Dertiende Hoofdstuk.
En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort,
O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort;
Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen,
Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen,
Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt
De prijs voor hem, wiens pijl het verst door ’t luchtruim snort.
Ilias.
Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen spotachtig rond, en zeide: “Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder die wapenrusting schuilde.”
“Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug te geven,” zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het gevolg van den Prins gemengd had.
“Ja,” antwoordde Waldemar Fitzurse, “deze knaap zal waarschijnlijk het kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft, en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad aan Front-de-Boeuf te geven.”
“Front-de-Boeuf,” hernam de Prins, “zou liever drie leengoederen, zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als zij opgeroepen worden.”
De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. “Een edelmoedige Vorst!—een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne getrouwe dienaren te beloonen!”
Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke geschenken ten koste van Koning Richard’s vrienden en gunstelingen verwachtten;—zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere aanmerking dan: “Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land genoemd worden. Het is de communis mater,—de moeder van alle Christenen. Maar ik begrijp niet,” voegde hij er bij, “hoe Ivanhoe zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten van de Heilige Stad aanspraak kan maken.”
Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. “De dappere ridder,” zeide hij, “zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren, en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:—hij is zwaar gekwetst.”
“Wat er ook van worden moge,” zei Prins Jan, “hij is heden overwinnaar; en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch verbonden worden;—onze eigene heelmeester zal hem bezoeken.”
Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht, en in handen van zijne vrienden was.
“Ik was eenigszins aangedaan,” zeide hij, “over de smart van de Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar, om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder voor haar voeten staarde.”
“Wie is die Jonkvrouw Rowena,” vroeg Prins Jan, “van wie wij zooveel gehoord hebben?”
“Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen,” hernam Prior Aymer; “eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken van het Oosten.”
“Wij zullen hare droefheid verzachten,” zei Prins Jan, “en haar bloed veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter onzer beschikking staan.—Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van den Veroveraar?”
“Als de landerijen mij bevallen,” antwoordde De Bracy, “dan zal de bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt.”
“Wij zullen het niet vergeten,” zei Prins Jan; “en om dadelijk een begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen.”
“De Bigot,” voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende, “gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!”
Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein briefje in de hand gegeven werd.
“Van waar?” zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde.
“Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet,” hernam de dienaar. “Een Franschman heeft het gebracht, zeggende, dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer Hoogheid te bezorgen.”
De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel, hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield, waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde:
“Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!”
De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand.
“Het kan een valsch gerucht zijn,—of een valsche brief!” zei De Bracy.
“Het is hand en zegel van den Franschen Koning!” hernam Prins Jan.
“Dan wordt het tijd,” zei Fitzurse, “onze vrienden te verzamelen, hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig vreugdebedrijf spoedig een einde maken.”
“Het volk en de landlieden,” zei de Bracy, “moeten niet ontevreden naar huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad.”
“De dag,” zeide Waldemar, “is nog niet zeer ver gevorderd—laat de schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn.”
“Ik dank u, Waldemar,” hervatte de Prins; “gij herinnert mij ook, dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!—De nieuwe morgen brengt nieuwe zorgen.”
Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen waren het veld te ontruimen:—er werd afgekondigd, dat Prins Jan, plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,—daar hij niet wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een bewijs van hunne behendigheid te geven,—het hem behaagde, het tegen den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp, met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers.
Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan, waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is, bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken.
De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond, dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat, dat hij den vorigen dag getoond had.
“Vriend,” zei Prins Jan, “ik bespeurde reeds gisteren aan uw onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan.”
“Met verlof, mijn Vorst!” hernam de schutter. “Ik heb een geheel andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande van overwonnen te worden.”
Locksley.
“En welke is die andere reden?” vroeg Prins Jan, die, om de eene of andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren, een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde.
“Omdat ik niet weet,” hernam de jager, “of deze schutters en ik gewoon zijn naar hetzelfde wit te schieten;—en te meer, daar ik niet weet, hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is.”
Prins Jan kleurde, terwijl hij vroeg: “Hoe is uw naam, schutter?”
“Locksley,” antwoordde deze.
“Welaan dan, Locksley,” zei Prins Jan, “gij zult op uwe beurt schieten, als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint, zal ik er twintig Nobles bij doen; maar als gij verliest, dan zal uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld worden.”
“En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?” zei de schutter. “Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund; maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen.”
“Als gij mijn billijk aanbod afslaat,” zei de Prins, “dan zal de Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen.”
“Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins,” zei de schutter, “mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen.”
“Slaat hem nauwkeurig gade,” zei Prins Jan tot de gewapenden, “de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef te ontsnappen.—En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed, zoodra de prijs gewonnen is.”
Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet, dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers.
De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink, één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf, en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen, die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die dus als overwinnaar uitgeroepen werd.
“Wel nu, Locksley,” zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den gehaten schutter, “wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?”
“Daar het niet anders kan,” hernam Locksley, “wil ik mijn geluk wel beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen.”
“Dat is niet meer dan billijk,” antwoordde Prins Jan, “en het zal u niet geweigerd worden.—Als gij dien snoever overwint, Hubert, zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen.”
“Een man kan niet meer dan zijn best doen,” hernam Hubert; “maar mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw, dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren.”
De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf, maar niet juist in het midden.
“Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert,” zei zijn tegenpartij, den boog spannende, “anders zou het een beter schot geweest zijn.”
Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog, en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt, dan die van Hubert.
“Bij het licht des hemels!” riep Prins Jan tegen Hubert, “zoo gij duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij de galg!”
Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. “En al liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best doen. Echter was mijn grootvader met den boog—”
“De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!” viel de Prins hem in de rede. “Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het zal u kwalijk bekomen!”
Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende, dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn pijl juist in het middelpunt van het wit trof.
Locksley schoot zijn pijl af, zonder zich de moeite te geven om vooraf op het wit te staren.
“Hubert leve! Leve Hubert!” riep het volk, dat meer belang stelde in een bekende dan in een vreemdeling. “In het midden!—in het midden! Leve Hubert!”
“Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley,” zei de Prins met een spotachtigen glimlach.
“Ik zal echter zijn pijl raken,” hervatte Locksley. En zijn pijl met meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken.
“Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed,” fluisterden de schutters elkander toe. “Zulk schieten is nog nooit gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft.”
“En nu,” zei Locksley, “vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,—en welkom ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!”
Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. “Laten uw wachters mij vergezellen,” zei hij, “zoo gij verkiest.—Ik wil maar even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden.”
Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van: “Schande! Schande!” dat de menigte verhief, deed hem van zijn onedelmoedig voornemen afzien.
Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang, volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat, hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. “Wat hem betrof,” voegde hij er bij, “en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop treffen; maar,” ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende, “hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning, al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!”
“Mijn grootvader,” zei Hubert, “spande een goeden boog bij den slag van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten, en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal, als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan.”
“Lafhartige hond!” riep Prins Jan uit. “Locksley, schiet gij maar; en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij, gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid.”
“Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt,” antwoordde Locksley; “niemand kan meer.”
Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede, tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley’s behendigheid zijn afkeer tegen zijn persoon.
“Deze twintig Nobles,” zei hij, “welke gij met den hoorn eerlijk gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken, zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast oog een pijl gericht.”
“Vergeef mij, edele Prins,” zei Locksley; “maar ik heb een gelofte gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder Richard zou zijn. Deze twintig Nobles laat ik aan Hubert over, die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik.”
Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien.
De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. “Zeg den hond,” zei hij, “mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen.”
Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en zich overal verspreidde.
Veertiende Hoofdstuk.
In de hooggewelfde zaal
Van de burgtkasteelen,
Kon men de oude Ridderpraal
Van hun helden-spelen,—
’t Uitgedoste strijdrental,
d’Eedle stoet van vrouwen,
Bij het luid trompetgeschal,
Menigwerf aanschouwen.
Warton.
Prins Jan hield zijn feestelijken maaltijd in het kasteel van Ashby. Dit was niet hetzelfde gebouw, welks trotsche puinhoopen den reiziger nog belang inboezemen, en dat in lateren tijd werd opgericht door Lord Hastings, Groot Kamerheer van Engeland, een der eerste slachtoffers van de dwingelandij van Richard III, en nog beter bekend als een van Shakespeare’s personaadjes, dan door zijn naam in de geschiedenis. Het kasteel en de stad Ashby behoorden in dien tijd aan Roger de Quincy, Graaf van Winchester, die, gedurende den tijd van ons verhaal, in het Heilige land toefde. Prins Jan had intusschen bezit van zijn kasteel genomen, en beschikte naar goedvinden over zijn goederen; en daar hij thans de oogen der wereld door zijne gastvrijheid en pracht trachtte te verblinden, had hij bevel gegeven tot groote toebereidselen, om het feest zoo schitterend mogelijk te maken.
De Hoffouriers van den Prins, die bij deze en andere gelegenheden het volle koninklijke gezag uitoefenden, hadden al, wat zij voor de tafel van hun meester geschikt oordeelden, uit de omstreken geroofd. Er was ook een groote menigte gasten genoodigd; en Prins Jan, zich in de noodzakelijkheid bevindende, om de volksgunst te zoeken, had deze uitnoodigingen tot eenige aanzienlijke Saksische en Deensche familiën uitgestrekt, zoowel als tot de Normandische edelen en heeren uit den omtrek. Hoewel de Angel-Saksers bij gewone gelegenheden veracht en vernederd werden, moest hun groot getal hen natuurlijk geducht maken in de burgerlijke onlusten, die ophanden schenen, en het was noodzakelijk, om de gunst van de voornaamsten onder hen te verwerven.
Het was dus de bedoeling van den Prins, aan welke hij ook gedurende eenigen tijd getrouw bleef, om deze ongewone gasten met eene beleefdheid te behandelen, die zij zelden ondervonden. Maar ofschoon niemand met mindere schroomvalligheid zijne gewoonten en gevoelens naar zijn belang wist te plooien, was het echter het ongeluk van dezen Prins, dat zijne lichtzinnigheid en moedwilligheid gedurig weder boven kwamen, en aan alles weder den bodem insloegen, wat hij door vroegere veinzerij gewonnen had.
Van dezen lichtzinnigen aard gaf hij een merkwaardig bewijs in Ierland, toen hij door zijn vader, Hendrik II, daarheen gezonden werd, om de genegenheid der inwoners van deze nieuwe en gewichtige bezitting der Normandische kroon te winnen. Bij deze gelegenheid wedijverden de Iersche opperhoofden met elkander, om den jongen Prins hun eerbiedige hulde en den vredekus aan te bieden. Maar, in plaats van hunne begroeting met beleefdheid aan te nemen, konden Jan en zijn moedwillig gevolg de verzoeking niet wederstaan, om de Iersche edelen bij hunne lange baarden te trekken, een gedrag, dat, zooals men verwachten kon, de hoogste verontwaardiging wekte bij de beleedigde Ieren, en noodlottige gevolgen had voor de Normandische heerschappij in dat land. Het is noodig, deze wispelturigheid van Jan’s karakter in het oog te houden, om zijn gedrag gedurende den avond, waarvan nu sprake is, verstaanbaar te maken.
Zooals hij zich in meer bedaarder oogenblikken voorgenomen had, ontving Prins Jan Cedric en Athelstane met uitstekende vriendelijkheid, en betuigde zonder eenigen wrevel, zijne teleurstelling, toen de ongesteldheid van Rowena door den eerste als de reden werd opgegeven, waarom zij aan zijne eervolle uitnoodiging niet had kunnen voldoen. Cedric en Athelstane droegen beiden de Saksische kleeding, die, ofschoon op zich zelve niet smakeloos en bij deze gelegenheid uit kostbare stoffen bestaande, zoo zeer in maaksel en voorkomen van die der overige gasten verschilde, dat Prins Jan het zich tot geene geringe verdienste bij Waldemar Fitzurse aanrekende, dat hij niet lachte, bij een gezicht, dat de mode van dien tijd zoo bespottelijk maakte. Evenwel, met het oog van het gezond verstand gezien, was de korte, nauwe tunica en de lange mantel der Saksers bevalliger en gemakkelijker, dan het kostuum der Normandiërs, wier onderkleed uit een lang wambuis bestond, zoo wijd, dat het op een hemd of een voermanskiel geleek, en daarover een nauwe mantel, die noch tegen de koude noch tegen den regen beschermde, en welks eenige doel scheen te zijn, zoo veel bontwerk, borduursel en juweelen ten toon te spreiden, als het vernuft van den kleermaker er met mogelijkheid aan te pas kon brengen. Karel de Groote, onder wiens regeering ze het eerst werd ingevoerd, schijnt de ondoelmatigheid van deze kleeding zeer wel gevoeld te hebben. “In ’s hemels naam,” zeide hij, “waartoe dienen deze korte mantels? Als wij te bed liggen, dekken zij ons niet; te paard geven zij geen bescherming tegen wind en regen; en als wij zitten, beschutten zij onze beenen niet tegen vochtigheid of koude.” In weerwil echter van deze keizerlijke afkeuring, bleven de korte mantels in zwang tot den tijd waarvan wij spreken, en bijzonder onder de Vorsten uit het huis van Anjou. Ze waren dus algemeen in gebruik onder de hovelingen van Prins Jan; en de lange mantel der Saksers werd bijgevolg door hen bespot.
De gasten zaten aan eene tafel, die bijna boog onder de menigte der lekkernijen. De talrijke koks, die den Prins op zijne reis vergezelden, hadden al hunne kunst ingespannen, om de vormen, waarin de gewone spijzen voorgediend werden, te veranderen, en waren er bijna even goed, als de hedendaagsche beoefenaren der kookkunst, in geslaagd, ze geheel onkenbaar te maken. Behalve de schotels van inlandschen oorsprong, waren er verschillende lekkernijen uit vreemde landen aangebracht, en eene weelde van pasteien, taarten en gebak, welke alleen aan de tafels van den hoogsten adel gebruikt werden. De maaltijd werd insgelijks verheerlijkt door de kostelijkste, zoowel in- als uitheemsche wijnen.
Maar de Normandische edelen, hoe weelderig ook, waren over het algemeen niet onmatig. Zij zochten de genoegens der tafel in de keur der spijzen, maar vermeden de overdaad, en plachten den overwonnen Saksers gulzigheid en dronkenschap te verwijten, als ondeugden aan hun minderen stand eigen. Prins Jan, wel is waar, en zij, die zijn gunst bejoegen door zijne zwakheden na te bootsen, waren aan de genoegens der tafel verslaafd, en het is wel bekend, dat zijn dood veroorzaakt werd door het onmatig gebruik van perziken en versch bier. Zijn gedrag was echter eene uitzondering op de algemeene gewoonten zijner landgenooten.
Met geveinsde deftigheid, die alleen afgewisseld werd door stille wenken tegen elkander, aanschouwden de Normandische Ridders en edelen het ruwe gedrag van Athelstane en Cedric bij den maaltijd, aan welks gebruiken en vorm zij niet gewend waren. En terwijl hun gedrag dus het voorwerp der bespotting werd, zondigden de onkundige Saksers, onwetend, tegen verscheidene der willekeurig vastgestelde wetten en regels der welvoegelijkheid.
Het is echter wel bekend, dat een man zich eerder schuldig mag maken aan eene wezenlijke schennis der regels van de beschaving of van de goede zeden, dan onkundig schijnen in het geringste punt der etiquette van de groote wereld. Daarom maakte Cedric, die zich de handen aan een doek afveegde, in plaats van ze te drogen door ze met bevalligheid in de lucht te bewegen, zich belachelijker dan zijn metgezel Athelstane, die alléén een geheele, groote pastei verslond, gevuld met de meest uitgezochte vreemde lekkernijen, een Karum-pastei genoemd. Maar toen men door ernstig heen en weer vragen bevond, dat de heer van Coningsburgh (of de Franklin, zooals de Normandiërs hem noemden) geen begrip had van hetgeen hij verslonden had; en den inhoud van de Karum-pastei voor leeuweriken en duiven hield, terwijl het beccaficos en nachtegalen waren, werd zijne onkunde veel meer bespot dan zijne gulzigheid, die het meer verdiend had.
Het lange feestmaal was eindelijk afgeloopen; en terwijl de beker vrij rond ging, sprak men over de daden van het toernooi—over den Zwarten Ridder, wiens zelfverloochening hem aan de verdiende eer onttrokken had—en over den dapperen Ivanhoe, die de eer van den dag zoo duur gekocht had. Deze onderwerpen werden met de vrijmoedigheid van een krijgsman behandeld, en scherts en gelach vervulden de zaal. Het voorhoofd van Prins Jan alleen was onder deze gesprekken bewolkt; de een of andere zware zorg scheen op zijn gemoed te drukken, en het was slechts na een wenk van zijne vrienden, dat hij belang scheen te stellen in wat rondom hem voorviel. Bij zulke gelegenheden schrikte hij op, ledigde een beker wijn, alsof hij zijn moed daardoor wilde verlevendigen, en mengde zich in het gesprek door eenige afgebroken of zonder samenhang aangebrachte opmerking.
“Wij ledigen dezen beker,” zei hij, “op het welzijn van Wilfrid van Ivanhoe, den overwinnaar in het toernooi, en het spijt ons, dat zijn wond hem van onze tafel afhoudt.—Dat allen op zijne gezondheid de bekers vullen, en vooral Cedric van Rotherwood, de waardige vader van een zoo veel belovenden zoon.”
“Neen, mijn Vorst,” hernam Cedric, opstaande, en zijn beker onaangeroerd op de tafel plaatsende, “ik geef den naam van zoon niet aan den ongehoorzamen jongeling, die mijne bevelen veracht, en de zeden en gewoonten zijner voorvaderen verzaakt.”
“Het is onmogelijk,” riep Prins Jan, met geveinsde verbazing, “dat een zoo dapper ridder een onwaardig of ongehoorzaam zoon zou kunnen zijn!”
“En toch is dit het geval met Wilfrid, mijn Vorst,” hernam Cedric. “Hij heeft mijne vreedzame woning verlaten, om zich onder de weelderige edelen aan het hof uws broeders te mengen, waar hij de ridderkunsten geleerd heeft, waarop gij zoo hoogen prijs stelt. Hij heeft mij tegen mijn wil en mijne bevelen verlaten; en in de dagen van Alfred zou men zooiets ongehoorzaamheid—ja, zelfs een zeer strafbare misdaad genoemd hebben.”
“Ach!” hervatte Prins Jan, met een diepen zucht van geveinsde deelneming; “daar uw zoon mijn ongelukkigen broeder is gevolgd, behoeft men niet te vragen, van waar, of van wien hij de les van kinderlijke ongehoorzaamheid geleerd heeft.”
Zoo sprak Prins Jan, vergetende dat onder alle zonen van Hendrik II, schoon geen van hen vrij van deze misdaad was, hij zich het meest, door oproer en ondankbaarheid tegen zijn vader, onderscheiden had.
“Ik meende,” zei hij na eene korte stilte, “dat mijn broeder voornemens was, zijn gunsteling met de rijke heerlijkheid Ivanhoe te beleenen.”
“Hij heeft hem die geschonken,” antwoordde Cedric, “en het is niet de minste reden die ik heb, om ontevreden te zijn op mijn zoon, dat hij zich verlaagde, om als leenroerig vasal, dezelfde goederen aan te nemen, welke zijne voorvaderen vrij en onafhankelijk bezeten hebben.”
“Wij zullen dus uwe toestemming verkrijgen, geachte Cedric,” zei Prins Jan, “om dit leen aan een persoon te schenken, wiens waardigheid niet zal vernederd zijn, door land van de Britsche kroon te bezitten. Ridder Reginald Front-de-Boeuf,” zei hij, zich tot dien edele wendende, “ik vertrouw, dat gij de schoone heerlijkheid Ivanhoe zóó zult weten te behouden, dat Wilfrid zich zijns vaders ongenoegen niet op den hals zal halen, door ze terug te krijgen!”
“Bij den heiligen Anthonius!” antwoordde de sombere reus, “ik sta toe, dat uwe Hoogheid mij voor een Sakser houde, zoo Cedric, of Wilfrid, of de beste, die ooit Saksisch bloed in de adren had, mij de gift ontwringt, waarmede uwe Hoogheid mij vereerd heeft.”
“Wie u Sakser noemt, ridder,” hernam Cedric, beleedigd door een spreekwijze, waarmede de Normandiërs dikwijls hun gewone verachting jegens de Engelschen uitdrukten, “zal u een even groote als onverdiende eer aandoen.”
Front-de-Boeuf wilde antwoorden; maar de moedwilligheid en lichtzinnigheid van Prins Jan kwamen hem voor.
“Voorzeker, mijn heeren,” zei hij, “de edele Cedric spreekt de waarheid, en zijn geslacht kan den voorrang boven ons eischen, zoo wel om de lengte van hun stamboom, als om die hunner mantels.”
“Zij gaan ons, inderdaad, in het veld vóór,—evenals het wild de honden!” zei Malvoisin.
“En zij hebben groot recht ons voor te gaan,” zei Prior Aymer—“vergeet niet hun meerdere welvoegelijkheid en de bevalligheid hunner manieren!”
“En hun zeldzame onthouding en matigheid!” zei De Bracy, het plan vergetende, dat hem een Saksische bruid beloofde.
“En dan den moed en het beleid,” zei Brian de Bois-Guilbert, “waardoor zij zich te Hastings en elders onderscheidden.”
Terwijl de hovelingen, beurtelings, met een effen en lachend gelaat het voorbeeld van hun Prins volgden, en hun pijlen op Cedric afschoten, werd het gezicht van den Sakser vuurrood van toorn; hij wierp zijn woesten blik van den één op den anderen, alsof de schielijke opvolging van zoo vele beleedigingen hem belette ze dadelijk te beantwoorden; of gelijk een getergde stier, die, door zijne pijnigers omringd, verlegen is, wie onder hen tot het onmiddellijke doel van zijn wraak uit te kiezen.
Eindelijk zich tot Prins Jan wendende, als het hoofd, en de oorzaak der hem aangedane beleediging, zei hij, met een stem, die half door drift gesmoord was: “Welke ook de zwakheden en gebreken van onzen stam mogen geweest zijn, een Sakser zou voor een Niddering1” (de krachtigste uitdrukking voor de uiterste nietswaardigheid), “gehouden zijn, zoo hij in zijne eigene zaal, en terwijl zijn eigen beker rondging, een onschuldigen gast behandeld had, zooals uwe Hoogheid mij heden heeft laten behandelen; en welke ook de ongelukken onzer voorvaderen op het slagveld bij Hastings mogen geweest zijn, moesten zij er tenminste van zwijgen”—en hier zag hij op Front-de-Boeuf en den Tempelier—“die voor weinige uren meer dan éénmaal zadel en stijgbeugel door de lans van een Sakser verloren hebben.”
“Op mijn eer, een bijtende scherts!” zei Prins Jan. “Hoe vindt gij ze, mijn heeren?—Onze Saksische onderdanen nemen toe in geest en moed; zij worden scherp van vernuft en trotsch van gedrag in deze onrustige tijden.—Wat zegt gij, mijn heeren?—Bij het licht des hemels, ik houd het voor het best, dat wij onze galeien weder bestijgen, en bij tijds naar Normandië terugkeeren!”
“Uit vrees voor de Saksers?” zei de Bracy lachende. “Wij zouden geen ander wapen, dan onze jachtsperen noodig hebben, om zulk wild te jagen!”
“Houdt op met uwe scherts, heeren ridders,” zei Fitzurse, “en het ware goed,” voegde hij er bij, zich tot den Prins wendende, “dat uw Hoogheid den waardigen Cedric verzekerde, dat er geen beleedigende bedoeling is in spotternijen, die in het oor van een vreemdeling zeer onaangenaam moeten klinken.”
“Beleediging?” antwoordde Prins Jan, terwijl hij zijn beleefde houding weder aannam; “ik verzeker dat ik er nooit een bedoeld heb, of in mijn tegenwoordigheid toelaten zou.—Hier! ik ledig mijn beker op het welzijn van Cedric zelven, daar hij niet op de gezondheid van zijn zoon wil drinken.”
De beker ging rond, onder de geveinsde toejuiching der hovelingen, welke echter de gewenschte uitwerking op het gemoed des Saksers misten. Hij was van natuur niet scherpzinnig, maar zij, die meenden, dat dit vleiend compliment zijne gevoeligheid over de hem pas aangedane beleediging zou uitwisschen, rekenden zijn verstand toch al te min. Hij zweeg echter, toen de koninklijke beker weder rondging: “Op het welzijn van den ridder Athelstane van Coningsburgh.”
De ridder maakte een buiging, en toonde, dat hij niet ongevoelig was voor die eer, door een grooten beker te ledigen.
“En nu, mijn heeren,” zei Prins Jan, die verhit begon te worden door den wijn, dien hij gedronken had, “daar wij recht hebben laten wedervaren aan onze Saksische gasten, willen wij hen verzoeken, onze beleefdheid te beantwoorden. Waardige Sakser,” ging hij voort, zich tot Cedric wendende, “mag ik u verzoeken ons een Normandiër te noemen, wiens naam uw lippen het minst zal bezoedelen, en met een beker wijn alle bitterheid af te spoelen, welke de klank nog zou achterlaten?”
Terwijl Prins Jan sprak, stond Fitzurse op, en zachtjes achter den stoel van den Sakser tredende, fluisterde hij hem toe, dat hij de gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, om een einde te maken aan de vijandigheid tusschen de twee stammen, door Prins Jan zelven te noemen.
De Sakser antwoordde niet op dezen listigen raad, maar opstaande, en den beker tot den rand toe vullende, sprak hij Prins Jan aldus aan: “Uwe Hoogheid heeft begeerd, dat ik een Normandiër zou noemen, die verdiende, dat wij bij ons feest aan hem dachten. Dit is, waarlijk, een zware taak, daar ze den slaaf oplegt om den lof van zijn meester te verkondigen;—den overwonnene om zijn overwinnaar te prijzen. Echter zal ik een Normandiër noemen,—den eersten in de wapenen en in stand,—den besten en edelsten van zijn stam. En de lippen, die weigeren mij op zijn welverkregen roem bescheid te doen, noem ik valsch en eerloos, en dat wil ik met mijn leven staande houden!—Ik ledig dezen beker op het welzijn van Richard Leeuwenhart!”
Prins Jan, die verwacht had, dat zijn eigen naam de rede van den Sakser zou besluiten, schrikte toen die van zijn beleedigden broeder zoo onverwacht genoemd werd. Hij bracht den beker werktuigelijk naar de lippen, en zette dien dadelijk weder neer, om het gedrag van het gezelschap bij dezen onverwachten feestdronk gade te slaan, daar velen der aanwezigen gevoelden, dat het even gevaarlijk was er aan te voldoen, als het te weigeren. Eenige oude, ervarene hovelingen, volgden getrouw het voorbeeld van den Prins zelven, door den beker naar de lippen te brengen en dien weder voor zich neder te zetten. Er waren echter velen, die door een edelmoediger opwelling medegesleept, uitriepen: “Lang leve Koning Richard! Moge hij ons weldra weder gegeven worden!” Eenige weinigen, waaronder Front-de-Boeuf en de Tempelier, lieten in sombere verachting hun bekers onaangeroerd staan. Maar niemand waagde het rechtstreeks den beker te weigeren, die ter eere van den regeerenden Vorst geledigd moest worden.
Nadat Cedric voor een oogenblik zijn zegepraal genoten had, zei hij tot zijn metgezel: “Kom, edele Athelstane! wij zijn lang genoeg hier gebleven, nu wij de gastvrije beleefdheid van Prins Jan vergolden hebben. Zij, die in het vervolg meer van onze ruwe Saksische manieren willen weten, moeten ons in de huizen onzer vaderen opzoeken; want wij hebben genoeg van koninklijke gastmalen en Normandische wellevendheid gezien.”
Dit zeggende, stond hij op, en verliet de eetzaal, gevolgd door Athelstane en verscheidene andere gasten, die met de Saksers vermaagschapt, zich beleedigd gevoelden door de spotternijen van Prins Jan en zijn hovelingen.
“Bij het gebeente van St. Thomas!” riep Prins Jan, toen zij zich verwijderd hadden, “de Saksische boeren hebben ons de nederlaag gegeven, en zijn zegevierende afgetrokken.”
“Conclamatum est, poculatum est,” zei Prior Aymer, “wij hebben gedronken en zijn luidruchtig geweest;—het wordt tijd, dat wij de wijnflesschen verlaten.”
“De monnik heeft de eene of andere schoone boetvaardige, die heden avond bij hem biechten moet, daar hij zooveel haast maakt!” zei de Bracy.
“Dat niet, heer ridder,” hernam de abt; “maar ik moet dezen avond nog eenige mijlen van mijne terugreis afleggen.”
“Zij gaan al weg,” fluisterde de Prins Fitzurse toe; “hun vrees loopt de gebeurtenissen vooruit, en deze lafhartige Prior is de eerste, die mij verlaat.”
“Vrees niet, mijn Vorst,” zei Waldemar; “ik zal hun redenen geven, die hen zullen nopen bij onze bijeenkomst te York tegenwoordig te zijn.—Heer Prior,” zei hij, “ik moet u alléén spreken, voordat gij te paard stijgt.”
De andere gasten gingen nu spoedig uiteen, behalve zij, die onmiddellijk tot de partij, of tot het gevolg van Prins Jan behoorden.
“Dit is dan de uitslag van uw raad,” zei de Prins, een vertoornden blik op Fitzurse werpende, “dat een dronken Saksische boer mij op mijn eigen gastmaal trotseert, en dat, bij den enkelen naam van mijn broeder, de menschen van mij afvallen, als van een melaatsche.”
“Geduld, mijn Vorst,” hernam zijn raadgever; “ik zou u ook kunnen beschuldigen, en de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid berispen, welke mijn plan hebben doen mislukken, en uw eigen beter oordeel op het dwaalspoor hebben geleid; maar dit is geen tijd, om elkander verwijten te doen. De Bracy en ik zullen ons dadelijk onder deze lafaards begeven, en hen overtuigen, dat zij te ver zijn gegaan, om terug te treden.”
“Het zal vruchteloos zijn,” zei Prins Jan, terwijl hij met ongelijke schreden door het vertrek stapte, en met eene hevigheid sprak, waartoe de wijn, dien hij gedronken had, gedeeltelijk bijdroeg.—“Het zal vruchteloos zijn;—ze hebben het schrift aan den muur gezien;—ze hebben de voetstappen van den leeuw in het zand bespeurd;—ze hebben zijn naderend gebrul door het woud hooren weergalmen;—niets zal hun moed weder verlevendigen!”
“Gave God!” zei Fitzurse tot De Bracy, “dat iets zijn moed verlevendigen kon! De enkele naam van zijn broeder jaagt hem de koorts op het lijf. Ongelukkig de raadslieden van een Vorst, wien moed en volharding geheel ontbreken, zoowel ten goede als ten kwade!”
1 Er werd bij de Saksers niets voor zoo schandelijk gehouden, als dezen scheldnaam te verdienen. Zelfs Willem de Veroveraar, hoe gehaat hij bij hen was, kreeg een groot aantal Angel-Saksers onder zijn vaandels, door hen, die te huis wilden blijven, als Nidderings te brandmerken. Bartholinus maakt, gelijk ik meen, van een soortgelijk woord melding, dat dezelfde uitwerking op de Denen had.—Schrijver.