V.
„Arme papa!”
Ze vermoedde niet welke de smart was die hem [151]folterde, maar ’t scheen of ze alles begreep; ze kon niet weten welke slag hem getroffen had, maar ’t was of een geheime stem haar toefluisterde dat hier een lijdend hart van wanhoop te redden viel, en van nu af wijdde ze zich met al de teederheid van haar warm jong gemoed aan die taak.
Als bij ingeving raadde het kind, wat menige vrouw levenslang verborgen blijft: ze wist wanneer haar vriendelijk gekeuvel hem wekken moest uit sombere gepeinzen, maar ook wanneer hij behoefte had aan rust en niets dan rust; ze wist wanneer ze hem vragen kon deel te nemen aan haar vroolijk spel, maar ook wanneer ze haar hoofdje aan zijn borst vlijen en een opkomenden storm bedaren moest door liefdeblijken.
Toen de krachten terugkeerden was het op háár smeeken dat hij nu en dan eens naar buiten trad in de heerlijke natuur, maar het kostte moeite hem over te halen; daarbuiten scheen het hem nog ondragelijker dan in het halfdonker ziekvertrek; het was hem of de heldere zonneschijn al zijn dwaasheid blootlegde; het was hem of de vogels zongen, of de [152]eenden kwaakten van zijn schande; immers schande, driedubbele schande noemde hij het, dat de naam, dien zijn vader met rechtmatigen trots noemde, den naam die zijn moeder zoo rein had bewaard, nu werd gedragen door Maria Bastoort!
’t Was ook Edith die er hem toe bracht weer eens naar de fabriek te gaan. Wel wist ze het nog niet bij ervaring, dat werken leert vergeten, maar ze bemerkte hoe bezigheid papa goed deed. Het was een zware gang; met warme onverholen blijdschap ontvingen hem zijn ondergeschikten, maar hij kon niet werken met den lust en den ijver van voorheen; immers, voorheen werden de winsten weggelegd voor de reis naar Europa, voor de toekomst als de kinderen groot waren; nu waren alle plannen den bodem ingeslagen; nu was er geen toekomst—dan met Maria Bastoort!
Er was tusschen hem en de vrouw, die de wet tot zijn gade gemaakt had, een vergelijk getroffen. Hij oordeelde dat hij niet het recht had haar verwijtingen te doen; alleen zeide hij haar zacht maar vast, dat ze nooit anders dan in naam zijn vrouw zou [153]wezen, dat ze, toen ze van zijn toestand misbruik maakte om hem te ontrooven wat ze wist dat hij haar nooit vrijwillig zou geofferd hebben, voor altijd zijn genegenheid had verspeeld.
Het was haar tamelijk onverschillig; niet zijn liefde had ze zich gewenscht, maar zijn titel, zijn rang, zijn geld,—en die kon hij haar niet ontnemen. Hij handelde juist zooals ze verwacht had: paarden, rijtuigen, bedienden, ruim huishoudgeld en nog ruimer kleedgeld stelde hij tot hare beschikking.
Maar op zekere voorwaarden.
Het huis was groot en ruim; wilde ze hem verplichten door het linkergedeelte te bewonen, terwijl hij zich tot de rechterzijde bepalen zou? Edith was aan hem gehecht, terwijl Nora háár lieveling heette; wilde ze Edith aan haar vader afstaan? En zou ze over het geheel hem niet tegenwerken bij de opvoeding der beide kinderen?
En eindelijk—nog deze ééne groote gunst—wilde ze beloven hem niet te dwingen met haar uit te gaan?
Neen, dat wilde ze niet! [154]
Waarvoor zou zij haar mooie toiletten koopen, als het niet was om er mee te schitteren in de gezelschappen; waarvoor zou ze alles verdragen, al zijn dwaze nukken inwilligen, wanneer het niet was in de hoop van als mevrouw Reijkman zich te vertoonen in kringen, waarin men vroeger haar naam niet genoemd, veel min haar tegenwoordigheid geduld zou hebben?
Al de fierheid, die in hem was, kwam in opstand tegen het ondergaan van die laatste vernedering; hij smeekte en bad, hij dreigde en beleedigde; te vergeefs! Op dit ééne punt bleef Marie onverzettelijk.
Het was, hoe grievend dan ook voor zijn gevoel, een ware verlossing, toen hem van verschillende zijden werd getoond, dat zijn komst altijd hoogst aangenaam zou wezen, maar men liever wenschte van bezoeken zijner vrouw verschoond te blijven;—zij bleef echter loeren op een gelegenheid om den triomf, waarvan zij zoo lang gedroomd had, te genieten.
Weldra deed zich die voor. Er werd een groot feest gegeven door een der rijkste suikerlords uit den omtrek en Reijkman ontving een uitnoodiging voor zich en zijn vrouw. [155]
Hij wilde een voorwendsel zoeken om te weigeren. Maar Marie, wie het thuiszitten verveelde, dreigde alleen te gaan, zoo hij haar niet verzellen wilde.
Hij gaf toe; hij liep de spitsroeden door en ze wondden hem dieper dan de felste zweepslagen ooit een ontblooten rug konden doen; de donkere blikken van de schoone vrouwen, wier liefde hij eenmaal zoo gemakkelijk had kunnen winnen en die nu schenen te vragen: moest ik dáárvoor versmaad worden? de spottende lachjes om meêdoogenlooze lippen, het gefluister van scherpe tongen, het deelnemend groeten of verlegen afwenden van bevriende gezichten.…
Er was één paar oogen, blauw en zacht als Insulinde’s hemel, dat telkens rusten bleef op Henri’s gelaat en deelnemend scheen te vragen, waarom het toch zoo treurig stond; er was één frisch, rooskleurig mondje, dat met half kinderlijken schroom hem toesprak; ze behoorden aan Constance van Raathoven, de eenige dochter van Passoeroean’s resident.
Het kind was pas uit Holland terruggekeerd en begreep niet, welk recht de zwarte vrouw kon hebben op dezen jongen man, met zijn edel, blond gelaat, [156]zoozeer gelijkend op het ideaal, dat ze zich gevormd had van den held harer droomen.
Hij ving de zachte blikken op, zoo dikwerf ze op hem rusten bleven, gelijk de verschroeide bloem een dauwdrup opvangt; hij luisterde naar de tonen dier melodieuse stem.… misschien was het juist de blik uit die reine meisjesoogen, misschien waren het juist de woorden van dat schuldeloos kind … die hem het knellen van zijn keten zoo ondragelijk maakten, die zijn wanhoop opvoerden tot razernij.…
Het was goed dat het rollen van den wagen over het grint kleine Edith ontwaken deed; het was goed dat ze op haar bloote voetjes kwam aantrippelen en haar armen om papa’s hals sloeg en fluisterde, dat ze zoo koud was en vroeg of ze voor dien éénen nacht mocht slapen in papa’s bed.…
Ze sluimerde spoedig in, zooals kinderen dat doen kunnen, maar toch vroeg ze zich den volgenden morgen af, of ze gedroomd had, dat er, o zulke heete tranen op haar voorhoofd gevallen waren.
Intusschen—ook na den bangsten nacht breekt [157]een morgen aan, waarin alles geregeld zijn gang gaat; waarin ieder werkt en handelt alsof er niet zoo iets als smart en wanhoop bestond onder de menschen—en iedere morgen vond den administrateur van Soeka-madjoe op zijn post.
Onno had gedurende de ziekte, die niet minder dan vijf maanden duurde, gedaan wat hij als geëmployeerde vermocht te doen, maar toch viel er nog veel te regelen, dat op het herstel van Reijkman had gewacht.
Hij werkte zooals een man werkt, wiens doel het is zichzelf te ontvlieden; in brandende zonnehitte, in storm en regen steeg hij te paard, en eerst wanneer lichaam en geest doodelijk vermoeid waren, zocht hij rust, in de hoop dat de verdooving die op groote inspanning volgt, de booze droomen, de treurige gedachten zou verdrijven.
Maar eindelijk toch brak de tijd aan dat alle achterstand ingehaald was, de aanplant geregeld, de tuinen in orde, de boeken bijgewerkt, de machineriën nagezien, de suikers verzonden; de tijd waarin den administrateur van een fabriek niet veel anders te doen overblijft, dan te wachten tot de zon den nieuwen oogst heeft rijp gestoofd. [158]
„Papa, nu hebt u het niet meer zoo druk, is het wel?” vroeg Edith op zekeren langen, regenachtigen namiddag, toen haar vader sedert een half uur de voorgalerij op en neder liep.
„Neen, lieve. Waarom vraag je dat zoo?” antwoordde hij, terwijl hij een oogenblik stil stond om de hand langs haar zijden krullen te strijken.
„Omdat.… weet u niet meer, wat u ons beloofd hebt, als de drukte voorbij was?”
„Ja zeker! We zouden een beetje leeren samen—en spelen ook. Goed dat je me er aan herinnert, kind! We zullen dan maar dadelijk beginnen, hé? Maar eerst moet Nora hier zijn. Waar is ze?”
„Bij mama, geloof ik.”
„Nu, ga haar dan roepen.”
„Ik weet niet of zij zal willen komen, papa.”
„O zeker! Zeg maar dat ik een mooi geschiedenisje ga vertellen, een, dat ze nog nooit gehoord heeft.”
Het duurde een geruime poos voor Edith terug kwam. Toen trad ze aarzelend nader, de lange wimpers rustend op de hoogblozende wangen.
„Nora is.… Nora heeft een beetje hoofdpijn, [159]papa! Ze kan onmogelijk komen … zegt mama.”
„Hoofdpijn? Kassian! Is het erg?”
„Neen pa! och neen, het is eigenlijk niets erg,” sprak Edith, meer en meer verward.
„Edith!” vroeg Reijkman streng, terwijl hij zijn doordringenden blik op het kind vestigde, „wat is er?”
Edith bleef zwijgen.
Toen klonk er een droeve klacht van des vaders lippen. „Edith, mijn lieveling, ze hebben je toch niet geleerd te liegen?”
In een oogwenk lag ze aan zijn borst. „O papa, wees niet bedroefd! Geloof me, papa, ik heb gezegd, dat ik niet jokken wilde, maar mama …”
„Sst …” sprak Marie’s echtgenoot, „sst!”
Daarop gaf hij in het javaansch een bevel aan Arsan en weinige oogenblikken later verscheen Nora, met een hoogrooden blos op de bruine kaken, met iets uitdagends in de fonkelende, zwarte oogen. Hij bestrafte haar met geen enkel woord; hij nam haar op zijn knie en begon te vertellen—van een kind, dat gelogen had en de vreeselijke gevolgen van dien leugen. Halverwege moest hij het verhaal afbreken; [160]Edith was in een zenuwachtig snikken losgebarsten; ook van Nora’s donker gezicht was het uitdagende verdwenen, maar toen Reijkman haar aanzag en aan zijn hart drukte met de vraag: „Begrijp je nu hoe slecht het is om te jokken, liefje?” keerde ze het hoofdje om en wilde noch antwoorden, noch schuld bekennen, noch beterschap beloven.
Maar hij was er de man niet naar om door een mislukte poging te worden afgeschrikt.
Met al den ernst, al het geduld die de opvoeding van ieder kind, maar de opvoeding van een indisch kind vooral, eischt, met al de liefde die hij te geven had, wijdde hij zich aan de taak, die gelukkiger echtgenooten zoo gaarne op de schouders der moeder leggen. Hij zou dat trotsche hoofdje buigen, het goede zaad zaaien in dat jonge hartje, het onkruid uitroeien, dat Marie’s leiding zoo welig deed opschieten.
Wat hij niet kon vermoeden, hij deed zichzelf oneindig veel goed door dat geregeld samenzijn met de kinderen; eerst was het hem een inspanning geweest, weldra werd het hem een genoegen; Edith’s ernstige vragen, die van zoo diep nadenken getuigden, verbaasden [161]en verrasten hem; Nora’s aardige, kinderlijke opvatting van alles, wat hij haar trachtte duidelijk te maken, was hem een waar vermaak, en toen hij reeds vruchten van zijn onderwijs begon te zien, toen Nora met haar zoete stem en gracieus gebarenspel een gedichtje voor hem opzeide en Edith haar eersten brief naar Holland schreef, toen kwamen er weer goede oogenblikken in zijn eenzaam leven, toen herinnerde hij zich hoe een vriend eens beweerd had, dat men zich over een ongelukkig huwelijk leert troosten door de vreugde die de kinderen schenken, en hij vond die bewering niet meer zóó onzinnig als te voren.
Waarmede hij de beide meisjes ook trachtte bezig te houden, welke spelletjes en pretjes hij ook bedacht, altijd herhaalden zij de vraag: „Een vertelseltje, papa!”
Gelukkig was zijn auditorium niet moeilijk te voldoen; ’t ging als op de nutslezingen in kleine plaatsen; het deed er weinig toe of het verhaal nieuw was, nog minder of er logisch verband in werd gevonden, het allerminst of het een zedelijke strekking, [162]had, als er maar een bepaalden tijd gesproken werd.
Op een avond dat hij wat vermoeid en misschien daardoor niet zeer helder van hoofd was, wilde het hem maar niet gelukken een vertelsel saâm te flansen.
„Dan maar een sprookje van moeder de Gans,” raadde Edith. „De schoone slaapster in het bosch bijvoorbeeld, pa?”
’t Was lang geleden dat de kinderen dit voor het laatst hoorden en met ingehouden adem luisterden ze, hoe de booze toovergodin verscheen aan het doopmaal; hoe, niettegenstaande alle voorzorgen, de voorspelling vervuld en het mooie prinsesje door de schaar gewond werd.
Eindelijk was de verhaler de slotscène genaderd; de jonge vreemde prins had het prachtig kasteel met zijn onbewaakte schatten en slapende bewoners betreden; hij drukte de koningsdochter den kus op de lippen die haar moest doen ontwaken.…
„He, hoe dom!” riep Nora op eens.
„Stil toch!” fluisterde Edith verontwaardigd over die stoornis. „Toe pa, vertel verder!” [163]
Maar Nora’s uitroep had de aandacht van haar vader getrokken. „Waarom dom?” vroeg hij.
„Omdat.… wel, papa, hij had immers alles kunnen wegnemen, het heele huis leêgdragen, als hij haar had laten slapen.”
„Zou je dat in zijn plaats gedaan hebben, Nora?”
„Ja zeker,” sprak Nora, zonder zich een oogenblik te bedenken.
Henri Reijkman liet het kind van zijn knie glijden en toen ze, verschrikt over de uitwerking van haar gezegde, weder op hem toetrad, stiet hij haar terug.
Terwijl Edith, de kleine handjes gevouwen, zat te peinzen en ten volle begreep waarmeê Nora papa zoo ontstemd had, terwijl Reijkman met gejaagden tred op en neer liep en zich afvroeg of dan niets, niets den verderfelijken invloed zijner vrouw onschadelijk maken kon, schaterde Marie het uit van lachen en beloonde het kind met gebak en noemde haar een pintere meid, toen ze het verhaal deed van hetgeen er was voorgevallen.
Nooit was door de goede en booze geesten de strijd om een menschenziel met meer volharding gestreden, [164]dan door dezen vader en deze moeder den strijd om het hart van dit zevenjarig kind.
Nog bleef Reijkman hopen dat de overwinning aan zijn zijde verblijven zou. Nora was leugenachtig en vol listen en streken, maar er was toch ook veel goeds in haar verwilderd hartje; er woonden naast verkeerde gedachten ook betere wenschen en edeler verlangens; met Edith tot voorbeeld en onder ernstige leiding kon er nog iets liefs van haar komen.…
O, als hij de vrouw, die hem zijn geluk en zijn vrijheid had ontroofd, nu ook nog de ziel van zijn kind moest afstaan, dat zou te veel zijn! En hij worstelde om Nora’s behoud met de volharding van een man, met het geduld eener vrouw.
Toch zou hij het moeten opgeven.
’t Was in de plotseling gevallen schemering van een druiligen namiddag, dat Henri de beide meisjes zocht om met haar het gewone leeruurtje te beginnen.
Te vergeefs liep hij de vóór- en achter- en binnengalerij door, en juist wilde hij Arsan roepen om ze in den tuin te gaan halen, toen hij achter het groote schutsel in de slaapkamer eenig gerucht vernam. [165]
Hij had in den laatsten tijd meer dan eens opgemerkt dat er in Nora’s zijn iets geheimzinnigs stak; telkens als hij haar onverwacht naderde, schrikte ze op en voortdurend had ze Edith dingen meê te deelen die papa niet hooren mocht.…
Zonder bepaald kwade vermoedens te koesteren, verontrustte hem dit en daarom bleef hij nu ook achter het scherm staan, in de hoop van onopgemerkt getuige te zijn van het gesprek.
In de halve duisternis kwam het fijne, edele gezichtje van Edith, met de lange blonde krullen omkranst, teekenachtig uit tegen Nora’s donkergelokt kopje en haar groote fonkelende oogen. Er lag in het gelaat van het oudere zusje nieuwsgierigheid, maar een zekere angst en afschuw tevens, terwijl Nora de gloeiende wang tegen de hare drukte en fluisterde, fluisterde.…
Daar trof een woord het oor van den vader, een woord dat nimmer moest worden uitgesproken door reine kinderlippen, een woord waarvan de beteekenis geen kind mocht geopenbaard zijn.…
Verschrikt, ontroerd trad hij terug; nooit was hem [166]de zonde zoo afschuwelijk voorgekomen, als nu zij den mond van zijn kind tot tolk had gekozen …
Een oogenblik nog zag hij het roerloos aan hoe de kleine demon zich heenboog over het blonde zusje, gereed om haar de gemaakte ontdekking mede te deelen, toen greep hij Nora bij de schouders en sleurde ze ver weg, als ware ze een venijnig insekt geweest.…
De innige vertrouwelijkheid die eertijds tusschen Onno en zijn vriend bestond, had sinds eenigen tijd plaats gemaakt voor een veel koeler verhouding; daarom durfde Onno niet vragen toen hij Reijkman stiller vond dan gewoonlijk; daarom bleef hij zwijgen ook toen hij zag hoe Nora verbannen werd uit de tegenwoordigheid haars vaders, terwijl het Edith ten strengste verboden was in de vertrekken van Marie te komen. Eerst toen Reijkman sprak van een reis naar Soerabaia, vroeg hij of het voor particuliere zaken was.
„Ja,” sprak Reijkman, „voor particuliere zaken maar … vraag niet verder, Onno!” [167]
Toen hij terugkwam, stond Edith hem van verre toe te wuiven; geheel haar lief gezichtje straalde van vreugde en nog vóór hij het huis had betreden, vloog ze hem in de armen.
„Papa, waarom zijt u zoo lang weggebleven? U weet immers, dat ik niet zonder u kan?… En—kunt u dan zonder mij? Zeg paatje, kunt u zonder uw kleine Edith?”
Op eens zag Edith haar vader doodsbleek worden, wankelen … ze riep oom Onno, en toen deze zijn vriend ter hulp snelde, vernam hij een dof snikken, een onsamenhangend gefluister: „Ze moet weg.… mijn lieveling! Naar Europa! Alles is reeds bepaald … over vier weken.… God helpe me!”