WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 27: Twee-en-twintigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Een-en-twintigste Hoofdstuk.

Helaas! hoe menig uur en jaar vervloog

Sinds aan deez’ disch een mensch’lijk wezen zat,

En op zijn vlak het lamp- of kaarslicht gloorde!

Mij dunkt, ik hoor ’t geluid van vroeger dagen

Nog wederklinken door het hol en hoog gewelf

Der duistere bogen, evenals de stemmen

Der dooden lang verwijlen bij hun graven.

Orra, een Treurspel.

Terwijl deze maatregelen ten behoeve van Cedric en zijn metgezellen genomen werden, dreven de gewapenden, welke hen gevangen genomen hadden, hen voort naar de veste, waar zij hen wilden opsluiten. Maar het werd spoedig duister, en de boschpaden schenen slecht aan de stroopers bekend te zijn. Zij moesten herhaaldelijk lang stilhouden, en zelfs een paar maal op hun pad terugkeeren, om weder op den rechten weg te komen. De zomermorgen brak aan, eer zij met de volkomene bewustheid, dat zij op het rechte spoor waren, konden verder gaan. Maar het vertrouwen keerde met den dag terug, en de ruiters joegen nu ijlings voorwaarts. Intusschen viel het volgende gesprek tusschen de twee aanvoerders der bandieten voor.

“Het is tijd, dat gij ons verlaat, ridder Maurice,” zei de Tempelier tegen De Bracy, “om het tweede bedrijf van uw mysterie op het tooneel te brengen. Gij weet, dat gij nu den bevrijder moet spelen.”

“Ik heb mij bedacht,” antwoordde De Bracy; “ik zal u niet verlaten, eer de prijs behoorlijk in Front-de-Boeuf’s kasteel in veiligheid is. Dáár zal ik in mijne eigene gedaante voor de Jonkvrouw Rowena verschijnen, en vertrouw, dat zij de gewelddadigheid, waaraan ik mij schuldig gemaakt heb, om den wille mijner hevige liefde zal vergeven.”

“En wat heeft u van plan doen veranderen, De Bracy?” vroeg de Tempelier.

“Dat raakt u niet!” antwoordde zijn makker.

“Ik wil evenwel hopen, heer ridder,” zei de Tempelier, “dat deze verandering van maatregel niet aan achterdocht omtrent mijne eerlijkheid, welke Fitzurse getracht heeft in te boezemen, toe te schrijven zij?”

“Mijne gedachten zijn vrij,” antwoordde De Bracy; “de booze lacht, zegt men, wanneer een dief den anderen besteelt, en wij weten, dat al spuwde hij ook wezenlijk vuur en zwavel, het nooit een tempelier zou afschrikken, om zijne lusten niet te volgen.”

“Of den aanvoerder van een vrijbende,” hervatte de Tempelier, “om van zijn makker en vriend het onrecht te vreezen, dat hij tegen alle menschen uitoefent.”

“Dit is nutteloos en gevaarlijk twisten,” hernam De Bracy; “het zij genoeg, dat ik de zeden der Tempeliers ken, en ik wil u de macht niet geven, om den schoonen buit te kapen, voor welken ik zoo groot gevaar geloopen heb.”

“Bah!” zei de Tempelier. “Wat hebt gij te vreezen?—Gij kent immers de geloften mijner orde.”

“Zeer goed,” hernam De Bracy, “en ik weet ook, hoe ze nagekomen worden. Kom, kom, heer Tempelier, de wetten der galanterie worden in Palestina zeer vrij uitgelegd, en dit is een geval, in hetwelk ik volstrekt niet op uw geweten vertrouwen zal.”

“Hoor dan de waarheid,” hervatte de Tempelier. “Ik bekommer mij niet om uwe blauwoogige schoonheid. Er is ééne bij den hoop, die mij veel beter bevalt.”

“Hoe! zoudt gij u tot eene dienstbare verlagen?” zei De Bracy.

“Neen, heer ridder;” zei de Tempelier, op trotschen toon; “tot eene dienstbare zal ik mij niet verlagen. Ik heb een prijs onder de gevangenen, even schoon, als de uwe.”

“Bij de heilige mis, gij meent de schoone Jodin!” zei De Bracy.

“En wat dan?” hernam De Bois-Guilbert. “Wie zal mij tegenhouden?”

“Niemand en niets, voor zoover ik weet,” hernam De Bracy, “zoo het niet uwe gelofte is, of dat uw geweten zich verzet tegen een liefdehandel met eene Jodin.”

“Van mijne gelofte,” zei de Tempelier, “heeft onze Grootmeester mij dispensatie verleend. En wat mijn geweten betreft, een man, die driehonderd Saracenen verslagen heeft, behoeft niet iederen misstap op te rekenen, evenals een dorpsmeisje bij haar biecht op den Goeden Vrijdag.”

“Gij kent het best uwe eigene voorrechten,” hervatte De Bracy. “Ik had echter willen zweren, dat gij meer gedacht hadt om de geldzakken van den ouden woekeraar, dan om de zwarte oogen zijner dochter.”

“Ik weet beiden te waardeeren,” antwoordde de Tempelier; “en buitendien is de oude Jood maar een halve prijs. Ik moet zijn buit met Front-de-Boeuf deelen, die ons het gebruik van zijn kasteel niet om niets zal geven. Ik moet iets hebben, dat ik bij uitsluiting mijn eigendom kan noemen bij deze onze dolle onderneming, en ik heb de bekoorlijke Jodin tot mijn bijzonder loon uitverkoren. Maar nu gij mijn doel weet, zult gij uw eigen oorspronkelijk plan weder volgen, niet waar?—Gij hebt, zooals gij ziet, niets van mijne tusschenkomst te vreezen.”

“Neen,” hernam De Bracy, “ik wil bij mijn buit blijven; wat gij zegt, kan waar zijn; maar ik houd niet van die voorrechten, die door dispensatie van den Grootmeester verkregen zijn, en van de verdienste, door de slachting van driehonderd Saracenen verworven. Gij hebt te veel recht op vergiffenis, om zeer nauwgezet te zijn omtrent kleine zonden.”

Onder dit gesprek poogde Cedric aan zijne wachters eene bekentenis van hun stand en hunne bedoeling te ontwringen. “Gij moet Engelschen zijn,” zei hij; “en echter, heilige Hemel! valt gij op uwe landslieden aan, alsof gij echte Normandiërs waart. Gij moet mijne buren zijn, en dus mijne vrienden; want wie van mijne Engelsche buren heeft reden, om dat niet te zijn? Ik zeg u, vrienden, dat zelfs zij, die met vogelvrijverklaring gebrandmerkt zijn, door mij beschermd worden, want ik heb medelijden gehad met hun ongeluk, en de onderdrukking hunner dwingelanden, de edelen, vervloekt. Wat wilt gij dus van mij?—Of wat kan u dit stilzwijgen baten?—Gij zijt slechter, dan wilde dieren in uwe daden en wilt gij hen nog in hunne sprakeloosheid evenaren?”

Te vergeefs sprak Cedric aldus met zijne wachters, die al te vele en al te goede redenen voor hun stilzwijgen hadden; om hetzij door zijn toorn of door zijn vertoogen, er toe gebracht te worden, om dat af te breken. Zij dreven hem maar steeds voort, totdat, aan het einde van een laan van ontzachelijke boomen, zich Torquilstone opdeed, het grijze, oude kasteel van Reginald Front-de-Boeuf. Het was eene sterkte van geringen omvang, bestaande uit een grooten, hoogen, vierhoekigen toren, omringd door gebouwen van mindere hoogte, die door eene plaats omgeven waren. Rondom den buitenmuur was een diepe gracht, welke door een naburig riviertje met water voorzien werd. Front-de-Boeuf, wiens karakter hem dikwijls in veeten met zijne vijanden bracht, had aanmerkelijke verbeteringen aan de vestingwerken gemaakt, door torens op den buitensten muur te bouwen, zoodat die aan iederen hoek bestreken werd. De toegang, zooals gewoonlijk bij kasteelen van dat tijdvak, was door een versterkt bruggehoofd, of buitenwerk, dat aan iederen hoek met een toren eindigde, die het verdedigde.

Nauwelijks zag Cedric de torens van het kasteel van Front-de-Boeuf met hunne grijze met mos begroeide tinnen te voorschijn komen, die in de morgenzon glinsterden, en boven het bosch, dat ze omringden uitstaken, of hij besefte oogenblikkelijk de ware reden van zijne ramp.

“Ik heb onrecht gedaan,” zei hij, “aan de dieven en roovers van deze wouden, toen ik meende, dat zulke bandieten daaronder behoorden: ik had evengoed de vossen van deze bosschen met de verscheurende wolven van Frankrijk kunnen verwarren. Zegt mij, honden, die gij zijt, is het mijn leven of mijn rijkdom, waarnaar uw meester streeft? Is het te veel, dat twee Saksers, ik en de edele Athelstane, eigendom bezitten in een land, dat eens het vaderlijk erfgoed van onzen stam was?—Brengt ons dan ter dood, en voltooit uwe dwingelandij, door ons van het leven te berooven, na ons onze vrijheid ontnomen te hebben. Zoo Cedric de Sakser Engeland niet kan bevrijden, dan wil hij gaarne daarvoor sterven. Zegt aan den dwingeland, uw meester, dat ik hem alleen smeek, om de Jonkvrouw Rowena in eer en veiligheid te ontslaan. Zij is eene vrouw; hij behoeft haar niet te vreezen; en met ons zullen allen uitsterven, die voor hare zaak durven strijden.”

De volgelingen bleven even stom bij deze aanspraak als bij de vorige, en nu stonden zij voor de poort van het kasteel. De Bracy blies driemaal op den horen, en de boogschutters, die den muur bezet hadden bij de aankomst van den stoet, haastten zich de ophaalbrug neder en hen binnen te laten. De gevangenen door hunne wachters gedwongen om af te stijgen, werden naar een vertrek geleid, waar hun in haast eenig eten werd voorgezet, waarin niemand trek gevoelde, dan Athelstane. De afstammeling van Eduard den Belijder had echter geen tijd, om recht te doen wedervaren aan den maaltijd, die hem voorgezet was, want de wachters gaven hem en Cedric te kennen, dat zij in eene afzonderlijke kamer, gescheiden van Rowena, zouden opgesloten worden. Tegenstand was nutteloos, en ze werden gedwongen, hen naar een groot vertrek te volgen, welks zoldering door ruwe Saksische pilaren gedragen werd, en op die eetzalen en kapittelvertrekken geleek, welke men nog wel eens in de oudste gedeelten van onze oudste kloosters vindt.

Rowena werd vervolgens van haar gevolg gescheiden, en, ofschoon met beleefdheid, toch zonder haar wil te raadplegen, naar eene verafgelegene kamer gebracht. Dezelfde verontrustende onderscheiding viel ook Rebekka te beurt, in weerwil van haars vaders smeeken, die, in dezen uitersten nood, zelfs geld bood, om verlof te krijgen, dat ze bij hem mocht blijven. “Ongeloovige heiden,” antwoordde een van zijne wachten, “als gij uwe rustplaats gezien hebt, zult gij niet begeeren, dat uw dochter die met u deelt.” En zonder verder dralen werd de oude Jood met geweld in een andere richting dan de overige gevangenen voortgesleept. De bedienden, na zorgvuldig doorzocht en ontwapend te zijn, werden in een ander gedeelte van het kasteel opgesloten, en men weigerde zelfs aan Rowena den troost, welken haar het bijzijn van hare kamenier Elgitha zou verschaft hebben.

Het vertrek, waarin de Saksische opperhoofden opgesloten werden,—want op hen vestigen wij eerst onze aandacht,—ofschoon het thans als een soort van wachtkamer gebruikt werd, was vroeger de groote zaal van het kasteel geweest. Het diende nu slechts tot minder gewichtige doeleinden, omdat de tegenwoordige eigenaar onder andere bijvoegselen voor het gemak, de veiligheid en de schoonheid van zijn vrijheerlijke verblijfplaats, eene nieuwe schoone zaal gebouwd had, welker gewelfd dak door lichtere en meer sierlijke pilaren ondersteund, en op die wijze versierd werd, welke reeds bij de Normandische bouwkunst gebruikelijk was.

Cedric stapte in de kamer op en neder, vol toornige overwegingen over het verledene en het tegenwoordige, terwijl de onverschilligheid van zijn makker aan dezen den zelfden dienst bewees als geduld en wijsbegeerte, en was hij dus tegen alles gewapend, uitgezonderd tegen de ongemakken van het oogenblik; en zelfs gevoelde hij deze laatsten zoo weinig, dat hij slechts van tijd tot tijd tot een antwoord werd genoopt door Cedric’s driftige en hevige uitroepingen.

“Ja,” zei Cedric, half tot zich zelven en half tot Athelstane sprekende, “het was in deze zelfde zaal, dat mijn vader een feestelijken maaltijd hield met Torquil Wolfganger, toen hij den dapperen en ongelukkigen Harald onthaalde, die tegen de Noorwegers optrok, welke zich met den oproerling Tosti vereenigd hadden.—Het was in deze zaal, dat Harald zijn edelmoedig antwoord gaf aan den gezant van zijn muitzieken broeder. Dikwijls zag ik mijn vader ontgloeien, wanneer hij er van sprak. De gezant van Tosti werd toegelaten, terwijl deze ruime zaal nauwelijks den drom van Saksische opperhoofden kon bevatten, die zich, met hun vorst, op den bloedrooden wijn vergastten.”

“Ik hoop,” zei Athelstane, eenigszins opgewekt door de laatste woorden van zijn vriend, “dat zij niet vergeten zullen om ons tegen den middag wat wijn en ververschingen te zenden;—ons werd nauwelijks één oogenblik voor het ontbijt vergund, en het eten bekomt mij nooit goed, als ik zoo van het paard kom, ofschoon de geneesheeren dit aanbevelen.”

Cedric vervolgde zijn verhaal, zonder op dezen inval van zijn vriend te letten.

“De gezant van Tosti,” zei hij, “ging door de zaal zonder te schrikken over de gefronste gezichten van allen, die hem omringden, en boog voor Haralds troon ter aarde.”

“Welke voorwaarden, heer Koning,” zei hij, “heeft uw broeder Tosti te verwachten, zoo hij de wapenen nederlegt, en u om den vrede verzoekt?”

““De liefde eens broeders,” riep de edelmoedige Harald, “en het schoone graafschap Northumberland.””

““Maar zoo Tosti deze voorwaarden aanneemt,” vervolgde de afgezant, “welke landen zullen aangewezen worden aan zijn getrouwen bondgenoot, Hardrada, Koning van Noorwegen?””

““Zeven voet Engelschen grond,” antwoordde Harald opstuivende, “of, daar men zegt, dat Hardrada een reus is, zullen wij hem mogelijk twaalf duim meer geven.””

“De zaal weergalmde van gejuich, en beker en drinkhoorn werden er op geledigd, dat de Noorweger weldra in het bezit mocht zijn van zijn Engelsch grondgebied.”

“Ik zou van ganscher harte mede gedronken hebben,” zei Athelstane, “want de tong kleeft mij aan het verhemelte.”

“De verlegen gezant,” ging Cedric voort, zijn verhaal met vuur vervolgende, ofschoon het bij zijn toehoorder geene belangstelling verwekte, “begaf zich op weg, om aan Tosti en zijn bondgenoot het onheil voorspellende antwoord van zijn beleedigden broeder over te brengen. Toen was het, dat de muren van Stamford en de bloedige stroom van de Welland, in de voorspellingen beroemd,1 dat verschrikkelijke gevecht aanschouwden, in hetwelk èn de Koning van Noorwegen èn Tosti sneuvelden, na onversaagden moed ten toon gespreid te hebben, met tien duizend hunner dappere volgelingen. Wie zou gedacht hebben, dat op den dag zelven van die stoute overwinning, dezelfde wind, in welken de zegepralende Saksische banieren wapperden, de Normandische zeilen vulde, en naar de noodlottige stranden van Sussex dreef?—Wie zou gedacht hebben, dat Harald, binnen weinige dagen, zelf niet meer van zijn koninkrijk zou bezitten, dan wat hij in zijn toorn, aan den Noorweegschen overweldiger toegekend had?—Wie zou gedacht hebben, dat gij, edele Athelstane, die uit Haralds bloed afstamt en dat ik, wiens vader niet de geringste onder de verdedigers van den Saksischen troon was, de gevangenen van een ellendigen Normandiër zouden worden, in dezelfde zaal, waar onze voorouders een zoo groot feestgelag vierden?”

“Het is treurig genoeg,” hernam Athelstane; “maar ik hoop, dat ze ons voor een matig losgeld zullen vrijlaten.—Hoe het ook zij, het kan toch nooit hun voornemen zijn ons zoo maar te laten doodhongeren; en toch, schoon het reeds middag is, zie ik geene toebereidselen voor het middagmaal.—Zie eens uit het venster, edele Cedric, en oordeel naar de zonnestralen, of het niet bijna middag is.”

“Het is wel mogelijk,” antwoordde Cedric; “maar ik kan niet door deze geverfde ruiten zien, zonder dat ze andere overdenkingen verwekken dan die, welke het voorbijsnellend oogenblik, of onze ontberingen betreffen. Toen dit venster gemaakt werd, edele vriend, kenden onze kloeke vaders de kunst niet, om glas te vervaardigen, of om het te verven.—Wolfgangers hoogmoedige vader deed een kunstenaar uit Normandië komen, om zijn zaal met deze nieuwe soort van sieraden op te schikken, welke het gouden licht van Gods gezegenden dag in zoovele wonderlijke kleuren vertoonen. De vreemdeling kwam hier, arm, bedelende, kruipende en onderdanig; gereed om het hoofd voor den geringsten huisbediende te ontblooten. Trotsch en welvarend keerde hij terug om aan zijne landgenooten den rijkdom en de eenvoudigheid der Saksische edelen te beschrijven;—het was eene dwaasheid, Athelstane, voorzien en voorspeld door die afstammelingen van Hengist en van zijn geharden stam, welke de eenvoudigheid hunner zeden bewaard hadden. Wij maakten deze vreemdelingen tot onze boezemvrienden, tot onze vertrouwelingen; wij benijdden hen om hunne kunsten en kunstenaars, en verachtten de eerlijke eenvoudigheid en gehardheid, waardoor onze brave voorouders zich staande hielden, en wij werden ontzenuwd door de Normandische kunsten, lang eer wij vóór de Normandische wapens bezweken. Veel beter was onze matige kost, in vrede en vrijheid genoten, dan de weelderige lekkernijen, welke ons tot lijfeigenen van den vreemden veroveraar gemaakt hebben!”

“Ik zou voor het oogenblik de eenvoudigste kost voor eene lekkernij houden,” hernam Athelstane; “en het verwondert mij, edele Cedric, dat gij u de oude daden zoo goed herinnert, terwijl gij het etensuur schijnt te vergeten.”

“Het is vergeefsche moeite,” bromde Cedric ongeduldig ter zijde, “van iets anders tegen hem te spreken, dan van hetgeen zijn eetlust betreft! De ziel van Hardicanute is in hem gevaren, en hij kent geen ander genoegen, dan te eten, te verslinden, en om meer te roepen.—Helaas!” zei hij, Athelstane met medelijden beschouwende, “wat is het jammer, dat een zoo stompe geest in een zoo schoon lichaam huisvest! Ach! dat zulk eene onderneming, als de bevrijding van Engeland, op zulk een steun rusten moet. Met Rowena gehuwd, zou inderdaad haar edele en grootmoedige ziel de betere natuur, welke in hem sluimert, opwekken. Maar hoe kan dit zijn, zoolang Rowena, Athelstane en ik zelf de gevangenen zijn van dezen onbeschaamden roover, en dat misschien alleen wegens het gevaar, hetwelk onze vrijheid aan de overweldigers kon berokkenen?”

Terwijl de Sakser in deze smartelijke overwegingen verdiept was, ging de deur van hunne gevangenis open en er trad een huishofmeester binnen, met den witten staf van zijn ambt in de hand. Deze gewichtige man trad in de kamer met deftige schreden, gevolgd door vier bedienden, die een gedekte tafel binnenbrachten, welker gezicht en geuren voor Athelstane een oogenblikkelijke vergoeding schenen voor het geleden ongemak. De menschen, welke den maaltijd opdroegen, waren gemaskerd en in mantels gehuld.

Athelstane de Coningsburgh.

“Waartoe dient deze vermomming?” zei Cedric; “denkt gij, dat wij niet weten, wiens gevangenen wij zijn, hier in het kasteel van uw meester? Zegt hem,” ging hij voort, van deze gelegenheid gebruik makende, om een onderhandeling over zijn bevrijding aan te knoopen,—“zegt aan uw meester, Reginald Front-de-Boeuf, dat wij geene reden weten, waarom hij ons van onze vrijheid berooft, behalve onwettige begeerte, om zich op onze kosten te verrijken. Zegt hem, dat wij zijne roofzucht zullen bevredigen, evenals in zulk een geval, die van een roover van beroep. Laat hem het losgeld voor onze vrijheid noemen, en het zal uitbetaald worden, mits de eisch onze middelen niet te boven ga.”

De hofmeester gaf geen antwoord, maar boog diep. “En zegt aan Reginald Front-de-Boeuf,” zei Athelstane, “dat ik hem op leven en dood uitdaag, te voet, of te paard, op de een of andere veilige plaats, binnen acht dagen na onze bevrijding, en, zoo hij een echte ridder is, zal hij deze uitdaging onder zulke omstandigheden niet durven weigeren of uitstellen.”

“Ik zal den ridder uw uitdaging overbrengen,” antwoordde de hofmeester; “intusschen laat ik u aan uw maaltijd over.”

Athelstane’s uitdaging werd niet met de grootste waardigheid geuit; want een groote mondvol, die het gebruik van beide kakebeenen tegelijk vorderde, gevoegd bij zijn stotteren, benadeelde aanmerkelijk de deftigheid van zijn stoute woorden. Desniettemin hield Cedric ze voor een onbetwistbaar teeken van den weder ontwakenden moed zijns makkers, wiens vroegere onverschilligheid, in weerwil van de achting, welke hij voor zijn afkomst koesterde, zijn geduld op een harde proef gesteld had. Maar hij drukte hem nu hartelijk de hand, als een teeken van zijn goedkeuring, en was eenigszins teleurgesteld toen Athelstane aanmerkte: “Dat hij het met een dozijn van zulke menschen, als Front-de-Boeuf, wilde opnemen, als hij daardoor zijn vertrek uit eene gevangenschap kon bespoedigen, waar men zoo veel knoflook in de soep deed.” Maar in weerwil van dit voorteeken van den terugkeer zijner zinnelijkheid, plaatste zich Cedric tegenover Athelstane, en toonde weldra, dat zoo de rampen van zijn vaderland de gedachte aan te eten en drinken uit zijn gemoed konden verdrijven, zoolang de tafel niet gedekt was, de spijzen toch nauwelijks opgedragen konden zijn, zonder dat hij bewees, dat de eetlust zijner Saksische voorouders met hun overige hoedanigheden op hem overgegaan was.

De gevangenen hadden echter nog niet lang begonnen hun ververschingen te nuttigen, toen hunne aandacht van deze uiterst gewichtige bezigheid afgetrokken werd, door den klank van een horen buiten de poort. Het geluid werd driemaal herhaald, met een geweld, alsof de uitverkoren ridder voor een betooverd kasteel geblazen had, op wiens opeisching zalen en torens, bolwerken en borstweringen zouden verdwijnen als een morgen-nevel. De Saksers vlogen van de tafel op naar het venster. Maar hun nieuwsgierigheid werd te leur gesteld; want deze vensters zagen alleen op de plaats van het kasteel uit, en het horengeschal kwam van buiten. Het geluid bleek echter de aandacht getrokken te hebben; want er scheen oogenblikkelijk een groot gewoel in het kasteel te ontstaan.


1 Dicht bij Stamford werd, in 1066, de bloedige slag geleverd, in welken Harald zijn oproerigen broeder Tosti en de Noorwegers versloeg, slechts weinige dagen voor zijn eigen val bij Hastings. De brug over de rivier Welland werd woedend betwist. Een Noorweger verdedigde die lang alleen, en werd eindelijk door een speer getroffen, welke uit een boot van onder de brug door de planken gestoken werd. Spencer en Drayton maken beide toespeling op de voorspellingen, omtrent de noodlottige Welland in omloop.

“Waardoor die ongeluksstroom veel vrees en ontzag verkreeg.” Zie verder noot E.

Schrijver.

Twee-en-twintigste Hoofdstuk.

Mijn dochter,—o mijn dukaten, o mijn dochter!

O mijn christelijke dukaten!

Het gerecht,—de wet,—mijn dukaten en mijn dochter!

Koopman van Venetië.

Aan de Saksische edelen het overlatende, tot hun maaltijd terug te keeren, zoodra hunne onbevredigde nieuwsgierigheid duldde, dat zij aan hun half verzadigden eetlust gehoor gaven, moeten wij een blik werpen op de nog strengere gevangenschap van Izaäk van York. De arme Jood was dadelijk in een keldergewelf van het kasteel geworpen, waarvan de vloer diep onder den grond en zeer vochtig was, daar die nog lager dan de gracht lag. Het weinige licht kwam uit een paar zeer hoog geplaatste schietgaten, zoodat de gevangene er op verre na niet bijkomen kon. Deze openingen verschaften zelfs op den middag slechts een flauw schemerlicht, dat in duisternis overging, lang eer het overige gedeelte van het kasteel den zegen van het daglicht verloren had. Ketenen en boeien, welke vroegere gevangenen gedragen hadden, wier pogingen tot ontvluchten men gevreesd had, hingen verroest aan de muren der gevangenis; en in de ringen van één er van zag men twee vermolmde beenderen, welke voorheen naar het scheen aan een mensch behoord hadden, dien men niet alleen daar als gevangene had laten omkomen, maar ook tot een geraamte laten vergaan. Aan het ééne einde van dit akelig verblijf was een groot rooster, waarover eenige ijzeren staven lagen, die half door den roest verteerd waren.

Reginald Front-de-Boeuf.

Het geheele voorkomen der gevangenis had een stouter hart, dan dat van Izaäk, kunnen doen beven, die evenwel in het gevaar zelf veel bedaarder was, dan hij geschenen had, zoolang hij door een vrees gekweld werd, welker oorzaak nog verborgen en onzeker was. De liefhebbers der jacht zeggen, dat de haas meer angst gevoelt onder het vervolgen der windhonden, dan wanneer hij onder hunne klauwen is. En dus is het waarschijnlijk, dat de Joden, door hun gedurige schrik bij alle gelegenheden, eenigszins voorbereid waren op iedere kwelling der dwingelandij, die op hen kon worden uitgeoefend; zoodat geene verdrukking, die wezenlijk plaats vond, die verrassing kon te weeg brengen, welke de meest verlammende uitwerking van den schrik is. Ook was het niet voor de eerste maal, dat Izaäk in zulk gevaar verkeerde. Hij bezat dus ervaring, om zich er naar te gedragen, en de hoop, om evenals te voren, uit de handen der roovers te ontsnappen. Vooral bezat hij die ontoegeeflijke hardnekkigheid zijner natie, en dien onverzettelijken moed, met welken zij zich dikwijls onderworpen heeft aan de uiterste rampen, welke macht en geweld haar konden opleggen, eerder dan een Jood te kunnen dwingen zijn onderdrukkers te voldoen, door in hun eischen toe te stemmen.

In deze gemoedsstemming dan, en met zijne kleederen onder zich uitgespreid, om zijn leden tegen den vochtigen vloer te beschermen, zat Izaäk in een hoek van zijne gevangenis, waar zijne gevouwen handen, zijn loshangend haar en zijne lange baard, zijn met bont bezette mantel en zijne hooge muts, in een flauw gebroken licht, eene studie voor een Rembrandt zouden opgeleverd hebben, zoo die beroemde schilder in dien tijd geleefd had. De Jood bleef omtrent drie uren onveranderd in dezelfde houding, toen men voetstappen hoorde op de trap, die naar de gevangenis leidde. De grendels kraakten, de hengsels knarsten bij het openen, en Reginald Front-de-Boeuf trad in de gevangenis, door de twee Saraceensche slaven des Tempeliers gevolgd. Front-de-Boeuf, een groot, forsch mensch, die zijn leven in openlijken oorlog, of in bijzondere veeten doorgebracht, en nooit eenige middelen geschuwd had, om zijne willekeurige macht uit te breiden, had gelaatstrekken, die volkomen met zijn karakter overeenstemden, en welke de woeste en boosaardige driften zijner ziel uitdrukten. De litteekens, waarmede zijn gezicht bedekt was, zouden bij beter gevormde trekken, de belangstelling en den eerbied verwekt hebben, welke men verschuldigd is aan de eervolle dapperheid; maar, in het bijzonder geval van Front-de-Boeuf, vermeerderden zij slechts de woestheid van zijn gelaat, en de ijzing, welke zijne tegenwoordigheid inboezemde. Deze schrikbarende edelman was gekleed in een lederen wambuis, dat nauw om het lijf sloot, en hier en daar door vlekken van zijn wapenrusting bezoedeld was. Hij droeg geen wapen, behalve een dolk in den gordel, die als een tegenwicht diende voor den bundel verroeste sleutels, welke aan zijne rechterzijde hing.

De zwarte slaven, welke Front-de-Boeuf vergezelden, hadden hun prachtige kleeding afgelegd, en wambuizen en broeken van grof linnen aangetrokken; hunne mouwen waren tot boven aan den elleboog opgestroopt, gelijk die van slagers, als zij hun beroep in het slachthuis willen verrichten. Ieder had een korfje in de hand en toen zij in de gevangenis traden, bleven zij aan de deur staan tot Front-de-Boeuf ze zelf zorgvuldig gegrendeld en dubbel gesloten had. Na deze voorzorg genomen te hebben, ging hij langzaam door het vertrek op den Jood toe, op wien hij zijn oog gevestigd hield, alsof hij hem door zijn blik verlammen wilde, evenals men zegt, dat zekere dieren hun prooi betooveren. Het scheen, inderdaad, alsof het sombere, boosaardige oog van Front-de-Boeuf iets van die macht over zijn ongelukkigen gevangene had. De Jood opende den mond en vestigde de oogen op den woesten edelman met zulk een hevigen schrik, dat zijn lichaam letterlijk scheen ineen te krimpen en te vergaan onder dien vasten en ijselijken blik. De ongelukkige Jood was niet alleen buiten machte, om op te staan, om de nederige buiging te maken, welke zijne vrees hem voorschreef, maar hij kon niet eens de muts afnemen, of eenig smeekend woord uitbrengen, zoo sterk was hij getroffen door de overtuiging, dat pijniging en dood hem boven het hoofd hingen.

Front-de-Boeuf bij Izaäk in den kerker.

Van den anderen kant, scheen de reusachtige gestalte van den Normandiër in grootte toe te nemen, gelijk die van een adelaar, die zijn vederen opzet, als hij op het punt is, op zijn weerlooze prooi neer te storten. Hij bleef drie pas van den hoek staan, waarin de arme Jood nu, als het ware in de kleinst mogelijke ruimte gekropen was, en gaf een teeken aan een der slaven om te naderen. De zwarte trawant trad vóór, en uit zijn korfje een groote schaal en verscheidene gewichten te voorschijn halende, legde hij ze voor de voeten van Front-de-Boeuf neder, en begaf zich weder op den eerbiedigen afstand, waar zijn makker was blijven staan. De bewegingen dezer mannen waren langzaam en statig, alsof een voorgevoel van iets ijselijks en wreeds hunne zielen drukte. Front-de-Boeuf opende zelf het tooneel, door zijn rampzaligen gevangene aldus aan te spreken:

“Vervloekte hond, van een vervloekten stam,” zei hij, met zijn diepe, holle stem den somberen weerklank in het gewelf doende ontwaken; “ziet gij deze schaal?”

De ongelukkige Jood beantwoordde dit met een zacht: “Ja.”

“Op deze schaal,” vervolgde de onbarmhartige edele, “zult gij mij duizend pond zilver uitwegen, maat en gewicht van den Tower van Londen.”

“Heilige Abraham!” hernam de Jood, die nu woorden vond: “heeft men ooit zulk een eisch gehoord? Wie heeft ooit, zelfs in een minnezangers verhaal, van zulk een som, als duizend pond zilver gehoord? Welk een menschelijk oog werd ooit gezegend met de aanschouwing van zulk een schat! Zelfs binnen de muren van York, al haalt gij mijn huis en de huizen van mijn geheelen stam omver, zult gij het tiende gedeelte van de ongehoorde som zilver, waarvan gij spreekt, niet vinden.”

“Ik ben redelijk,” antwoordde Front-de-Boeuf, “en zoo het zilver schaarsch is, weiger ik geen goud; één mark goud tegen zes pond zilver gerekend. Daardoor kunt gij uw ongeloovig lichaam van eene straf bevrijden, waarvan uwe ziel nooit eenig denkbeeld gehad heeft.”

“Heb medelijden met mij, edele ridder!” riep Izaäk. “Ik ben oud, arm en hulpeloos. Het ware onwaardig, over mij te zegepralen.—Het is eene armzalige daad, een worm te verpletteren!”

“Oud moogt gij zijn,” hernam de ridder, “te meer schande voor de dwaasheid van hen, welke u bij woeker en schelmerij hebben laten grijs worden.—Zwak moogt gij ook zijn, want wanneer had ooit een Jood hart of hand?—Maar rijk zijt gij, dat is wel bekend!”

“Ik zweer u, edele ridder,” hervatte de Jood, “bij alles, waaraan ik geloof, en bij alles, waaraan wij gemeenschappelijk gelooven—”

“Word niet meineedig,” zei de Normandiër, hem in de rede vallende, “en haal u het ongeluk niet op den hals door uwe halsstarrigheid, vóór dat gij het lot, hetwelk u te wachten staat, hebt leeren kennen, en het wel overwogen hebt. Denk niet, dat ik alleen tegen u spreek, om u schrik aan te jagen, en om gebruik te maken van de lage lafhartigheid, welke gij van uw stam geërfd hebt.—Ik zweer u bij datgene, waaraan gij niet gelooft, bij het Evangelie, hetwelk onze kerk verkondigt, en bij de macht die haar gegeven is, om te binden en te ontbinden, dat mijn voornemen vast en onwrikbaar is. Deze kerker is geene plaats om er in te schertsen. Gevangenen, die tienduizendmaal meer waard waren dan gij, zijn binnen deze muren omgekomen, zonder dat hun lot ooit bekend is geworden. Maar voor u is een langzame kwijnende dood bespaard, waartegen de hunne zaligheid was.”

Hij gaf den slaven weder een teeken om te naderen, en sprak ter zijde met hen in hun eigene taal; want hij was ook in Palestina geweest, waar hij misschien zijne wreedheid geleerd had. De Saraceenen haalden uit hun korf een menigte houtskolen, een blaasbalk, en een flesch met olie te voorschijn. Terwijl de één vuur sloeg, legde de ander de houtskool op den grooten verroesten rooster, waarvan wij reeds gesproken hebben, en blies het vuur aan, tot de kolen gloeiden.

“Ziet gij, Izaäk,” zei Front-de-Boeuf, “de rij ijzeren staven boven die gloeiende houtskolen?1 Op dat heete bed zult gij liggen, van al uw kleederen ontbloot, alsof gij op een bed van dons moest liggen. Één van deze slaven zal het vuur onder u aanhouden, terwijl de andere uwe ellendige leden met olie zal begieten, opdat het gebraad niet aanbrande.—Kies nu tusschen zulk een warm bed en het betalen van duizend pond zilver; want, bij het hoofd mijns vaders, gij hebt geen andere keuze.”

“Het is onmogelijk,” zei de ongelukkige Jood, “het is onmogelijk, dat dit wezenlijk uw voornemen zou zijn! De algoede Vader der natuur heeft nooit een hart geschapen, dat in staat was zulk eene wreedheid te begaan.”

“Vertrouw daar niet op, Izaäk,” zei Front-de-Boeuf; “dat zou eene noodlottige dwaling zijn. Denkt gij, dat ik, die eene stad heb zien uitplunderen, in welke duizenden Christenen, mijn landslieden, door het zwaard, vuur en water zijn omgekomen, van mijn voornemen zal afzien, om het geschreeuw en gesteun van één ellendigen Jood?—Of meent gij, dat deze zwarte slaven, die wet, noch vaderland, noch geweten kennen, behalve huns meesters wil,—die, op zijn eersten wenk, vergif, dolk, paal of koord gebruiken,—denkt gij, dat ze medelijden zullen hebben, daar ze niet eens de taal verstaan, in welke gij er om smeekt?—Wees verstandig, oude man, ontdoe u van een gedeelte van uw overtolligen rijkdom, betaal in handen van een Christen een gedeelte van hetgeen gij verworven hebt door den woeker, welken gij tegen zijne geloofsgenooten uitgeoefend hebt. Uw list kan spoedig uwe ledige en ingekrompen beurs weder vullen; maar geen arts en geene artsenij kan uw gebraden vel en vleesch herstellen, als gij eens op deze staven gelegen hebt. Tel uw losgeld maar neer, zeg ik, en verheug u, dat gij u tot zulk een prijs uit een kerker kunt vrijkoopen, waaruit weinigen zijn teruggekeerd, om de geheimen er van over te vertellen. Ik verspil geene woorden meer;—kies tusschen geld en vleesch en bloed, en zooals gij kiest,—zoo zal het zijn!”

“Dan mogen Abraham, Jakob en alle vaders van ons volk mij bijstaan,” zei Izaäk; “ik kan geene keus doen, dewijl ik de middelen niet bezit, om aan uw buitensporigen eisch te voldoen.”

“Grijpt en ontkleedt hem, slaven!” riep de ridder. “En mogen de vaderen van zijn stam hem bijstaan, zoo zij kunnen!”

De bedienden, zich meer naar de oogen en de wenken van hun heer, dan naar zijne woorden richtende, traden andermaal voorwaarts, legden de handen aan den ongelukkigen Izaäk, rukten hem van den grond op, en hem tusschen zich houdende, wachtten zij op een verder teeken van den hardvochtigen edelman. De ellendige Jood vestigde zijn oogen op hun gelaat en op dat van Front-de-Boeuf, in de hoop van eenig teeken van medelijden te bespeuren; maar het gelaat des Barons vertoonde denzelfden kouden, half kwaadaardigen, half spottenden glimlach, die de voorbode van zijne wreedheid geweest was; en de woeste oogen der Saraceenen, somber onder hun zwarte wenkbrauwen rollende, en een nog akeliger uitdrukking ontleenende aan de witheid van den kring rondom den oogappel, gaven veeleer het geheim vermaak te kennen, dat zij van het aanstaande tooneel verwachtten, dan eenigen tegenzin, om daarbij deelgenooten en medehelpers te zijn. Hierop zag de Jood naar den gloeienden rooster, waarop hij uitgestrekt zou worden, en geen kans ziende, dat zijn pijniger toegeven zou, bezweek zijn moed.

“Ik zal de duizend pond zilver betalen,” riep hij.—“Dat is,” voegde hij er na een oogenblik zwijgens bij, “ik zal ze betalen met behulp mijner broeders, want ik moet als een bedelaar, aan de deur van onze Synagoge smeeken, vóór dat ik een zoo ongehoorde som bijeen krijgen kan.—Wanneer en waar moeten ze uitbetaald worden?”

“Hier,” hernam Front-de-Boeuf, “hier moeten ze worden uitbetaald en gewogen,—gewogen en uitgeteld op den vloer van dezen kerker. Denkt gij, dat ik u zou loslaten, vóór dat het losgeld uitgekeerd is?”

“En wie zal mij borg zijn,” zei de Jood, “dat ik in vrijheid zal worden gesteld, als dit losgeld betaald is?”

“Het woord van een Normandischen edelman, woekerende slaaf,” antwoordde Front-de-Boeuf; “het woord van een Normandischen edelman, dat meer waard is dan al het goud en zilver van u en van uw geheelen stam.”

“Vergeef mij, edele heer,” zei Izaäk vreesachtig; “maar waarom zou ik geheel op het woord vertrouwen van iemand, die niet op het mijne vertrouwen wil?”

“Omdat gij het niet laten kunt, Jood!” hernam de ridder minachtend. “Zoo gij thans in uwe schatkamer te York waart, en ik geld van u leenen wilde, dan zou het u passen, om den betaaltijd te bepalen, en een onderpand te vragen. Dit is mijn schatkamer. Hier heb ik u in mijne macht, en ik zal mij niet weder verwaardigen, de voorwaarden te herhalen, op welke ik u de vrijheid schenk.”

De Jood zuchtte diep.—“Schenk mij ten minste,” zei hij, “met mijn vrijheid, ook die van mijn reisgezellen! Zij verachten mij, als Jood; echter hadden zij medelijden met mijn ongeluk, en door zich op weg op te houden, om mij te helpen, is hun gedeeltelijk deze ramp overkomen; buitendien kunnen zij ook een gedeelte van mijn losgeld dragen.”

“Zoo gij die Saksische boeren meent,” zei Front-de-Boeuf, “hun losgeld zal van andere voorwaarden afhangen. Bekommer u niet om de zaken van anderen, Jood, ik waarschuw u, maar alleen om uw eigene.”

“Ik zal dus,” zei Izaäk, “alleen in vrijheid gesteld worden met mijn gekwetsten vriend?”

“Moet ik een zoon van Israël tweemalen aanbevelen,” hernam Front-de-Boeuf, “om zich met zijne eigene zaken te bemoeien, en aan anderen de hunne over te laten?—Daar gij uwe keus gedaan hebt, blijft er niets over, dan dat gij uw losgeld binnen den kortst mogelijken tijd bijeen brengt.”

“Maar hoor mij aan,” zei de Jood,—“om den wille van denzelfden rijkdom, welken gij verwerven wilt ten koste van uw—” Hier bleef hij steken, uit vrees van den woesten Normandiër te vertoornen. Maar Front-de-Boeuf glimlachte slechts, en hij vulde zelf het ontbrekende in des Joods gezegde aan.

“Ten koste van mijn geweten, wildet gij zeggen, Izaäk; zeg het maar ronduit.—Ik zeg u, ik ben redelijk. Ik kan de verwijten van hem, die verliest, verdragen, al zijn die ook van een Jood. Gij waart zoo geduldig niet, Izaäk, toen gij het gerecht inriept tegen Jacques Fitzdotterel, omdat hij u een onmeedoogenden woekeraar noemde, nadat uwe afpersingen zijn vaderlijk erfgoed verslonden hadden.”

“Ik zweer op den Talmud,” hervatte de Jood, “dat men u in die zaak verkeerd onderricht heeft. Fitzdotterel trok den dolk tegen mij in mijn eigen kamer, omdat ik hem om mijn eigen geld vroeg. De tijd tot betaling was op het Paaschfeest verschenen.”

“Het is mij onverschillig, wat hij deed,” zei Front-de-Boeuf; “de vraag is, wanneer zal ik mijn loon krijgen? Wanneer zal ik mijn geld hebben, Izaäk?”

“Laat mijn dochter Rebekka naar York gaan, met een vrijgeleide van u, edele ridder,” antwoordde Izaäk, “en zoo spoedig man en paard terug keeren kan, zal u de schat—” hier slaakte hij een diepen zucht, maar voegde er na een oogenblik zwijgens bij,—“zal u de schat hier uitbetaald worden.”

“Uw dochter!” zei Front-de-Boeuf, met een schijn van verwondering.—“Bij den Hemel, Izaäk, ik wenschte, dat ik dit geweten had. Ik dacht, dat het zwartoogige meisje uw bijzit was, en gaf haar, als dienstbare, aan den ridder Brian de Bois-Guilbert, naar de gewoonte van de aartsvaders en helden van den ouden tijd, welke ons hierin met een goed voorbeeld zijn voorgegaan.”

De gil, welken Izaäk bij deze ongevoelige mededeeling gaf, deed het gewelf weergalmen, en verraste de twee Saraceenen zoo zeer, dat zij den Jood loslieten. Hij maakte gebruik van deze vrijheid, om zich neder te werpen, en Front-de-Boeuf’s knieën te omvatten.

“Neem alles, wat gij geëischt hebt,” riep hij. “Heer ridder;—neem tienmaal meer;—breng mij tot den bedelstaf, zoo gij wilt;—doorboor mij met dien dolk, leg mij op dien rooster, maar spaar mijn dochter, laat haar in eer en deugd vertrekken!—Bij de moeder, welke u het leven schonk, smeek ik u, spaar de eer van een hulpeloos meisje.—Zij is het evenbeeld van mijne overledene Rachel; zij is het laatste van zes panden harer liefde.—Wilt gij een ongelukkigen weduwnaar van zijn eenigen overgebleven troost berooven?—Wilt gij een vader dwingen, om te wenschen, dat zijn eenig in het leven gebleven kind, naast haar moeder in het graf onzer vaderen lag?”

“Ik wilde,” zei de Normandiër, een weinig aangedaan, “dat ik dit vooraf geweten had. Ik meende, dat uw stam niets beminde, dan zijne geldzakken?”

“Denk niet zoo slecht van ons,” zei Izaäk, begeerig om van dit oogenblik van schijnbare gevoeligheid gebruik te maken: “de vervolgde vos, de gekwelde wilde kat beminnen hun kroost.—Het verachte en vervolgde nageslacht van Abraham bemint ook zijne kinderen.”

“Het is zoo,” zei Front-de-Boeuf; “ik wil het in het vervolg gelooven, Izaäk, om uwentwille;—maar dit baat ons nu niet. Ik kan niet weder goed maken hetgeen geschied is, en hetgeen nog geschieden kan; ik heb mijn wapenbroeder mijn woord gegeven, en ik zou het niet om tien Joden en Jodinnen willen breken. Buitendien, waarom denkt gij, dat het meisje kwaad zal overkomen, al valt zij zelfs in de handen van Bois-Guilbert?”

“Er zal, er moet haar kwaad overkomen!” riep Izaäk, de handen angstig wringende. “Wanneer hebben de Tempeliers ooit iets anders bedacht dan de wreedheid tegen mannen en oneer tegen vrouwen?”

“Ongeloovige hond!” riep Front-de-Boeuf, met vonkelende oogen, en misschien niet ontevreden, dat hij een voorwendsel gevonden had, om in drift te geraken: “Laster de heilige orde van den Tempel van Sion niet; maar denk er liever aan mij het losgeld te betalen, dat gij mij beloofd hebt, of wee u!”

“Roover en booswicht!” riep de Jood, de beleedigingen van zijn onderdrukker met eene drift beantwoordende, welke, hoe onmachtig ook, hij nu niet meer beteugelen kon. “Ik wil niets betalen;—geen penning zal ik u geven, zoo mijne dochter in eer en deugd, mij niet teruggegeven wordt.”

“Zijt gij bij zinnen, Jood?” vroeg de Normandiër barsch.—“Is uw vleesch en bloed bestand tegen heet ijzer en kokende olie?”

“Ik geef er niet om,” zei de Jood, wanhopig geworden door vaderlijke liefde; “doe het ergste! Mijne dochter is mijn vleesch en bloed, duizendmaal dierbaarder voor mij dan het lichaam door uwe wreedheid bedreigd. Ik wil u geen zilver geven, tenzij ik het u gesmolten in de gierige keel kan gieten,—geen penning wil ik u geven, Nazarener, al kon die u van de zware verdoemenis redden, welke uw geheel leven verdiend heeft! Neem mijn leven, zoo gij wilt, en zeg, dat de Jood, te midden zijner martelingen, den Christen wist te leur te stellen.”

“Wij zullen dat eens zien,” hernam Front-de-Boeuf, “want bij het heilige kruis, dat de afschuw van uw vervloekten stam is, gij zult het uiterste van vuur en staal gevoelen.—Ontkleedt hem, slaven, en bindt hem op de ijzeren stangen.”

In weerwil van den zwakken tegenstand van den grijsaard, hadden de Saraceenen hem reeds de bovenkleederen afgescheurd, en wilden hem geheel ontkleeden, toen de klank van een horen zich tweemaal buiten het kasteel liet hooren, en zelfs tot in den kerker doordrong: en onmiddellijk daarna, hoorde men stemmen, die om den ridder Reginald Front-de-Boeuf riepen. Daar de woeste edelman niet gaarne in deze helsche bezigheid wilde gevonden worden, gaf hij een teeken aan de slaven, om aan Izaäk zijne kleederen terug te geven, en, de gevangenis met zijn dienaars verlatende, liet hij den Jood achter, om God voor zijn redding te danken, of om de gevangenschap zijner dochter, en haar lot te beklagen, naarmate zijn persoonlijke of vaderlijke gevoelens de overhand kregen.


1 Zie noot F.