Achttiende Hoofdstuk.
Nu slingert onze tocht door diepe kloof en dalen,
Waar reeën dartelend’ bij haar schuwe moeders dwalen,
De hooge en statige eik zijn takken overhangt,
Wiens breed gevormde kruin het daglicht ondervangt.
Kom haastig, haastig voort: ’t zijn liefelijke wegen
Zoo lang de lieve zon is op haar troon gestegen;
Maar minder aangenaam en veilig, als de maan
Haar twijfelachtig licht werpt door de donkre blaân.
Het Woud van Ettrick.
Toen Cedric de Sakser zijn zoon bewusteloos in het strijdperk te Ashby zag nedervallen, was zijn eerste natuurlijke opwelling, hem der oppassing en zorg zijner bedienden aan te bevelen; maar de woorden bleven hem in de keel. Hij kon er niet toe besluiten, om in tegenwoordigheid van zulk gezelschap, zijn zoon, dien hij verstooten en onterfd had, weder aan te nemen. Echter beval hij Oswald hem in het oog te houden en zond den schenker met twee zijner lijfeigenen om Ivanhoe naar Ashby te brengen, zoodra de menigte verstrooid zou zijn. Maar iemand anders was Oswald in deze zorg voor geweest. De menigte ging wel uiteen; maar de ridder was nergens te zien.
Te vergeefs zocht Cedric’s schenker naar zijn jongen meester:—hij zag de bebloede plek, waar hij kort te voren was nedergezonken, maar hij zelf was niet meer te vinden; het was alsof men hem door tooverij had weggevoerd. Misschien zou Oswald zoo iets verondersteld hebben (want de Saksers waren zeer bijgeloovig), om Ivanhoe’s verdwijning te verklaren, ware niet plotseling zijn oog gevallen op iemand, in de kleeding van een schildknaap, in wien hij weldra zijn dienstmakker Gurth herkende. Vol zorg over het lot van zijn meester, en wanhopig over zijne plotselinge verdwijning, zocht hem de vermomde zwijnenhoeder overal, en had dus de geheimhouding van zijne rol, waaraan zijn eigene veiligheid afhing, uit het oog verloren. Oswald achtte het zijn plicht Gurth in verzekerde bewaring te nemen, als een vluchteling, over wiens lot zijn meester beslissen moest.
Zijne nasporingen aangaande Ivanhoe’s lot vervolgende, kon de schenker geen ander bericht dienaangaande van de omstanders verkrijgen, dan dat de ridder door zekere welgekleede bedienden zorgvuldig opgenomen, op een draagbaar geplaatst, die aan eene dame onder de toeschouwers toebehoorde, en oogenblikkelijk uit het gedrang weggevoerd was. Na deze opheldering ontvangen te hebben, besloot Oswald tot zijn meester terug te keeren, om hem zelf verdere nasporingen te laten doen, terwijl hij Gurth, dien hij als overlooper uit Cedric’s dienst beschouwde, medevoerde.
De Sakser was in grooten angst over het lot van zijn zoon geweest; want de natuur had hare rechten, in weerwil van het stoïcisme, hetwelk die verloochenen wilde, gehandhaafd. Maar nauwelijks had hij vernomen dat Ivanhoe in goede handen was,—en waarschijnlijk in die van vrienden,—of de vaderlijke angst, door het onzekere van zijn lot opgewekt, week voor het gevoel van beleedigden hoogmoed, en voor de herinnering aan hetgeen hij Wilfrids kinderlijke ongehoorzaamheid noemde. “Men late hem aan zijn lot over,” zei hij; “mogen diegenen zijne wonden genezen, voor wie hij ze ontvangen heeft. Hij is beter geschikt, om de dwaasheden der Normandische ridderschap na te volgen, dan om den roem en de eer zijner Saksische voorouders met het zwaard en den knots, de goede oude wapens van zijn vaderland, te handhaven.”
“Als het genoeg is,” zei Rowena, die tegenwoordig was, “de eer zijner voorouders te handhaven, door wijs te zijn in raad, en moedig in de daad,—door de stoutste onder de stouten, en de edelste onder de edelen te zijn; dan ken ik niemand, behalve zijn vader”—
“Stil, Rowena!—over dit onderwerp alleen, wil ik u niet aanhooren. Maak u gereed voor het feest van den Prins; wij zijn genoodigd met buitengewone bewijzen van eer en hoffelijkheid,—die de hooghartige Normandiërs, sedert den noodlottigen slag bij Hastings, zelden jegens ons geslacht bezigden. Ik zal gaan, al ware het slechts om de trotsche Normandiërs te toonen, hoe weinig het lot van een zoon, die de dappersten hunner kan verslaan, den Sakser kan aandoen.”
“Ik ga niet daarheen,” zei Rowena; “en ik bid u neem u in acht, opdat, wat gij moed en standvastigheid noemt, u niet als ongevoeligheid van hart worde toegerekend.”
“Blijf dan te huis, ondankbare,” antwoordde Cedric; “gij hebt een ongevoelig hart, dat het welzijn van een onderdrukt volk aan eene ijdele en onverstandige liefde kan opofferen. Ik wil mij bij den edelen Athelstane vervoegen, en met hem het gastmaal van Jan van Anjou bijwonen.”
Hij ging dus naar het feest, waarvan wij de voornaamste gebeurtenissen hebben vermeld. Zoodra zij het kasteel verlaten hadden, stegen de Saksische Thanes met hun gevolg te paard en onder de drukte, die hiermede gepaard ging, viel Cedric’s oog voor het eerst op den overlooper Gurth. De edele Sakser had, gelijk wij gezien hebben, in geen zeer zachte gemoedsstemming het feest verlaten, en het ontbrak hem slechts aan een voorwendsel, om zijn verdriet op iemand uit te storten.
“De boeien!” riep hij uit, “de boeien!—Oswald!—Hundibert!—Honden en schurken! waarom laat gij den schelm ongeketend?”
Gurths makkers bonden hem met een halster, het eerste, wat zij bij de hand hadden, zonder dat iemand het waagde een woord voor hem in te brengen. Hij onderwierp zich zonder tegenstand; maar een verwijtenden blik op zijn meester vestigende, zei hij: “Dat komt er van, dat ik uw vleesch en bloed liever heb dan het mijne.”
“Te paard en voorwaarts!” zei Cedric.
“Het wordt waarlijk hoog tijd!” zei de edele Athelstane; “want indien wij niet vlug aanrijden, zullen de toebereidselen van den eerwaarden abt Waltheoff voor een na-avondmaaltijd1 vergeefs zijn.”
Onze reizigers maakten echter zoo veel spoed, dat zij St. Withold’s klooster bereikten, eer de gevreesde ramp plaats had. De abt, die zelf uit een oud Saksisch geslacht sproot, ontving den edelen Sakser met de gulle en kwistige gastvrijheid aan dit volk eigen, die hen tot laat in den nacht, of liever tot den vroegen morgen ophield, en zij namen zelfs toen geen afscheid van hun eerwaarden gastheer, voordat zij nog een prachtig ontbijt met hem gebruikt hadden.
Juist toen de stoet de plaats van het klooster verliet, gebeurde er iets, dat de Saksers eenigszins verontrustte; want, onder alle Europeesche volken, waren zij het sterkste gehecht aan een bijgeloovig vertrouwen op voorteekens; en de meeste trekken van dien aard, die onder onze volks-oudheden overgebleven zijn, kunnen tot op hun tijd nagespoord worden; daar de Normandiërs, die een vermengd volk waren, en reeds in die tijden beter onderricht, vele der vooroordeelen afgelegd hadden, die hun voorouders uit Scandinavië hadden medegebracht, en dus ook beweerden, op dergelijke punten groote vrijgeesten te zijn.
In het tegenwoordig geval werd de vrees voor eenig naderend gevaar ingeboezemd door een eerbiedwaardigen profeet in de gestalte van een grooten, mageren, zwarten hond, die op zijne achterpooten zittende, jammerlijk huilde, toen de eerste ruiters de poort uitreden, en vervolgens met woest geblaf heen en weer sprong, voornemens naar het scheen het gezelschap te volgen.
“Die muziek behaagt mij niet, vader Cedric,” zei Athelstane; want met dezen eeretitel was hij gewoon hem aan te spreken.
“En mij even weinig, oom,” zei Wamba, “ik vrees dat wij—”
“Naar mijn oordeel,” zei Athelstane, op wiens geheugen het goede bier van den abt een aangenamen indruk had gemaakt (want Burton was reeds beroemd voor dezen drank), “zouden wij beter doen, als wij terugkeerden, en tot den namiddag bij den abt bleven:—men reist ongelukkig, wanneer men zijn tocht vóór den volgenden maaltijd voortzet, indien men een monnik, een haas, of een huilenden hond heeft ontmoet.”
“Voorwaarts maar!” riep Cedric ongeduldig. “De dag is nu al te kort voor de reis. Wat den hond betreft, ik herken hem voor dien van den weggeloopen slaaf Gurth, een ondeugende vluchteling, evenals zijn meester.”
Dit zeggende, verhief hij zich in de stijgbeugels, en ongeduldig over het oponthoud, wierp hij zijn spies naar den armen Fangs;—want Fangs was het, die, zijn meester tot dusver op zijn tocht gevolgd hebbende, hem hier verloren had, en nu op zijne ruwe manier zijn blijdschap over zijn bijzijn te kennen gaf. De spies wondde het dier in den schouder en had het bijna aan den grond genageld. Fangs ontvluchtte huilende de tegenwoordigheid van den woedenden Thane. Gurths hart kromp ineen; want hij was gevoeliger over dezen voorgenomen moord van zijn getrouwen makker, dan over de wreede behandeling, die hij zelf ondergaan had. Na te vergeefs beproefd te hebben zijn hand aan de oogen te brengen, zei hij tot Wamba, die zoodra hij de slechte luim van zijn meester ontwaarde, zich voorzichtig bij de achterhoede gevoegd had: “Ik bid u, wees zoo goed en veeg mij de oogen af met de slip van uw mantel; het stof hindert mij, en deze banden veroorlooven mij niet mij zelven, op de eene of andere manier, te helpen.”
Wamba bewees hem den gevraagden dienst, en zij reden eenigen tijd naast elkander, terwijl Gurth een somber stilzwijgen bewaarde. Eindelijk kon hij zijn gevoeligheid niet langer onderdrukken.
“Vriend Wamba,” zei hij; “onder al degenen, die dwaas genoeg zijn om Cedric te dienen, kent gij alleen de kunst, om hem uw dwaasheid aangenaam te maken. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth hem niet langer wil dienen, noch uit liefde, noch uit vrees. Hij mag mij het hoofd afslaan,—hij mag mij laten geeselen,—hij mag mij met ketenen beladen;—maar, van heden af, zal hij mij nooit kunnen dwingen, hem te beminnen, of te gehoorzamen. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth, de zoon van Beowolf, zijn dienst verzaakt.”
“Waarachtig,” zei Wamba, “in weerwil van al mijne dwaasheid, zal ik uwe dwaze boodschap niet doen. Cedric heeft nog eene werpspies in den gordel, en gij weet, hij mist niet altijd het doel!”
“Het is mij onverschillig,” hernam Gurth, “hoe spoedig hij mij tot zijn doelwit verkiest te maken. Gisteren liet hij Wilfrid, mijn jongen meester, in zijn bloed liggen. Heden heeft hij gepoogd het éénige levend wezen, dat mij ooit vriendschap betoonde, voor mijn aangezicht te dooden. Bij St. Edmond, St. Dunstan, St. Withold, St. Eduard den Martelaar, en alle Saksische heiligen ter wereld,” (want Cedric zwoer nooit bij een heilige, die niet van Saksischen oorsprong was, en zijn geheele huisgezin volgde zijn voorbeeld): “ik vergeef het hem nooit!”
“Naar het mij toescheen,” zei de nar, die dikwijls als vredemaker in de familie handelde, “was het de bedoeling van onzen heer niet, om Fangs te raken, maar alleen om hem te verschrikken. Want, misschien hebt ge ook opgemerkt, dat hij zich in de stijgbeugels verhief omdat hij voornemens was over den hond heen te werpen; en dat zou hij ook gedaan hebben; maar, daar Fangs op hetzelfde oogenblik opsprong, kreeg hij een schram, die ik met niet meer pik, dan men op een duit leggen kan, aanneem dadelijk te genezen.”
“Dacht ik er maar zóó over,” zeide Gurth;—“konde ik er slechts zóó over denken;—maar neen;—ik zag dat de spies wèl gemikt was;—ik hoorde ze door de lucht suizen, met al de vertoornde kwaadwilligheid van hem, die ze wierp, en ze trilde nadat ze in den grond geboord was, als uit nijd dat ze haar doel gemist had. Bij het varken, zoo dierbaar aan St. Anthonius, ik verzaak hem!”
De verontwaardigde zwijnenhoeder verviel hierop weder in een norsch stilzwijgen, dat geene pogingen van den nar hem overhalen konden te verbreken.
Intusschen spraken Cedric en Athelstane, de aanvoerders van den stoet, te zamen over den staat van het land, over de oneenigheden der koninklijke familie, over de veeten en twisten der Normandische edelen, en over de kans, die de onderdrukte Saksers hadden, om zich van het Normandische juk te bevrijden, of zich ten minste tot een staat van aanzien en onafhankelijkheid gedurende de burgeroorlogen, die waarschijnlijk zouden uitbreken, te verheffen. Bij de behandeling van dit onderwerp was Cedric vol vuur. De herstelling der onafhankelijkheid van zijn geslacht was de afgod van zijn hart, waaraan hij gaarne zijn geheel huiselijk geluk en de belangen van zijn eigen zoon opgeofferd had. Maar om deze omwenteling ten voordeele van de Britsche inboorlingen te bewerken, moest men noodzakelijk onderling vereenigd zijn, en onder één erkend opperhoofd handelen. De noodzakelijkheid om een opperhoofd uit het Saksische koninklijke huis te kiezen, was niet slechts in zich zelve duidelijk, maar was tevens als eene plechtige voorwaarde aangenomen door hen, aan wie Cedric zijn geheime plannen en zijne hoop had medegedeeld. Athelstane bekleedde ten minste dezen rang: en ofschoon hij weinig verstandelijke vermogens en talenten bezat, die hem als aanvoerder aanbevalen, had hij echter een indrukwekkend uiterlijk, was geen lafaard, aan krijgsoefeningen gewoon, en wel gezind, naar het scheen, om het oor te leenen aan raadgevers, die verstandiger waren dan hij zelf. Bovenal, kende men hem als mild en gastvrij, en men geloofde, dat hij ook zeer goedaardig was. Maar welke aanspraken Athelstane ook bezat, om als het hoofd van het Saksisch verbond te worden aangemerkt, waren echter velen dier natie geneigd, om het recht der Jonkvrouw Rowena boven het zijne te stellen; want zij stamde van Alfred af; haar vader was een opperhoofd geweest, wegens wijsheid, moed en zijn edel karakter beroemd, en zijne nagedachtenis werd door zijne onderdrukte landgenooten zeer vereerd.
Het ware niet moeielijk voor Cedric geweest, indien hij het gewild had, om zich aan het hoofd eener derde partij te plaatsen, welke ten minste even geducht was, als ééne der beide anderen. Om tegen de koninklijke afkomst op te wegen, bezat hij moed, werkzaamheid, geestkracht, en bovenal een vurige verknochtheid aan de zaak, waardoor hij den eernaam van “de Sakser” verworven had, en wat geboorte betrof, behoefde hij op dat punt voor niemand onder te doen, dan voor Athelstane en zijne pupil. Deze edele hoedanigheden waren echter niet door den minsten zweem van baatzucht ontsierd; en, in plaats van zijne reeds zwakke natie nog meer te verdeelen, door eene partij voor zichzelven te vormen, was het Cedric’s hoofddoel, de reeds bestaande partijen door een huwelijk tusschen Rowena en Athelstane te vereenigen. Er ontstond eene zwarigheid tegen dit, zijn geliefkoosd voornemen, in de wederkeerige liefde van zijne pupil en zijn zoon, en dit was de eerste aanleiding tot de verbanning van Wilfrid uit het vaderlijke huis geweest.
Dezen gestrengen maatregel had Cedric genomen in de hoop, dat, gedurende Wilfrids afwezigheid, Rowena hare genegenheid zou vergeten; maar in deze hoop werd hij bedrogen, eene teleurstelling, die gedeeltelijk kon worden toegeschreven aan de wijze, waarop het meisje was opgevoed. Cedric, voor wien de naam van Alfred die eener godheid was, had de eenig overblijvende spruit van dien grooten vorst met een vereering behandeld, welke in die dagen nauwelijks aan eene erkende prinses betoond werd. Rowena’s wil was, in bijna alle gevallen, een wet bij hem in huis geweest; en Cedric zelf, alsof hij besloten had, dat hare oppermacht, ten minste in dien kleinen kring, volkomen erkend zou worden, scheen er trotsch op te zijn, als de eerste harer onderdanen op te treden. Rowena, dus niet alleen aan een vrijen wil, maar ook aan een willekeurig gezag gewend, was door hare vroegere opvoeding geneigd iedere poging te weêrstaan, om hare neiging tegen te werken, of om tegen haren zin over hare hand te beschikken; en scheen besloten hare onafhankelijkheid te handhaven in een geval, waarin zelfs vrouwen, die aan gehoorzaamheid en onderwerping gewoon zijn, aan voogden en ouders zoo dikwerf hun gezag betwisten. Zij kwam rond voor de gevoelens uit, die ze zoo vurig koesterde, en Cedric, die zich niet kon vrij maken van zijn gewone inschikkelijkheid jegens haar, was verlegen, hoe hij zijn invloed als voogd zou doen gelden.
Het was te vergeefs, dat hij beproefde haar te overreden door het vooruitzicht op een toekomstigen troon. Rowena, die veel gezond verstand bezat, beschouwde zijn plan noch als mogelijk, noch als wenschelijk, voor zoover ze er in betrokken was, al had het overigens ook tot stand kunnen gebracht worden. Zonder te trachten hare erkende liefde tot Wilfrid van Ivanhoe te verbergen, verklaarde zij, dat, al bleef haar beminde ridder van haar gescheiden, ze liever toevlucht in een klooster wilde nemen, dan een troon met Athelstane deelen, dien ze altijd veracht had, en nu oprecht begon te haten, wegens het verdriet, dat ze om zijnentwille moest uitstaan.
In weerwil van dit alles volhardde Cedric, die geen hoog denkbeeld van vrouwelijke standvastigheid koesterde, in het beproeven van alle middelen, om het voorgenomen huwelijk, waardoor hij begreep een gewichtigen dienst aan de zaak der Saksers te doen, tot stand te brengen. De plotselinge, avontuurlijke verschijning van zijn zoon in het strijdperk te Ashby, had hij terecht beschouwd, als bijna den doodsteek voor zijne hoop. Zijn vaderlijke liefde had, wel is waar, voor één oogenblik de overhand gekregen op hoogmoed en vaderlandsliefde; maar beiden waren nu weder ontwaakt, en hij was voornemens eene beslissende poging tot de verbintenis van Athelstane en Rowena te doen, en tegelijk alle andere maatregelen te bevorderen, die noodzakelijk schenen, om de Saksische onafhankelijkheid te herstellen.
Over dit laatste onderwerp sprak hij nu met Athelstane, van tijd tot tijd, even als Hotspur, het bejammerende, dat “zulk een schotel vol water en melk” tot zulk een eervol werk moest gebezigd worden. Athelstane was, wel is waar, ijdel genoeg, en liet gaarne zijne ooren streelen met verhalen van zijne hooge afkomst, en van zijn erfelijk recht op hulde en oppermacht. Maar zijne kleingeestige ijdelheid was voldaan, indien hij deze hulde van zijne onmiddellijke onderhoorigen en van de Saksers, die hem naderden, ontving. Al had hij ook den moed om het gevaar te trotseeren, zoo vreesde hij toch de moeite, om het te gaan opzoeken; en terwijl hij de algemeene stellingen van Cedric, omtrent de aanspraken der Saksers op onafhankelijkheid, toestemde, en nog meer overtuigd was van zijn eigen recht om hen te beheerschen, in geval ze deze onafhankelijkheid verwierven, bleef hij toch altijd, wanneer men over de middelen beraadslaagde om deze eischen te handhaven, “Athelstane de Besluitelooze,”—traag, aarzelend, dralend en weifelachtig. De vurige en driftige vermaningen van Cedric hadden even weinig uitwerking op zijn ongevoelig karakter, als gloeiende kogels, die in het water vallende, een weinig gedruisch en rook voortbrengen, en oogenblikkelijk uitgebluscht worden.
Toen Cedric deze taak,—die veel op het aansporen van een vermoeid ros, of het smeden van koud ijzer geleek,—liet varen, en zich tot zijn pupil Rowena wendde, vond hij weinig meer voldoening in het onderhoud met haar; want, daar zijne tegenwoordigheid het gesprek afbrak tusschen de Jonkvrouw en haar vertrouwde over de dapperheid en het lot van Wilfrid, liet Elgitha niet na, hare meesteres en zich zelve te wreken, door over het bezwijken van Athelstane in het strijdperk te spreken, het onaangenaamste onderwerp, dat Cedric’s ooren treffen kon. Voor dezen koppigen Sakser werd dus de reis op alle mogelijke wijze verbitterd; zoodat hij, meer dan eens, inwendig het toernooi, hem, die het ingesteld had, en zijne eigene dwaasheid, dat hij er heen gegaan was, verwenschte.
Tegen den middag hielden de reizigers, op voorstel van Athelstane, bij een bron, in den lommer van het woud stil, om hunne paarden te laten rusten, en om zelve eenige ververschingen te gebruiken, waarmede de gastvrije abt een muilezel beladen had. Hun maaltijd duurde vrij lang, en deze verschillende oponthouden maakten het hun onmogelijk, Rotherwood te bereiken, zonder den geheelen nacht door te reizen;—eene omstandigheid, die hen aanspoorde om hun weg schielijker, dan tot dusver, voort te zetten.
1 Een na-avondmaal was een nachtmaaltijd, en beteekende soms een gastmaal op een laat uur gegeven, nadat het eigenlijk avondeten reeds gedaan was.
Schrijver.
Negentiende Hoofdstuk.
Een bende krijgsvolk, dat een eedle Jonkvrouwe
Bewaakt, gelijk ik daar vernomen heb,
Terwijl ik de achterhoede heimlijk volgde,
Is ginds in aantocht naar dit burgslot,
Om te overnachten.
Orra, een Treurspel.
De reizigers hadden nu de grenzen van het woud bereikt, en waren op het punt zich in het dichtste gedeelte er van te begeven, dat op dien tijd voor gevaarlijk gehouden werd wegens het groote aantal vrijbuiters, welke onderdrukking en armoede tot wanhoop gedreven hadden, en die de bosschen in zulke groote benden bezetten, dat zij gemakkelijk de zwakke rustbewaarders van die dagen konden trotseeren. Tegen deze roovers echter rekenden Cedric en Athelstane zich bestand, in weerwil van het late uur, daar zij tien bedienden in hun gevolg hadden, behalve Wamba en Gurth, op wier hulp men geen staat kon maken, daar de één een nar en de andere een gevangene was. Men kan er bijvoegen, dat, zoo laat door het woud reizende, Cedric en Athelstane niet minder op hunne afkomst en hun naam steunden, dan op hun moed. De vogelvrij-verklaarden, die de gestrengheid der jachtwetten tot dit wanhopige rooversleven gebracht had, waren voornamelijk boeren en pachters van Saksischen stam, en men geloofde in het algemeen, dat zij de personen en het eigendom hunner landslieden eerbiedigden.
Terwijl de reizigers hun weg voortzetten, werden zij door een herhaald geroep om hulp verschrikt; en naar de plaats rijdende, van waar het kwam, zagen zij, tot hunne verbazing, een draagkoets op den grond staan, waarnaast een jong meisje zat, dat rijk, op Joodsche wijze gekleed was, terwijl een oud man, wiens gele muts aanduidde, dat hij tot dezelfde natie behoorde, op en neder ging, met gebaren van de grootste wanhoop, en de handen wrong, alsof hem een groot ongeluk was overkomen.
Op de vragen van Athelstane en Cedric kon de oude Jood gedurende eenigen tijd alleen antwoorden door de bescherming van alle aartsvaders van het Oude Testament, na elkander aan te roepen, tegen de zonen van Ismaël, die gekomen waren, om hem aan de scherpte van het zwaard over te leveren. Toen hij van zijn overmatigen schrik begon te herstellen, was Izaäk van York (want het was onze oude vriend), eindelijk in staat te vertellen, dat hij te Ashby eene lijfwacht van zes man gehuurd had, met muilezels, om de draagkoets van een zieken vriend te geleiden. Deze troep had aangenomen hem tot Doncaster te vergezellen. Zij waren tot zoover veilig gekomen; maar door een houthakker onderricht zijnde, dat er eene sterke bende vrijbuiters in het bosch vóór hen op de loer lag, hadden Izaäks huurlingen niet alleen de vlucht genomen, maar ook de ezels medegenomen, welke de draagkoets droegen, en den Jood en zijne dochter zonder middelen gelaten, om zich te verdedigen of om weg te komen, zoodat zij waarschijnlijk geplunderd en vermoord zouden worden door de bandieten, die, zooals ze verwachtten, ieder oogenblik op hen aanvallen zouden. “Zoo het den heeren ridders maar behaagde,” voegde Izaäk er bij, op een toon van groote nederigheid, “den armen Joden te vergunnen, onder hunne vrijgeleide te reizen, zoo zweer ik bij de twaalf tafels onzer wet, dat er aan een kind van Israël sedert de dagen der ballingschap, nooit een gunst bewezen is, welke met meer dank beloond werd.”
“Hond van een Jood!” zei Athelstane, wiens geheugen van dien kleingeestigen aard was, dat het alle kleinigheden en vooral beuzelachtige beleedigingen onthield, “herinnert gij u niet, hoe gij ons in de galerij bij het toernooi getrotseerd hebt? Vecht of vlucht, of maak een overeenkomst met de vrijbuiters, zoo goed gij kunt;—vraag ons niet om gezelschap of hulp; en indien zij alleen zulke menschen berooven, als gij zijt, die de geheele wereld bestelen, dan zal ik hen voor zeer eerlijke lieden houden.”
Cedric stemde niet in met het harde oordeel van zijn makker. “Wij zullen beter doen,” zei hij, “met hun twee van onze bedienden en een paar paarden te geven, om hen naar het naaste dorp terug te brengen. Dat zal onze macht slechts weinig verzwakken; en met uw goed zwaard, edele Athelstane, en met behulp van de overblijvenden, zal het ons licht vallen, twintig van deze landloopers de spits te bieden.”
Rowena, eenigszins verontrust, toen ze hoorde, dat er een zoo groot getal vrijbuiters in de nabijheid was, ondersteunde met kracht het voorstel van haar voogd. Maar Rebekka, plotseling de plaats, waar ze zat, verlatende, en zich een weg door het gevolg heen naar het paard der Saksische dame banende, knielde neder, en kuste, volgens de Oostersche gewoonte, als men zijn meerderen aanspreekt, de slip van Rowena’s gewaad. Toen opstaande, en haar sluier terugslaande, smeekte zij haar, in den naam van dien grooten God, welken zij beiden aanbaden, en bij de openbaring van die wet, aan welke ze beiden geloofden, medelijden met hen te hebben, en hun te vergunnen, onder hun geleide verder te reizen. “Het is niet voor mij zelve, dat ik deze gunst verzoek,” zei Rebekka; “en niet eens voor dezen armen grijsaard. Ik weet, dat het bij de Christenen eene geringe misdaad, zoo niet eene verdienste is, om ons volk te onderdrukken en te plunderen; en wat kan het ons schelen, of het in de stad, in de woestijn, of in het veld gebeurt? Maar het is in den naam van iemand, die dierbaar is aan velen, en zelfs dierbaar aan u, dat ik u smeek, om dezen zieke met zorg en oplettendheid onder uwe bescherming te laten vervoeren. Want, zoo hem eenig ongeluk overkwam, zou het laatste oogenblik van uw leven nog verbitterd worden, door het berouw van mij mijne bede geweigerd te hebben.”
De edele en plechtige houding, waarmede Rebekka dit verzoek deed, gaf er dubbel gewicht aan bij de Saksische schoone.
“De man is oud en zwak,” zei zij tot haar voogd, “het meisje is jong en schoon; hun vriend ziek en in levensgevaar; hoewel het Joden zijn, kunnen wij, als Christenen, hen in dezen uitersten nood niet verlaten. Men moet twee pakezels ontladen, en de bagaadje aan twee der lijfeigenen geven. De muilezels kunnen voor de draagkoets geplaatst worden, en wij hebben paarden voor den grijsaard en zijne dochter.”
Cedric stemde gereedelijk in haar voorstel toe, en Athelstane voegde er slechts de woorden bij: “Dat zij bij de achterhoede moesten reizen, waar Wamba hen met zijn schild van hout kon beschermen.”
“Ik heb mijn schild op het toernooiveld verloren,” hervatte de nar, “evenals menig ander en beter ridder dan ik.”
Athelstane werd vuurrood, want dit was het geval met hem geweest op den laatsten dag van het toernooi, terwijl Rowena, aan wie deze spotternij goed beviel, en als het ware om de lompe scherts van haar ongevoeligen minnaar weder goed te maken, Rebekka verzocht, naast haar te rijden.
“Dat zou mij niet passen,” antwoordde Rebekka met trotsche nederigheid, “daar mijn gezelschap mijne beschermster tot schande zou kunnen aangerekend worden.”
Intusschen was de bagaadje reeds overgepakt, want het bloote woord “vrijbuiters” maakte iedereen bijzonder vlug, en het naderen der schemering vermeerderde nog den schrik. Onder het gewoel werd Gurth van het paard genomen, en hij verzocht den nar hem een weinig losser te binden. Het touw werd, misschien voorbedacht, zoo slecht door Wamba weder vastgemaakt, dat Gurth er geen zwarigheid in vond, om zijn armen geheel vrij te maken, en hierop in het bosch sluipende, ontsnapte hij uit het gezelschap.
De drukte was groot geweest, en het duurde eenigen tijd eer Gurth gemist werd; want daar hij, gedurende het overige van de reis, achter een knecht zou rijden, veronderstelde ieder, dat een of ander zijner makkers hem in bewaring had, en toen zij eindelijk elkander toefluisterden, dat Gurth wezenlijk verdwenen was, waren zij in de verwachting van zoo spoedig door de roovers aangevallen te worden, dat men niet veel acht sloeg op dit voorval.
Het pad, waarlangs de troep voortreisde, was thans zoo smal, dat er niet veel meer dan twee ruiters naast elkander konden rijden, en het daalde in een nauw dal neder, dat van een beek doorsneden werd, wier oevers afgespoeld, moerassig, en met kleine wilgenboomen bewassen waren. Cedric en Athelstane, die aan het hoofd van den stoet waren, begrepen, hoe groot het gevaar was, als zij in dezen nauwen pas aangevallen werden; maar daar geen van beiden veel ervaring in den oorlog had, kenden zij geen beter middel om het gevaar te voorkomen, dan zoo schielijk mogelijk voort te rijden. Daarom, zonder veel orde voorwaarts trekkende, waren zij juist met een gedeelte van hun gevolg over de beek gegaan, toen zij tegelijk van voren, van achteren en van beide zijden, met een geweld aangevallen werden, waaraan zij in hun verwarden en slecht voorbereiden toestand onmogelijk krachtigen weerstand konden bieden. Het geroep van: “Een witte draak!—Een witte draak! Sint Georg en oud Engeland!” een krijgsgeschreeuw door de aanvallers aangenomen, als behoorende tot hun aangenomen karakter van Saksische vogelvrij verklaarden, werd van alle kanten gehoord, en van alle kanten verschenen vijanden met eene snelheid, welke hun getal scheen te vermenigvuldigen.
De beide Saksische opperhoofden werden op hetzelfde oogenblik gevangen gemaakt, en ieder onder omstandigheden, die volkomen met zijn karakter overeenstemden. Cedric wierp, zoodra een vijand verscheen, zijn nog overgebleven werpspies op hem, welke, een krachtigere uitwerking hebbende, dan die, welke hij op Fangs gericht had, den man tegen een eikenboom, die toevallig achter hem stond, vastprikte. Tot zoover gelukkig, spoorde Cedric zijn paard, tegen een tweeden vijand, terwijl hij zijn zwaard trok, en met zulke onbedachtzame woede toesloeg, dat zijn kling in een dikken, boven hem hangenden tak zitten bleef, zoodat hij door het geweld van zijn eigen slag ontwapend werd. Hij werd dus dadelijk gevangen genomen, en van zijn paard getrokken door eenige bandieten, die zich om hem heen drongen. Athelstane deelde zijn gevangenschap, daar men de teugels uit zijn hand gerukt had, en hij met geweld van zijn paard gesleept was, lang voordat hij zijn zwaard kon trekken, of eenigen krachtdadigen tegenstand bieden. De bedienden, belemmerd door de bagaadje, en verrast en verschrikt door het lot hunner meesters, werden een gemakkelijke prooi der aanvallers, terwijl Rowena, in het midden van het gezelschap, en de Jood en zijn dochter in de achterhoede, hetzelfde lot ondervonden.
Van den geheelen stoet ontsnapte niemand dan Wamba, die bij deze gelegenheid veel meer moed betoonde, dan zij, die aanspraak maakten op een grooter verstand. Hij greep een zwaard, dat aan een der bedienden behoorde, die het juist met een trage en besluitelooze hand uittrekken wilde, sloeg om zich heen als een leeuw, dreef verscheidenen terug, die hem te nabij kwamen, en deed een dappere, schoon vruchtelooze poging, om zijn meester te redden. Zich overmand ziende, wierp de nar zich eindelijk van het paard, drong in het dichte bosch, en ontsnapte, door de algemeene verwarring begunstigd, van het tooneel van het gevecht. Evenwel weifelde de dappere nar, zoodra hij zich in veiligheid bevond, een tijdlang, of hij niet zou terugkeeren en de gevangenschap van een meester deelen, aan wien hij hartelijk verkleefd was.
“Ik heb de menschen van de zegeningen der vrijheid hooren spreken,” zei hij bij zich zelven; “maar ik wenschte wel, dat de een of ander verstandig man mij wilde onderrichten, wat gebruik ik er van maken moet, nu ik ze bezit.”
Terwijl hij deze woorden luide uitsprak, riep een stem zeer dicht bij hem, op zachten en voorzichtigen toon: “Wamba!” en te gelijker tijd sprong een hond, in welken hij Fangs herkende, tegen hem op en liefkoosde hem. “Gurth!” antwoordde Wamba met dezelfde voorzichtigheid, en in denzelfden oogenblik stond de zwijnenhoeder voor hem.
“Wat is er te doen?” vroeg hij angstig; “wat beduidt dat geschreeuw en dat zwaardgekletter?”
“’t Is niets ongewoons in onze tijden,” hernam Wamba; “ze zijn allen gevangen.”
“Wie is gevangen?” riep Gurth ongeduldig.
“Onze heer, en de Jonkvrouw, en Athelstane, en Hundebert, en Oswald.”
“In ’s hemels naam!” zei Gurth, “hoe zijn ze gevangen geraakt?—En in wiens handen?”
“Onze meester was al te gereed om te vechten,” zei de nar; “en Athelstane was niet gereed genoeg, en de anderen waren in het geheel niet gereed. Ze zijn gevangen genomen door menschen in groene rokken, met zwarte maskers. En ze liggen nu allen op het gras, evenals de wilde appels, die gij voor uw zwijnen afschudt. En ik zou er om lachen,” zei de eerlijke nar, “als ik maar kon, in plaats van te schreien.” En daarbij stortte hij tranen van ongeveinsde droefheid.
Gurth’s gelaat gloeide.—“Wamba,” zei hij, “gij hebt een wapen, en uw moed was altijd grooter, dan uw verstand;—wij zijn maar met ons beiden, maar een onverwachte aanval van kloekmoedige mannen kan veel afdoen:—volg mij!”
“Waarheen?—en wat wilt ge?” vroeg de nar.
“Cedric bevrijden!”
“Maar gij hebt u eerst eenige oogenblikken geleden aan zijn dienst onttrokken,” zei Wamba.
“Dat was maar,” antwoordde Gurth, “zoo lang hij gelukkig was:—volg mij.”
Toen de nar op het punt was van te gehoorzamen, verscheen er eensklaps een derde, die aan beiden beval te blijven staan. Naar zijn kleeding en wapenen zou Wamba hem voor een der roovers gehouden hebben, die zoo even zijn meester aangevallen hadden; maar behalve dat hij geen masker droeg, deed de glinsterende draagband over zijn schouders, aan welke een schoone jachthoorn hing, zoowel als de kalme en gebiedende uitdrukking zijner stem en gebaren, hem, in weerwil van het schemerlicht, erkennen als Locksley, den schutter, die onder zulke ongunstige omstandigheden, den prijs bij het boogschieten weggedragen had.
“Wat beduidt dit alles?” vroeg hij. “Wie plundert, rooft en maakt gevangenen in dit woud?”
“Gij kunt ze hier dichtbij aan hunne rokken herkennen,” zei Wamba, “en zien, of het uwer kinderen kleêren zijn, of niet.—Want ze gelijken op de uwen even sterk, als het eene ei op het andere.”
“Ik zal het dadelijk onderzoeken,” antwoordde Locksley; “en ik beveel u, om uw leven, geen voet van de plaats te verzetten, eer ik terug kom. Gehoorzaamt mij, en het zal des te beter zijn voor u en uw meesters.—Maar wacht, ik moet er zooveel mogelijk, als een dezer mannen uitzien.”
Dit zeggende, nam hij den draagband met den jachthoorn af, nam de pluim van zijn muts, en gaf ze aan Wamba te bewaren: daarop haalde hij een masker uit den zak en, zijn bevel om stil te staan herhalende, ging hij heen, om zijne verkenning te doen.
“Zullen wij blijven staan, Gurth?” vroeg Wamba, “of hem den rug toekeeren? Naar mijn onnoozel begrip, had hij al te veel dievengereedschappen bij de hand, om een eerlijk man te zijn.”
“En al ware hij de duivel in eigen persoon,” antwoordde Gurth, “wij verliezen niets door op hem te wachten. Als hij tot dien hoop behoort, heeft hij hun reeds een teeken gegeven, en vluchten noch vechten zal ons meer baten. Buitendien heb ik sedert kort ondervonden, dat de grootste dieven niet altijd de slechtste menschen zijn, met wie men te doen heeft.”
De schutter kwam binnen weinige minuten terug. “Vriend Gurth,” zei hij, “ik heb mij onder die kerels gemengd, en vernomen, aan wien zij behooren, en waar hun reis heen gaat. Er is, dunkt mij, geen gevaar, dat zij hun gevangenen dadelijk eenig geweld aandoen. Het zou een dwaasheid van ons zijn, zoo wij hen met ons drieën aanvallen wilden; want het zijn ervarene krijgslieden, en zij hebben dus wachten uitgezet, om hen te waarschuwen, zoodra iemand nadert. Maar ik vertrouw, dat ik weldra zulk eene macht bijeen zal brengen, dat ik al hunne voorzorgen kan verijdelen; gij zijt beide dienaars, en, naar ik meen, trouwe dienaars van Cedric den Sakser, den beschermer van de rechten der Engelschen. Het zal hem niet aan Engelsche handen ontbreken in dezen nood. Gaat dan met mij, om meer hulp te zoeken.”
Dit zeggende, stapte hij met rassche schreden door het woud, gevolgd door den nar en den zwijnenhoeder. Het was onmogelijk voor Wamba, om lang te zwijgen.
“Mij dunkt,” zei hij, naar den draagband en den hoorn, welke hij nog altijd droeg, ziende, “dat ik den pijl heb zien afschieten, welke dezen schoonen prijs gewonnen heeft, en dat is nog niet zoo lang geleden, als Kerstmis.”
“En ik,” zei Gurth, “zou er op willen zweren, dat ik de stem van den dapperen schutter, die dien gewonnen heeft, zoo wel bij nacht als bij dag gehoord heb, en dat de maan, sedert ik die vernam, nog geen drie dagen ouder is geworden.
“Mijn vrienden,” hervatte de schutter, “wie, of wat ik ben, kan thans weinig schelen; zoo ik uw meester bevrijd, zult gij redenen hebben, mij voor den besten vriend te houden, dien gij ooit in uw leven hadt. En of ik onder dezen of genen naam bekend ben,—en of ik een boog even goed, of beter dan een koeherder kan afschieten,—en of ik verkies in den zonneschijn of bij maanlicht te wandelen,—dit zijn dingen, aan welke gij u niet behoeft te storen, daar zij u niet raken.”
“Onze hoofden zijn in des leeuwen muil,” fluisterde Wamba Gurth toe, “laten wij ze er uittrekken, als wij kunnen.”
“Stil,” zei Gurth; “wees stil; beleedig hem niet door uw gekheden, en ik vertrouw er vast op, dat alles goed zal gaan.”
Twintigste Hoofdstuk.
Als in den herfstnacht koud en lang,
Zijn eenzaam pad verduistert,
’t Is naar des kluiz’naars lofgezang,
Dat liefst de pelgrim luistert.
Het lied verheft het vroom gemoed,
De vroomheid geeft de hymne gloed;
Zij stijgen onder ’t loven,
Gelijk de vogel ’t zonlicht groet,
Al zingend’ zaam naar boven.
de kluizenaar van St. Clements bron.
Eerst na drie uren wandelens was het, dat de volgelingen van Cedric, met hun geheimzinnigen leidsman, eene kleine opening in het woud bereikten, in wier midden een eik van ontzachelijke grootte groeide, welke de kromme takken naar alle kanten uitspreidde. Onder dezen boom lagen vier of vijf schutters op den grond uitgestrekt, terwijl een ander, als schildwacht, in den maneschijn heen en weder ging. Zoodra deze de naderende voetstappen hoorde, gaf hij een teeken, en de slapers sprongen dadelijk op en spanden hun bogen. Zes pijlen werden gericht naar den kant, van waar de reizigers kwamen, tot hun geleider, herkend zijnde, met alle blijken van achting en liefde verwelkomd werd, en alle teekens van en alle vrees voor een vijandige ontvangst verdwenen.
“Waar is de Molenaar?” was zijn eerste vraag.
“Op weg naar Rotherham.”
“Met hoeveel man?” vroeg de aanvoerder, want dat scheen hij te zijn.
“Met zes man, en goede hoop op buit, als het St. Nicolaas behaagt.”
“Vroom gesproken,” zei Locksley; “en waar is Allen-a-Dale?”
“Op weg naar Watling, om op den Prior van Jorvaulx te wachten.”
“Ook goed,” hernam de kapitein.
“En waar is de monnik?”
“In zijn cel.”
“Daar ga ik heen,” zei Locksley. “Verstrooit u en zoekt uwe makkers op. Verzamelt een zoo groote macht mogelijk; want er is wild opgespoord, dat hard vervolgd moet worden en dat zich krachtig verdedigen zal. Komt tegen het aanbreken van den dag hier bij mij terug. Wacht,” voegde hij er bij; “ik heb het noodzakelijkste van alles vergeten; twee van u moeten spoedig den weg naar Torquilstone, het kasteel van Front-de-Boeuf, inslaan. Eene bende schurken, die zich in eene kleeding, als de onze, vermomd hebben, brengen er een hoop gevangenen heen.—Slaat hen nauwkeurig gade; want zelfs, al bereikten zij het kasteel, vóór dat wij onze macht bijéénhebben, is onze eer er toch in betrokken, om hen te bestraffen, en wij zullen een middel vinden, om dat te doen.—Houdt hen dus goed in het oog; en zendt één uwer makkers, den besten looper, om aan de landlieden in de buurt bericht er van te brengen.”
Zij beloofden stipte gehoorzaamheid, en vertrokken oogenblikkelijk, om hunne verschillende boodschappen te verrichten. Intusschen vervolgde hun aanvoerder met zijn twee metgezellen, die hem nu met grooten eerbied, zoowel als met eenige vrees beschouwden, hun weg naar de kapel van Copmanshurst.
Toen zij de vrije, door de maan verlichte plaats in het bosch bereikt, en de eerbiedwekkende, schoon vervallen kapel, en de ruwe kluis, die zoo goed voor de zelfverloochenende vroomheid geschikt was, vóór zich hadden, fluisterde Wamba Gurth toe: “Als dit de woning van een dief is, dan wordt het oude spreekwoord bevestigd: hoe dichter bij de kerk hoe verder van God.—En bij mijn zotskap,” voegde hij er bij, “ik geloof, dat het wezenlijk zóó is;—luister maar naar den wonderlijken Sanctus, welken zij in de kluis zingen!”
Wezenlijk zongen de kluizenaar en zijn gast, met alle kracht van hun sterke longen, een oud drinklied, waarvan dit het slot was:
Kom, reik mij ’t bruine bier terstond,
Blijde jongen, blijde jongen!
Kom, reik mij ’t bruine bier terstond,
Ha! lustig jongen! ’k tart een’ schelm in ’t drinken.
Kom, reik mij ’t bruine bier terstond!
“Wel, dat is niet kwaad,” zei Wamba, die in koor mede gezongen had. “Maar bij alle heiligen, wie zou ooit verwacht hebben, zulk een vroolijk gezang, te middernacht, uit eene kluis te hooren dreunen?”
“Wel, dat zou ik voorzeker verwachten,” antwoordde Gurth; “want de vroolijke monnik van Copmanshurst is bekend, en doodt de helft van het wild, dat in dit bosch gestolen wordt. Men zegt, dat de boschwachter bij den abt over hem geklaagd heeft, en dat hem zijn monnikskleed zal uitgetrokken worden, als hij zich niet beter gedraagt.”
Terwijl zij dus spraken, had Locksley’s herhaald geklop ten laatste den kluizenaar en zijn gast gestoord. “Bij mijn rozenkrans,” riep de heremiet, midden in het gezang ophoudende, “hier komen meer gasten, die door den nacht overvallen zijn. Ik wilde niet, om mijn kap, dat ze mij bij deze vrome bezigheid vonden. Iedereen heeft zijn vijanden, goede heer Luiaard; en er zijn er, die boosaardig genoeg zijn, om de gastvrije verversching, welke ik u, een vermoeiden reiziger, gedurende een paar uurtjes, aangeboden heb, ronduit dronkenschap en zwelgerij te noemen; ondeugden, even vreemd aan mijn beroep als aan mijn karakter.”
“Lage lasteraars!” hernam de ridder; “ik wilde, dat ik hen kastijden mocht. Niettemin is het waar, heilige man, dat iedereen zijne vijanden heeft; en er zijn er in dit land, die ik liever door het vizier van mijn helm, dan met ontbloot gezicht spreken wilde.”
“Zet dan uw ijzeren pot op het hoofd, vriend Luiaard, zoo schielijk als uw aard zulks toelaat,” zei de kluizenaar, “terwijl ik deze flesschen weg zet, welker inhoud in mijne hersenen spookt; en om het gekletter te verdooven,—want, op mijn woord, ik gevoel, dat ik een weinig wankel,—stem in met het gezang, dat gij mij hoort zingen;—op de woorden komt het niet aan, ik ken ze zelf nauwelijks.”
Dit zeggende, hief hij een donderend de profundis clamavi aan, en ruimde hun maaltijd weg; terwijl de ridder hartelijk lachende, zich intusschen wapende, en zijn gastheer van tijd tot tijd met zijne stem ondersteunde, als zijn gelach het toeliet.
“Wat voor duivelsmetten worden hier op dit uur gezongen?” riep een stem van buiten.
“De hemel vergeve het u, heer reiziger!” zei de heremiet, wien het gedruisch, dat hij zelf maakte, en misschien zijn drinken, belette, een stem te herkennen, die hem anders vrij wel bekend was; “vervolg uw weg, in God en St. Dunstan’s naam, en stoor mij en mijn vromen broeder niet in onze aandacht.”
“Dolle priester,” antwoordde de stem van buiten, “doe open voor Locksley.”
“Alles is veilig,—alles is in orde!” zei de kluizenaar tot zijn metgezel.
“Maar wie is het?” vroeg de Zwarte Ridder. “Er is mij veel aan gelegen, dit te weten.”
“Wie of het is!” antwoordde de kluizenaar. “Ik zeg u, dat het een vriend is!”
“Maar wat voor een vriend?” antwoordde de ridder. “Want hij kan uw vriend zijn, en toch in het geheel niet de mijne.”
“Wat voor een vriend?” hernam de monnik; “dat is een vraag, die lichter te doen, dan te beantwoorden is. Wat voor een vriend?—Wel, hij is, nu schiet het mij te binnen, juist die eerlijke boschwachter, van welken ik u straks gesproken heb.”
“Wel ja, een even eerlijke boschwachter, als gij een vroom kluizenaar zijt!” hervatte de ridder; “daar twijfel ik niet aan. Maar doe hem de deur open, vóórdat hij ze uit de hengels slaat.”
De honden, welke in het begin geweldig geblaft hadden, schenen nu de stem van hem, die buiten stond, te herkennen; want, geheel van houding veranderende, krabden en jankten zij aan de deur, alsof om zijn toelating te smeeken. De heremiet opende schielijk de deur, en liet Locksley met zijn twee metgezellen binnen.
“Wel heremiet,” was des schutters eerste vraag, zoodra hij den ridder zag: “Welken lustigen broeder hebt gij daar?”
“Een broeder van onze orde,” hernam de monnik, het hoofd schuddende. “Wij hebben den geheelen nacht door gebeden.”
“Hij is een monnik van de strijdende kerk, denk ik,” antwoordde Locksley; “er dolen velen van dien aard door het land. Ik zeg u, monnik, gij moet den rozenkrans afleggen, en den knots opnemen; wij hebben alle onze brave makkers noodig, geestelijken, of leeken. Maar,” voegde hij er bij, hem even ter zijde nemende, “zijt gij gek?—Een ridder binnen te laten, dien gij niet kent! Hebt gij onze overeenkomst vergeten?”
“Hem niet kennen!” antwoordde de monnik stout; “ik ken hem even goed, als de bedelaar zijn schotel kent.”
“En hoe heet hij dan?” vroeg Locksley.
“Hoe hij heet?” zei de heremiet; “wel!—het is de ridder Anthonius van Scrablestone,—alsof ik met een mensch zou willen drinken, zonder zijn naam te weten!”
“Gij hebt meer dan genoeg gedronken,” zei de schutter, “en ik vrees, ook meer dan genoeg gebabbeld.”
“Vriend,” zei de ridder, vóórtredende, “wees niet boos op mijn vroolijken gastheer. Hij heeft mij slechts de gastvrijheid geschonken, welke ik hem zou afgedwongen hebben, zoo hij ze geweigerd had.”
“Gij mij dwingen!” riep de monnik; “wacht maar, tot ik dit grijs monnikskleed tegen een groen buis verruild heb, en als ik u niet met mijn knuppel een tik op het hoofd geef, dan ben ik noch een echte monnik, noch een goed jager.”
Dit zeggende, trok hij zijn monnikskleed uit, en verscheen in een nauw zwart linnen wambuis en broek, waarover hij spoedig een groenen rok en broek aantrok. “Ik bid u, maak de strikken vast,” zei hij tegen Wamba, “en gij zult een glas wijn ter belooning hebben.”
“Ik heb niets tegen den wijn,” antwoordde Wamba; “maar denkt gij, dat het geen gewetenszaak voor mij is, de hand te leenen om een heiligen heremiet in een zondigen jager te veranderen?”
“Vrees niets,” zei de kluizenaar, “ik behoef de zonden van mijn groenen rok slechts aan mijn grijs monnikskleed te biechten, en alles is weer goed.”
“Amen!” hervatte de nar: “Een in fijn laken gekleed boeteling moet een in grof linnen gekleeden biechtvader hebben, en uw monnikskleed kan mijn bonte pak op den koop toe de absolutie geven.”
Intusschen had Wamba den monnik geholpen, om de talrijke banden vast te maken, waarmede de broek aan het wambuis gebonden werd.
Terwijl ze dus bezig waren, nam Locksley den ridder een weinig ter zijde, en sprak hem dus aan: “Ontken het niet, heer ridder; gij zijt het die op den tweeden dag van het toernooi te Ashby, de overwinning der Engelschen tegen de vreemdelingen beslist hebt.”
“En wat volgt daaruit, zoo uw gissing gegrond is, vriend?” hernam de ridder.
“Ik houd u dan voor een vriend van de zwakken!” hernam de schutter.
“Dat te zijn is ten minste de plicht van een goed ridder,” antwoordde de zwarte kampvechter, “en ik zou niet gaarne willen, dat er redenen waren, om anders van mij te denken.”
“Maar om mij te helpen,” zei de andere, “moet gij een even goed Engelschman, als ridder zijn: want hetgeen ik te zeggen heb, betreft, wel is waar, den plicht van ieder eerlijk man, maar meer bijzonder dien van een rechtgeaarden inboorling van Engeland.”
“Gij kunt tot niemand spreken,” hervatte de ridder, “wien Engeland, en het leven van ieder Engelschman, dierbaarder kan zijn dan mij.”
“Ik wil het gaarne gelooven,” zei de jager, “want nooit heeft dit land meer noodig gehad, om door diegenen ondersteund te worden, die het liefhebben. Hoor naar mij, en ik zal u eene onderneming openbaren, in welke gij, zoo gij wezenlijk zijt, wat gij schijnt, een eervol deel kunt nemen. Eene bende booswichten, verkleed als betere menschen, dan zij zelve zijn, hebben een edelen Engelschman, Cedric, de Sakser genaamd, met zijn dochter en zijn vriend, Athelstane van Coningsburgh, gevangen genomen, en hen naar een kasteel in dit woud, Torquilstone genoemd, gevoerd. Ik vraag u, als goeden ridder en echten Engelschman, wilt gij hen helpen bevrijden?”
“Ik ben door mijn gelofte verplicht dat te doen,” hernam de ridder, “maar ik wilde gaarne weten, wie gij zijt, die mijne hulp ten hunnen behoeve inroept?”
“Ik ben,” zei de jager, “een onbekend man; maar ik ben de vriend van mijn vaderland, en van de vrienden er van.—Met dit bericht moet gij u voor het tegenwoordige tevreden stellen, te meer, daar gij zelf wenscht onbekend te blijven.—Geloof echter, dat mijn woord, als ik het geef, even veilig is, alsof ik gouden sporen droeg.”
“Ik geloof het gaarne,” zei de ridder, “ik ben gewoon op het gelaat der menschen te lezen, en ik kan op het uwe eerlijkheid en moed zien. Ik zal u dus verder geene vragen doen, maar u helpen, om die onderdrukte gevangenen in vrijheid te stellen, en als dit volbracht is, vertrouw ik, dat wij beter bekend en weltevreden van elkander zullen scheiden.”
“Dus,” zei Wamba tegen Gurth,—want daar de monnik nu geheel toegerust was, had de nar, die naar den anderen kant der hut gekomen was, het einde van het gesprek gehoord,—“dus hebben wij een nieuwen bondgenoot gekregen. Ik vertrouw, dat de dapperheid van den ridder van beteren aard zal zijn, dan de godsdienst van den heremiet, of de eerlijkheid van den schutter; want deze Locksley ziet er uit, als een geboren wilddief, en de priester, als een listige huichelaar.”
“Houd u stil, Wamba,” zei Gurth, “het kan zijn, zooals gij vermoedt;—maar al kwam de gehoornde duivel in eigen persoon, en bood mij zijn bijstand aan, om Cedric en Jonkvrouw Rowena te bevrijden, dan vrees ik, nauwelijks vroom genoeg te zijn, om het aanbod af te slaan, en hem te verzoeken zich weg te pakken.”
De monnik was nu geheel toegerust, met zwaard en schild, boog en pijlkoker, en een zware strijdbijl op de schouders. Hij verliet zijn cel aan het hoofd van de bende, en na de deur zorgvuldig gesloten te hebben, legde hij den sleutel onder den drempel.
“Zijt gij in staat, om goeden dienst te doen, monnik,” vroeg Locksley, “of is de wijn u in het hoofd gestegen?”
“Niet meer, dan één slok uit St. Dunstans bron verdrijven zal,” antwoordde de priester, “het suist mij een weinig in de ooren, en mijn beenen wankelen iets; maar gij zult zien, dat dit alles dadelijk overgaat.”
Dit zeggende, ging hij naar het steenen bekken, waarin het water van de fontein onder het vallen bellen vormde, die in het witte maanlicht dansten, en hij nam een zoo geweldige teug, alsof hij de bron had willen ledigen.
“Wanneer hebt gij meer zulk eene groote teug water gedronken, heilige monnik van Copmanshurst?” vroeg de Zwarte Ridder.
“Niet sedert mijn wijnvat lekte, en de drank door een verkeerde opening er uit liep, en mij niets overbleef, dan de bron van mijn beschermheilige hier!” hervatte de monnik.
Hierop handen en hoofd in de fontein dompelende, wiesch hij er alle teekenen van den nachtelijken roes af.
Aldus ververscht en ontnuchterd, zwaaide de vroolijke priester zijn zware strijdbijl met drie vingers rondom het hoofd, alsof hij met een riet speelde, terwijl hij riep: “Waar zijn die schandelijke roovers, welke meisjes tegen haar wil schaken? De duivel zal mij halen, als ik er niet een dozijn van sta!”
“Ha! vloekt gij, heilige monnik?” zei de Zwarte Ridder.
“Noem mij geen monnik,” hernam de van gedaante veranderde priester; “bij St. Joris en den Draak, ik ben die niet meer, als mijn monnikskleed niet om mijn rug zit.—Als ik mijn groenen rok aan heb, wil ik drinken, vloeken en vrijen tegen den besten jager in het West-Riding.”
“Kom, dwaze priester,” zei Locksley, “wees stil; gij zijt zoo luidruchtig, als een geheel klooster op Vasten-avond, als de Prior naar bed is. Komt gij ook, vrienden;—houdt u niet op met praten.—Ik zeg, gaat onverwijld mede, wij moeten onze geheele macht verzamelen, en deze zal klein genoeg zijn, als wij het kasteel van Reginald Front-de-Boeuf moeten bestormen.”
“Hoe!” riep de Zwarte Ridder, “is het Front-de-Boeuf, die op ’s heeren wegen des Konings getrouwe onderdanen aangevallen heeft?—Is hij een roover en een onderdrukker geworden?”
“Een onderdrukker was hij altijd!” antwoordde Locksley.
“En wat den roover betreft,” zei de priester, “ik twijfel, of hij half zoo eerlijk is, als menig roover dien ik ken.”
“Voorwaarts, priester, en houd u stil,” zei de schutter, “het ware beter, dat gij den weg weest naar de vergaderplaats, dan dat gij zegt, wat zoowel uit betamelijkheid als voorzichtigheid, verzwegen moest blijven!”