Achtste Hoofdstuk.
Het luid trompetgeschal heeft strijders uitgedaagd,
Beantwoord weêr door hen, dien d’ eedle kamp behaagt.
De daverende klank vervult de lucht en dreven;
En ’t ros gespoord, ’t vizier gesloten, rukken ze aan
Van d’ open slagboom naar het midden van de baan,
Met uitgestrekte lans, of helmwaarts opgeheven.
Palamon en Arcite.
Midden in zijn rit hield Prins Jan op eens stil en, den Prior van Jorvaulx roepende, verklaarde hij, de voornaamste zaak van den dag verzuimd te hebben.
“Zoo waar ik leef, Prior!” zeide hij, “wij hebben vergeten de Koningin der Liefde en Schoonheid te benoemen, door wier blanke hand de prijs der overwinning moet uitgedeeld worden. Wat mij betreft, ik ben niet bekrompen in mijne wijze van denken, en maak geene zwarigheid mijn stem aan de zwart-oogige Rebekka te geven.”
“Heilige Maagd!” antwoordde de Prior, de oogen met afschrik afkeerende, “eene Jodin!—Wij verdienden uit het strijdperk gesteenigd te worden, en ik ben nog niet oud genoeg, om een martelaar te worden. Buitendien zweer ik bij mijn beschermheilige, dat zij in schoonheid voor de beminnelijke Saksische Jonkvrouw Rowena verre moet onderdoen.”
“Sakser of Jood, hond of zwijn,” hervatte de Prins, “wat verschil is daar tusschen? Ik herhaal het, ik benoem Rebekka, al ware het ook alleen, om die Saksische lummels te ergeren!”
Er verhief zich een gemor, zelfs onder diegenen, die hem onmiddellijk omringden.
“Dit heet de scherts te ver drijven, Heer!” zeide De Bracy. “Geen ridder zal hier een lans breken, als men de vergadering zulk een schimp aandoet.”
“Het zou eene moedwillige beleediging zijn,” zeide Waldemar Fitzurse, een der oudsten uit het gevolg van Prins Jan, “en zoo uwe Hoogheid daarbij volhardt, kan het niet anders dan schadelijk voor uwe ontwerpen zijn.”
“Mijnheer, ik hield u voor mijn volgeling en niet voor mijn raadsman,” zei Jan, trotsch zijn paard doende stil staan.
“Zij, die uw Hoogheid op de paden volgen, welke zij bewandelt,” zeide Waldemar op zachten toon, “verkrijgen het recht van raadslieden; want uw belang en uw veiligheid zijn er niet meer mede gemoeid, dan de hunne!”
Uit den toon, waarop dit gezegd werd, zag Jan de noodzakelijkheid in van te moeten toegeven. “Ik schertste slechts,” hernam hij, “en gij valt op mij aan, als even zoovele adders. Noemt wie gij wilt, in ’s duivels naam, en volgt uw eigen zin.”
“Neen, neen,” zei de Bracy, “laat den troon der Koningin onbezet, totdat de overwinnaar zal benoemd worden, en laat hem dan de dame kiezen, welke dien zal beklimmen. Dit zal aan zijn zegepraal eene dubbele waarde geven, en de schoone vrouwen leeren, de liefde der dappere ridders op prijs te stellen, die haar tot zulk eene eereplaats verheffen kunnen.”
“Als Brian de Bois-Guilbert den prijs wint,” zei de Prior, “dan wil ik mijn rozekrans verwedden, dat ik de Koningin van Liefde en Schoonheid noemen kan.”
“De Bois-Guilbert,” antwoordde De Bracy, “is een dapper ridder; maar er zijn anderen in dit strijdperk, Heer Prior, die niet vreezen, de kans tegen hem te wagen.”
“Stil, Heeren,” zeide Waldemar, “en laat den Prins zijne plaats innemen. De ridders en toeschouwers zijn even ongeduldig; het is hoog tijd, dat het spel een aanvang neme.”
Ofschoon Prins Jan nog geen koning was, zoo had hij toch van Waldemar Fitzurse al den last van een eersten minister, die zijn vorst altijd op zijne eigene wijze dienen moet. De Prins gaf ook nu toe, schoon hij van karakter eigenzinnig was in kleinigheden; en, nadat hij zijn troon had ingenomen en zijn gevolg zich om hem geschaard had, gaf hij een teeken aan de herauten om de toernooiwetten te verkondigen, die in ’t kort van den volgenden inhoud waren:
Vooreerst: de vijf uitdagers namen het tegen allen op, die zich aanboden.
Ten tweede: ieder ridder, die begeerde te strijden, kon, als hij wilde, eene bijzondere tegenpartij onder de uitdagers uitkiezen, door zijn schild met de lans aan te raken. Indien hij zulks met de omgekeerde lans deed, dan moest het gevecht plaats hebben met de wapenen van courtoisie, dat is, met lansen, aan welker einde een rond stuk hout bevestigd was, zoodat er geen gevaar bij was, behalve door den schok der paarden en ruiters. Maar zoo het schild aangeraakt werd met de scherpe punt der lans, dan moest het gevecht à outrance plaats hebben, dat is, de ridders moesten met scherpe wapenen strijden, evenals in een wezenlijk gevecht.
Ten derde: wanneer de tegenwoordig zijnde ridders hunne gelofte volbracht hadden, om ieder vijf lansen te breken, zou de Prins den overwinnaar op den eersten toernooidag benoemen, die tot prijs een strijdpaard van uitgezochte schoonheid en weergalooze sterkte zou hebben; en tot bijgift bij deze belooning van zijn dapperheid, zou hij nog de bijzondere eer genieten, de Koningin der Liefde en Schoonheid te benoemen, die den volgenden dag den prijs zou uitdeelen.
Ten vierde: werd er bekend gemaakt, dat er op den tweeden dag een algemeen toernooi zou plaats hebben, waaraan alle tegenwoordig zijnde ridders, welke begeerig mochten zijn een prijs te winnen, deel konden nemen. Zij zouden in twee gelijke partijen verdeeld worden en manhaftig strijden, totdat Prins Jan een teeken zou geven, om het gevecht te eindigen. De verkozen Koningin der Liefde en Schoonheid zou dan den ridder, welken de Prins zou aanwijzen, als zich op dezen tweeden dag het dapperste te hebben gedragen, beloonen met een kroon van dunne goudplaten, in den vorm van een lauwerkrans. Op dezen tweeden dag eindigden de ridderspelen; maar den daarop volgenden, zouden er schijfschieten, stierengevechten en andere volksvermaken voor de onmiddellijke deelneming van het gemeen plaats hebben. Op deze wijze poogde Prins Jan den grond te leggen tot een volksgunst, welke hij altijd weder verspeelde door eenigen onbezonnen aanval op de gevoelens en vooroordeelen van de menigte.
Het strijdperk vertoonde nu een allerprachtigst schouwspel. De zich langzaam verheffende galerijen waren opgevuld met al wat edel, groot, rijk en schoon was in het noorden en midden van Engeland; en het contrast van de verschillende kleedingen der aanzienlijke toeschouwers maakte het tooneel even bont als rijk: terwijl de binnenste en lagere ruimte, met de gegoede burgers en landlieden van het gelukkige Engeland gevuld, in hunne eenvoudige kleederdracht, een donkeren rand rondom dat prachtige borduursel vormden, terwijl zij de pracht daarvan te gelijk afwisselden en verhoogden.
De herauten eindigden hun afkondiging met hun gewoon geroep van: “Largesse, largesse, dappere ridders!” en goud- en zilverstukken werden hun van de galerijen toegeworpen, daar het een voornaam punt der ridderschap was, milddadigheid te toonen jegens hen, welke men toen tegelijk voor de verkondigers en geschiedschrijvers der eer hield. De mildheid der toeschouwers werd erkend door het gewoon geschreeuw van: “Liefde der dames!—Dood van de strijders!—Eer voor de edelmoedigen!—Roem voor de dapperen!” waarbij de groote menigte haar gejuich, en een talrijke hoop trompetters het geschal van hun instrumenten voegden. Toen dit gedruisch gedaan was, verwijderden de herauten zich in bonten en schitterenden optocht uit het strijdperk, waarin geen mensch bleef dan de beide maarschalken, die, van top tot teen gewapend, en onbeweeglijk als standbeelden, aan de tegenovergestelde einden van het strijdperk te paard zaten. Intusschen was de geheele afgesloten ruimte aan het noordereinde van het strijdperk, hoe groot die ook was, met ridders opgevuld, die hun geluk tegen de uitdagers wenschten te beproeven, en van de galerijen gezien, hadden zij het voorkomen van een zee van golvende vederbossen, vermengd met glinsterende helmen en lange lansen, aan welker punt veelal vlagjes omtrent een span breed waren vastgebonden, welke, in den wind fladderende, zich met de rustelooze beweging der pluimen vereenigden, om levendigheid aan het tooneel bij te zetten.
Eindelijk gingen de slagboomen open, en vijf ridders door het lot gekozen, reden langzaam in het strijdperk, één kampvechter aan het hoofd en de vier anderen paarsgewijze volgende. Allen waren prachtig gewapend, en mijn Saksische oorkonde (het Wardour handschrift), beschrijft lang en breed hunne deviezen, hunne kleuren en het borduursel van hunne paardendekens. Het is onnoodig hieromtrent in bijzonderheden te treden; want om de regels van een nog levenden dichter te gebruiken, die maar al te weinig geschreven heeft:
De Ridders worden stof, hun zwaard den roest ten roof;
Doch zalig is hun’ ziel, naar de uitspraak van ’t geloof.1
Hun wapenschilden zijn sedert lang vermolmd van de muren hunner kasteelen gevallen; de kasteelen zelve zijn niets meer, dan groene heuvels en verspreide puinhoopen;—de plaats, waar zij eens stonden, is zelfs niet meer bekend;—menig geslacht is reeds uitgestorven en vergeten in het land zelf, dat zij bewoonden, evenals het gezag der leenheeren en edelen. Waartoe zou het dus dienen, hun namen te vermelden; of de vergankelijke teekens op hun wapenschilden!
Maar nu,—zonder aan de vergetelheid te denken, die hun namen en daden te wachten stond,—reden de kampvechters in het strijdperk, hunne vurige paarden terughoudende, en dwingende om langzaam voort te stappen, ten einde tegelijk hunne vlugheid en de behendigheid hunner ruiters te kunnen toonen. Toen zij in optocht het strijdperk binnen reden, deed zich eene Oostersche muziek van achter de tenten der uitdagers hooren, waar de uitvoerders verborgen waren. Deze was wezenlijk van Oosterschen oorsprong, daar zij uit het Heilige Land was medegebracht; en het vereenigde geluid der cymbalen en der klokjes scheen de aankomende ridders tegelijk te verwelkomen en uit te dagen.
Onder de oogen van eene ontelbare menigte toeschouwers reden de vijf ridders naar de hoogte, op welke de tenten der uitdagers stonden, en zich daar verspreidende, raakte ieder zachtjes, met omgekeerde lans, het schild van de tegenpartij aan, tegen welke hij zijn geluk wilde beproeven. De toeschouwers der mindere klasse, zelfs velen van de hoogere, en naar men zegt ook verscheidene der dames waren ontevreden, dat de strijders de wapenen van courtoisie kozen. Want dezelfde soort van menschen, welke heden ten dage de ijselijkste treurspelen het meest toejuichen, stelden in dien tijd te meer belang in een toernooi, naarmate de kampvechters gevaar liepen.
De ridders, hun vreedzaam voornemen hebbende te kennen gegeven, trokken zich naar het uiterste einde van het strijdperk terug, waar zij op eene rij bleven staan, terwijl de uitdagers, uit hun onderscheidene tenten te voorschijn snellende, hun paarden bestegen, en aangevoerd door Brian de Bois-Guilbert van de hoogte afdaalden, en ieder zich tegenover den ridder plaatste, die zijn schild had aangeraakt.
Onder hoorn- en trompetgeschal renden zij in vollen galop op elkander aan, en zoo groot was de meerdere behendigheid of het meerdere geluk der uitdagers, dat de tegenstanders van Bois-Guilbert, Malvoisin en Front-de-Boeuf op den grond rolden. De tegenpartij van Grantmesnil, in plaats van de punt zijner lans recht tegen den helm of het schild van zijn vijand aan te houden, week zoo ver van de rechte lijn af, dat hij zijn lans dwars over het lijf van den aankomenden ridder brak—een omstandigheid, die voor schandelijker gehouden werd, dan geheel van het paard geworpen te worden; dewijl het ééne door een toeval kon geschieden, en het andere lompheid en onbehendigheid in het gebruik van wapens en paard aanduidde. De vijfde ridder alleen hield de eer zijner partij staande, en vocht met gelijken uitslag tegen den Johanniter Ridder, daar beide hunne lansen braken zonder eenig voordeel te behalen.
Het geschreeuw der menigte kondigde, tegelijk met de toejuichingen der herauten en het trompetgeschal, de zegepraal der overwinnaars en de nederlaag der overwonnenen aan. De eersten begaven zich naar hun tenten terug, en de laatsten, zoo goed zij konden, opstaande, verlieten beschaamd en verlegen het strijdperk, om met de overwinnaars omtrent het losgeld van hunne wapens en paarden overeen te komen, die volgens de toernooiwetten verbeurd waren. De vijfde ridder bleef alleen lang genoeg in het strijdperk om de toejuichingen der aanwezigen te ontvangen, waaronder hij zich verwijderde, zonder twijfel tot verhooging van de smart zijner metgezellen.
Een tweede en derde schaar ridders verschenen in het strijdperk, en, ofschoon zij met verschillenden uitslag vochten, bleef echter over het geheel het voordeel onvoorwaardelijk op de zijde der uitdagers, waarvan niet één uit den zadel gelicht werd of misgestooten had,—ongelukken, die aan een of twee hunner tegenpartij bij iederen strijd overkwamen. Ook scheen de moed hunner bestrijders door hun gedurig geluk merkelijk verflauwd te zijn. Bij den vierden kamp daagden er slechts drie ridders op, welke, de schilden van Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf vermijdende, zich vergenoegden met die der andere drie ridders aan te raken, die niet zooveel kracht en behendigheid hadden doen blijken. Deze voorzichtige keus veranderde echter het geluk van den strijd niet; de uitdagers overwonnen opnieuw;—één van hunne tegenpartij werd uit den zadel gelicht, en de beide overigen misten den aanval; dat is, zij troffen den helm en het schild van hun tegenpartij niet zoo geweldig met de recht uitgestrekte lans, dat het wapen breken moest, als de aangevallene niet voor den schok bezweek.
Na dezen vierden kampstrijd had er eene lange pauze plaats, en het scheen, dat niemand meer verlangde het gevecht te vernieuwen. De toeschouwers morden onder elkander: want onder de uitdagers waren Malvoisin en Front-de-Boeuf niet bij het volk bemind, en de anderen evenmin, omdat zij allen, behalve Grantmesnil, vreemdelingen en buitenlanders waren.
Maar niemand gevoelde grooter misnoegen, dan Cedric de Sakser, die in ieder voordeel, dat door de Normandische uitdagers behaald werd, een nieuwe zegepraal op de eer van Engeland zag. Zijne eigene opvoeding had hem niet in de ridderspelen bedreven gemaakt, ofschoon hij zich met de wapens van zijne Saksische voorouders bij menige gelegenheid als een dapperen en moedigen strijder betoond had. Hij zag verlangend naar Athelstane, die alle kunsten van dien tijd geleerd had, alsof hij wenschte, dat hij een persoonlijke poging zou doen, om den Tempelier en zijn metgezellen de overwinning weder te ontweldigen, die zij op het punt waren te behalen. Maar, schoon Athelstane moedig en sterk was, had hij echter een te traag en te weinig eerzuchtig karakter, om de proef te doen, welke Cedric van hem verwachtte.
“Het geluk is tegen Engeland, Milord,” zeide Cedric met nadruk; “wilt gij ook niet een lans breken?”
“Ik zal mij morgen in de mêlée mengen!” antwoordde Athelstane. “Het is niet de moeite waard, mij heden te wapenen.”
Twee dingen mishaagden Cedric in dit antwoord. Vooreerst, het bevatte het Normandische woord mêlée (om het algemeene gevecht aan te duiden), en ten tweede, toonde het eenige onverschilligheid voor de eer van zijn vaderland; maar het was Athelstane, die het uitgesproken had, en hij koesterde zulk een grooten eerbied voor hem, dat hij het niet zou gewaagd hebben, zijne beweegredenen of zwakheden te berispen. Daarenboven had hij geen tijd om eenige aanmerking te maken, want Wamba viel hem in de rede met de aanmerking: “Het is beter, hoewel niet gemakkelijker, de eerste van honderd dan van twee te zijn.”
Athelstane nam dit voor een ernstig compliment op; maar Cedric, die de bedoeling van den nar beter begreep, wierp hem een strengen en dreigenden blik toe; en het was misschien gelukkig voor hem, dat tijd en plaats beletten, dat hij, in weerwil van zijn ambt, nog gevoeliger bewijzen van het ongenoegen zijns meesters ontving.
De stilte in het toernooi was nog onafgebroken, behalve door de stemmen der herauten, die uitriepen: “Liefde tot de dames! Breekt een lans! Daagt op, dappere ridders! Schoone oogen aanschouwen uw daden!”
De schelle muziek der uitdagers liet zich van tijd tot tijd in wilde tonen hooren, zegepraal en uitdaging verkondigende, terwijl de landlieden over een feestdag morden, die in werkeloosheid scheen te zullen voorbijgaan. De oude ridders en edelen fluisterden elkander hun klachten toe over het verval van den krijgshaftigen geest, spraken van de zegepralen in hunne jonge dagen behaald, en kwamen overeen, dat het land thans geene vrouwen van zoo uitstekende schoonheid opleverde, als die, welke de feesten van vorige tijden opgesierd hadden. Prins Jan begon met zijn gevolg te spreken over den maaltijd, en over de noodzakelijkheid om aan Brian de Bois-Guilbert den prijs toe te kennen, daar hij met ééne enkele lans twee ridders uit den zadel had gelicht, en den aanval van een derde had verijdeld.
Eindelijk, toen de Saraceensche muziek van de uitdagers eene van die lange en forsche fanfaren geëindigd had, met welke zij de stilte in het strijdperk afwisselde, werd die beantwoord door een enkele trompet, welke aan het noordelijke eind eene uitdaging verkondigde. Aller oogen waren naar dien kant gericht, om den nieuwen kampvechter te zien, die zich nu aanmeldde, en nauwelijks waren de slagboomen geopend, of hij reed in het strijdperk. Voor zoover men uit zijne wapenrusting beoordeelen kon, scheen de nieuw aangekomene van middelmatige grootte, en eer rank dan sterk van gestalte te zijn. Zijne wapenrusting was van staal, rijk met goud ingelegd, en het devies op zijn schild was een jonge eik met den wortel uit den grond gerukt, met het Spaansche woord “Desdichado”, dat is, “Onterfd.”
Hij zat op een schoon zwart strijdros, en terwijl hij door het strijdperk reed, groette hij den Prins en de dames beleefd met zijn lans. De behendigheid, met welke hij zijn paard regeerde, en een zekere jeugdige bevalligheid van houding verwierven hem de gunst der menigte, welke eenigen uit de mindere klasse luidkeels uitten door het geschreeuw van: “Raak het schild aan van Ralph de Vipont;—raak het schild van den Hospitaal Ridder aan; hij zit het minste vast; hij is de gemakkelijkste partij!”
De kampvechter, voortrijdende onder deze welgemeende wenken, bereikte de hoogte door de schuins oploopende laan, welke van het strijdperk daarheen leidde, en tot verwondering van alle aanschouwers recht op de middelste tent aanrijdende, sloeg hij met de scherpe punt van zijn lans tegen het schild van Brian de Bois-Guilbert, dat het weergalmde. Allen stonden verbaasd over deze stoutheid, maar niemand meer dan de geduchte strijder, dien hij dus op leven en dood had uitgedaagd.
“Hebt gij gebiecht, broeder,” zei de Tempelier, “en hebt gij heden morgen de mis gehoord, daar gij uw leven zoo roekeloos waagt?”
“Ik ben beter voorbereid den dood onder de oogen te zien dan gij,” antwoordde de Onterfde Ridder, want onder dezen naam had zich de vreemde in het toernooiboek laten inschrijven.
“Neem dan plaats in het strijdperk,” zei de Bois-Guilbert, “en aanschouw de zon nog eens voor het laatst; want heden nacht zult gij in het Paradijs slapen.”
“Grooten dank voor uw beleefdheid,” hervatte de Onterfde Ridder, “en om die te vergelden, raad ik u een versch paard en een nieuwe lans te nemen; want, bij mijn eer, gij zult beiden noodig hebben!”
Na dit bewijs van zelfvertrouwen te hebben gegeven, dreef hij zijn paard de helling, die hij bestegen had, af, en dwong het op deze wijze achterwaarts door het strijdperk te gaan tot aan het noordelijke einde, waar hij stil bleef staan, om zijn vijand af te wachten. Dit bewijs van zijn rijkunst verwierf hem weder de toejuiching der menigte.
Hoe verstoord ook Brian de Bois-Guilbert op zijn vijand was wegens de maatregelen van voorzichtigheid, die deze hem aanbevolen had, sloeg hij echter zijn raad niet in den wind; want zijn eer was er te nauw in betrokken, om toe te laten, dat hij eenig middel zou verzuimen, zich de overwinning op zijn vermetele tegenpartij te verschaffen. Hij verwisselde zijn paard tegen een ander van groote kracht, en vol vuur. Hij koos een nieuwe, sterke lans, uit vrees dat het hout van de vorige in de reeds geleverde gevechten mocht verzwakt zijn. Eindelijk legde hij ook zijn schild ter zijde, dat eenigszins was beschadigd, en nam een ander van zijne schildknapen. Het eerste schild droeg slechts het algemeene devies van de orde waartoe hij behoorde, namelijk twee ruiters op één paard, om de oorspronkelijke nederigheid en armoede der Tempeliers uit te drukken; hoedanigheden, die zij later tegen verwaandheid en rijkdom verwisselden, welke eindelijk hun ondergang te weeg brachten. Het nieuwe schild van Bois-Guilbert vertoonde een vliegende raaf, in de klauwen een doodshoofd houdende, met het motto “Gare le corbeau!”
Toen de twee kampvechters aan de beide einden van het strijdperk tegenover elkander stonden, was de algemeene verwachting ten toppunt gestegen. Weinigen geloofden aan de mogelijkheid, dat de strijd ten gunste van den Onterfde kon uitvallen, evenwel hadden zijn moed en beleid hem de belangstelling van de aanschouwers verworven.
De trompetten hadden nauwelijks het teeken gegeven, of de kampvechters vlogen, snel als de wind, van hunne plaatsen, en stieten in het midden van het strijdperk met het geweld van den donderslag, tegen elkander. De lansen vlogen aan splinters tot aan de greep, en het scheen op dat oogenblik, alsof de beide ridders gevallen waren, want de schok had beide paarden achteruit doen tuimelen. De behendigheid der ruiters bracht hen door toom en sporen weder te recht, en na elkander een oogenblik beschouwd te hebben, met oogen, welke door de openingen van het vizier vonkelden, maakte ieder een demi-volte met zijn paard en reed naar het einde van het strijdperk, waar zij nieuwe lansen van hunne schildknapen ontvingen.
Een luid vreugdegeschreeuw, het waaien met sjerpen en doeken, en algemeene toejuichingen toonden de belangstelling der aanwezigen in den meest gelijken en verbitterden strijd van dien dag. Maar nauwelijks hadden de ridders hunne standplaats weder ingenomen, of het gejuich veranderde in een zoo diepe en doodelijke stilte, dat de menigte nauwelijks scheen adem te halen.
Eenige minuten rust werden er verleend, opdat de strijders en hun paarden een weinig mochten uitrusten, waarop Prins Jan met zijn staf een teeken aan de trompetters gaf, om den aanval te blazen. De kampvechters vlogen nog eens van hunne standplaats, en stieten in het midden van het strijdperk tegen elkander, met dezelfde snelheid, dezelfde behendigheid en hetzelfde geweld; maar niet met hetzelfde gevolg als te voren.
Strijd tusschen Brian de Bois-Guilbert en den Onterfden Ridder.
Bij dezen tweeden aanval mikte de Tempelier op het middelpunt van het schild van zijn tegenpartij, en raakte het zoo vast en sterk, dat zijn lans in splinters vloog, en de Onterfde Ridder in den zadel wankelde. Van den anderen kant, had deze kampvechter in het begin de punt van zijn lans op Bois-Guilbert’s schild gericht; maar zijn mikpunt bijna op het oogenblik, dat hij hem bereikte, veranderende, richtte hij dit op den helm, iets dat veel moeielijker te treffen was, maar waarop de schok veel onwederstaanbaarder werd. Hij trof den Normandiër juist midden op het vizier en de punt van zijn lans bleef er vast in zitten. Zelfs in dit groot gevaar handhaafde de Tempelier zijn roem nog: en ware niet de singel van zijn zadel gebroken, zoo had hij zich waarschijnlijk staande gehouden; door dit toeval echter rolden zadel, paard en man onder een wolk van stof ter aarde.
Zich van de stijgbeugels en het gevallen paard los te maken, was voor den Tempelier nauwelijks het werk van één oogenblik; en woedend gemaakt door zijn ongeluk en door de toejuichingen der aanwezigen, trok hij zijn zwaard, en zwaaide het, om den overwinnaar uit te dagen.
De Onterfde Ridder sprong van het paard, en ontblootte insgelijks zijn zwaard. De maarschalken echter, kwamen met hunne paarden tusschen beiden, en herinnerden hen, dat de toernooiwetten, bij de tegenwoordige gelegenheid, deze soort van strijd niet veroorloofden.
“Wij zullen elkander wel weder ontmoeten, denk ik,” zei de Tempelier, een vreeselijken blik op zijn vijand werpende, “en wel op eene plaats waar ons niemand scheiden kan!”
“Het zal mijn schuld niet zijn, als het niet geschiedt!” antwoordde de Onterfde Ridder. “Te voet of te paard, met lans, bijl of zwaard, ben ik altijd gereed tegen u te strijden!”
Zij zouden nog meer en heviger woorden gewisseld hebben, zoo de maarschalken hen niet gedwongen hadden te scheiden, door hun lansen tusschen beiden te kruisen. De Onterfde Ridder keerde naar zijne eerste standplaats terug, en Bois-Guilbert naar zijne tent, waar hij het overige van den dag in wanhopige woede doorbracht.
Zonder van het paard te stijgen, vroeg de overwinnaar om een beker wijn, en het onderste gedeelte van zijn vizier openende, riep hij: “Ik drink op het welzijn van alle oprechte Britsche harten, en op den ondergang van alle vreemde dwingelanden!”
Daarop beval hij zijn trompetter, eene uitdaging aan de kampvechters te blazen, en liet hun door een heraut aanzeggen, dat hij geen keus wilde doen, maar dat hij tegen hen strijden zou, in welke orde zij zelven zouden verkiezen.
De reusachtige Front-de-Boeuf, in eene zwarte wapenrusting gedost, was de eerste, die in het strijdperk verscheen. Hij droeg op een wit schild een zwarten stierenkop, half uitgewischt in de talrijke gevechten, die hij geleverd had, en het verwaande motto: “Cave, adsum!” (Wacht u, ik ben er). Op dezen kampvechter behaalde de Onterfde Ridder eene geringe maar beslissende overwinning. Beide strijders braken hunne lansen behoorlijk, maar Front-de-Boeuf, die een stijgbeugel in den schok verloren had, werd voor overwonnen verklaard.
In den derden strijd was de vreemdeling even gelukkig tegen Philip de Malvoisin; daar hij dezen ridder zoo geweldig op den helm trof, dat de banden er van braken; en Malvoisin, die slechts door het afvallen van den helm zelf gered werd, bekende zich, evenals zijn metgezellen, overwonnen.
In den vierden strijd, met de Grantmesnil, toonde de Onterfde Ridder even veel hoffelijkheid, als hij tot hiertoe moed en vlugheid had doen blijken. Het paard van de Grantmesnil, dat jong en vurig was, geraakte onder het loopen aan het hollen, zoodat de ruiter zijn doel miste, en de vreemdeling, geen gebruik willende maken van het voordeel, dat dit toeval hem aan de hand gaf, hield zijn lans in de hoogte, en voorbij zijn tegenpartij rijdende, zonder hem aan te raken, wendde hij zijn paard, en reed naar zijn plaats terug. Hij liet door den heraut zijn vijand de kans van een tweede gevecht aanbieden. Maar dit wees de Grantmesnil van de hand, en bekende zich overwonnen, zoowel door de beleefdheid, als door de behendigheid van zijne tegenpartij.
Ralph de Vipont maakte de lijst der zegepralen van den vreemdeling voltallig; hij werd met zooveel geweld tegen den grond gesmeten, dat het bloed hem uit neus en mond sprong, en hij bewusteloos uit het strijdperk gedragen werd.
Het vreugdegeschreeuw van duizenden juichte de eenstemmige verklaring van den Prins en de maarschalken toe, die de eer van den dag aan den Onterfden Ridder toekenden.
1 Deze regels zijn uit een nog onuitgegeven gedicht van Coleridge, wiens Muze ons zoo dikwerf plaagt met fragmenten, welke haar groote gaven verkondigen, terwijl de wijze waarop zij ze ons toewerpt van haar grillen getuigt. Evenwel vertoonen deze ruwe schetsen meer talent, dan de uitvoerigste meesterstukken van vele anderen.—Schrijver.
Negende Hoofdstuk.
—In ’t midden stond een vrouw.
Men kon aan ’t schoon gelaat en d’ eedler wezenstrekken
Weldra in haar de koningin ontdekken.
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
Gelijk haar schoonheid aller glans verdooft,
Zoo was haar tooisel ook meer uitgelezen;
Haar sierde een diadeem van goud het hoofd,
Eenvoudig, rijk, maar zonder pronk te wezen;
Zij droeg een Agnus-Castus tak daarbij,
En hield omhoog het beeld der heerschappij.
De bloem en het blad.
William de Wyvil en Steven de Martival, de maarschalken, brachten het eerst den overwinnaar hunne gelukwenschen, en verzochten hem tevens zijn helm te laten losmaken, of ten minste zijn vizier te openen, voordat zij hem naar Prins Jan geleidden, om uit diens handen den prijs voor dezen dag van het toernooi te ontvangen.
De Onterfde Ridder weigerde aan hun verzoek te voldoen, terwijl hij met ridderlijke beleefdheid te kennen gaf, dat hij voor het oogenblik zijn gezicht niet kon laten zien, om redenen, die hij aan de herauten, bij zijn verschijning in het strijdperk, opgegeven had. De maarschalken waren volkomen tevreden met dit antwoord; want onder de grillige geloften, waardoor de ridders in die tijden gewoon waren zich te verbinden, was er geen meer algemeen dan die, om onbekend te blijven gedurende een zekeren tijd, of tot het einde van het een of ander avontuur. De maarschalken drongen dus niet verder in het geheim van den Onterfden Ridder; maar aan Prins Jan het verlangen van den overwinnaar, om onbekend te blijven, mededeelende, verzochten zij verlof, hem voor zijn Hoogheid te mogen brengen, ten einde de belooning zijner dapperheid te ontvangen.
De nieuwsgierigheid van den prins werd door de geheimzinnigheid van den vreemdeling opgewekt; en reeds ontevreden over den uitslag van het toernooi, waarin de door hem begunstigde uitdagers achtereenvolgens door één ridder waren overwonnen, antwoordde hij de maarschalken op trotschen toon: “Bij het licht der oogen van de Heilige Maagd, deze ridder is onterfd zoo wel van beleefdheid, als van zijne bezittingen, daar hij voor ons begeert te verschijnen, zonder zijn gelaat te ontblooten.—Weet gij misschien ook, mijne heeren,” zeide hij, zich naar zijn gevolg keerende, “wie die jongeling is, die zich zoo trotsch gedraagt?”
“Ik kan het niet gissen;” antwoordde De Bracy, “en ik had ook niet gedacht, dat er tusschen de vier zeeën, welke Brittanje omringen, één kampvechter te vinden zou zijn, die deze vijf ridders op één dag overwinnen kon. Op mijn eer, ik zal nooit het geweld vergeten, waarmede hij tegen De Vipont stiet. De arme ridder werd uit den zadel geworpen, als een steen uit een slinger!”
“Beroem u daar niet op,” zeide een Johanniter, die tegenwoordig was; “uw Tempelier ging het niet beter. Ik zag Bois-Guilbert drie maal over het hoofd tuimelen, en ieder keer de handen vol zand krijgen.”
De Bracy, die den Tempeliers toegedaan was, wilde antwoorden; maar Prins Jan belette hem door uit te roepen: “Stilte, heeren! waartoe deze nuttelooze twist?”
“De overwinnaar,” zei de Wyvil, “wacht nog op de bevelen van uwe Hoogheid.”
“Wij veroorloven hem te wachten,” hernam de Prins, “totdat wij vernemen, of er niemand is, die ten minste zijn naam en stand kan gissen. Al moest hij ook tot den avond wachten, het schaadt hem niet: hij heeft werk genoeg gehad, om zich warm te houden.”
“Uw Hoogheid,” zeide Waldemar Fitzurse, “doet den overwinnaar minder dan de verschuldigde eer aan, als gij hem dwingt te wachten, tot wij uw Hoogheid zeggen, wat wij niet weten.—Ik ten minste kan het niet raden,—of het moest een van de dappere strijders zijn, welke koning Richard vergezelden, en die nu, één voor één, uit het Heilige Land terugkeeren.”
“Het kan de graaf van Salisbury zijn,” zei De Bracy; “hij is omtrent van dezelfde grootte.”
“’t Is eerder Thomas De Multon, de ridder van Gilsland,” hervatte Fitzurse, “Salisbury is een veel zwaarder man.”—Er ontstond een gefluister onder het gevolg, zonder dat men ontdekken kon bij wien het begon: “Het kon de Koning,—het kon Richard Leeuwenhart zelf zijn!”
“God beware!” riep Prins Jan, op hetzelfde oogenblik doodsbleek wordende, en sidderende, alsof hij door den bliksem getroffen werd; “Waldemar! De Bracy!—dappere ridders en heeren, herinnert u uwe beloften, en staat mij getrouw bij!”
“Er is nog geen gevaar!” zei Waldemar Fitzurse. “Kent gij zoo weinig de reusachtige leden van uw vaders zoon, dat gij u verbeeldt, dat ze in gindsche wapenrusting kunnen besloten worden?—De Wyvil en Martival, gij bewijst den Prins den besten dienst, wanneer gij den overwinnaar bij den troon brengt, en een einde maakt aan eene dwaling, die al het bloed van zijne wangen gejaagd heeft.—Beschouw hem oplettender,” ging hij voort, “uwe Hoogheid zal zien, dat hij drie duim kleiner is, dan koning Richard, en zes duim smaller over de schouders. Het paard, dat hij berijdt, zou koning Richard niet in één enkelen strijd hebben kunnen dragen.”
Terwijl hij nog sprak, leidden de maarschalken den Onterfden Ridder naar den voet van een houten trap, welke van het strijdperk naar den troon van Prins Jan liep. Nog onthutst door de gedachte, dat zijn broeder, wien hij zoo veel verplicht was, en dien hij zoo zwaar beleedigd had, plotseling in zijn koninkrijk was teruggekeerd, verbande zelfs het in het oog vallende onderscheid, dat Fitzurse aangewezen had, de vrees des Prinsen niet geheel; en terwijl hij, met een korte en verlegene lofspraak op zijne dapperheid, beval, hem het strijdpaard, dat als prijs was uitgeloofd, over te geven, sidderde hij van angst, dat misschien van achter het gesloten vizier een antwoord mocht komen, in de zware, vreeselijke stem van Richard Leeuwenhart. Maar de Onterfde Ridder antwoordde op het compliment van den Prins alleen met eene diepe buiging.
Het paard werd door twee rijkgekleede stalknechts in het strijdperk geleid; het dier zelf was met het kostbaarste tuig uitgerust, dat echter nauwelijks zijne waarde in de oogen der kenners verhoogde. Eén hand op den zadelknop leggende, sprong de Onterfde Ridder op het paard, zonder den stijgbeugel te gebruiken, en zijn lans zwaaiende, reed hij tweemaal het strijdperk rond, het dier met de behendigheid van een volmaakten ruiter al zijne kunsten latende verrichten. De schijn van ijdelheid, dien men anders aan dezen rit had kunnen toeschrijven, werd weggenomen door de noodzakelijkheid, om de vorstelijke belooning, waarmede hij zoo even vereerd was, in het voordeeligste licht aan het volk te toonen, en de ridder werd weder begroet door de toejuichingen van alle aanschouwers.
Intusschen had de woelige Prior van Jorvaulx Prins Jan toegefluisterd, dat de overwinnaar nu zijn goeden smaak in plaats van zijn dapperheid moest toonen, door onder de schoonheden, welke de galerijen versierden, eene dame te kiezen, die den troon der Koningin der Schoonheid en Liefde zou bekleeden, en den volgenden dag den prijs van het toernooi uitdeelen. De Prins gaf dus een teeken met zijn staf, terwijl de ridder hem, in zijn tweeden rit rondom het strijdperk, voorbij kwam. De ridder wendde zich naar den troon, en de lans latende zinken tot op een voet van den grond, bleef hij onbeweeglijk staan, om het bevel van den Prins af te wachten. Allen bewonderden de behendigheid, met welke hij in een oogenblik zijn vurig paard uit den snellen ren bewegingloos als een standbeeld had doen staan.
“Heer Onterfde Ridder,” zei Prins Jan, “daar dit de eenige naam is, dien wij u geven kunnen, het is thans uw plicht zoowel als uw voorrecht, de schoone dame uit te zoeken, die als Koningin der Eer en der Liefde bij het feest van morgen het voorzitterschap bekleeden zal. Indien gij, als vreemdeling in ons land, de hulp van het oordeel van anderen verlangt, zoo kan ik u alleen zeggen, dat Alicia, de dochter van onzen dapperen Ridder Waldemar Fitzurse, sedert lang voor de eerste in schoonheid en rang aan het hof gehouden wordt. Niettemin is het uw onbetwistbaar recht, deze kroon te reiken, aan wie gij wilt,—door welke overhandiging de verkiezing der Koningin voor den dag van morgen volbracht zal zijn. Verhef uw lans!”
De ridder gehoorzaamde, en Prins Jan plaatste op de punt daarvan een kroon van groen satijn, versierd met een gouden rand van pijlen en harten, die elkander afwisselden, gelijk de aardbeziënbladen en kogels op een hertogs-kroon.
Bij den duidelijken wenk, welken hij ten opzichte van Waldemar Fitzurse’s dochter gaf, had Prins Jan meer dan één beweegreden, hem ingegeven door een gemoed, hetwelk een vreemde vermenging was van zorgeloosheid en verwaandheid, met lage list en loosheid gepaard. Hij wenschte uit de herinnering der ridders, die hem omringden, zijn eigene onbetamelijke en onaangename scherts omtrent de Jodin Rebekka te verbannen; hij wilde zich Alicia’s vader, Waldemar Fitzurse, dien hij vreesde, genegen maken, vooral daar deze zich over het gedrag van den Prins in den loop van den dag meer dan eens misnoegd getoond had. Hij wilde ook zelf de gunst der dame verwerven; want Jan was ten minste even losbandig in zijn vermaken, als toomeloos in zijne eerzucht. Bovendien wilde hij tegen den Onterfden Ridder (voor wien hij reeds een hevigen afkeer had opgevat), een machtigen vijand opstoken in den persoon van Waldemar Fitzurse, die, zoo als hij dacht, de beleediging zijner dochter aangedaan, ten hoogste kwalijk zou nemen, in geval, zooals niet onwaarschijnlijk was, de overwinnaar eene andere keuze deed.
En dit geschiedde ook werkelijk. Want de Onterfde Ridder reed de galerij, dicht naast die van den Prins, voorbij, waar Jonkvrouw Alicia zat in den vollen hoogmoed van haar trotsche schoonheid, en zoo langzaam voortrijdende, als hij tot hiertoe snel gejaagd had, scheen hij zijn recht uit te willen oefenen, om de talrijke schoone gezichten te aanschouwen, welke den bekoorlijken kring versierden.
Het was de moeite waard, de verschillende houding der schoonen gade te slaan, die dit onderzoek ondergingen. Eenigen bloosden: anderen namen eene trotsche houding aan; sommigen zagen strak voor zich heen, als of zij geheel niets wisten van hetgeen er voorviel: anderen poogden een glimlach te bedwingen, en twee of drie lachten hard op. Er waren ook eenigen, die den sluier over haar bekoorlijkheden trokken: maar, daar het Wardour-handschrift zegt, dat het schoonheden waren, die reeds tien jaar lang bekend waren, kan men veronderstellen dat, daar zij haar deel aan zulke ijdelheden reeds vroeger gehad hadden, zij nu van haar recht wilden afzien, om een grootere kans aan de opkomende schoonen te laten.
Eindelijk hield de kampvechter stil voor het balkon waar Jonkvrouw Rowena zat, en de verwachting der toeschouwers steeg ten top.
Men moet bekennen, dat, als belangstelling in den goeden uitslag van zijn wapenfeiten den Onterfden Ridder had kunnen omkoopen, dat gedeelte van het strijdperk, voor hetwelk hij stil gehouden had, zijn voorkeur verdiende. Cedric de Sakser, verheugd over de nederlaag van den Tempelier, en nog meer over die van zijn twee kwalijkgezinde naburen, Front-de-Boeuf en Malvoisin, was, met het halve lichaam over het balkon liggende, den overwinnaar bij iederen strijd nagegaan, niet alleen met de oogen, maar met hart en ziel. Rowena had den uitslag van den strijd met groote oplettendheid gezien, ofschoon zij niet eene even groote belangstelling getoond had. Zelfs de onverschillige Athelstane scheen zijne wezenloosheid te vergeten; want hij liet zich een grooten beker wijn geven, en dronk op de gezondheid van den Onterfden Ridder.
Eene andere groep, onder de galerij door de Saksers bezet, had niet minder deelneming in den uitslag van den strijd laten blijken.
“Vader Abraham!” zei Izaäk van York, toen de eerste strijd tusschen den Tempelier en den Onterfden Ridder voorbij was, “hoe stout rijdt de ongeloovige! Ach! hij spaart het goede paard, dat den verren weg uit Barbarije heeft afgelegd, niet meer dan alsof het een wild ezelsveulen ware; en de schoone wapenrusting, die zoo vele zechinen gekost heeft bij Jozef Pareira, den Milaneeschen wapensmid, benevens zeventig ten honderd winst,—hij zorgt er zoo weinig voor, alsof hij ze op den straatweg gevonden had!”
“Als hij zijn eigen leven en leden waagt, vader,” zei Rebekka, “in een zoo schrikkelijken strijd, kan men kwalijk van hem verwachten, dat hij paard en wapenrusting zou sparen.”
“Kind!” hernam Izaäk, eenigszins driftig, “gij weet niet wat gij zegt—zijn hals en zijn ledematen zijn zijn eigendom, maar zijn paard en zijn wapenrusting behooren aan—vader Jacob! wat had ik haast gezegd!—En toch, het is een brave jongeling.—Zie Rebekka! zie, hij gaat al weder ten strijd tegen den Philistijn!—Bid kind—bid voor het behoud van den goeden jongeling,—en van het vlugge paard en de rijke wapenrusting.—God mijner vaderen!” riep hij weder, “hij heeft weer overwonnen, en de onbesnedene Philistijn is voor zijn lans bezweken,—even als Og, de Koning van Bazan, en Cihon, de Koning der Amorieten, onder het zwaard onzer vaderen vielen!—Zeker krijgt hij hun goud en zilver en hun strijdrossen en hun wapenrustingen van erts en staal, tot buit en roof!”
Denzelfden angst betoonde de waardige Jood bij iederen strijd, terwijl hij zelden daarbij naliet een oppervlakkige berekening te maken van de waarde van het paard en de wapenrusting, die bij iedere nieuwe zegepraal den overwinnaar te beurt vielen. Zij dus, die dat gedeelte van het strijdperk bezetten, waarvoor de Onterfde Ridder nu stil hield, hadden juist de meeste belangstelling in zijn welslagen betoond. Hetzij uit besluiteloosheid, of om eenige andere reden aarzelende, bleef de kampvechter meer dan een minuut stil staan, terwijl de oogen der zwijgende aanschouwers op zijn bewegingen gericht waren; en daarop, met bevalligheid de punt van zijn lans langzaam latende zakken, legde hij de kroon, welke er op hing, voor de voeten van de schoone Rowena. De trompetten weergalmden oogenblikkelijk, terwijl de herauten Rowena als Koningin der Schoonheid en Liefde voor den volgenden dag uitriepen, hen, die zich aan haar gezag niet mochten onderwerpen, met gepaste straffen dreigende. Zij herhaalden hierop hun geschreeuw van “Largesse!” waarop de gelukkige Cedric door een ruime gift antwoordde, bij welke Athelstane, schoon minder vlug, een gave van even groote waarde voegde.
Er ontstond eenig gemor onder de dames van Normandische afkomst, die even weinig gewoon waren, eene Saksische schoone voorgetrokken te zien, als de edelen, een nederlaag te ondervinden in de ridderspelen, die zij zelven hadden ingevoerd. Maar deze ontevredenheid bleef onopgemerkt bij de kreten van: “Lang leve Rowena, de verkorene en wettige Koningin der Liefde en Schoonheid!” waarbij velen voegden: “Leve de Saksische Prinses! Leve het geslacht van den onsterfelijken Alfred!”
Hoe onaangenaam deze klanken ook waren voor Prins Jan en degenen, die hem omringden, zag hij zich echter verplicht de benoeming van den overwinnaar te bekrachtigen, en daarom bevelende, dat men zijn paard zou brengen, verliet hij den troon, en reed, door zijn gevolg vergezeld, in het strijdperk rond. De Prins hield een oogenblik stil onder de galerij van Jonkvrouw Alicia, die hij groette, terwijl hij tot zijn gevolg zeide: “Op mijn eer, mijne heeren! zoo de wapenfeiten van den ridder getoond hebben, dat hij sterke leden en spierkracht heeft, zoo toont hij door zijne keuze, dat zijn oogen niet van de heldersten zijn!”
Bij deze gelegenheid, zooals in zijn geheele leven, had Prins Jan het ongeluk, het karakter niet te begrijpen, van hen wier gunst hij wenschte te winnen. Waldemar Fitzurse was eerder beleedigd dan gevleid, dat de Prins in ’t openbaar te kennen gaf, dat zijne dochter niet naar verdienste was behandeld.
“Ik ken,” zeide hij, “geen dierbaarder en onschendbaarder recht der ridderschap, dan dat van iederen vrijen ridder, om de dame zijner liefde naar eigen oordeel te kiezen. Mijne dochter streeft naar geene onderscheiding, en het zal haar in haar eigen kring nooit ontbreken aan alle verschuldigde eerbewijzen.”
Prins Jan antwoordde niet, maar zijn paard aansporende, alsof hij aan zijn toorn lucht wilde geven, galoppeerde hij naar de galerij, waar Rowena zat, nog altijd met de kroon voor de voeten.
“Ontvang, schoone Jonkvrouw,” zeide hij, “het teeken uwer heerschappij, waaraan niemand oprechter hulde bewijst, dan ik zelf, Jan van Anjou,—en zoo het u, uwen edelen vader en uwe vrienden behaagt, ons gastmaal in het kasteel van Ashby met uw tegenwoordigheid te vereeren, dan zullen wij de Vorstin leeren kennen, aan wie wij morgen onze hulde zullen bewijzen.”
Rowena zweeg, en Cedric antwoordde voor haar in zijne Saksische moedertaal: “Jonkvrouw Rowena verstaat uwe taal niet genoeg, om deze beleefdheid te beantwoorden zooals het behoort,—of om deel aan uw feest te nemen. Ook ik en de edele Athelstane van Coningsburgh spreken slechts de taal, en huldigen alleen de zeden onzer voorouders. Wij danken dus ootmoedig voor uwer Hoogheid vriendelijke uitnoodiging voor het gastmaal. Morgen zal Jonkvrouw Rowena de plaats innemen, waartoe zij geroepen is door de vrije keuze van den overwinnenden ridder, bevestigd door de toejuichingen van het volk.” Dit zeggende, nam hij de kroon op, en zette die op Rowena’s hoofd, als een teeken, dat zij de haar opgedragen waardigheid aanvaardde.
“Wat zegt hij?” zei Prins Jan, veinzende de Saksische taal niet te verstaan, waarin hij echter zeer bedreven was. De beteekenis van Cedric’s gezegde werd hem in het Fransch herhaald. “Het is wel,” zeide hij; “morgen zullen wij zelven deze sprakelooze Koningin naar den troon geleiden.—Gij ten minste, heer Ridder,” voegde hij er bij, zich tot den overwinnaar wendende, die bij de galerij was blijven staan, “zult heden mijn gast zijn?”
De ridder, voor de eerste maal sprekende, verontschuldigde zich op zachten, haastigen toon, wegens vermoeidheid en de noodzakelijkheid, om zich voor den strijd van den volgenden dag voor te bereiden.
“Het is wel,” zei weer Prins Jan, op trotschen toon; “ofschoon ik niet gewoon ben aan zulke weigeringen, zullen wij trachtten onzen maaltijd zoo goed mogelijk te gebruiken, hoewel die niet versierd wordt door den dappersten ridder en zijn uitverkorene Koningin der Schoonheid.”
Dit zeggende, verliet hij het strijdperk met zijn schitterend gevolg, en zijn vertrek was het teeken voor het uiteengaan der toeschouwers.
Evenwel, met al de wraakzucht, aan beleedigden hoogmoed eigen, voornamelijk wanneer die met de bewustheid van eigen onwaardigheid gepaard gaat, was Jan nauwelijks drie schreden voortgereden, of zich omkeerende, vestigde hij een vertoornden blik op den schutter, die hem ’s morgens vroeg mishaagd had, en gaf zijn bevelen aan de gewapenden, die in de nabijheid stonden.—“Gij staat mij er met uw leven borg voor, dat die boer niet ontsnapt!”
De schutter verduurde den toornigen blik van den Prins met dezelfde onwrikbare standvastigheid, welke zijn gedrag van het begin af gekenmerkt had, en zei glimlachend: “Ik ben niet van plan, Ashby vóór overmorgen te verlaten. Ik moet zien, hoe de mannen van Staffordshire en Leicestershire de bogen weten te gebruiken. De bossen van Needwood en Charnwood moeten goede schutters leveren.”
“Ik zal zien,” zei Prins Jan tot zijn gevolg, zonder rechtstreeks te antwoorden, “hoe hij zijn eigen boog spannen kan; en wee hem, zoo zijne behendigheid zijne onbeschaamdheid niet vergoedt!”
“Het is hoog tijd,” zei de Bracy, “dat de outrecuidance1 dezer boeren door een treffend voorbeeld beteugeld worde!”
Waldemar Fitzurse, die waarschijnlijk dacht, dat zijn begunstiger niet den besten weg insloeg, om de genegenheid van het volk te winnen, haalde de schouders op, en zweeg. Prins Jan echter reed nu uit het strijdperk, en de menigte ging daarop dadelijk uiteen.
Men zag de toeschouwers zich over de vlakte verwijderen, naar de verschillende streken, vanwaar zij gekomen waren, in meer of minder talrijke groepen. Verreweg het grootste gedeelte stroomde naar de stad Ashby, waar verscheidene van de aanzienlijkste personen in het kasteel gehuisvest werden, en weer andere in de stad zelve bleven. Onder dezen waren de meeste ridders, die reeds in het toernooi opgetreden waren, of voornemens waren den volgenden dag te strijden, en die, terwijl ze langzaam voortreden, over de gebeurtenissen van den dag sprekende, met luid gejuich door het volk begroet werden, evenals Prins Jan, ofschoon hij dat eerder te danken had aan den glans van zijn stoet en aan zijn gevolg, dan aan de beminnelijkheid van zijn karakter.
Een oprechter, algemeener, en ook beter verdiend gejuich vergezelde den overwinnaar in den strijd, totdat hij, begeerig om zich aan de aandacht der menigte te onttrekken, zich in een dier tenten begaf, welke aan het einde van het strijdperk opgericht waren, en wier gebruik hem beleefdelijk door de maarschalken aangeboden werd. Zoodra hij zich daarin begeven had, verstrooiden zich ook diegenen, welke in het strijdperk getoefd hadden, om hem in oogenschouw te nemen, en gissingen omtrent zijn persoon te maken.
Het gewoel en het geraas van een drukke menigte op één plaats vergaderd, en met hetzelfde doel bezield, werd nu vervangen door de minder luide stemmen van de talrijke groepen, die zich in alle richtingen verwijderden, waarop spoedig volkomen stilte volgde.
Men hoorde geen ander geluid meer, dan de stemmen der bedienden, die de galerijen van kussens en behangsel ontdeden, om ze gedurende den nacht in veiligheid te bergen, en onder elkander twistten om de half geleêgde wijnflesschen en de overblijfselen der ververschingen, welke de toeschouwers hadden achtergelaten.
Buiten het strijdperk waren verscheidene smederijen opgericht, en deze begonnen nu in de schemering te glimmen, de werkzaamheid der wapensmeden aankondigende, welke den geheelen nacht moest voortgezet worden, om de wapenrustingen voor het gebruik van den volgenden dag weder in orde te brengen, of te veranderen.
Een sterk gewapende wacht, die alle twee uren afgelost werd, omringde het strijdperk en waakte voor de veiligheid gedurende den nacht.
1 Oud Fransch: overmoed, onbeschaamdheid.—Schrijver.