.…”
„Ga voort. Wat zag je op Djember?”
„Ze hadden door het kletteren van den regen—want de bui overviel me reeds op weg daarheen—mijn wagen niet hooren aankomen en—wie vond [82]ik in dat vreeselijk weer op zijn bloote voetjes snikkend, gillend van angst, roepend om binnengelaten te worden?.… Willie! Cecile, ze hadden hem bont en blauw geslagen en toen buiten de deur gezet, omdat ze hem niet wilden hooren schreien.…”
„Kassian, kassian! het arme schaap!”
„’t Schijnt dat hij al meer zoo mishandeld is. Maar hij heeft het me eerst nu durven bekennen. Barks had hem wijsgemaakt dat hij in een hol vol tijgers en slangen zou gegooid worden als hij iets vertelde.”
„Maar Otto, ’t is vreeselijk! En dat, terwijl je hen zoo op het hart hebt gedrukt hem goed te behandelen, dat, terwijl we zoo’n hoog kostgeld voor hem betalen!”
„Niet waar? Maar ik heb den ellendeling afgeranseld tot hij voor me lag te krimpen op den grond; ik heb hem voor iederen slag, dien hij mijn lieveling gegeven had, minstens een dozijn toegediend.”
„Flink!” zegt Cecile. „Zoo’n kindermoorder! En het arme ventje?” laat ze er dan meelijdend op volgen.
„Dat heb ik meegenomen.” [83]
„Meegenomen? Toch niet hierheen?” vraagt ze met plotselingen schrik.
„En al was dat zoo?.… Wees niet bang, Cecile, ik weet onder welke voorwaarden je mijn vrouw bent geworden. Maar.… God, het is me nooit zoo zwaar gevallen mijn belofte te houden als vanavond… Cecile, hij drong zijn arm mishandeld lichaampje zoo tegen me aan.… hij smeekte zoo om bij mij te blijven.…”
„Waar is het kind?” vraagt ze koel en hard, met afgewend gelaat.
„Bij Swiff, de employé.”
„Hier op de fabriek? Otto, je weet dat ik hem niet zien wil!” en ze springt overeind.
„Dat weet ik. Het is ook maar voor één nacht … Bij Swiff zou het anders goed voor hem wezen; zijn vrouw is een zacht, lief schepsel … en er zijn daar kinderen waarmee hij zou kunnen spelen.…”
Hij houdt den smeekenden blik gevestigd op haar half afgewend gelaat: dan grijpt hij haar hand.
„Cecile, o Cecile!”
’t Is een zware strijd die haar boezem hijgen doet [84]en al het bloed terugjaagt naar haar wild kloppend hart.… als ze zich eindelijk tot hem keert, spreekt er zielenangst uit haar blik.… „Otto, Otto, eisch dat niet van me … ik kan, ik wil dat kind niet zien!”
„Maar lieveling.…?!”
„Begrijp je dat dan niet? Begrijp je dan niet wat een vreeselijk denkbeeld het voor me is, dat de eerste de beste javaansche vrouw je zoo’n kind geven kon, terwijl ik.… ik.…! o God! Juist omdat hij zoo’n mooi aardig jongetje is … Niet dat ik zooveel zou geëischt hebben. In het begin … ja, toen moest ik een mooi, sterk, vlug kind hebben, maar later vroeg ik zooveel niet meer! Als het zwak was, zou ik het wel verzorgd hebben en gekoesterd; als het leelijk was.… wat kwam er dat op aan? ’t Was toch ons kind! Maar dàt zelfs was nog te veel gevraagd! Niets! Niets! Al mijn vriendinnen hebben kinderen.… ik niet! Ik moet alleen blijven.… altijd alleen!”
„Maar Cecile, wat praat je toch? We zijn drie jaar getrouwd en de doctoren zeggen.…” [85]
„De doctoren.… o ja! Spreek me niet van de doctoren! Geduld, mevrouwtje! U is nog zoo jong, mevrouwtje! Een reisje naar Europa doet wonderen, mevrouwtje! De monsters!.… Hun vrouwen hebben kinderen!”
„Lieve, wat ik je bidden mag, wind je nu niet op.”
Maar terwijl hij haar tot kalmte vermaant weet hij reeds, dat hier geen vermanen meer baat; de wonde plek is aangeraakt; de schoone oogen gloeien van het somber vuur, de bleeke lippen trillen onder de hardstochtelijke taal die de herinnering aan haar gemis doet opwellen in haar hart.
De vrienden van Dorman en ook enkele van hare kennissen veroordeelen de jonge vrouw om haar hardvochtigheid jegens kleinen Willie, maar Otto verwijt haar niets.
Hij heeft haar strijd gezien.
Eerst de toorn van het bedorven kind, wier wenschen altijd vervuld waren en die nu te vergeefs vroeg om hetgeen de armste vrouw van de fabriek in haar slendang droeg; toen het smachtend verlangen, [86]het wanhopig dwingen; eindelijk het opgeven harer hoop, het afstand doen der hoogste vreugde, gevolgd door een zeker angstig ontwijken, een soort afkeer van diezelfde lieve wezentjes, waarnaar ze zoo vurig had verlangd, een afkeer, die zich nooit sterker openbaarde, dan wanneer er sprake was van den armen, kleinen Willie.
Otto heeft haar strijd gezien.
En hij oefent geduld met haar. En als nu eindelijk de storm bedaart, legt hij haar hoofd aan zijn borst en fluistert: „We hebben beiden ons leed te dragen, Cecile; laat ons elkaar helpen!”
VII.
Een jaar is voorbijgegaan.
En het geluid, dat reeds zoo menig studeerend huisvader tot wanhoop bracht, dat de arme, met drukte overladen huismoeder zuchtend doet oprijzen van haar stoel, het geluid, dat hatelijk is om aan [87]te hooren als het uit buurmans huis komt en toch ook weer zoo liefelijk als uw eerstgeboorne het voortbrengt, weerklinkt door de administrateurswoning van Soeka-Madjoe.
Maar de jeugdige spruit der Dormans heeft het woord niet alleen: ze wordt overschreeuwd door een zwaar donderend stemgeluid.
„Neen, maar heb ik nu van mijn leven!” roept de grootvader. „Dat is nog geen drie maanden oud en gilt en schreeuwt als een mager varken omdat ze haar zin niet krijgt! Wel jou drommelsche meid, wil je je wel eens stilhouden?” Maar dan, daar het kind plotseling zwijgt: „Nu, huil maar toe, mijn dotje! Heeft grootpapa je verschrikt met zijn harde stem? Ja, liefje, grootpapa is een schreeuwleelijk, daar heb je gelijk in, en jij bent een engel.…”
Cecile, die bezig was zich te kleeden, hoort het vreeselijk lawaai mee aan en zendt baboe om het kleintje over te nemen. Maar de goede ziel springt wel drie pas achteruit, nu Haakstra haar toebuldert: „Wat wou jij, ouwe totebel? Het kind? Geen kwestie van! Denk je dat we vier jaar op haar [88]gewacht hebben, om haar nu aan de meiden toe te vertrouwen? Waarachtig niet!”
„Ik kom dadelijk, pa,” roept Cecile.
„Geen haast, Non!” is het antwoord. „Ze is goed bezorgd, daar kun je gerust op zijn.”
Maar weinige oogenblikken later treedt Cecile toch naar buiten, bloeiend en blozend, met een lachje om de lippen en een flikkering in de oogen, die den vader herinnert aan de schoonste dagen van haar meisjesleven.
„Is ze lastig geweest, pa?”
„Lastig.… zoo’n engel? En al was ze het, wat dan? Ze heeft het recht om lastig te zijn, zou ik denken!”
„Zeker pa! Geef haar nu maar hier, wilt u?”
„Maar, voor den duivel, wat bezielt jullie toch? Zal ik dan mijn eigen kleinkind niet eens rustig in mijn armen kunnen houden, zonder dat er telkens een vrouwspersoon komt om me haar afhandig te maken?”
„Ik wou haar in slaap sussen.”
„Alsof ik dat niet kon! Kijk, ze doet de lieve [89]lodderoogjes toe, die engel.… Sla de klamboe maar open, Cile; ze is al onder zeil. Zie zoo, daar ligt ze; net een schilderij! Zie me zulke beenen eens.… ’t is een pracht van een meid.…”
„En die handjes, pa, die kleine, rose vuistjes.”
„Ja, en dan dat speknekje.… dáár kan ik maar niet afblijven.… Nu, dag lief, lekker diertje!”
„Dag mijn mooi, zoet meisje!”
De grootvader, bang dat zijn stekelige baard het kind zal doen ontwaken, zendt haar uit de verte een kushand toe, de moeder sluit zorgvuldig de gordijnen, dan zien ze elkaâr aan met een gelukkigen lach.…
„Willen we een eindje gaan loopen, pa, Otto te gemoet?”
„Goed, kind!”
Als ze buiten gekomen zijn, wandelen ze eerst zwijgend naast elkander voort, dan trekt de heer Haakstra Cecile’s arm door den zijnen en vraagt: „Dat hadden we niet gedacht, ja Non?”
„Neen, o neen, papa!” roept ze uit. „Als ik het maar geweten had! Als ik het maar had durven hopen, dat ik er nog eens eentje zou krijgen, al was het over tien jaar [90]geweest, dan zou ik wel geduld hebben gehad.…”
„En je kondt niet eens je beurt afwachten.…”
„’t Is waar, pa, ik heb me heel dwaas aangesteld. Ik had niet zoo moeten dwingen om dat eenige wat me ontzegd was; ik bezat toch zooveel! Een goed vadertje, een onbezorgd leven en een man, een man uit duizenden.…”
„Zeg het maar.… een volmaakt man!”
„Lach me niet uit, pa, bijna is hij het. Natuurlijk heeft hij zijn gebreken, maar wat hindert dat bij iemand, die zoo goed, zoo edel, zoo flink en verstandig is?”
„Dat is zeker, kind, je apprécieert hem, en dit kan men lang niet zeggen van alle vrouwen die een goeden man hebben.”
„Apprécieeren.… ja! maar toch niet half genoeg! Als ik alleen maar bedenk wat hij voor me geweest is in mijn ziekte.”
„Ja, toen heeft hij zich voorbeeldig gehouden. Ik heb hem dikwijls bewonderd in dien tijd, want—niet dat ik iets tot je nadeel zeggen wil, kind!—maar zoo lief als je zijt in gezonde dagen, zoo lastig kun je wezen als je ziek bent.” [91]
„Nu pa, u weet daar alles van!” roept ze lachend. „En als ik u nu zeg, dat ik ziek nog niet half zoo lastig ben als ik zijn kon in dien tijd, toen de gedachte, dat ik geen kinderen zou krijgen, me bijna krankzinnig maakte, maar dat hij altijd goed en geduldig voor me bleef.… dan zult u me toch toestemmen, dat hij bijna volmaakt is?” vraagt ze met groote tranen in de schitterende oogen.
„Ik wil niets liever gelooven, kind!” zegt Haakstra, en dan: „Non, je verwonderde je gister dat ik alweer gelegenheid gevonden om bij jullie te komen, maar begrijp je dat niet, kind.…? ’t Is omdat ik nergens liever ben dan hier, omdat het mijn oud hart goed doet, je zoo gelukkig te zien. Je begrijpt niet, wat dat zegt voor een vader, te weten dat zijn dochter veilig bezorgd is bij een braaf man. Wil je gelooven, kind, soms als ik zie hoe andere jonge vrouwen behandeld worden, dan schiet mijn hart vol, dan weet ik uit dankbaarheid niet.…”
„Stil, pa, daar komt hij aan. Laat hem in ’s hemelsnaam niets hooren; de heeren der schepping zijn overal beter tegen bestand dan tegen lof.” [92]
In een oogwenk is Otto van zijn paard. „Wel, dat is een goed idée van je om me te gemoet te komen!” en hij kuste zijn vrouw. „Nonnie sliep zeker?”
„Ja, papa heeft haar in slaap gemaakt.”
„U hebt daar slag van, geloof ik,” zegt Dorman, zich vriendelijk tot zijn schoonvader keerend, „meer dan ik ten minste.”
„Wacht maar, als je er eens een half dozijntje gehad hebt! Jongen, je begint er langzamerhand zoo’n pleizier in te krijgen! En let eens op wat ik je zeg, Otto, met het zesde ben je nog veel gekker dan met nummer een; dat hebben wij ondervonden!”
„Gekker dan we op Nonnie zijn kan het niet!” zegt Cecile. „Is ’t wel, man?”
„Wat zei je, lieve?” vraagt Otto verstrooid.
„Nu, jongelui, ik ga verder! Ik heb mijn twee uur nog niet geloopen vandaag en je wilt zeker liever bij manlief blijven.…? Neen, waarachtig niet, kind! ga je gang, ik kan best de zon in het water zien schijnen. Je goede moeder had dat ook voor gewoonte: als ik van de fabriek kwam, stond ze me al van verre op te wachten en dan was ze met geen [93]stokken van me af te slaan. ’k Weet niet hoe het komt, Cile, maar je herinnert me telkens aan je moeder, en vroeger was dat toch niet zoo het geval.…”
„Maar ze is in den laatsten tijd ook zoo veranderd,” zegt Otto met een teederen blik op zijn bekoorlijk vrouwtje.
„Gekheid,” roept ze lachend. „Nu, tot straks, pa; hij is naar de tuinen geweest en doodmoê, wed ik.”
„Ja, ik ben moê,” zegt Dorman, als ze, haar arm door den zijne, langzaam naar huis wandelen; „ik ben dood af. Maar toch zal ik geen rust kunnen nemen. Ik kwam alleen thuis om me te verkleeden en je te zeggen dat ik er straks dadelijk weer op uit moet.…”
„Maar Ot?”
„Ja, lieve, ’t is vervelend voor je en het spijt me wel dat het juist treft nu pa hier logeert, maar er is niets aan te doen: Willie is ziek. Ik zei je gister al, dat hij zoo gloeierig was; hij ligt nu in een zware koorts.”
„Waarlijk? Dan moet je natuurlijk gaan, man! Kan ik iets voor hem doen …? Heb je al om den [94]dokter geschreven.…? Neen? Stel dat toch niet uit! Ik zal maar dadelijk een man te paard zenden, ja?” en ze verhaast haar stap.
„Goed, lieve,” en hij drukt haar arm dichter aan zijn borst, terwijl ze samen het huis betreden.
„Nu, man, ik ga een sterken bouillon klaar maken en dan zullen we ook wat snoeperijtjes inpakken.… je weet wel van die ingelegde vruchten, die hem laatst zoo gesmaakt hebben, toen hij ook ziek was.”
„Valt het je niet op, Cecile, dat Willie dikwerf ziek is in den laatsten tijd?”
„Ja. Ga nu wat op den divan liggen. Hier is een kop thee.”
„Ik begrijp niet wat hem scheelt. Je weet hoe ik er op gesteld was, dat hij bij Swiff zou komen, hoe lief ik het van je vond toen je daar niets meer tegen hadt.… maar wie kon toen denken dat het mensch tweelingen zou krijgen? ’t Is waar, de goede ziel doet wat ze kan; maar ze is zwak en dan dat eeuwigdurend gesukkel met haar eigen kinderen … neen, Willie krijgt niet de zorg, die hem toekomt.” [95]
„’t Spijt me zoo, Otto, te meer omdat ik het arme ventje niet gaarne weer ergens anders heen zou sturen, vooral met het oog op dat telkens ziek zijn. Neen, Otto, zoo kan het niet langer. Er moet een verandering komen in dien toestand, die langzamerhand onhoudbaar wordt,” zegt ze, zich plotseling tot hem keerend.
„Wat bedoel je, Cecile?” en hij richt zich haastig overeind.
„Ik bedoel.… dat het hier koel en stil is en dat je rustig moet gaan slapen en je niet bezorgd maken over Willie, omdat.…”
„Omdat.…? Nu, Cecile, omdat.…?”
„Omdat.… Willie ook nog een mama heeft, al is het tot dusver eene heel slechte mama geweest!”
VIII.
Toen de heer Haakstra, bezweet en vermoeid, terugkwam van de wandeling, die hij sedert tien jaren dagelijks deed in de nooit vervulde hoop, dat [96]daardoor zijn corpulentie verminderen zou, riep hij met luider stem om selterswater, viel hijgend op een stoel neer en bemerkte volstrekt niet, dat zijn dochter niet zoo spraakzaam was als anders.
Maar toen Cecile, bij een rechtstreeksche vraag, de oogen naar hem ophief, kwam het glas, op weg naar zijn dorstige lippen, tot staan en gilde hij: „Ze heeft waarachtig gehuild! Cile, Cile, wat is er?”
„Ik weet niet pa.… een beetje zenuwachtigheid.…”
„Gekibbeld? Is Otto onaardig geweest? Zeg het, Cile!”
„O neen! Zenuwachtigheid, anders niet.”
„Het kind dan?” vraagt de grootvader, ontsteld bij de gedachte.
„Het kind.…?” en Cecile slaat de groote oogen naar hem op, „Nonnie.… neen. Maar er is nòg een kind en daar dacht ik aan, aan dat arme kleine ventje. Papa,” en ze legt haar hand op zijn arm en ziet hem in het gelaat, „is het nooit in u opgekomen dat we indertijd slecht en hardvochtig gehandeld hebben jegens Otto’s voorzoon?” [97]
„Neen, Cecile, integendeel!”
„Ik geloof u gaarne, papa! Ik heb onze handelwijze ook nooit in dat licht beschouwd, tot.… kleine Non geboren werd. Maar sinds zij er is, sinds ik haar bezit.… weet ik zeker dat we er heel slecht aan gedaan hebben!”
„Maar kind.…?!”
„Neen, word nu niet boos; laat me alles zeggen, pa! ik kan het niet langer zwijgen! Toen ik zoo ziek was en met den dag zwakker werd en eindelijk een gevoel kreeg alsof ik nooit weer beter zou worden, toen heeft me altijd de gedachte vervolgd, dat, als ik stierf, er een andere vrouw zou komen en Non, onze arme kleine Non, behandelen zooals ik Willie behandeld heb.”
„Maar,” barst de oude heer los, „je kondt toch weten dat zoo iets nooit gebeuren zou. Grootpa was er ook nog!”
„Ja,” zegt Cecile langzaam en dof, „dat is zoo. Willie had geen grootpa; Willie had niemand om hem te beschermen, niemand dan zijn vader! En dien hebben wij hem afgenomen.” [98]
Er volgt een lange stilte. Eindelijk begint de oude man:
„Maak je me daar een verwijt van, Cecile?”
„Neen, verre van daar! Ik weet dat u dacht te handelen voor mijn bestwil; ik weet dat u bij alles bestuurd werd door uw groote liefde voor mij. Dat is uw verontschuldiging. En ik wist toen nog niet hoe lief men zijn kind hebben kan.… ik wist toen nog niet, zooals ik het nu weet, wat het zijn moet als ze je kind van je wegnemen.… neen, ik heb het toen niet begrepen, wat mijn arme man daaronder lijden moest.”
„Je vergeet, Cile, dat Dorman onmogelijk voor dien jongen voelen kan, wat jij voor Nonnie voelt bijvoorbeeld.”
„Zeg dat niet. De moeder was bij de geboorte gestorven en hij heeft met een oude baboe altijd alleen voor hem gezorgd. Nu, u weet dat men zelfs van een hond of kat kan gaan houden door hem steeds liefde te bewijzen, hoeveel meer van zoo’n aanvallig kind?”
„Aanvallig? Ken je den jongen dan, Cecile? [99]Ik dacht dat je altijd geweigerd hadt hem te zien?!”
„Ja, zoo dwaas ben ik geweest! Maar, o papa, in den tijd vóór Nonnie’s geboorte, toen ik daar maanden lang stil in mijn kamer liggen moest, toen ben ik over heel veel dingen gaan nadenken.… ’t was of het moederlijk gevoel reeds in me wakker werd, lang vóór ik moeder was, en toen, toen reeds had ik zooveel deernis met het arm verstooten kind. De eerste keer, dat we na mijn bevalling uitreden, heb ik Otto gevraagd me bij hem te brengen. Hij kwam in ons rijtuig en hij heeft me mama genoemd met de armpjes om mijn hals en zijn lief, zacht gezichtje tegen het mijne aan.… sedert kan ik hem niet vergeten.… ik voel me zoo schuldig jegens hem, vooral nu hij ziek is!”
„Is hij ziek?”
„Ja, Otto gaat van nacht bij hem waken. Papa, als hij eens erger werd.… als hij eens stierf.…? Zijn vader zou het ons nooit vergeven en we zouden niet meer goed kunnen maken wat we misdaan hebben.”
„Zou je dat wenschen, Cile?” vraagt hij, niet dan [100]na eenigen strijd met zichzelven. „Goedmaken?”
„Ja,” zegt ze ernstig, plechtig bijna. „Ik zou het wenschen om der wille van het kind en van Dorman en ook.…” gaat ze fluisterend voort, „ook om Nonnie’s wil; soms is het me of ik in haar gestraft zal worden.…”
„Stil, kind, stil! Zeg toch niet zulke akelige dingen!” roept de oude heer ontsteld. Dan trekt hij zijn lieveling naar zich toe en vraagt zacht: „Meen je dat waarachtig, Cile.…? En wat zou je dan willen doen?”
„Wat ik zou willen doen?” roept ze uit. „O goeie, lieve pa, ik zie het aan uw oogen, dat u het al half met me eens zijt! Ik zou naar hem toe willen vliegen en hem hier halen en verzorgen.…”
„Wel, jou malle meid!” roept Haakstra nu onder een vervaarlijk snuiten. „’t Is vreemd, zooals je me vandaag aan je moeder denken doet.… Zij zou.… ja, ik geloof dat ze het kind ook zou gehaald hebben.… wat is er, ouwe totebel?” wendt hij zich eensklaps tot Nonnie’s meid.
„Nonnie nangis,” zegt de baboe.
„Ja we zouden haar heelemaal vergeten,” roept [101]Cecile verschrikt, „het arme kind zal honger hebben.”
Maar terwijl ze haastig naar binnen gaat, vindt ze nog een oogenblik tijd om den arm om haars vaders hals te slaan en twee, drie kussen op zijn betraand gezicht te drukken.
Nadat de kleine verzorgd, de bouillon geproefd en goed bevonden, het mandje met versnaperingen gereed gemaakt was, ging het nijver huisvrouwtje manlief wekken met de tijding, dat ze een uur vroeger dan gewoonlijk had laten dekken, en hij dus vóór zijn vertrek naar Swiff den inwendigen mensch wat versterken kon.
Op het punt van aan tafel te gaan, misten ze echter den ouden heer. Kromau verklaarde dat hij was uitgereden, Ketjil dat hij reeds was teruggekeerd, Djan dat hij in het geheel niet uit geweest was, tot eindelijk de baboe kwam zeggen, dat mijnheer in de slaapkamer was.
„In onze slaapkamer?” riep Dorman. „Wat voert hij dáár uit?”
„Hij zal met Nonnie spelen,” zei Cecile. [102]
Maar de heer Haakstra speelde niet met zijn kleinkind. Hij stond, vuurrood en terwijl groote zweetdroppels op zijn gelaat parelden, midden in het vertrek, met beide handen geklemd om de gesloten klamboe van het ledikant.
„Wel, papa, we hebben u overal gezocht.… Wat doet u hier in het heilige der heiligen? En wat verstopt u daar in ons bed?” vraagt Dorman vroolijk.
Maar hij ontvangt geen antwoord.
„Papa, als u het goed vondt, wilden we wat vroeg eten. Dorman moet dadelijk weg,” begint Cecile nu.
„Onnoodig!” spreekt de oude heer op zeer afdoenden toon.
„Integendeel! hoog noodig! Ik moet om acht uur hier van daan,” roept Dorman, die ongeduldig begint te worden.
„Onnoodig zeg ik je.”
„Maar, hoe kunt u nu volhouden.…?”
„Je woudt naar je jongske gaan? Nu, ik zeg en ik houd vol dat het onnoodig is …!”
Met één forschen ruk slaat hij de klamboe open en Willie vliegt op zijn vader toe. [103]
Een oogenblik staat Dorman onbewegelijk, het kind in de armen gedrukt; dan spreekt hij met bevende stem: „Willie, geef grootpa een kus!”
„Neen, kind, mij moet je niet kussen,” roept Haakstra, maar steekt toch ondertusschen het aardig knaapje zijn behaard gezicht toe. „En jij ook, kerel, wees niet gek.… ’t is schande genoeg dat ik je kind zoo vervolgd heb, terwijl jij goed en trouw was voor het mijne.… Je begrijpt toch wel wie er achter heeft gezeten.…?”
„Cecile! O, mijn lieve vrouw!”
Maar Cecile voert vader en echtgenoot naar het bedje, waarin Nonnie sluimert; dan fluistert ze: „Kust haar, bedankt haar! Zij is de kleine wonderdoenster, die mijn hart heeft verzacht.”
[104]