WeRead Powered by ReaderPub
Indische Huwelijken cover

Indische Huwelijken

Chapter 23: VIII.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel korte verhalen over huwelijken en huishoudelijk leven in een koloniale, tropische omgeving, waarin dagelijkse taferelen, familiegesprekken en het klimaat samen het toneel vormen. De verhalen richten zich op rouw en troost, sociale druk, kleinschalige conflicten en heimelijke verlangens, en tonen hoe beleefdheidsrituelen, diners en bijeenkomsten persoonlijke gevoelens reguleren. De toon wisselt tussen meelevend en licht satirisch, met nadruk op sfeertekening, interpersoonlijke spanningen en de manier waarop plicht en affectie elkaar beïnvloeden.

[Inhoud]

VIII.

Buiten beschijnt de maan het vroolijk tooneel, waar de Javanen zich geschaard hebben om den wajang; binnen verlichten talrijke lampen de ruime galerij, waar de tafel is aangericht.

’t Is een prachtig diner.

Op het fijn damast glinstert zilver en kristal in rijken overvloed; geurige bloemen zijn met kwistige, smaakvolle hand aangebracht; de schatten, die het meer en het woud opleveren, de fijne wijnen en uitgezochte gerechten uit de welvoorziene goedangs, komen achtereenvolgens het verhemelte streelen; het dessert munt uit door ongewone délicatesses.…

Jammer dat de heerlijke toebereiding van den reebout, de geur der ragouts, het croquante van het speenvarken enkele heeren telkens herinnert aan de diners op Soeka-madjoe in den tijd, toen mevrouw Reijkman nog Njai Marie was.

Thans zit ze aan het hoofd van de tafel.

Mooi is Marie nooit geweest, maar tien jaar geleden [192]zag ze er vrij aardig uit met haar tengere vormen en rond gezichtje; nu is ze in omvang toegenomen en, ofschoon nog geen vijf en twintig jaar, begint ze reeds tanig en oudachtig te worden, terwijl de groote fonkelende oogen, die vroeger het donker gelaat eenigen glans gaven, tegenwoordig slechts ter sluiks opgeslagen en de witte tanden zelden gezien worden, even zelden als de vroolijke lach.

Zou ze in sarong en kabaia onbevallig zijn, in europeesche kleederdracht is ze leelijk en, wat erger is dan leelijk, belachelijk.

Het parijsch corset is niet gemaakt voor de welgevormde maar korte taille, de lange sleep van den donkerrooden japon slingert op de zonderlingste wijze heen en weer bij haar sarongstap; de voeten bewegen zich moeilijk in de hooggehakte schoenen; het valsch kapsel, waarin ze met moeite haar lang, dik haar dwong, drukt haar de hersens; de geplooide kraag, die den hals omsluit, schijnt door de wraakgodinnen uitgedacht om de gifmengster te herinneren aan de straf, die haar toekomt. Niettegenstaande dit alles geniet ze, geniet ze onuitsprekelijk. [193]

Immers, het is de eerste gelegenheid waarbij ze optreedt als vrouw des huizes; ’t is voor de eerste maal dat het maalfeest gegeven wordt, sedert zij, nu twee jaar geleden, mevrouw Reijkman werd.

De tijd, waarin ze zich schuil moest houden voor de gasten en hen bedienen van achter het groote scherm, is voor altijd voorbij; de hooggeplaatste bezoekers, die toen veinsden haar niet te zien; hunne dames, die toen het hoofd zouden hebben omgedraaid, als ze haar toevallig ontmoetten; de jongelui die toen haar aanstaarden met onbeschaamde blikken, zij allen moeten nu voor haar buigen, zij allen moeten haar nu erkennen als de wettige vrouw van Henri Reijkman.

Wat deert het haar, dat op het eenmaal zoo vroolijk gelaat van haar echtgenoot de diepste wanhoop te lezen staat, dat er geen glimlach heeft gespeeld om zijn bleeke lippen, sinds dat hartverscheurend oogenblik, toen Edith er voor de laatste maal een kus op drukte; wat deert haar zijn koele terughouding, hij kan zijn huwelijk toch niet ongedaan maken!

Wat deert het haar, dat Onno haar noch de achting [194]betoont, noch de beleefdheid bewijst, die hij als eerste geëmployeerde van Soeka-madjoe, aan de vrouw van zijn principaal verschuldigd is? Hij kan haar plagen zooveel hij wil; niet meer benadeelen nu zij eenmaal mevrouw Reijkman is.

Wat deert het haar ook, dat de resident zijn gastvrouw niet schijnt te zien, dat de suikerlords, hoewel zelf vrij beleefd, vergaten hun vrouwen aan haar voor te stellen, dat enkele dames haar uit de hoogte behandelen, anderen gichelen en fluisteren zoodra ze niet langer in haar nabijheid is—ze kunnen haar toch niet verdringen van haar plaats!

Neen! dat alles deert haar niet!

Maar wat haar wèl deert, wat nu en dan een onheilspellend licht doet opvlammen in haar donker oog, wat haar maanden lang reeds vervolgt als een schrikbeeld, wat haar reeds menigmalen, als ze na een bangen nacht eindelijk insliep, knersetandend deed ontwaken, dat is het blonde kind met de blauwe oogen die eenmaal zoo medelijdend rustten op Henri Reijkman’s bleek gelaat, die nu naar hem zijn opgeheven met den vochtigen blik van een dwepend meisjeshart. [195]

De roode frissche lippen lachen zoo onbezorgd, het blanke voorhoofd is zoo rein, geheel de uitdrukking van het fijnbesneden gelaat zoo edel, geheel de vorm van het ranke lichaam zoo meisjesachtig, zoo kinderlijk nog bijna, dat men een Marie Bastoort zijn moet om iets zondigs te zoeken in de verhouding van Henri Reijkman en Constance van Raatshove. Maar zij meent er dat zondige in te vinden en met gebalde vuisten en kloppend hart slaat ze hen gade, en in haar verhit brein komen gedachten op, die haar doen verbleeken en beven te midden van het feestgewoel.

’t Is middernacht.

De sterren flonkeren met gouden glansen aan het azuur van den effen blauwen hemel, de nachtbloemen openen haar kelken en geuren als wisten ze hoe kort haar bloeitijd zijn zal, de vlinders dwarlen halfbedwelmd rondom. Een frissche koelte daalt van den Ardjoeno en komt de verhitte gezichten aanraken van de honderden mannen en vrouwen, die geschaard liggen rondom den wajang of genieten van de bevallige dansen en het onharmonisch gezang der ronggèngs. [196]

Uit de ruime pendoppo der administrateurswoning klinkt vroolijke muziek en de paren zweven op de maat eener wals, die steeds sneller, steeds wilder wordt.

Het is niet alleen de jeugd, die hier danst: oud en jong doet mede; de resident heeft het bal geopend met de gade van den grondbezitter; te zamen dragen ze een eeuw op de schouders, maar het hart bleef jong en de voet vlug; een weeuwtje wier volwassen zoon in Holland gelukkig geen getuige kan zijn van mama’s aanvechtingen naar de vreugden des levens, draait lustig in de rondte met den geëmployeerde, wien het eerste dons om de kin speelt; een grijze overste heeft een piepjong nonnatje gekozen.…

Er zijn echter ook andere paartjes, jong en onbezorgd, vroolijk en bevallig, aardig om aan te zien. Maar geen schooner onder die allen dan de forsche en toch zoo slanke gestalte van den gastheer, met zijn dame, die er uitziet als een engel in haar wolken van wit, haar guirlandes vergeet-mij-niet, den krans in de goudglansende krullen.

Ze rust in de armen, die haar omvatten, ze geeft zich geheel over aan het genot van den dans, en hij [197]sluit haar vaster aan zijn borst, en staart in het schitterend blauw dier welsprekende oogen en—had hij tot heden toe slechts een zucht in antwoord op de taal dier oogen, nu fluistert hij en droomt—en in zijn droom hoort hij het rammelen niet van den keten, die achter hem aansleept.

Uit den donkersten hoek van de groote pendoppo volgen een paar ernstige oogen het schoone paar; met warme bewondering maar met teedere bezorgdheid ook.

Eindelijk rijst Onno overeind uit zijn verborgen plekje. Hij treed haastig voorwaarts; hij legt zijn hand op Henri’s arm, zoodra deze zijn dame verlaten heeft.

„Henri!” fluistert hij.

„Wat is er?” vraagt deze eenigszins ongeduldig.

„Marie ziet je!”

„Onno! één avond, één halven nacht van geluk maar!” vraagt Reijkman smeekend.

En Onno laat hem los en treedt naar buiten; hij ziet op naar de sterren, die glimlachen en vroolijk knipoogen, want ze zijn te verre af om het lijden der menschen te zien, en peinzensmoê spreekt hij [198]de vraag uit, die zijn ziel beroert, de vraag die in dit uur als in zooveel andere uren zijn warm, trouw vriendenhart vervult: „Is hij dan gedoemd tot het ongeluk, levenslang?.… Kan er dan niets, niets voor zijn verlossing gedaan worden?.…”

Maar de sterren glimlachen en knipoogen steeds voort en antwoorden niet. Wilder klinkt de muziek, luider het gegons der vroolijke stemmen, maar het zijn niet de blijde tonen die hem weer naar binnen drijven: het is het onbestemd voorgevoel van een naderende ramp.

Hij moet weten wat er voorvalt. Henri,—dit heeft hij straks bespeurd aan zijn fonkelend oog, aan zijn koortsig gloeiend gelaat—is zichzelf niet; hij zou in dezen nacht van verrukking en opgewondenheid de grootste onvoorzichtigheid begaan; ook het schoone kind met den krans van vergeet-mij-niet weet niet welk gevaar haar dreigt; maar om Marie’s lippen speelt nu en dan de koude wreede grijnslach, dien hij somtijds heeft gezien in Henri’s ziekenkamer, en hij weet dat er dan gewaakt moet worden.…

Hij volgt de donkerroode japon met zijn strakken [199]blik, waarheen zij zich ook beweegt; hij ziet hoe ze orders geeft aan de bedienden, niet flink en bepaald als gewoonlijk, maar verstrooid, hoe ze het eene glas champagne na het andere leegdrinkt en toch niet vroolijk wordt, hoe ze met de zwarte oogen één wit punt volgt in de balzaal.…

Weldra komt de wreede koude grijnslach niet meer nu en dan om de bleekblauwe lippen spelen, maar blijft en schijnt zich te verspreiden over geheel het strak gelaat, tot zelfs in de oogen.… als Onno dat ziet, grijpt een groote angst hem aan: hij moet zijn waakzaamheid verdubbelen.

Op eens—daar wordt de roode japon niet meer gezien in de balzaal. Ieder is te zeer met zichzelf vervuld om haar te missen, die daar nu langzaam de breede trappen der pendoppo afdaalt en, als had ze behoefte aan een weinig frissche lucht, den bloemtuin achter het huis begint op en neder te wandelen.

Ze loopt zoo bedaard mogelijk en niet zonder nu en dan eens stil te staan om aan een roos te ruiken of haar kleed beter op te nemen; ze kiest de zijde van het huis door haar bewoond; dáár verdwijnt ze [200]een oogenblik in haar kamers en als ze wederom te voorschijn komt, neemt ze het kleed met de linkerhand te zamen; de rechter is niet meer vrij.…

Nu strekt ze haar wandeling wat verder uit; ze neemt den kant van de bijgebouwen; eerst rechts, naar de bediendenkamers; dan links naar de logeervertrekken.…

’t Is hier doodstil; geen sterveling beweegt zich, de logées zijn in de balzaal, de jongens en meiden bij de ronggèngs.

Al de kamers zijn gesloten, ook die waarvoor Marie nu stilhoudt. Maar ze weet, dat het knipje van de jaloezie gebroken is, ze duwt er zachtkens tegen aan, het springt open en, daar het venster niet gesloten werd, kan ze nu over het vrij lange kozijn de kamer binnenklimmen.

De half neergedraaide lamp verspreidt een flauw en schemerachtig licht in het vrij ruim vertrek.

Marie kijkt rondom zich. Een paar kleine slofjes staan voor het bed; op de toilettafel ligt een gebroken waaier, een gouden armband; het witte kleedje met de korenbloemen, dat Constance van Raatshove [201]heeft gedragen dien morgen, hangt aan het schutsel.

De kamer ziet er uit, zooals iedere andere waarin een jong meisje zich voor het bal heeft gekleed, met bloemen en kanten en strikken overal verstrooid. Maar in deze kamer is een bedwelmend zoete geur, in deze kamer prijkt op het midden van de marmeren tafel een heerlijke, witte bloemtros.… Marie weet dat het de schoonste en zeldzaamste is der orchydeën, die Henri met zooveel zorg kweekt.…

Haar fonkelend oog rust langen tijd op die bloem; dan treedt ze snel en vast nader en scheurt haar van den stengel en trapt haar onder den voet. Een oogenblik nog en de rechterhand, tot nu toe zoo vastgeklemd, opent zich;.… een wit, fijn poeder gaat uit die hand over in den met water gevulden gendie3.

Als uilengekras, zoo onheilspellend weerklinkt haar akelig schorre lach door de stilte van den nacht; fluisterend, of ze vreesde voor haar eigen stem, spreekt ze: „Ha, ha! mooie meisjes worden warm van het dansen.… ze krijgen dorst, ze willen slapen, droomen [202]van den knappen mijnheer … ze drinken, drinken!.… Het witte gezicht blauw, de roode wangen blauw.…”

Daar slaakt ze een rauwen gil. Ze heeft opgezien in den grooten spiegel tegenover haar; ze heeft een gloeienden blik ontmoet, gloeiend van haat en wraak, gloeiend van razende woede.

Lang blijft het doodstil in Constance’s slaapvertrek. Als een tijger heeft Onno van achter zijn prooi besprongen en zóó plotseling was de aanval, zóó vast grepen de ijzeren vuisten, zóó krachtig nijpen ze, dat de gifmengster geen geluid kan voortbrengen. Nu … ze worstelt als een bezetene, ze tracht zich los te wringen, hem omver te werpen, ze bijt hem in de handen, ze krabt hem het gelaat tot bloed …

Eindelijk is hij den strijd moede.

Een ijzeren vuistslag komt neder op het hoofd, dat zooveel monsterlijks uitbroedde. Als ze bewusteloos achterover valt op den grond, zet Onno haar de knie op de borst.

Dan grijpt hij den gendie. [203]

En als ze ontwaakt uit haar korte bezwijming, ziet ze vlak boven haar gelaat die vurige oogen vol haat, dien mond schuimend van woede, hoort ze het bevel dat haar doodvonnis is: „Drink!”

Maar neen, ze wil niet drinken! Ze moet leven! Ze rukt zich los, ze kromt zich als een slang, ze kruipt en wentelt zich, ze smeekt om genade; dan tracht ze hem het glas uit de handen te slaan.

Maar eindelijk begrijpt ze dat de kansen niet gelijk staan, hij is even listig en veel sterker dan zij. Ze heft een vreeselijk gegil aan, schor en woest. Ze schreeuwt om hulp, haar antwoorden de tonen van den vroolijken galop, en in haar verbeelding ziet ze Henri daarhenen zweven, stralend van geluk, met het blonde meisje in zijn armen … zooals hij háár nooit, nooit in de armen hield!

„Neen! neen! Ik wil niet sterven! Zij zal hem niet hebben,” gilt ze. „Ik moet leven.”

Maar daar sist het vlak bij haar oor: „Gifmengster! Hij zal haar trouwen … niet gedwongen, maar uit vrijen wil … En hij zal haar lief hebben … En ze zullen gelukkig zijn … En nu, drink!” [204]

Maar ze houdt de tanden vast opeengeklemd, de lippen gesloten; dan woelt ze door de lange, losgemaakte haren, waarin nog de juweelen schitteren.…

Onno buigt zich dieper over haar heen; de tegenstand wordt zwakker, steeds zwakker … hij giet haar het gif in de keel, tot den laatsten droppel toe!

Daar flikkert iets in de schemering. Onno grijpt naar zijn borst.… een vreeselijk stekende pijn!.… ruggelings valt hij achterover.…

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Het is vijf uur in den morgen. De starren verbleeken en grijs en kleurloos breidt de hemel zich uit over den Ardjoeno; de gamelans zwijgen, ook de dansmuziek heeft opgehouden.… men maakt zich gereed tot scheiden.

Nu wordt de gastvrouw gemist.

Eerst zijn de groote galerijen, dan Marie’s vertrekken, dan geheel het huis, eindelijk zelfs de tuin doorzocht.… ten laatste vraagt Reijkman zijn logées in hun kamers te willen zien.… [205]

Wat is het, dat hem drijft om zelf den sleutel te zoeken van die kamer links? Wat is het dat hem er toe brengt door de geopende jaloezie naar binnen te springen, nog vóór de deur ontsloten kon worden?…

De lamp is uitgegaan, maar bij de vale ochtendschemering ziet hij midden in het vertrek, op den grond, een verwarde massa, als in één grooten bloedplas.

Hij stoot de vensters open en.… neen, ’t is geen bloedplas, dat purperkleurige, ’t is de roode japon van Marie. En die akelige, bleekblauwe vlek in het midden met de zwarte slangen die ze omkronkelen, dat is Marie’s gelaat, dat zijn Marie’s lange haren!

De doodsstrijd heeft afschuwelijke sporen achtergelaten op het door woede en wanhoop verwrongen gezicht.… Maar dicht naast het hare ligt een ander, bleek en strak.

Henri Reijkman knielt zachtjes neêr bij den getrouwe; hij legt het moede hoofd aan zijn borst, hij drukt een langen kus op de bleeke lippen, hij roept luide den naam van zijn vriend.

„Henri?! O, dat is goed!” fluistert een zwakke stem. [206]

„Onno, wat is er gebeurd?” vraagt Reijkman in de vreeselijkste spanning.

„Ze heeft niet gedronken?” fluistert de zwakke stem.

„Wie? Marie?”

„Het meisje met de vergeet-mij-nietjes?”

„Onno?… O God! nu begrijp ik het. Zij had haar willen vergiftigen … En o, mijn trouwe vriend, je hebt gewaakt over Constance?”

„Heb ik goedgemaakt, wat ik misdeed, Henri?”

„Ja, ja! duizendmalen! Maar Onno, wat deert je? Wat heeft ze je misdaan? Antwoord! Antwoord!”

Onno wijst op den langen, scherpen haarnaald, waaraan een diamant fonkelt.

„Die heeft ze me door het hart gestoken.”

„God! Laat me hulp roepen.… Onno, je moogt niet sterven!”

„Neen, neen! Blijf zoo zitten.… Laat mijn hoofd zoo liggen.… En zeg het nog eens en nog eens, dat ik alles heb goedgemaakt.… dat je nu gelukkig zult worden.… Zeg het, Henri!.…”

En terwijl Henri al zijn smart uitspreekt in één lange stomme omhelzing, terwijl heete tranen neerstroomen [207]op het bleeke voorhoofd, terwijl hij woorden stamelt van eeuwige dankbaarheid en het uitroept dat de trouwe vriend nimmermeer zal vergeten worden in zijn huis, komt in den dood het donker gelaat een glimlach verhelderen, zoo liefelijk en zacht, zoo zalig en tevreden, als nooit te voren.

[208]