WeRead Powered by ReaderPub
Indische Huwelijken cover

Indische Huwelijken

Chapter 21: VI.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel korte verhalen over huwelijken en huishoudelijk leven in een koloniale, tropische omgeving, waarin dagelijkse taferelen, familiegesprekken en het klimaat samen het toneel vormen. De verhalen richten zich op rouw en troost, sociale druk, kleinschalige conflicten en heimelijke verlangens, en tonen hoe beleefdheidsrituelen, diners en bijeenkomsten persoonlijke gevoelens reguleren. De toon wisselt tussen meelevend en licht satirisch, met nadruk op sfeertekening, interpersoonlijke spanningen en de manier waarop plicht en affectie elkaar beïnvloeden.

[Inhoud]

VI.

’t Is in onze tropische nachten voor gelukkigen onuitsprekelijk zoet droomen: achterovergeleund in den gemakkelijken zetel, het gelaat tot den flonkerenden hemel gekeerd, terwijl heerlijke geuren opstijgen [168]van de bebloemde aarde naar het wazig blauw der wolken, terwijl het koeltje door de lokken speelt, droomerig en teeder als de vingeren der geliefde, terwijl de sleepende tonen eener verwijderde muziek de gedachten vleugelen schenken en het beekje fluistert van wenschen die vervuld, van idealen, die werkelijkheid werden.

’t Is zoet droomen voor den gelukkige.

Maar ook den minder bevoorrechte, ook den balling, die niets dan teleurstelling vond in het land der vreemdelingschap, is het goed neer te zitten in den kalmen vrede van Insulinde’s nachten.

De koelte moge hem van geen teedere aanraking eener aangebeden hand spreken, hem streelt ze het gloeiend voorhoofd met haar frisschen adem, hem vaagt ze den blos der ergernis van de wangen, hem kust ze toornige woorden van de lippen; de muziek moge hem niet voeren tot peinzen over het genotvol heden, ze voert hem terug tot het blij voorheen, ze verhaalt van een betere toekomst.…

En als het vriendelijk beekje ook langs zijn voeten stroomt, is het of hem wordt toegeruischt: Geduld! [169]Geduld! Wij allen hebben onzen strijd op aarde! Ook ik was eenmaal een trotsche bergstroom met niets dan het blauw des hemels boven, het groen der heuvelen rondom me; thans word ik in boeien gekneld door menschenhanden; thans word ik ver van mijn schoone geboorteplek, gevoerd langs dorren zandgrond en kale rotsen en naakte vlakten, maar om eindelijk af te dalen in een vriendelijke vallei! Dáár zal de zon mij tooien met glinsterende juweelen; de kinderen zullen mij met bloemen strooien onder blij gezang, schoone vrouwen zullen haar ranke leden komen toevertrouwen aan mijn liefkoozingen, minnenden zullen neerzitten aan mijn oevers en het geklater mijner golfjes begeleiden met den klank hunner kussen.…

Toen Edith was heengegaan en met háár de laatste zonnestraal uit zijn sombere woning, toen ook Nora, om haar aan den verderfelijken invloed der moeder te onttrekken, onder streng toezicht van vreemden geplaatst was, toen de kinderstemmetjes niet meer weerklonken die de eenige juichtoon waren geweest in den droeven treurzang van zijn huiselijk leven, was [170]het Henri Reijkman of hij den last van het bestaan moest afwerpen.

Zijn goede engel had hem verlaten; zijn booze genius moest hem altijd nabij blijven, háár kon hij niet ontvluchten.… Waartoe langer zijn ellendig leven voortgesleept?

’t Was een bange strijd geweest en meer dan eenmaal had hij een wapen in handen genomen en het aangezien met woest verlangen als redder, verlosser.… maar Edith’s geest zweefde nog door de stille woning, Edith’s voetstappen weerklonken nog door de ledige gaanderijen; ’t was hem of haar handjes hem het wapen uit de klamme vingeren loswoelde, of zij hem met zich voerde naar buiten, naar buiten waar aarde en hemel, met denzelfden reinen zilverschijn overgoten, lagen te sluimeren in den schoonen maanlichtnacht.

Dan zat hij daar uren lang tot ieder geruisch had opgehouden in den omtrek, tot alles sliep en alles rustte, tot de bergen toornige titans geleken, en de boomen spookgestalten werden, maar ook de wolken daarhenen zweefden als engelen in hemelschen starbezaaiden dos. [171]

Dan boog hij luisterend het oor en ’t was als ruischte van verre over de eeuwige stilte van den Oceaan, waarop het kind zijns harten zwierf, hem een groet tegen; dan sloot hij de oogen en het was hem als bracht de zefir die als Noordenwind had geloeid om de ranke boot, waaraan haar dierbaar leven was toevertrouwd, hem woorden vol zoeten troost, dan droomde hij van een verre, verre toekomst, waarin de banden niet meer knellen, de ketens niet meer rammelen zouden, waarin hij als vrij en gelukkig man haar zou wederzien!

Hij droomde haar zooals ze dan zijn zoude: een ranke maagd met teedere vormen, de blonde krullen los neervallend om het zacht gebogen hoofd, de blauwe oogen vol dwepende teederheid, vochtig en glanzend, fonkelende starren aan den onbewolkten hemel harer ziel, het vriendelijk mondje altijd bereid tot een lief woord, de zachte wangen gekleurd met den jonkvrouwelijken blos.…

’t Was een liefelijk beeld dat hij zich voor den geest tooverde en hij voltooide het langzaam, met innerlijk genot, hij teekende het en iedere penseelstreek deed hij [172]met liefde, en als het beeld gereed was, bleef hij er op staren en legde al de trekken er van weg in zijn hart.…

De wind in de bamboestammen doortrilt de lucht als de onbestemde klanken eener Eölusharp; de eenzame woudduif kirt en haar tortel antwoordt uit de verte met een luiden jubeltoon; de zachtklagende tonen van een liefdezaag klimmen op uit de kampong.… nog fluistert de sombere droomer den naam van het aangebeden kind, maar straks, straks als de sterren elkaar zijn geheim reeds verklapten en de maan hem met een spotlach in het aangezicht staart, straks is het hem eensklaps duidelijk geworden wier beeld het is, dat hij draagt in zijn hart en trek voor trek teekent met zooveel liefde als hij zich het ideaal eener jonkvrouw denkt!

Constance.… ach, Constance! Hoe gelukkig, hoe liefelijk moet het leven zijn aan uwe zijde.…

Daar verneemt hij het weer, dat afschuwelijk geluid, verzeld van het hoongelach der helgeesten, het ratelen zijner ketens!.… [173]

De wachten zijn er reeds aan gewoon hem in het holle van den nacht te zien dwalen rondom het huis; de honden blaffen niet aan, zij kennen dien gejaagden stap; alleen zijn lievelingspaard op stal hinnikt, als verwachtte hij dat zijn meester hem zou bestijgen en met hem voortrennen in wilde vaart, zooals in menig vroegeren nacht.…

Maar hij gaat voorbij, den tuin in, het erf op. Eerst een paar uur later keert hij terug; vermoeid, bezweet, maar zonder dàt zou hij geen rust vinden op zijn eenzame legerstede. Hij gaat haastig het huis langs om achter binnen te treden en mijdt nu niet, zooals des daags, het gedeelte door Marie bewoond.

Even blijft hij stilstaan. Is dat niet een mannenstem, die hij daar hoort in Marie’s vertrekken?.…

Hij wist niet of zijne vrouw sinds hij haar van zijn zijde verbande, hem de trouw had gehouden die echtgenooten elkaar beloven; maar hij wist dat de hartstochten, die haar beheerschten, niets met de zinnen gemeen hadden en had daarop vertrouwd toen hij zichzelf deed gelooven, dat ze ten minste niet op die wijze den naam, dien ze droeg, tot schande zou maken. [174]

Eén oogenblik trilde hij van woede bij de gedachte; maar toen glimlachte hij; de stem, die tot hem doordrong, was die van Marie’s broeder.

Wie Rudolf Bastoort eenmaal in het laaghartig gezicht, in de listige oogen gezien had, wist, dat die man gewantrouwd moest worden. Reijkman had meer dan één staaltje ontvangen van zijn laagheid. Maar hij had hem, omdat hij de broeder zijner vrouw was—anders had hij hem gaarne zien hangen—uit zekere moeilijkheden gered. Na de laatste „moeilijkheid” echter verbood hij hem het huis, met bedreiging hem als dief en opiumsmokkelaar te doen opvatten, als hij het waagde zijn erf te betreden—vandaar dit bezoek in het holle van den nacht.

„Och, Marie, kassian toch met je broêr,” riep de door drank en uitspatting heesche stem, een wanklank in de heilige stilte van den nacht.

„Kassian met jij,” siste het snerpend geluid Henri zoo wèlbekend uit Marie’s oogenblikken van hevige drift, „kassian met jij? Jij moet zelf weten. Wie schulden maak, die betaal! Jij bent niet gek genoeg om hulp te verwachten van mij?” [175]

„Je begrijp misschien niet, Marie! Ze zetten me in den boei. Ze hebben ampioen gevonden bij mij in huis. Ik moet afkoopen.…”

„Ampioen gevonden.…? Heel goed! ’k Heb lang verwacht.… ’k Ben blij.…”

„Ik moet honderd gulden hebben, Ria! minstens!”

„Al moest je een gobang hebben, jij krijg niet van mij,” zegt de zuster bepaald. „Nu, ga weg!”

De heer Rudolf Bastoort stort thans zijn gevoel uit in een walgelijk dronkemansgeween.

„Waarom moet jij spelen, dronkenlap? Ben je een grooten mijnheer misskien?”

„Neen,” zegt de broeder, terwijl hij eensklaps de onharmonische uiting zijner droefheid staakt. „Maar jij bent een groote mevrouw; jij kunt betalen en.… jij moet.… jij moet.…!”

„Moeten?” vraagt ze, ziedend van toorn. „Moeten?”

„Ik zit in de benauwdheid, Ria, ik ben verloren.…” kermt hij.

Tra per doeli!1

„Marie?!” [176]

„Ga weg, zeg ik. Ik roep de jongens! Ga weg, ja?”

„Niet vóór ik het geld heb!”

„Ben je gek, kerel?” gilt ze buiten zich zelve.

„Dat vroeg je niet toen ik je helpen moest om …”

Diam!2 roept Marie gebiedend, maar fluisterend tevens.

„Voor wat diam? Ik geef nergens meer om. Ik ga alles vertellen …”

„Je bent niet brani. Je bent veel te bang.… laffe dronkaard …”

„Bang dat ze jou hangen zullen? Och neen, ik zou het met pleizier zien! Je hebt het aan mij verdiend, nog veel meer dan aan mijnheer Reijkman …”

„Jij hangt ook! Net zoo goed! Jij hebt me de vergift gegeven,” zegt ze met haar valschen lach.

„Maar jij hebt het hem in de soep gedaan en in de koffie! Wat kan mij schelen, of ze me in de gevangenis zetten, daar kom ik toch in!”

„Nu, ik zal … hoorde je daar niets? Ja, ja! een [177]voetstap … ja, ik weet zeker … Als je me hebt verraden … ik vermoor je!”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Pas verbleekten de sterren, pas kraaide de haan, toen Onno uit zijn slaap werd gewekt door het binnentreden van Reijkman. Verbaasd rees hij overeind en nauwelijks had hij bij het matte schijnsel van het morgenlicht hem in het gelaat gezien, of met een kreet van schrik was hij uit het bed gesprongen.

„Henri?! Wat is er gebeurd? Een nieuw ongeluk?!”

„Neen. Het oude ongeluk maar. Onno, geef me de hand! Ik heb je leelijk behandeld, oude vriend … ik heb je miskend …”

„O, dat is niets … laat ons daar niet van spreken.”

„Jawel, ik had het niet moeten doen. Maar ik kon het maar niet vergeten, dat jij het waart, die me met Marie hadt laten trouwen. Ik wist toen niet waarom je het deedt … het was om mij te redden, niet waar mijn jongen?”

„Weet je het?… Hoe heb je het ontdekt?…”

„Ik weet het; laat dat je genoeg zijn. Ze had me vergiftigd, niet waar? Je hebt heldhaftig gezwegen.… [178]en ik heb je schandelijk gegriefd … Kun je me vergeven … mijn oude vriend?”

„Vergeven? Henri!”

„Dwaasheid! Maar.… je kende me zoo goed, Onno, tien jaar lang.… je hadt het kunnen, je hadt het moeten weten dat het leven geen waarde voor me hebben zou als ik het tot dien prijs behield. Ik, verbonden aan een gifmengster! Ik, getrouwd met een moordenares!”

„Reijkman, je weet het nu.… je kunt je nu vrij maken! Wat verhindert je haar aan te klagen.… haar schuld is bewezen en.…”

„Stil! ’t is de moeder van mijn kinderen! Ik bid je, spreek daar nooit van. Hoor je, nooit! nooit! Ik mag daar niet aan denken.… Ik mag niet! ’t Zou de naam van mijn kinderen zijn, die ik voor altijd prijs gaf.… Ze hebben immers haar bloed in de aderen.… En toch.… o God!.… als ik haar aanklaagde en ze werd veroordeeld.… Onno! dan zou ik vrij zijn! Vrij! Begrijp je wat dat zeggen wil?.… Vrij om.… maar neen, neen! Ik mag niet! Ze is Edith’s moeder.…” [179]

„Mijn arme vriend!”

„Ik moet rust hebben. Ik ben nog niet te bed geweest.… je zult me van morgen waarschijnlijk niet zien in de fabriek.… adieu!”

„Henri, laat me met je meegaan.”

„Waarom?”

„Omdat.… neen, geloof me, ’t is beter dat er iemand bij je is. Je bent overspannen, je.…”

„Zeg het maar, mijn jongen, je vreest dat ik me van kant zal maken.… Is ’t niet zoo? Wees gerust Onno. Er komt een oogenblik in het leven waarop het vreeselijkste ons niet meer onvoorbereid vindt, een oogenblik, waarin we door ervaring geleerd, het ergste verwachten! En dan.… laat me je dit zeggen, sinds ik het heengaan van Edith overleefd heb, kan er voor mij geen sprake meer zijn van zelfmoord.”