WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 15: Twaalfde Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Tiende Hoofdstuk.

Gelijk een raaf, wiens aaklig schor gekras,

Den veegen kranke ’t naadrend eind voorspelt,

En in de schaduw van den stillen nacht

Besmetting van de vale vlerken schudt;

Zoo snelt ook de arme Barrabas getergd,

Met helsche vloeken op dees Christen aan.

De Jood van Malta.

De Onterfde Ridder had nauwelijks zijne tent bereikt, of eene menigte schildknapen en pages boden hun dienst aan, om hem te ontwapenen, versche kleederen te brengen, en de verkwikking van een bad te verschaffen. Hun ijver bij deze gelegenheid werd misschien aangevuurd door nieuwsgierigheid, daar ieder wenschte te weten, wie de ridder was, die zoo vele lauweren geplukt, en toch geweigerd had, zelfs op verzoek van Prins Jan, zijn vizier te openen, of zijn naam te noemen. Maar aan hun dienstvaardige nieuwsgierigheid werd niet voldaan. De Onterfde Ridder weigerde iedere andere hulp, dan die van zijn eigen schildknaap, of liever dienstbare, een man van een boersch uitzicht, die gewikkeld in een mantel van donkerkleurig vilt, en zijn gezicht en hoofd half begraven in een Normandische muts van zwart bont, even onbekend scheen te willen blijven als zijn meester. Alle anderen uit de tent verwijderd zijnde, bevrijdde deze dienaar zijn heer van de zwaardere deelen zijner wapenrusting, en zette hem voedsel en wijn voor, welke de uitgestane vermoeienissen van den dag zeer gewenscht maakten.

Hij had nauwelijks een haastigen maaltijd geëindigd, of zijn bediende kondigde hem aan, dat vijf mannen, ieder een opgetoomd paard leidende, hem wenschten te spreken. De Onterfde Ridder had zijn wapenrusting verwisseld tegen het lange gewaad, dat lieden van zijn stand gewoonlijk droegen. Daar het van een kap voorzien was, verborg het de gelaatstrekken, wanneer men zulks verkoos, bijna even goed, als het vizier van den helm zelf, maar het schemerlicht, dat nu sterk begon te vallen, zou reeds een vermomming onnoodig gemaakt hebben, behalve voor hen, die zijn gezicht bijzonder goed kenden.

De Onterfde Ridder trad dus stoutmoedig voor zijne tent, en vond daar de schildknapen der uitdagers, die hij gemakkelijk herkende aan hun roode en zwarte kleederen; ieder van hen leidde het strijdpaard van zijn meester, beladen met de wapenrusting, in welke hij dien dag gevochten had.

“Volgens de wetten der ridderschap,” zei de eerste dezer mannen, “bied ik, Boudewijn De Oyley, schildknaap van den geduchten ridder Brian de Bois-Guilbert, u die u “de Onterfde Ridder” noemt, het paard en de wapenrusting aan, welke gezegde Brian de Bois-Guilbert in het gevecht van heden gedragen heeft, en laat het aan uw ridderlijkheid over, om ze te houden, of een losgeld daarvoor te bepalen;—want zulks eischt de toernooiwet.”

De andere schildknapen herhaalden bijna hetzelfde formulier, en bleven toen staan, om de beslissing van den Onterfden Ridder af te wachten.

“Aan u, vier knapen,” hernam de ridder, zich tot hen richtende, die het laatst gesproken hadden, “aan uw edele en dappere meesters, heb ik hetzelfde antwoord te geven. Brengt mijn groet over aan de edele ridders, uw heeren, en zegt hun, dat ik verkeerd zou handelen, door hen van paard en wapenen te berooven, die nooit door betere ridders kunnen gevoerd worden.—Ik wenschte hiermede mijn boodschap aan deze dappere heeren te kunnen eindigen; maar, daar ik in goeden ernst en waarheid ben wat ik mij noem: Onterfde, moet ik het aanbod uwer meesters aannemen, om met ridderlijke beleefdheid hun wapenrustingen te lossen, daar ik die, welke ik zelf draag, nauwelijks mijn eigen kan noemen.”

“Wij zijn gelast,” antwoordde de schildknaap van Reginald Front-de-Boeuf, “ieder honderd zechinen, als losgeld, voor deze wapenrustingen en paarden te bieden.”

“Dat is voldoende,” hervatte de Onterfde Ridder. “Mijn tegenwoordige behoeften noodzaken mij de helft aan te nemen; verdeelt de overige helft in twee gelijke deelen; het ééne kunt gij voor u zelven behouden, heeren schildknapen, en deelt het andere onder de herauten, wapenboden, minnezangers en dienaren uit.”

De schildknapen betuigden, met ontbloote hoofden en met diepe buigingen, hun erkentelijkheid voor eene beleefdheid en mildheid, die zelden, tenminste in zoo hoogen graad, uitgeoefend werden. Daarop keerde de Onterfde Ridder zich tot Boudewijn, den schildknaap van Brian de Bois-Guilbert. “Van uw meester,” zeide hij, “zal ik wapenen noch losgeld aannemen. Zeg hem uit mijn naam, dat onze strijd nog niet ten einde is:—neen, niet voordat wij zoowel met zwaarden, als met lansen, zoowel te voet, als te paard gevochten hebben. Hij zelf heeft mij tot dezen strijd op leven en dood uitgedaagd, en ik zal zijne uitdaging niet vergeten.—Intusschen, hij verbeelde zich niet, dat ik hem gelijk stel met zijne strijdmakkers, jegens welke ik ridderlijke beleefdheid kan betuigen; maar dat ik mij beschouw, als met hem in doodelijke veete levende!”

“Mijn heer,” antwoordde Boudewijn, “weet verachting met verachting, en slagen met slagen te vergelden, zoowel als beleefdheid met beleefdheid. Daar gij weigert van hem eenig deel van het losgeld aan te nemen, waarop gij de wapenen der overige ridders geschat hebt, moet ik zijn wapenrusting en zijn paard hier laten, wel overtuigd, dat hij noch het ééne zou willen berijden, noch de andere dragen.”

“Gij spreekt stoute taal, goede knaap,” zei de Onterfde Ridder; “gij weet te antwoorden voor uw afwezigen meester. Laat evenwel het paard en de wapenrusting niet hier. Breng ze aan uw heer terug; of zoo hij ze niet verkiest aan te nemen, behoud gij ze, vriend, tot eigen gebruik. Voor zooverre ze mij behooren, schenk ik ze u.”

Boudewijn maakte eene diepe buiging, en vertrok met zijn makkers; de Onterfde Ridder ging in zijn tent terug.

“Tot hiertoe, Gurth,” zei hij, zich tot zijn dienaar wendende, “heeft de eer der Britsche ridderschap in mijne handen niet geleden.”

“En ik,” zei Gurth, “ik heb, voor een Saksischen zwijnenhoeder, de rol van een Normandischen schildknaap niet slecht gespeeld.”

“Ja maar,” antwoordde de Onterfde Ridder; “ik was toch in gedurige vrees, dat uwe boersche manieren u zouden verraden.”

“Neen,” hernam Gurth, “ik vrees niet door iemand ontdekt te worden, dan door mijn speelmakker, Wamba, den nar, aan wien ik nooit heb kunnen merken, of hij een schelm of een gek is. Maar ik kon mij nauwelijks van lachen onthouden, toen mijn oude meester zoo dicht langs mij voorbij ging, in de stellige verbeelding, dat Gurth verscheidene mijlen van hier zijn zwijnen hoedde, in de bosschen en moerassen van Rotherwood. Zoo ik ontdekt word,—”

“Genoeg,” zei de Onterfde Ridder, “gij kent mijn belofte.”

“Ach, wat dat betreft,” hervatte Gurth, “ik zal een vriend nooit verlaten uit vrees voor stokslagen. Ik heb een taaie huid, die zweepslagen en messteken evengoed kan verdragen, als de dikste zwijnenhuid onder mijn kudde dat kan.”

“Vertrouw er op, ik zal u voor het gevaar, dat ge om mijnentwille loopt, beloonen!” hernam de ridder. “Intusschen verzoek ik u deze tien goudstukken aan te nemen.”

“Ik ben rijker,” zeide Gurth, ze in den zak stekende, “dan ooit eenig zwijnenhoeder of lijfeigene, vóór mij.”

“Breng deze goudbeurs naar Ashby,” vervolgde zijn meester, “zoek Izaäk den Jood van York op, en laat hij zich daaruit betalen voor het paard en de wapens, die hij mij door zijn krediet verschaft heeft.”

“Neen, bij St. Dunstan!” hernam Gurth, “dat doe ik niet.”

“Hoe, schelm,” hervatte zijn meester, “wilt gij mijn bevelen niet gehoorzamen?”

“Zoolang ze eerlijk, verstandig en christelijk zijn, zal ik ze volvoeren,” antwoordde Gurth; “maar dit bevel heeft er niets van. Een Jood zich zelven te laten betalen, zou oneerlijk zijn; want hij zou mijn meester bedriegen, en onverstandig, want het ware gek en onchristelijk gehandeld, een geloovige te berooven, om een ongeloovige te verrijken.”

“Stel gij hem dan zelf tevreden!” zei de Onterfde Ridder.

“Dat zal ik,” hernam Gurth, de beurs onder zijn mantel nemende, en de tent verlatende; “en het zal erg moeten loopen,” bromde hij, “zoo ik hem niet met de helft van zijn eisch bevredig.” Dit zeggende, vertrok hij, en liet den Onterfde Ridder aan zijne sombere overwegingen over, die om meer redenen, dan het tegenwoordig mogelijk is den lezer mede te deelen, van bijzonder pijnlijken en kwellenden aard waren.

Wij moeten nu het tooneel verplaatsen naar het dorp Ashby, of liever naar een landhuis in de nabijheid daarvan, dat aan een rijken Israëliet toebehoorde, waar Izaäk, zijne dochter en zijne bedienden hun intrek genomen hadden; de Joden toch, zooals bekend is, zijn even mild en gastvrij jegens hunne eigene natie, als ze vroeger gerekend werden, onwillig en stuursch tegen anderen te zijn.

In een vertrek, wel is waar klein, maar rijkelijk voorzien met Oostersche sieraden, zat Rebekka op geborduurde kussens, die op een kleine verhevenheid lagen, welke rondom de kamer gemaakt was, gelijk de estrada der Spanjaarden, en die de plaats van stoelen verving. Zij sloeg de bewegingen van haren vader met een blik van angstige, kinderlijke liefde gade, terwijl hij met een moedeloos gelaat en ongeregelde schreden in het vertrek op en neder ging; soms de handen ineen of de oogen omhoog slaande, als een mensch die grooten zielsangst lijdt. “O, Jakob!” riep hij uit.—“Ach, alle twaalf heilige stamvaders van onze natie! Welk een verlies is dat voor een man, die nooit tittel of jota van Mozes wet verzuimd heeft! Vijftig zechinen mij op eens ontroofd, en dat door de klauwen van een tiran!”

“Maar, vader!” zei Rebekka, “het scheen mij toe, dat gij Prins Jan het geld vrijwillig gaaft.”

“Vrijwillig? Dat de plagen van Egypte hem treffen! Vrijwillig zeg je?—Ja, zoo vrijwillig, als ik in de golf van Lyon mijn waren over boord wierp, om het schip te verlichten, toen het tegen den storm worstelde,—toen ik de schuimende baren met mijn schoonste zijde kleedde,—toen ik myrrhe en aloë in het zoute zeewater mengde,—toen ik de diepte van den Oceaan met goud en zilverwerk verrijkte! En was dat niet een uur van onuitsprekelijke ellende, hoewel mijn eigene handen de offerande verrichtten?”

“Maar het was een offer door den hemel gevorderd, om ons leven te redden,” antwoordde Rebekka, “en de God onzer vaderen heeft sedert dien tijd uw handel en rijkdom gezegend.”

“Ach,” antwoordde Izaäk, “maar waartoe, als de dwingeland er zoo beslag op legt als heden, en mij dwingt nog te lachen, terwijl hij mij uitplundert?—O, dochter! onterfd en zwervende, zooals wij zijn, is dit wel het grootste ongeluk, dat ons geslacht kan overkomen, dat wanneer wij onder den voet getrapt en uitgeplunderd worden, iedereen ons uitlacht; en wij verplicht zijn, onze gevoeligheid over de beleediging te onderdrukken, en gedwee te glimlachen in plaats van ons dapper te wreken!”

“Denk er zoo niet over, vader,” zei Rebekka; “wij hebben van onze zijde ook vele voordeelen. Deze Heidenen, welke wreede onderdrukkers ze ook zijn, hangen van den anderen kant ook af van de kinderen van Sion, die zij verachten en vervolgen. Zonder onzen rijkdom, zouden zij noch in den oorlog hun legers, noch bij den vrede hun zegepralen kunnen betalen, en het goud, dat wij hun leenen, keert vermeerderd in onze geldkisten terug. Wij zijn gelijk het gras, dat te weliger opschiet, hoe meer het vertrapt wordt. Zelfs het feest van heden kon niet plaats gehad hebben, zonder de toestemming van den verachten Jood, die er de middelen toe verschaft heeft.”

“Dochter,” hernam Izaäk, “gij hebt een andere snaar van mijne smart aangeroerd. Het schoone paard en de rijke wapenrusting zullen al het voordeel verslinden van mijn handel met onzen Kirjath Jairam van Leicester;—dat zou een verschrikkelijk verlies zijn;—de winst van eene geheele week, van den geheelen tijd tusschen twee sabbaths;—en echter kan het nog beter afloopen, dan ik nu denk; want het is een brave jongeling.”

“Zeker,” zei Rebekka, “en ik vertrouw, dat het u niet berouwen zal, den goeden dienst te hebben vergolden, dien u de vreemde ridder bewezen heeft.”

“Ik vertrouw er ook op, dochter,” zei Izaäk, “en ik vertrouw ook op het herbouwen van Sion; maar ik heb evenveel hoop met eigene oogen de muren en torens van den nieuwen tempel te zien, als ik hopen kan, dat een Christen, ja, de allerbeste der Christenen, aan een Jood een schuld zou betalen, anders dan uit vrees voor den rechter en de gevangenis.”

Dit zeggende, hervatte hij zijn onrustige wandeling door de kamer; en Rebekka, bespeurende, dat alle pogingen om haar vader te troosten, alleen dienden, om nieuwe klachten uit te lokken, zag wijselijk van hare onnutte moeite af;—een voorzichtig gedrag, dat wij allen troosters en raadgevers in soortgelijke gevallen ter navolging aanbevelen.

De avond begon juist te vallen, toen een Joodsche bediende de kamer binnentrad, en twee zilveren lampen op tafel zette, gevuld met welriekende olie;—de heerlijkste wijnen en de keurigste ververschingen werden tevens door een anderen Joodschen dienaar, op een kleine ebbenhouten tafel, met zilver ingelegd, gezet; want in hunne huizen ontzeiden de Joden zich geene kostbare weelde. Te gelijker tijd meldde de bediende, dat een Nazareër (zoo noemden zij de Christenen, als zij onder elkander spraken), Izaäk begeerde te spreken. Hij, die van den koophandel wil leven, moet gereed staan voor ieder, die zaken met hem heeft. Izaäk zette schielijk het glas Griekschen wijn, dat hij aan de lippen had, zonder er van te proeven neder, en haastig tot zijn dochter zeggende: “Rebekka, laat den sluier vallen,” beval hij den vreemdeling binnen te laten. Juist, toen Rebekka over haar schoone trekken een sluier van zilvergaas geslagen had, die haar tot de knieën reikte, ging de deur open, en Gurth trad binnen, in zijn wijden Normandischen mantel gewikkeld. Zijn voorkomen wekte eerder achterdocht dan dat het innemend was, voornamelijk daar hij, in plaats van zijn kap af te nemen, deze nog dieper over zijn verbrand voorhoofd trok.

“Zijt gij Izaäk, de Jood van York?” zeide Gurth in het Saksisch.

“Die ben ik,” hernam Izaäk in dezelfde taal (want zijn handel had hem met iederen tongval, die in Engeland gesproken werd, gemeenzaam gemaakt); “en wie zijt gij?”

“Dat doet niets ter zaak,” antwoordde Gurth.

“Dit raakt mij zoowel als mijn naam u,” hervatte Izaäk; “want, hoe kan ik verkeer met u houden, zonder uw naam te weten?”

“Zeer gemakkelijk,” zeide Gurth; “daar ik u geld te betalen heb, moet ik weten, of ik het aan den rechten man geef; gij, die het ontvangen moet, zult er u weinig om bekommeren, door wiens handen het u toekomt.”

“O,” zei de Jood, “gij zijt gekomen om geld te betalen.—Heilige vader Abraham!—dat verandert onze betrekking tot elkander. En van wien brengt gij het?”

“Van den Onterfden Ridder,” antwoordde Gurth, “den overwinnaar in het toernooi van heden. Het is de prijs van de wapenrusting, die Kirjath Jairam van Leicester hem op uw aanbeveling heeft verschaft. Het paard staat weder in uw stal. Ik wenschte nu wel te weten, hoe groot de som is, die ik voor de wapenrusting betalen moet?”

“Ik heb gezegd, dat het een brave jongeling was!” riep Izaäk, verrukt van blijdschap. “Een beker wijn zal u geen kwaad doen,” voegde hij er bij, den zwijnenhoeder een beker inschenkende en overhandigende, gevuld met kostelijker wijn, dan hij ooit te voren geproefd had. “En hoeveel geld hebt gij medegebracht?”

“Heilige Maagd!” riep Gurth, den beker nederzettende, “welken nektar drinken die ongeloovige honden, terwijl geloovige Christenen tevreden moeten zijn met bier, zoo dik en troebel, als de draf, dien wij aan de zwijnen geven!—Hoeveel geld ik medegebracht heb?” ging de Sakser voort, na deze onbeleefde uitroeping; “slechts een klein sommetje, maar toch iets in de hand. Wel, Izaäk, gij moet een geweten hebben, al is het ook maar een Jodengeweten.”

“Nu ja,” hernam Izaäk; “maar uw meester heeft schoone paarden en rijke wapenrustingen gewonnen door de kracht zijner lans en zijner rechterhand,—maar het is een brave jongeling;—de Jood zal ze in plaats van betaling aannemen, en hem het overschot terug geven.”

“Mijn meester heeft reeds daarover beschikt,” zei Gurth.

“Ach! dat was verkeerd,” antwoordde de Jood, “dat was een gekke streek. Geen Christen hier kon zoovele paarden en wapenrustingen koopen;—geen Jood buiten mij, kon hem meer dan de helft van de waarde geven. Maar gij hebt honderd zechinen bij u in die beurs.” zeide Izaäk, onder den mantel van Gurth tastende, “ze is zwaar.”

“Ik heb er punten voor pijlen in,” zei Gurth, zonder zich te bedenken.

“Wel nu,” zei Izaäk zuchtende, en aarzelende tusschen zijn gewone geldzucht en het pas opgekomen verlangen, om in het tegenwoordig geval edelmoedig te zijn, “als ik zei, dat ik tachtig zechinen wilde nemen voor het goede paard en de rijke wapenrusting, dat mij geen gulden winst zou geven, hebt gij dan geld genoeg om mij te betalen?”

“Nauwelijks,” antwoordde Gurth, hoewel de gevraagde som minder was, dan hij verwacht had, “en mijn meester blijft dan niets over. Echter, zoo dit uw laatste woord is, moet ik er mede tevreden zijn.”

“Schenk u nog een beker wijn in,” zei de Jood. “Ach! tachtig zechinen is te weinig! Het laat geen interest van het geld over; en buitendien, kan het paard geleden hebben in den strijd. O, het was een zwaar en gevaarlijk gevecht; man en paard tegen elkander vliegende, als de wilde stieren van Basan. Het paard heeft zeer geleden!”

“En ik zeg,” hervatte Gurth, “dat het gezond is aan lijf en leden, gij kunt het nu in den stal zien. En ik zeg bovendien, dat zeventig zechinen genoeg is voor de wapenrusting, en ik hoop, dat het woord van een Christen even goed is, als dat van een Jood. Als gij geen zeventig nemen wilt, zal ik deze beurs aan mijn meester terug brengen;” en hij liet het geld klinken.

“Neen, neen!” riep Izaäk, “leg de talenten, de sjekels,—de tachtig zechinen neer, en gij zult zien, dat ik u ruim bedenken zal.”

Gurth gaf toe, en tachtig zechinen op de tafel tellende, gaf de Jood hem een kwitantie voor het paard en de wapenrusting. Des Joden hand sidderde van vreugde, terwijl hij de eerste zeventig goudstukken opstreek. De tien laatsten telde hij met veel bedaardheid na, stil houdende en iets mompelende, telkens als hij een stuk van de tafel opnam, en het in de beurs stak. Het scheen, alsof zijn gierigheid met zijn beteren aard in strijd was, en hem dwong de eene zechine na de andere op te strijken, terwijl zijn edelmoedigheid hem aandreef, om tenminste een gedeelte aan zijn weldoener terug te geven, in den vorm eener gift aan zijn dienaar. Zijn geheel gesprek luidde ten naastenbij aldus:—

“Een en zeventig,—twee en zeventig; uw meester is een brave jongeling;—drie en zeventig,—een voortreffelijk jongeling,—vier en zeventig, dit stuk is besneden,—vijf en zeventig, en dit schijnt te licht,—zes en zeventig,—als uw meester geld noodig heeft, laat hij dan bij Izaäk van York komen;—zeven en zeventig,—te weten onder goed onderpand.” Hier hield hij geruimen tijd stil, en Gurth had goede hoop, dat de drie laatste stukken het lot van hun makkers zouden ontgaan; maar de telling ging voort.—“Acht en zeventig,—gij zijt een goede jongen,—negen en zeventig,—en verdient iets voor u zelven.”—Hier hield de Jood weder op, en zag de laatste zechine aan, zonder twijfel met voornemen om ze aan Gurth te schenken. Hij woog ze op den top van den vinger, en liet ze op de tafel vallen, om den klank te hooren. Ware ze maar één haar te licht, of de klank niet zuiver geweest, dan had de edelmoedigheid gezegepraald; maar ongelukkig voor Gurth was de klank vol en zuiver, de zechine dik, nieuw geslagen en een grein boven het gewicht. Izaäk kon niet van zich verkrijgen om er van te scheiden, dus liet hij ze, als uit verstrooidheid, in de beurs vallen met de woorden: “Tachtig maakt de som vol, en ik vertrouw, dat uw meester u goed zal beloonen. Zeker,” voegde hij er bij, ernstig naar de beurs loerende, “gij hebt meer geld in dien zak?” Gurth grijnsde, zijn eenige wijze van lachen, en hernam: “Omtrent dezelfde som, als die gij daar zoo zorgvuldig geteld hebt.” Hierop vouwde hij de kwitantie op, en stak ze onder zijn kap, zeggende: “Bij uw baard, Jood, pas op, dat de kwitantie goed en echt zij!” Hij vulde, zonder er toe verzocht te zijn, een derden beker wijn, en verliet de kamer zonder te groeten.

“Rebekka,” zei de Jood, “die Ismaëliet is mij een weinig te slim geweest. Toch is zijn heer een brave jongeling;—ja, en ik ben verheugd, dat hij sjekels van goud en zilver gewonnen heeft, door zijn vlug paard en zijn sterke lans, die, evenals die van Goliath den Philistijn, met een wevers-boom kon vergeleken worden.”

Toen hij zich omkeerde om een antwoord van Rebekka te ontvangen, bespeurde hij, dat zij, onder zijn gesprek met Gurth, de kamer verlaten had.

Intusschen was Gurth de trappen afgegaan, en na een duistere voorkamer, of gang bereikt te hebben, tastte hij rond om den uitgang te vinden, toen een witte gedaante, verlicht door een kleine zilveren lamp, die zij in de hand hield, hem een wenk gaf haar in een zijvertrek te volgen. Gurth was hiertoe niet zeer geneigd. Ruw en onstuimig als een wild everzwijn, waar hij niets dan geweld te duchten had, bezat hij al de karakteristieke bevreesdheid van de Saksers ten opzichte van weerwolven, boschmannen, witte vrouwen en al de spoken, die zij uit de wildernissen van Duitschland hadden medegebracht. Hij herinnerde zich daarenboven, dat hij in het huis van een Jood was, een volk, dat, behalve de andere hatelijke eigenschappen, welke het volksbijgeloof hun toeschreef, voor groote toovenaars en heksenmeesters gehouden werd. Echter gehoorzaamde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben, aan het verzoek van de verschijning, en volgde haar in de kamer, die zij hem aanwees, waar hij tot zijne verwondering en vreugde ontdekte, dat zijn leidster de schoone Jodin was, die hij eerst op het toernooi, en vóór eenige oogenblikken in haars vaders vertrek gezien had.

Zij vroeg hem naar zijn onderhoud met Izaäk, dat hij nauwkeurig mededeelde.

“Mijn vader heeft slechts met u geschertst, vriend,” zeide Rebekka; “hij is uw meester meer dank verschuldigd, dan deze wapenen en dit paard kunnen vergelden, al waren zij tienmaal meer waard. Hoeveel hebt gij mijn vader betaald?”

“Tachtig zechinen,” zei Gurth, verrast door de vraag.

“In deze beurs,” vervolgde Rebekka, zult gij er honderd vinden. Geef uw meester zijn eigendom terug, en behoud het overige voor u. Ga,—haast u,—houd u niet op met dankbetuigingen, en neem u in acht, als gij door deze drukke stad gaat, waar gij licht uw last en uw leven kunt verliezen.—Ruben!” voegde zij er bij, in de handen klappende, “licht dezen vreemdeling voor, en vergeet niet de deur met slot en grendel achter hem te sluiten.”

Ruben, een zwartoogige en zwartgebaarde Israëliet, gehoorzaamde aan haar bevelen met een fakkel in de hand; hij opende de buitendeur van het huis, en Gurth over een geplaveid hof geleidende, liet hij hem door een deurtje in de poort uit, dat hij achter hem sloot met grendels en ketenen, die voor een gevangenis waren.

“Bij den heiligen Dunstan,” zei Gurth, terwijl hij door de donkere gang voortstrompelde, “dit is geene Jodin, maar een engel des hemels! Tien zechinen van mijn dapperen jongen meester,—twintig van deze parel van Sion—gelukkige dag!—Nog één dag van dien aard, Gurth, en gij kunt u loskoopen van de lijfeigenschap, en zoo vrij wezen als de beste. En dan leg ik terstond mijn zwijnenhoedershoren en staf neder, neem het zwaard en het schild van een vrijen man op, en volg mijn jongen meester tot in den dood, zonder meer mijn gezicht of naam te verbergen.”

Elfde Hoofdstuk.

1ste Struikr. Sta, Heer! geef af hetgeen gij bij u draagt, Of anders pakken we u en plunderen u.

Spion. Wij zijn verloren, Heer! ziedaar de schurken, Voor wie steeds alle reizigers bevreesd zijn.

Val. Mijn vrienden .........

1ste Struikr. Toch niet, wij zijn uw vijanden.

2de Struikr. Stil, stil, hem aangehoord!

3de Struikr. Ja, bij mijn baard, dat willen wij;

’t Is toch een deftig man.

De twee Edellieden van Verona.

Gurt’s nachtelijke avonturen waren nog niet ten einde; deze gedachte kwam bij hem zelf op, toen hij zich, na tusschen een paar eenzame huizen, die aan het einde van het dorp lagen, te zijn doorgegaan, in een diepen, hollen weg bevond, die tusschen twee dijken doorliep, welke met hulst en hazelstruiken bezet waren, terwijl hier en daar een dwergeik zijn takken geheel over het pad uitstrekte. De weg was daarenboven bedorven door de wagens, die nog niet lang geleden allerhande behoeften voor het toernooi hadden aangebracht, en het was donker, want de dijken en struiken onderschepten het licht van de schoone najaars-maan.

Uit het dorp hoorde men het verwijderde geluid der uitgelatenste vroolijkheid, soms met gelach vermengd, soms door een gil afgebroken, en dan weer door wilde muziek afgewisseld. Al deze klanken, welke van de ongeregeldheid in de stad getuigden, die opgevuld was met de krijgshaftige edelen en hun losbandig gevolg, verwekten eenige ongerustheid bij Gurth. “De Jodin had gelijk,” zei hij bij zich zelven. “Bij den Hemel en St. Dunstan, ik wenschte, dat ik de reis met mijn schat veilig achter den rug had! Hier zijn zoo vele, ik wil niet zeggen zwervende dieven, maar zwervende ridders en knapen, zwervende monniken en minnezangers, zwervende goochelaars en potsenmakers, dat een mensch met een enkele mark op zak, in gevaar zou zijn,—hoeveel meer dus een arme zwijnenhoeder met een geheele beurs vol zechinen; was ik maar eerst uit de schaduw van die verwenschte struiken, dan kon ik tenminste de volgelingen van St. Nikolaas1 zien, eer ze mij op den hals vallen.”

Gurth verhaastte dus zijne schreden, om de open heidevlakte te bereiken, waarheen de holle weg leidde, maar dit gelukte hem niet. Juist toen hij aan het einde van den weg gekomen was, dáár waar het kreupelhout het dichtste was, sprongen er vier mannen op hem aan, zooals zijn angstig voorgevoel hem voorspeld had, van iedere zijde van den weg twee, en grepen hem zoo vast, dat alle weerstand, al ware die mogelijk geweest, te vergeefs zou geweest zijn.

“Geef uw last over!” zei er een van; “wij zijn de ontvangers van het rijk, die ieder van zijn last verlichten.”

“Gij zoudt mij van den mijnen niet zoo gemakkelijk verlichten,” morde Gurth, wiens norsche eerlijkheid zelfs niet door geweld kon gebogen worden,—“als ik het maar in mijne macht had, u een paar slagen te geven om mij te redden.”

“Dat zullen wij straks zien,” zei de roover, en zich tot zijn makkers wendende, sprak hij: “brengt hem mede; ik zie, dat hij zich de hersenen wil laten inslaan, zoowel als zijne beurs opensnijden, en zoo aan twee aderen tegelijk bloed gelaten worden.”

Gurth werd volgens dit bevel voortgesleept, en nadat hij eenigszins ruw over den dijk aan de linker zijde van den weg getrokken was, bevond hij zich in een eenzaam boschje, dat tusschen den hollen weg en de open heivlakte lag. Hij werd gedwongen zijn woeste leidslieden tot in de diepte van het bosch te volgen, waar zij plotseling op een boomvrije plek bleven staan, waarop de stralen van de maan ongehinderd door takken of struiken vielen. Hier voegden zich nog bij de roovers, die waarschijnlijk tot de bende behoorden, twee andere mannen. Zij hadden korte zwaarden op zijde en groote knuppels in de handen, en Gurth bespeurde nu, dat zij allen maskers droegen, wat hun beroep verraadde, al had hun vorige handelwijze ook nog eenige onzekerheid dienaangaande overgelaten.

“Hoeveel geld hebt gij bij u?” vroeg een van de dieven.

“Dertig zechinen, die mij toebehooren,” hernam Gurth kort af.

“Verbeurd, verbeurd!” riepen de roovers; “een Sakser heeft dertig zechinen, en keert nuchter uit een dorp terug! Zij zijn onherroepelijk en zeker aan ons vervallen, met alles, wat hij bij zich heeft.”

“Ik heb ze bijeen gespaard, om mijn vrijheid daarmede te koopen,” antwoordde Gurth.

“Gij zijt een ezel, hernam een van de dieven; “drie flesschen sterk bier hadden u even vrij gemaakt als uw meester, en zelfs vrijer, als hij een Sakser is, evenals gij.”

“Eene droeve waarheid,” hervatte Gurth; “maar als de dertig zechinen mij van u vrijkoopen kunnen, zoo maakt mij de handen los, en ik zal ze u uitbetalen.”

“Holla!” zei de een, die bij de anderen in aanzien scheen te staan, “de beurs, die gij daar draagt, voor zoover ik door uw mantel voelen kan, bevat meer geld dan gij zegt.”

“Het behoort aan den dapperen ridder, mijn meester!” antwoordde Gurth; “ik zou er zeker geen woord van gesproken hebben, zoo gij u met mijn eigendom hadt tevreden gesteld.”

“Gij zijt een eerlijke jongen,” hernam de roover, “dat verzeker ik u; en wij vereeren St. Nikolaas niet zoo oprecht, of uw dertig zechinen kunnen nog gered worden, als gij openhartig met ons handelt. Geef ons intusschen uw aanvertrouwd goed over.” Dit zeggende, nam hij van onder Gurth’s mantel den lederen zak, waarin de beurs, die Rebekka hem gegeven had, zoowel als de overige zechinen zich bevonden, en daarop ging hij voort met zijn ondervraging.—“Wie is uw meester?”

“De Onterfde Ridder,” zei Gurth.

“Wiens goede lans den prijs in het toernooi van heden behaald heeft?” hervatte de roover. “Hoe is zijn naam en wat zijne afkomst?”

“Hij verkiest beiden verborgen te houden,” antwoordde Gurth, “en van mij zult gij zeker niets daaromtrent vernemen.”

“Wat is uw eigen naam en afkomst?”

“Als ik u dat zeide,” hernam Gurth, “zou het die van mijn meester kunnen verraden.”

“Gij zijt een stoute kerel,” zei de roover, “maar straks nader daarover! Van waar krijgt uw meester dat goud? Heeft hij het geërfd, of op welke wijze heeft hij het verworven?”

“Door zijn goede lans,” antwoordde Gurth. “Deze beurzen bevatten het losgeld van vier schoone paarden en wapenrustingen.”

“Hoeveel is er in?” vraagde de roover.

“Twee honderd zechinen.”

“Maar twee honderd zechinen?” zei de bandiet; “uw meester heeft mild met de overwonnenen gehandeld, en hun een gering losgeld opgelegd. Noem diegenen op, welke het goud betaald hebben.” Gurth gehoorzaamde.

“Welk losgeld hebben de wapenrusting en het paard van den Tempelier Brian de Bois-Guilbert opgebracht?—Gij ziet, dat gij mij niet kunt bedriegen.”

“Mijn meester,” hernam Gurth, “wil van den Tempelier niets dan zijn bloed aannemen. Zij hebben elkander op leven en dood uitgedaagd, en kunnen niets in der minne afmaken.”

“Wezenlijk!” riep de roover, en hield na dezen uitroep een oogenblik stil. “En wat hebt gij te Ashby gedaan, met zulk een som in uw bewaring?”

“Ik ben er heen geweest,” antwoordde Gurth, “om aan Izaäk den Jood van York den prijs terug te geven voor eene wapenrusting, welke hij aan mijn meester voor het toernooi geleverd had.”

“En hoeveel hebt gij Izaäk betaald?—Mij dunkt, naar het gewicht te oordeelen, dat er nog wel twee honderd zechinen in deze beurs zijn.”

“Ik heb aan Izaäk,” zeide de Sakser, “tachtig zechinen betaald, en hij heeft er mij honderd in de plaats gegeven.”

“Hoe! wat!” riepen alle roovers tegelijk; “durft gij met ons spotten, dat gij ons zulke onbeschaamde leugens vertelt?”

“Wat ik u zeg,” zeide Gurth, “is even waar, als dat de maan aan den hemel staat. Gij zult de geheele som in een zijden beurs vinden, van het overige goud afgescheiden.”

“Bedenk u, vriend,” zei de kapitein; “gij spreekt van een Jood, van een Israëliet, die even weinig gewillig is goud terug te geven, als het dorre zand van de woestijn, om een beker water terug te geven, dien de pelgrim er op uitgiet.”

“Zij bezitten niet meer barmhartigheid,” zei een ander van de bandieten, “dan een onomgekochte gerechtsdienaar.”

“Het is echter zooals ik zeg,” antwoordde Gurth.

“Maakt oogenblikkelijk licht,” zei de kapitein; “ik wil deze beurs onderzoeken; en als deze man de waarheid spreekt, dan is de milddadigheid van den Jood bijna even wonderbaar als de stroom, welke zijn voorouders in de woestijn verkwikte.”

Er werd licht gebracht, en de roover begon de beurs te onderzoeken. De anderen verzamelden zich om hem heen, en zelfs de twee, die Gurth vasthielden, lieten hem bijna los, terwijl zij de halzen uitstrekten, om den uitslag van het onderzoek te zien. Van hunne achteloosheid gebruik makende, rukte zich Gurth door eene plotselinge inspanning van krachten en vlugheid geheel los, en had mogen ontsnappen, als hij had kunnen besluiten, zijns meesters eigendom achter te laten. Maar dit was geenszins zijn bedoeling. Hij ontrukte aan een der dieven zijn knuppel, sloeg den kapitein ter neder, die daarop in het geheel niet voorbereid was, en had bijna den zak en den schat weder bemachtigd. De roovers waren hem echter te vlug, en maakten zich weder meester van de beurs en van den getrouwen Gurth.

“Schurk!” zei de kapitein, weder opstaande, “gij hebt mij een gat in het hoofd geslagen, en bij anderen van onzes gelijken zou uwe onbeschaamdheid u duur te staan komen. Maar gij zult dadelijk uw lot vernemen. Laten wij eerst over uw meester spreken; de zaken van den ridder gaan vóór die van den schildknaap, volgens de wetten der ridderschap. Blijf intusschen stil staan;—als gij u weêr verroert, zult gij voor uw leven lang tot rust gebracht worden!—Kameraden,” zei hij vervolgens, zich tot zijne bende keerende, “deze beurs is met Hebreeuwsche letters geborduurd, en ik moet gelooven, dat het verhaal van den dienaar waarheid is. De dolende ridder, zijn meester, moet er noodzakelijk bij ons tolvrij afkomen. Hij heeft al te veel overeenkomst met ons, om hem iets af te nemen: de honden verscheuren elkander niet, zoolang er nog vossen en wolven in overvloed te vinden zijn.”

“Overeenkomst met ons?” antwoordde een van de bende: “Ik zou dat wel eens willen hooren bewijzen!”

“Wel,” hernam de kapitein, “is hij niet arm en onterfd, evenals wij?—Verdient hij niet den kost met de scherpte van zijn zwaard, zooals wij?—Heeft hij niet Front-de-Boeuf en Malvoisin geslagen, zooals wij hen zouden slaan, als wij maar konden? Is hij niet de doodvijand van Brian de Bois-Guilbert, dien wij zoo vele redenen hebben te vreezen? En al ware dit ook niet, zoudt gij willen, dat wij minder barmhartig waren, dan een ongeloovige, Hebreeuwsche Jood?”

“Neen, dat ware schande,” bromde de andere; “en toch, toen ik onder de bende van den dapperen ouden Gandelyn diende, kenden wij zulke gewetensbezwaren niet. En deze onbeschaamde boer,—die komt er zeker ook nog heelshuids af,—daar sta ik borg voor!”

“Niet, als gij het hem beletten kunt,” hernam de kapitein. “Kom hier, kerel!” ging hij voort, zich tot Gurth wendende: “weet gij den knuppel te hanteeren, daar gij er zoo vlug naar grijpt?”

“Mij dunkt,” antwoordde Gurth, “dat gij best zelf in staat zijt, die vraag te beantwoorden.”

“Nu, op mijn woord, ge hebt mij een fikschen slag gegeven;” hervatte de kapitein; “geef er dezen jongen net zoo een flinken, en gij zult er tolvrij afkomen; en als gij dat niet doet, welnu, daar gij zulk een kerel zijt, denk ik, dat ik uw losgeld zelf zal moeten betalen.—Neem uw knuppel, Mulder, en pas op uw hoofd; en gij anderen laat den boer los, en geeft hem een stok;—het is licht genoeg, om elkander aan te pakken.”

Beide kampvechters, met knuppels gewapend, traden voorwaarts, in het midden van de open plek, om het volle maanlicht te hebben; terwijl de roovers hun makker lachend toeriepen: “Mulder! neem uw tolstok in acht!” De Mulder, van den anderen kant, den stok in het midden vasthoudende, en over zijn hoofd zwaaiende, op de wijze, die de Franschen faire le moulinet noemen, riep pochende uit: “Kom maar, boer, als gij durft; gij zult de kracht van een Mulders vuist gevoelen!”

“Zoo gij een Mulder zijt,” antwoordde Gurth onverschrokken, zijn wapen met even groote vlugheid om het hoofd zwaaiende, “dan zijt gij een dubbele dief, en ik, als eerlijk man, trotseer u!”

Hierop vielen de kampvechters elkander aan, en gedurende eenige minuten toonden zij groote gelijkheid in kracht, moed en behendigheid, terwijl zij de slagen van hun tegenpartij opvingen en teruggaven, zoodat men, uit het onophoudelijk gekletter, op een afstand zou verondersteld hebben, dat er van iederen kant ten minste zes man aan het vechten waren.

Minder hardnekkige, en zelfs minder gevaarlijke strijden, zijn in schoone heldenverzen bezongen; maar de strijd tusschen Gurth en den Mulder moet onbeschreven blijven, uit gebrek aan een gewijden dichter, om recht te wedervaren aan die gewichtige gebeurtenis. Maar, ofschoon dit vechten met knuppels lang uit de mode is, zullen wij in proza voor deze stoute kampvechters ons best doen.

Lang vochten zij met gelijken uitslag, totdat de Mulder het geduld verloor, omdat hij een zoo moedigen tegenstander vond, en het gelach zijner makkers hoorde, die, zooals gewoonlijk bij zulke gelegenheden, met zijn spijt den spot dreven. Hij was dus in geene gunstige gemoedsgesteldheid voor den edelen tweestrijd met knuppels, waarbij, evenals bij den gewonen kamp met stokken, de grootste koelbloedigheid vereischt wordt; en dit gaf aan Gurth, wiens aard, hoe toornig ook, toch bedaard was, gelegenheid, om een beslissend voordeel te behalen, waarvan hij meesterlijk gebruik maakte.

De Mulder drong woedend op hem aan, beurtelings met beide einden van zijn wapen slagen uitdeelende, en trachtende op halve stoks lengte te komen, terwijl Gurth zich tegen den aanval verdedigde, door de handen omtrent een el van elkander af te houden, en zich te dekken door zijn wapen telkens met groote snelheid uit de eene hand in de andere te werpen, om zijn hoofd en lichaam te beschermen. Zoo hield hij zich verdedigender wijze staande, met oogen, voeten en handen behoorlijk wachtende, tot hij bespeurde, dat zijn tegenpartij den adem verloor; toen sloeg hij met de linkerhand naar zijn gezicht; en, terwijl de Mulder poogde, den slag af te weren, liet Gurth de rechter- tot de linkerhand zakken, en trof met volle kracht zijn tegenpartij aan de linkerzijde van het hoofd, zoodat deze oogenblikkelijk lang uit op den grond lag.

“Goed,—en als een dapper landsmans gedaan!” schreeuwden de roovers. “Leve de eerlijke strijd en oud Brittanje! De Sakser heeft beurs en huid gered, en de Mulder heeft zijn man gevonden.”

“Gij kunt heengaan, vriend,” zei de kapitein, zich tot Gurth wendende, om de algemeene stem te bevestigen, “en ik zal u door twee van mijn kameraden den besten weg naar de tent van uw meester laten wijzen, om u tegen andere nachtwandelaars te beschermen, die een minder teeder geweten zouden hebben, dan wij; want er zijn velen op de been in een nacht, als dezen. Pas evenwel op!” voegde hij er op strengen toon bij. “Herinner u, dat gij geweigerd hebt uw naam te zeggen;—vraag niet naar den onzen, en tracht niet te ontdekken, wie of wat wij zijn; want als gij dat doet zal het u erger gaan, dan ge wel denkt!”

Gurth dankte den kapitein voor zijne beleefdheid, en beloofde zijn raad niet te vergeten. Twee der vrijbuiters namen hunne stokken, en Gurth bevelende hen kort op de hielen te volgen, gingen zij met vlugge schreden vooruit, langs een voetpad, dat door het bosch en de woeste vlakte in de nabijheid liep. Aan het einde van het bosch spraken twee mannen zijn geleiders aan, en, nadat deze hun een antwoord toegefluisterd hadden, begaven zij zich in het woud terug, en lieten hen ongehinderd verder gaan. Deze omstandigheid deed Gurth gelooven, dat de bende talrijk was, en dat zij geregelde wachten rondom hun verzamelplaats hadden.

Toen zij op de open heide kwamen, waar Gurth het eenigszins moeielijk zou gevallen zijn, den weg te vinden, geleidden de roovers hem recht naar den top van een kleinen heuvel, van waar hij, in den maneschijn, de palen van het strijdperk, en de schitterende tenten met haar wapperende vlaggetjes, die aan ieder uiteinde er van bevestigd waren, zien kon, en het gezang hooren, waarmede de schildwachten den tijd zochten te korten.

Hier bleven de dieven staan.

“Wij gaan niet verder,” zeiden zij; “het zou niet veilig voor ons zijn.—Herinner u de waarschuwing, die ge ontvangen hebt:—houd geheim, wat u dezen nacht is overkomen, en het zal u niet berouwen;—zoo gij verzuimt, wat men u gezegd heeft, zou de Tower te Londen u niet tegen onze wraak beschermen.”

“Goeden nacht, vrienden,” zei Gurth. “Ik zal uw bevelen opvolgen, en ik vertrouw geen kwaad te doen, met u een veiliger en eerlijker beroep toe te wenschen!”

Zoo scheidden zij; de vrijbuiters keerden langs denzelfden weg terug, dien zij gekomen waren, en Gurth ging naar de tent van zijn meester, dien hij, in weerwil van het gegeven bevel, alle voorvallen van dien nacht mededeelde.

De Onterfde Ridder was vervuld met verbazing, zoowel over de edelmoedigheid van Rebekka, waarvan hij echter besloot geen voordeel te trekken, als over die van de roovers, aan wier beroep zulk eene deugd geheel vreemd scheen. Zijn gepeins over deze zonderlinge omstandigheden, werd evenwel gestoord door de noodzakelijkheid, om de rust te nemen, die de vermoeienissen van den vorigen dag en de noodwendigheid, om zich tegen het gevecht van den aanstaanden morgen te versterken, onmisbaar maakten.

De ridder legde zich dus op een zacht bed, waarmede de tent voorzien was, neder, en de getrouwe Gurth strekte zijn verharde leden op een berenvel, dat tot kleed op den grond diende, uit, dwars voor de opening van de tent, zoodat niemand binnenkomen kon, zonder hem wakker te maken.


1 Een oude volksnaam voor de struikroovers.M. P. L.

Twaalfde Hoofdstuk.

Gij hieldt, Herauten, op, met heen en weer te draven,

Terwijl trompet, klaroen het sein tot d’ aanval gaven:

’t Is nauwlijks nog gehoord, of weerzijds van de baan,

Ziet ge allen vaardig met gevelde lansen staan,

De scherpe spoor gedrukt in ’t ros aan beide zijden;

Daar stuiven ze ijlings voorwaarts, rennen, worstlen, strijden;

De spietsen dringen door het dikke en harde schild

Den hartkuil in: de ridder wankelt, trilt;

Zij vliegen door de lucht, de lange, lange lansen;

De ontbloote zwaarden in de zon, als zilver glanzen;

Alom wordt helm bij helm gebeukt, verplet, doorboord,

En ’t bloed stroomt langs den grond in roode plassen voort.

Chaucer.

De morgen daagde in onbewolkte helderheid op, en eer de zon ver boven den gezichteinder verscheen, zag men de traagsten, of ijverigsten der toeschouwers op weg naar het strijdperk, om zich eene gunstige plaats te verschaffen, bij de verwachte spelen.

De maarschalken en hunne volgelingen verschenen ook op het veld, tegelijk met de herauten, om de namen van de ridders op te teekenen, die begeerden mede te strijden, zoowel als de partij, welke zij wenschten te kiezen. Dit was een noodzakelijke voorzorg, om eenige gelijkheid te bewaren tusschen de twee afdeelingen, die tegen elkander strijden zouden.

Volgens het gebruik was de Onterfde Ridder aanvoerder van de eene partij, terwijl Brian de Bois-Guilbert, die voor den tweeden op den vorigen dag gerekend werd, tot eersten kampvechter van de andere partij benoemd was. Zij, die deel aan de uitdaging genomen hadden, waren natuurlijk van zijne partij, met uitzondering van Ralph de Vipont, dien zijn val buiten staat gesteld had, om zoo schielijk weder een wapenrusting aan te doen. Het ontbrak niet aan uitstekende en edele kandidaten, om de gelederen aan beide zijden te versterken.

Inderdaad, ofschoon het algemeen toernooi, waarin alle ridders tegelijk vochten, gevaarlijker was dan de tweegevechten, zoo werd het toch meer gezocht en beoefend door de ridderschap van die eeuw. Vele ridders, die geen vertrouwen genoeg op hunne eigene behendigheid stelden, om een enkelen vijand van grooten naam uit te dagen, verlangden echter hunne dapperheid in het algemeen gevecht te toonen, waar zij anderen konden ontmoeten, met wie zij meer gelijk stonden. Bij de tegenwoordige gelegenheid werden omtrent vijftig ridders aan beide kanten ingeschreven, toen de maarschalken verklaarden, dat er geen meer konden aangenomen worden, tot groote teleurstelling van velen, die te laat kwamen, om toegelaten te worden.

Tegen tien uur was de geheele vlakte bedekt met mannen en vrouwen te paard, en te voet, die allen naar het toernooi gingen; en kort daarop kondigde een luid trompetgeschal Prins Jan en zijn gevolg aan, vergezeld van velen der ridders, die deel wilden nemen aan het gevecht, zoowel als van anderen, die dit voornemen niet hadden.

Omtrent denzelfden tijd verscheen Cedric de Sakser met jonkvrouw Rowena, maar zonder Athelstane. Deze edele Sakser had zijn groot en sterk lichaam in eene wapenrusting gestoken, om plaats te nemen onder de strijders, en zeer tot verwondering van Cedric, had hij de partij van den Tempelier gekozen. De Sakser had zijn vriend, wel is waar, sterke vertoogen gedaan over deze onverstandige keus; maar hij had slechts het antwoord gekregen, dat gewoonlijk diegenen geven, welke hardnekkiger zijn in het opvolgen van hun eigen wil, dan zij sterk zijn om dien te rechtvaardigen. Zijn beste, zoo niet zijn eenige reden, om de partij van Brian de Bois-Guilbert te kiezen, was Athelstane voorzichtig genoeg voor zichzelven te houden. Schoon zijne trage inborst hem verhinderde, eenige moeite aan te wenden, om zich in de gunst van Rowena in te dringen, was hij echter geenszins ongevoelig voor haar bekoorlijkheden, en beschouwde hij eene verbintenis met haar, als eene reeds geheel zekere zaak, door de toestemming van Cedric en haar overige vrienden. Dus had de hoogmoedige, hoewel trage Heer van Coningsburgh met heimelijk ongenoegen gezien, dat de overwinnaar van den vorigen dag, Rowena gekozen had, als het voorwerp der eer, welke hij zelf het zijn voorrecht achtte, haar te schenken. Om hem alzoo wegens eene voorkeur te straffen, die zijn eigen aanzoek in den weg scheen te staan, had Athelstane, vol vertrouwen op zijne krachten en groote behendigheid in het gebruik der wapenen, die hem zijn vleiers tenminste toeschreven, besloten, niet alleen den Onterfden Ridder van zijn machtigen bijstand te berooven, maar zelfs, als er zich eene gelegenheid opdeed, hem de zwaarte van zijn strijdbijl te doen gevoelen.

De Bracy en andere ridders, die aan Prins Jan verkleefd waren, hadden op een wenk van hem de partij der uitdagers genomen, daar de Prins verlangde, zoo mogelijk, de overwinning naar dien kant te doen overhellen. Daarentegen namen vele andere ridders, zoowel Saksers als Normandiërs, inboorlingen en vreemden, des te gereeder partij tegen de uitdagers, daar de andere schaar door een zoo uitstekenden kampvechter aangevoerd zou worden, als de Onterfde Ridder zich betoond had.

Zoodra Prins Jan bespeurde, dat de uitverkoren Koningin van den dag in het strijdperk was aangekomen, reed hij haar tegemoet, met die hoffelijkheid, welke hem zoo goed stond, nam de baret af, en van het paard springende, hielp hij Rowena afstijgen, terwijl zijn gevolg tegelijk de hoofden ontblootten en een der aanzienlijksten daaronder afsteeg, om haar paard te houden.

“Zoo is het,” zei Prins Jan, “dat wij het verschuldigde voorbeeld van getrouwheid aan de Koningin der Liefde en Schoonheid geven, en haar zelf naar den troon geleiden, dien zij heden moet beklimmen.—Schoone Dames,” zeide hij, “volgt uwe Koningin, zoo gij wenscht op uwe beurt gelijke eer te genieten.”

Dit zeggende, geleidde de Prins Rowena naar de eereplaats, tegenover die waar hij zat, terwijl de schoonste en aanzienlijkste vrouwen achter haar aandrongen, om zoo dicht mogelijk bij haar Vorstin te zitten.

Nauwelijks zat Rowena, of de muziek, half verdoofd door het gejuich der menigte, begroette haar in haar nieuwe waardigheid. Intusschen scheen de zon sterk en helder op de schitterende wapens van de ridders der beide partijen, welke de uiteinden van het strijdperk opvulden, en ijverig met elkander de beste wijze overlegden, om hun slagorde te schikken, en den strijd te voeren.

De herauten geboden nu stilzwijgen, totdat de wetten van het toernooi voorgelezen waren. Deze waren eenigermate berekend, om de gevaren van den dag te verminderen; een voorzorg, die des te noodiger was, omdat de strijd met scherpe zwaarden en puntige lansen zou plaats hebben.

Er werd dus aan de kampvechters verboden met het zwaard te steken, en hun werd alleen geoorloofd te houwen. De ridder kon een strijdbijl of knots gebruiken; maar de dolk was een verboden wapen. Een van het paard geworpen ridder mocht het gevecht hernieuwen met een ridder van de tegenpartij, die zich in hetzelfde geval bevond; maar aan de ruiters was het verboden hen aan te vallen. Wanneer een ridder zijn tegenpartij tot aan het einde van het strijdperk kon drijven, zoodat hij de palen met zijn paard of zijn wapenrusting aanraakte, dan moest deze zich overwonnen bekennen, en zijn paard en zijn wapenen stonden ter beschikking van den overwinnaar. Een aldus overwonnen ridder mocht geen verder deel aan den strijd nemen. Wanneer een op den grond geworpen ridder niet in staat was, weder op te staan, mocht zijn schildknaap, of page, in het strijdperk komen, en zijn meester uit het gedrang slepen; maar in dit geval werd de ridder voor overwonnen gehouden, en zijne wapenen en zijn paard werden verbeurd verklaard. Het gevecht moest ophouden, zoodra Prins Jan zijn staf zou neder werpen; eene laatste voorzorg, die gewoonlijk genomen werd, om onnoodig bloedvergieten bij het te lang aanhouden van zulk een gevaarlijk spel te beletten. Ieder ridder, die de toernooiwetten schond, of op andere wijze de wetten der eerzame ridderschap overtrad, zou van zijne wapenen beroofd, met omgekeerd schild op den top der palissaden geplaatst, en aan het algemeen gelach blootgesteld worden, wegens zijn onridderlijk gedrag.

Nadat deze maatregelen waren bekend gemaakt, besloten de herauten met eene vermaning aan iederen goeden ridder, om zijn plicht te doen, en de gunst van de Koningin der Liefde en Schoonheid te verdienen.

Toen deze afkondiging gedaan was, begaven zich de herauten naar hunne standplaats. De ridders, van beide zijden van het strijdperk in een lange rij binnenkomende, schaarden zich in twee gelederen, vlak tegenover elkaar. De aanvoerder van iedere partij bevond zich in het midden van het voorste gelid; eene plaats, die hij niet innam, voordat hij de gelederen zorgvuldig in slagorde gesteld, en aan ieder zijne plaats gewezen had.

Het was een schoon, maar tevens angstverwekkend schouwspel, zoo vele dappere strijders, in het rijden geoefend, en rijk gewapend, gereed te zien staan voor een zoo vreeselijk gevecht,—als ijzeren standbeelden in hun zadels zittende, en het teeken tot den aanval met even groot verlangen afwachtende, als hunne moedige rossen, die door brieschen en stampen hun ongeduld te kennen gaven.

Nog hielden de ridders hun lange lansen omhoog, terwijl de blinkende spitsen in de zon glinsterden, en de vaandeltjes, waarmede zij versierd waren, boven de pluimen der helmen fladderden. Zoo bleven zij staan, terwijl de maarschalken hun gelederen met de uiterste nauwkeurigheid onderzochten, of niet de eene of andere partij meer of minder sterk was, dan het bepaald getal. Dit werd in orde bevonden. Daarop verlieten de maarschalken het strijdperk, en Willem de Wyvil gaf met donderende stem het teeken tot den aanval met de woorden: Laissez aller! De trompetten lieten zich nu hooren,—de speren der kampvechters zakten op eens,—de paarden werden aangespoord, en de voorste gelederen vlogen op elkander aan, en stietten in het midden van het strijdperk met een schok tegen elkander, die men op een mijl afstands kon hooren. Het achterste gelid volgde langzamer, om de overwonnenen te helpen, en de overwinnaars van hun eigene partij te ondersteunen.

Men kon de gevolgen van deze botsing niet dadelijk zien, want het stof, door het stampen van zoo vele paarden veroorzaakt, verduisterde de lucht, en er verliep wel een minuut, eer de ongeduldige toeschouwers den uitslag daarvan konden zien. Toen alles zichtbaar werd, was de helft der ridders van iederen kant van het paard geworpen; eenigen door het behendig gebruik van de lans hunner tegenpartij,—sommigen door het overwicht, dat man en paard had ter neder gestort,—anderen lagen op den grond, alsof zij nooit weder opstaan zouden;—nog anderen waren reeds weder op de been, en handgemeen geworden met die hunner vijanden, welke zich in denzelfden toestand bevonden,—en twee of drie, die wonden gekregen hadden, welke hen verder onbekwaam maakten tot het gevecht, stelpten het bloed met hun sjerpen, en trachtten zich uit het gedrang te redden. De ridders, die in den zadel gebleven waren, en wier lansen bijna alle door de hevigheid van den schok gebroken werden, streden nu man tegen man met het zwaard, onder een luid krijgsgeschreeuw, en deelden elkander slagen toe, alsof eer en leven van den uitslag des gevechts afhingen.

Het gedruisch nam toe, door het aanrukken van het tweede gelid van iederen kant, dat tot hulpbende diende, en nu voorwaarts stoof, om hun vrienden te ondersteunen. De aanhangers van Brian de Bois-Guilbert riepen: “Ha! Beau Séant! Beau Séant1Voor den Tempel! Voor den Tempel!” De tegenpartij riep daarentegen: “Desdichado! Desdichado!”—een krijgsgeschreeuw, dat zij ontleenden aan het devies op het schild van hun aanvoerder.

De kampvechters dus met de grootste woede en met afwisselend geluk tegen elkander strijdende, scheen de overwinning dan eens naar het zuidelijk, dan weder naar het noordelijk einde van het strijdperk over te hellen, naarmate de een of andere partij voor het oogenblik zegevierde. Intusschen vermengde zich het gekletter der zwaarden en het geschreeuw der vechtenden op een verschrikkelijke wijze met het geschal der trompetten, en verdoofde het gekerm der vallenden, die hulpeloos onder de hoeven der paarden lagen. De schitterende wapenrustingen der strijders waren nu bezoedeld met stof en bloed, en bezweken voor iederen slag van het zwaard en de strijdbijl. De bonte pluimen, van de helmen afgemaaid, dreven als sneeuwvlokken voor den wind af. Alles, wat schoon en bevallig in de krijgshaftige vertooning geweest was, verdween, en hetgeen nu nog te zien was, diende slechts om schrik of medelijden te verwekken.

Zoo sterk is echter de kracht der gewoonte, dat niet alleen de gemeene toeschouwers, die natuurlijk door schrikwekkende tooneelen worden vermaakt, maar zelfs de dames, die de galerijen vulden, den kamp beschouwden, wel is waar met angstige belangstelling, maar zonder begeerte, om de oogen van een zoo schrikkelijk schouwspel af te wenden. Hier en daar verbleekte wel een schoone wang, of liet zich een gil hooren, wanneer een minnaar, broeder of echtgenoot van het paard geworpen werd. Maar, over het algemeen, moedigden de dames de strijders aan niet alleen door handgeklap, en door wuiven met doeken en sluiers, maar ook door het geroep: “Dappere lans! Goed zwaard!” als zij een gelukkigen slag of stoot opmerkten.

Daar het schoone geslacht zooveel belang stelde in dit bloedige gevecht, kan men zich dat der mannen licht verbeelden. Het openbaarde zich in luide juichtonen bij iedere verandering van de kansen, terwijl aller oogen zoo op het strijdperk gericht waren, dat de toeschouwers zelven de slagen schenen uit te deelen en te ontvangen, welke zoo ruimschoots vielen. Bij iedere stilte hoorde men de stem der herauten uitroepen: “Vecht, dappere ridders! De mensch sterft, maar de roem leeft!—Strijdt,—de dood is beter dan de nederlaag!—Kampt, dappere ridders! schoone oogen aanschouwen uw heldendaden!”

Onder al de gebeurtenissen van den strijd, trachtten aller oogen de aanvoerders van iedere partij te ontdekken, die, zich in het heetste van het gevecht mengende, hun makkers door stem en voorbeeld aanmoedigden. Beiden verrichtten groote en dappere daden, en noch Bois-Guilbert, noch de Onterfde Ridder vonden in de vijandelijke gelederen een kampvechter, die volkomen tegen hen bestand was. Zij trachtten wederzijds elkander te ontmoeten, aangespoord door wederkeerigen haat, en overtuigd, dat de val van een der aanvoerders beschouwd kon worden, als beslissend voor de overwinning. Zoo groot echter was het gedrang en de verwarring, dat in het begin van het gevecht hun pogingen om elkander te ontmoeten, vruchteloos waren, en zij herhaalde malen gescheiden werden door den ijver hunner aanhangers, waarvan ieder begeerig was eer in te oogsten, door zijne kracht te beproeven tegen den aanvoerder der tegenpartij.

Maar toen de rijen aan beide zijden dunner begonnen te worden, door het getal van hen, die zich overwonnen verklaard hadden, of naar de uiteinden van het strijdperk waren gedreven, of anders onbekwaam gemaakt waren om den strijd voort te zetten, werden de Tempelier en de Onterfde ridder handgemeen, met al die woede, dien doodelijken haat, welke de strijd om de eer hun konden inboezemen. Zoo groot was beider behendigheid in den aanval en in de verdediging, dat de toeschouwers in een eenstemmig en onwillekeurig gejuich uitbarstten, waardoor zij hunne vreugde en bewondering uitdrukten.

Maar op dit oogenblik was het met de partij van den Onterfden Ridder slecht gesteld; de reuzenarm van Front-de-Boeuf op den eenen vleugel, en de reuzenkracht van Athelstane op den anderen, hadden degenen, die onmiddellijk tegenover hen stonden, ter neer geslagen en verstrooid. Zich bevrijd ziende van hun tegenstanders, scheen het beiden ridders op hetzelfde oogenblik in te vallen, dat zij hun partij het beslissendste voordeel zouden bezorgen, door den Tempelier in zijn strijd met zijn mededinger bij te staan. Hun paarden dus tegelijk wendende, joeg de Normandiër van de eene zijde op hem los, en de Sakser van de andere. Het ware volstrekt onmogelijk geweest, dat het voorwerp van dezen ongelijken en onverwachten aanval dien had kunnen weerstaan, zoo hij niet door het algemeen geroep der toeschouwers gewaarschuwd was, die niet nalaten konden belang te stellen in een ridder, die aan zulk een ongelijken strijd blootgesteld was.

“Wees op uw hoede! wees op uw hoede! Heer Onterfde!” werd zoo algemeen geroepen, dat de ridder zijn gevaar bespeurde, en een geweldigen slag naar den Tempelier doende, haalde hij zijn paard tegelijkertijd achteruit, zoodat hij aan den schok van Athelstane en Front-de-Boeuf ontging; dezen dus, hun doel verijdeld ziende, renden van beide zijden tusschen het voorwerp van hun aanval en den Tempelier door, terwijl zij met de paarden tegen elkander stootten, voordat zij hun loop konden tegenhouden. Hun rossen echter nog intoomende en ronddraaiende, vervolgden alle drie hun voornemen, om den Onterfden Ridder ter neder te vellen.

Niets kon hem gered hebben, dan de bijzondere sterkte en vlugheid van het edele paard, dat hij den vorigen dag gewonnen had. Dit kwam hem te meer te pas, dat het paard van Bois-Guilbert gewond was, en die van Athelstane en Front-de-Boeuf beiden vermoeid waren, door het gewicht hunner reusachtige meesters in volle wapenrusting, en door de vroegere inspanning van den strijd. De verwonderlijke rijkunst van den Onterfden Ridder en de vlugheid van het edele dier, dat hij bereed, stelden hem, gedurende eenige oogenblikken, in staat, om zijn drie aanvallers van zich af te houden, terwijl hij, zich draaiende en keerende evenals een valk in de lucht, zijn vijanden zoo ver mogelijk van elkander hield, en nu den een, dan den andere zelf aanvallende, met zijn zwaard slagen uitdeelde, zonder die af te wachten, welke men op hem muntte.

Maar schoon het strijdperk van toejuichingen over zijn behendigheid weergalmde, was het duidelijk, dat hij ten laatste voor de overmacht zou moeten zwichten; en zij, die Prins Jan omgaven, smeekten hem eenstemmig zijn staf neder te werpen, en een zoo dapperen ridder den smaad eener onverdiende nederlaag te besparen.

“Ik niet, bij het licht des Hemels!”, antwoordde Prins Jan; “deze bastaard, die zijn naam verbergt, en onze aangeboden gastvrijheid versmaadt, heeft reeds één prijs weggedragen, en kan nu aan anderen een beurt laten.” Terwijl hij zoo sprak, veranderde een onvoorzien toeval den uitslag van den kamp.

Er was onder de gelederen van den Onterfden Ridder één kampvechter op een zwart paard, in zwarte wapenrusting, breed van schouders, groot, en naar allen schijn krachtig en sterk. Deze ridder, die in ’t geheel geen devies op zijn schild voerde, had tot nu toe zeer weinig belangstelling in den uitslag van het gevecht getoond, met groot gemak, zooals het scheen, de ridders die hem aanvielen, afwerende, maar zonder van zijn voordeel gebruik te maken, of iemand aan te tasten. Kortom, hij speelde eerder de rol van een toeschouwer dan van een deelnemer in het toernooi,—een omstandigheid, welke hem bij de aanwezigen den naam van “Le Noir Fainéant,” of “de zwarte luiaard,” verschafte.

De Zwarte Ridder komt den Onterfden Ridder ter hulp.

Op eens scheen de ridder zijn onverschilligheid te vergeten, toen hij den aanvoerder van zijn partij zoo hard bestookt zag; want zijn paard, dat nog geheel frisch was, de sporen gevende, vloog hij pijlsnel ter zijner hulp, terwijl hij met een stem, luid als het trompetgeschal, riep: “Desdichado, ter hulp!” Het was hoog tijd; want, terwijl de Onterfde Ridder op den Tempelier indrong, was Front-de-Boeuf met opgeheven zwaard tot dicht bij hem genaderd; maar eer de slag viel, bracht de Zwarte Ridder hem een houw op het hoofd toe, die, van den gepolijsten helm afglijdende, met weinig verminderde kracht op het chamfron van het paard nederkwam, en deed Front-de-Boeuf met zijn ros op den grond rollen, waar zij beiden bewegingloos bleven liggen. Hierop wendde Le Noir Fainéant zijn paard tegen Athelstane van Coningsburgh; en daar zijn eigen zwaard in den strijd met Front-de-Boeuf gebroken was, rukte hij den forschen Sakser de strijdbijl uit de hand, en het wapen als een geoefend krijgsman zwaaiende, gaf hij Athelstane daarmede zulk een geweldigen slag op den helm, dat ook deze bewusteloos ter aarde zonk. Na deze daad verricht te hebben, die des te luider toegejuicht werd, daar ze van zijn kant geheel onverwacht kwam, scheen de ridder weder door zijn natuurlijke traagheid overvallen te worden; want bedaard naar het noordelijke uiteinde van het strijdperk terugkeerende, liet hij het aan zijn aanvoerder over, om den strijd met Brian de Bois-Guilbert, zoo goed hij kon, te eindigen. Dit was op verre na zoo moeielijk niet meer als te voren. Het paard van den Tempelier had veel bloed verloren, en zeeg bij den aanval van den Onterfden Ridder ter neder. Brian de Bois-Guilbert rolde op den grond, terwijl zijn voet in den stijgbeugel hangen bleef, waaruit hij zich niet los kon maken. Zijn vijand sprong van het paard, zwaaide zijn overwinnend zwaard over zijn hoofd, en beval hem zich over te geven, toen Prins Jan, meer bewogen door den gevaarlijken toestand van den Tempelier, dan hij door dien van zijn tegenpartij geweest was, hem den schimp bespaarde van zich overwonnen te bekennen, door zijn staf naar beneden te werpen, en dus een einde aan het gevecht te maken. Het waren inderdaad ook slechts de laatste vonken en spranken van het vuur die nog brandden; want het grootste gedeelte der ridders, die nog in het strijdperk waren, hadden het gevecht voor een poos geschorst, om de beslissing er van aan hun aanvoerders over te laten.

De schildknapen, die het gevaarlijk en moeilijk gevonden hadden, hun meesters gedurende het gevecht bij te staan, drongen nu bij menigte in het strijdperk, om den gekwetsten de noodige hulp toe te brengen, welke met de uiterste zorg en oplettendheid naar de naburige tenten, of naar de verblijven gebracht werden, die in het naaste dorp voor hen bereid waren.

Zoo eindigde het gedenkwaardige toernooi te Ashby-de-la-Zouche, een der geduchtste wapenfeesten van dien tijd; want, ofschoon er maar vier ridders, waaronder een, die door de zwaarte van zijne wapenrusting gesmoord werd, op het slagveld sneuvelden, zoo waren er toch meer dan dertig gevaarlijk gekwetst, waarvan vier of vijf nooit herstelden. Verscheidene anderen werden voor hun leven verlamd; en zij, die er het best afkwamen, droegen de lidteekenen van den strijd tot aan het graf. Daarom spreekt men steeds in de oude jaarboeken van: “De edele en schoone wapenstrijd te Ashby.”

Daar het nu de plicht van Prins Jan was den ridder te noemen, die het best gestreden had, besliste hij, dat de eer van den dag toekwam aan hem, dien men Le Noir Fainéant genoemd had. Men gaf den Prins daartegen te kennen, dat de overwinning inderdaad behaald was door den Onterfden Ridder, die in den loop van den strijd met eigene hand zes kampvechters overwonnen, en ten laatste den aanvoerder der tegenpartij bedwongen had. Maar Prins Jan volhardde bij zijn uitspraak, op grond, dat de Onterfde Ridder en zijne partij de overwinning zouden verbeurd hebben, zonder den krachtigen bijstand van den Zwarten Ridder, aan wien hij derhalve volstrekt den prijs toekennen wilde.

Tot verbazing van alle toeschouwers echter, was de dus bevoorrechte ridder nergens te vinden. Hij had het strijdperk dadelijk na het einde van het gevecht verlaten, en eenige der aanwezigen hadden hem langs een van de boschlanen zien rijden, met denzelfden langzamen stap en met dezelfde onverschillige houding, aan welke hij den bijnaam van “den zwarten luiaard” te danken had. Nadat hij tweemaal door trompetgeschal en door de stem der herauten was opgeroepen, werd het noodzakelijk een anderen te benoemen, om de hem toegedachte eer te ontvangen. Prins Jan had nu geen verontschuldiging meer, om het recht van den Onterfden Ridder te betwisten, dien hij dus als overwinnaar uitriep. Over een veld, dat door het vergoten bloed glibberig geworden, en met gebroken wapens en lichamen van gedoode en gewonde paarden bedekt was, geleidden de maarschalken den overwinnaar ten tweeden maal voor den troon van Prins Jan.

“Heer Onterfde Ridder,” zei Prins Jan, “daar gij alleen onder dezen naam bij ons verkiest bekend te zijn, wij geven u voor de tweede maal de eer van dit toernooi, en kennen u het recht toe, uit de handen der Koningin der Liefde en Schoonheid den eerekrans te eischen en te ontvangen, welke uw dapperheid waardiglijk verdiend heeft.” De ridder boog diep en bevallig, maar antwoordde niet.

Terwijl de trompetten weergalmden, de herauten de stem verhieven, om den dapperen eer en den overwinnaar roem toe te zwaaien,—terwijl de dames met zijden doeken en geborduurde sluiers wuifden, en alle toeschouwers een luidruchtig vreugdegejuich verhieven, geleidden de maarschalken den Onterfden Ridder dwars door het strijdperk naar den eeretroon, dien Rowena bezette. Op de laagste trappen daarvan deed men den kampvechter nederknielen. Zijn geheel gedrag, sedert het einde van het gevecht, scheen inderdaad eerder bestuurd te wezen door hen, die bij hem waren, dan door zijn eigen vrijen wil; en men zag zelfs, dat hij struikelde, toen men hem voor de tweede maal door het strijdperk voerde. Rowena, zich met een aanvallige en deftige houding van haar zetel verheffende, was op het punt den krans, welken zij in de hand hield, op den helm des overwinnaars te zetten, toen de maarschalken eenstemmig uitriepen: “Dat mag zoo niet; zijn hoofd moet ontbloot zijn.” De ridder sprak flauw eenige woorden, welke in de holte van den helm verloren gingen, maar de inhoud scheen een verlangen aan te duiden, dat zijn helm niet mocht worden afgenomen. Het zij uit verkleefdheid aan het gebruik, of uit nieuwsgierigheid, de maarschalken sloegen geen acht op zijn wenschen, maar ontblootten zijn hoofd, door de helmbanden en halsriemen los te maken. Daar ontwaarde men de schoone, door de zon verbrande gelaatstrekken, en het dik, kort blond haar van een jongeling van vijf en twintig jaren. Zijn gelaat was doodsbleek en op eenige plaatsen met bloed bevlekt.

Nauwelijks had Rowena hem gezien, of zij gaf een luiden gil; maar in eens alle krachten inspannende, en zich, als het ware, dwingende om voort te gaan, terwijl haar geheele lichaam nog sidderde door de hevigheid eener plotselinge aandoening, zette zij op het nedergebogen hoofd van den overwinnaar den kostbaren krans, de bepaalde belooning van dien dag, en sprak met heldere, duidelijke stem deze woorden: “Heer ridder, ik schenk u dezen krans, als den prijs der dapperheid, heden toegewezen aan den overwinnaar.” Hier hield zij een oogenblik stil, en voegde er toen met vaste stem bij: “En nooit heeft de ridderkrans een waardiger hoofd versierd!”

De ridder boog het hoofd en kuste de hand der schoone Koningin, door welke zijn dapperheid beloond was; en toen voorover zakkende, viel hij voor haar voeten neder.

Dit veroorzaakte een algemeenen schrik. Cedric, die verstomd gestaan had bij de onverwachte verschijning van zijn verbannen zoon, kwam in haast toeschieten, alsof hij hem van Rowena wilde scheiden. Maar dit was reeds door de maarschalken geschied, die, de reden van Ivanhoe’s bezwijming gissende, zich gehaast hadden hem te ontwapenen, en ontdekten, dat een lans door zijn borstharnas gedrongen was, en hem een wonde in de zijde toegebracht had.


1 Beau Séant was de naam van de banier der Tempeliers, die half zwart, half wit was, om aan te duiden, gelijk men zegt, dat ze eerlijk en goed gezind waren jegens Christenen, maar zwart en vreeselijk voor de ongeloovigen!Schrijver.