WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 29: Vier-en-twintigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Drie-en-twintigste Hoofdstuk.

Indien mijn vriendlijk woord niet baat,

Uw stuurschen zin niet om kan zetten,

Ik dwing tot liefde u als soldaat,

En min u strijdig met haar wetten.

De twee Edelen van Verona.

De kamer, waarin de Jonkvrouw Rowena gebracht was, vertoonde eenige ruwe versiering en opschik, en men kon hare opsluiting aldaar als een bijzonder blijk van hoogachting beschouwen, die aan de overige gevangenen niet bewezen werd. Maar de echtgenoote van Front-de-Boeuf, voor wie het vertrek oorspronkelijk ingericht werd, was sedert lang overleden, en verval en verwaarloozing hadden de weinige sieraden verminkt, waarmede haar smaak de kamer opgesmukt had. Het behangsel hing, op vele plaatsen, bij den muur neer, en op andere was het door de kracht der zon verbleekt, of vergaan, of door ouderdom verscheurd en verwoest. Hoe vervallen dan ook de kamer scheen, was het toch die, welke men in het kasteel voor het gemak der Saksische erfdochter het geschiktst geoordeeld had; en daar liet men haar, om over haar lot na te denken, tot de handelende personen, in dit schandelijk bedrijf, de verscheidene rollen verdeeld hadden, welke zij spelen zouden. Dit was bepaald in een raad, gehouden door Front-de-Boeuf, De Bracy en den Tempelier, in welken zij, na eene lange en driftige beraadslaging over de verschillende voordeelen, welke ieder, voor zijn eigen aandeel, uit deze stoute onderneming wilde trekken, ten laatste het lot hunner ongelukkige gevangenen beslist hadden.

Het was dus omtrent den middag, toen De Bracy, door wien de onderneming eigenlijk beraamd was, verscheen, om zijne plannen op de hand en de goederen van Rowena door te zetten. Den tusschentijd had hij niet geheel en al besteed, om te raadplegen met zijne bondgenooten; maar hij had zich met al de pracht van die tijden opgesmukt. Zijn groen wambuis en masker waren afgelegd. Zijn lang, schoon haar hing in zware krullen over zijnen met rijk bont bezetten mantel. Zijn baard was kort geschoren, zijn wambuis hing tot op het midden van zijn been, en de gordel, welke het vasthield, en tegelijk zijn groot zwaard droeg, was geborduurd en bezet met goud. Wij hebben reeds van de buitensporige mode der schoenen van dien tijd gesproken, en de punten van die van Maurice De Bracy konden aan de schoonsten van dien aard den prijs betwisten, daar ze gedraaid en opgekruld waren als de horens van een ram. Zoo was de kleeding van een hofjonker van dit tijdvak; en in het tegenwoordige geval werd de uitwerking daarvan bevorderd door het schoone voorkomen en de beschaafde manieren van den ridder, wiens houding de bevalligheid van den hoveling met het ongedwongene van den krijgsman vereenigde.

Hij groette Rowena, door zijn fluweelen baret af te nemen, die met een gouden speld versierd was, verbeeldende St. Michiel, den Satan onder de voeten tredende. Hierna wees hij de dame vriendelijk een stoel aan, en daar ze er geen gebruik van scheen te willen maken trok de ridder den handschoen van de rechterhand uit, en bood haar die aan, om haar naar den stoel te geleiden. Maar Rowena wees zwijgend de aangebodene beleefdheid van de hand, en zei: “Zoo ik in tegenwoordigheid van mijn bewaarder ben, heer ridder, zooals alle omstandigheden mij overtuigen, dan betaamt het zijne gevangene te blijven staan, tot ze haar vonnis vernomen heeft.”

“Ach! schoone Rowena,” hernam De Bracy, “gij zijt in tegenwoordigheid van uw gevangene, en niet van uw bewaarder, en het is van uwe schoone oogen, dat De Bracy dat vonnis moet ontvangen, hetwelk gij te vergeefs van hem verwacht.”

“Ik ken u niet, ridder,”—zei de Jonkvrouw, zich verheffende met al de trotschheid van beleedigden rang en schoonheid;—“ik ken u niet; en de onbeschaamde gemeenzaamheid, waarmede gij mij in de wartaal der troubadours aanspreekt, is geene verontschuldiging voor het geweld van den roover.”

“Aan u zelve, schoone dame,” antwoordde De Bracy op zijn vorigen toon,—“aan uwe eigene bekoorlijkheden moet gij alles wijten, wat ik strijdig gedaan heb met den eerbied jegens haar, die ik tot koningin van mijn hart en leidstar van mijne oogen gekozen heb.”

“Ik herhaal het, heer ridder, dat ik u niet ken, en dat geen man, die ridderketen en sporen draagt, zich aldus bij eene weerlooze vrouw moest opdringen.”

“Dat ik onbekend bij u ben,” zei De Bracy, “is inderdaad mijn ongeluk; laat mij, evenwel, hopen, dat De Bracy’s naam niet altijd ongenoemd is gebleven, als minnezangers en herauten de heldendaden der ridderschap, in het strijdperk en op het slagveld, geprezen hebben.”

“Laat dan, heer ridder,” hernam Rowena, “uw lof over aan de lofspraak van herauten en minnezangers, daar die beter in hun mond past, dan in den uwe, en zeg mij, wie van hen, in een gezang of toernooiboek, de merkwaardige zegepraal van dezen nacht zal verhalen, een zegepraal, die gij behaald hebt op een ouden man, vergezeld door eenige vreesachtige dienstbaren, en waarvan de buit bestaat in een ongelukkig meisje, dat men tegen wil en dank naar het kasteel van een roover gevoerd heeft.”

“Gij zijt onbillijk, Jonkvrouw,” zei de ridder, zich verlegen op de lippen bijtende, en een toon aannemende, die hem natuurlijker was, dan de gemaakte hoffelijkheid, die hij eerst gebruikt had; “daar gij zelve door geen hartstocht bezield zijt, kunt gij de razernij van een ander niet verontschuldigen, schoon die door uwe eigene schoonheid veroorzaakt is.”

“Ik bid u, heer ridder,” hervatte Rowena, “niet voort te gaan met een taal, die zoo afgesleten is door rondreizende minnezangers, dat ze niet in den mond van ridders of edelen past. Waarlijk, gij dwingt mij, te gaan zitten, daar gij zulke afgezaagde uitdrukkingen gebruikt, waarvan ieder gemeene speelman een voorraad heeft, waarmede hij van heden tot Kerstmis uitkomen kon.”

“Hoogmoedige Jonkvrouw,” zei De Bracy vertoornd, daar hij zag, dat zijn hoogdravende stijl hem niets dan verachting op den hals haalde;—“hoogmoedige Jonkvrouw, gij zult met gelijken hoogmoed behandeld worden. Verneem dan, dat ik mijn aanzoek om uwe hand op de meest met mijn karakter overeenstemmende wijze heb gedaan. Het past beter voor uwe inborst met geweld gevrijd te worden, dan met smeekende woorden en hoffelijke taal.”

“Hoffelijke taal,” hernam Rowena, “gebruikt om eene lage daad te verbergen, is niets dan een riddergordel om het lichaam van een lagen boer. Het verwondert mij niet, dat de terughouding u zwaar valt;—het zou u meer tot eer verstrekken, zoo gij de kleeding en de taal van een roover hadt behouden, dan diens daden onder eene aangenomen edele taal en houding te verbergen.”

“Gij geeft mij daar een goeden raad,” zei De Bracy; “en in de stoute taal, welke het best aan stoute daden betaamt, zeg ik u, dat gij dit kasteel nooit anders zult verlaten, dan als de echtgenoote van De Bracy. Ik ben niet gewoon, in mijne ondernemingen gedwarsboomd te worden; en een Normandisch edelman behoeft niet eens zijn gedrag angstig te rechtvaardigen voor het Saksische meisje, dat hij met het aanbod zijner hand vereert. Gij zijt trotsch, Rowena; wel nu, des te geschikter zijt gij, om mijne echtgenoote te worden. Door welk ander middel, dan door eene verbintenis met mij, kunt gij tot hooge eer en tot een vorstelijken stand verheven worden? Hoe wilt gij anders uit de benauwde vertrekken van eene boerenwoning verlost worden, waar de Saksers zich opsluiten met de zwijnen, welke hun rijkdom uitmaken, om uw plaats in te nemen, geëerd zooals het betaamt, onder alles, wat in Engeland door schoonheid uitmunt, of door macht verheerlijkt is?”

Maurice de Bracy.

“Heer ridder,” hernam Rowena, “de woning, welke gij veracht, is van mijne kindsheid af mijne schuilplaats geweest; en geloof mij, als ik ze verlaat,—zoo die dag ooit verschijnt,—dan zal het zijn met een man, die niet geleerd heeft de woning en de zeden te verachten, in welke ik opgevoed ben.”

“Ik gis uwe meening, Jonkvrouw,” zei De Bracy, “schoon ge u verbeelden moogt, dat ze te diep ligt voor mijn begrip. Maar droom niet, dat Richard Leeuwenhart ooit zijn troon weder zal bestijgen, noch veel minder, dat zijn gunsteling, Wilfrid van Ivanhoe, u ooit naar den voet van dien troon zal geleiden, om daar, als de bruid van des Konings gunsteling, verwelkomd te worden. Een ander minnaar zou jaloersch kunnen worden bij het aanraken van deze snaar; maar mijn vast voornemen kan niet veranderd worden door een zoo kinderachtigen en hopeloozen hartstocht. Verneem, Jonkvrouw, dat deze medeminnaar in mijn macht is, en dat het alleen van mij afhangt, om het geheim van zijne tegenwoordigheid in het kasteel Front-de-Boeuf te verraden, wiens ijverzucht noodlottiger zou zijn, dan de mijne.”

“Wilfrid hier?” zei Rowena met verachting. “Het is even waar als dat Front-de-Boeuf zijn medeminnaar is.”

De Bracy zag haar een oogenblik strak aan. “Waart gij hiervan werkelijk onkundig?” zei hij. “Wist gij niet, dat hij in den draagstoel van den Jood reisde?—Een schoon geleide voor den kruisvaarder, wiens machtige arm het Heilig Graf moest veroveren!” voegde hij, verachtelijk lachende, er bij.

“En al is hij hier,” zei Rowena, met geveinsde onverschilligheid, schoon sidderende met een angstig gevoel, dat zij niet kon onderdrukken, “waarin zou hij Front-de-Boeufs mededinger zijn? Of wat heeft hij te vreezen, behalve eene korte gevangenschap, en een eervol losgeld, volgens het gebruik der ridderschap?”

“Rowena,” hervatte De Bracy, “deelt gij ook in den gewonen waan van uw geslacht, dat er geen andere naijver kan zijn, dan om uwe bekoorlijkheden? Weet gij niet, dat er jaloezie is om eerzucht en rijkdom, zoowel als om liefde; en dat onze gastheer Front-de-Boeuf iedereen uit den weg zal ruimen, die zijn eisch op de schoone baronie van Ivanhoe tegengaat, even gereedelijk en hartstochtelijk, en met even weinig nauwgezetheid, alsof zijn mededinger hem door een blauwoogig meisje werd voorgetrokken? Maar verhoor mijn aanzoek, Jonkvrouw, en de gekwetste ridder zal niets te vreezen hebben van Front-de-Boeuf, terwijl gij anders om hem treuren kunt, daar hij zich in de handen van een man bevindt, die nog nooit medelijden getoond heeft.”

“Red hem, om des Hemels wil!” riep Rowena, wier standvastigheid bezweek onder den angst over het lot, dat haren minnaar boven het hoofd hing.

“Ik kan het,—ik wil het,—dit is mijn voornemen,” hernam De Bracy: “want, als Rowena er in toestemt, om De Bracy’s bruid te worden, wie zal dan de hand durven slaan aan haar bloedverwant,—den zoon van haar voogd,—den speelmakker harer jeugd. Maar door uwe liefde moet gij zijne bescherming koopen. Ik ben niet romantisch of gek genoeg, om het geluk te bevorderen, of den dood af te wenden van een man, die mij waarschijnlijk in mijne wenschen dwarsboomen zou. Gebruik uw invloed op mij tot zijn voordeel, en hij is gered; weiger dit: Wilfrid sterft, en gij zijt geen stap nader bij de vrijheid!”

“Uw taal,” antwoordde Rowena, “heeft in haar onverschillige lompheid iets, dat niet kan overeen gebracht worden met de ijselijkheden, welke ze schijnt uit te drukken. Ik geloof niet, dat uw voornemen zoo boosaardig, of uwe macht zoo groot is!”

“Vlei u dan maar met dit geloof,” hervatte De Bracy, “tot de tijd zal toonen, dat het valsch is. Uw minnaar ligt gewond in dit kasteel;—uw begunstigde minnaar! Hij is een hinderpaal tusschen Front-de-Boeuf en hetgeen bij hem hooger staat dan eerzucht of schoonheid. Het zou niet meer kosten dan één dolksteek, of een stoot met een spies, om hem voor altijd tot zwijgen te brengen. Stel zelfs, dat Front-de-Boeuf eene zoo in het oog loopende misdaad niet durfde verrichten; laat de arts zijn patient maar een verkeerd geneesmiddel geven;—laat de kamerdienaar, of de oppasser, die hem bedient, hem slechts onzacht de peluw van onder het hoofd rukken, en Wilfrid is, in zijn tegenwoordigen toestand, zonder bloedstorting, uit den weg geruimd. Cedric ook—”

“En Cedric ook,” zuchtte Rowena, zijne woorden herhalende; “mijn edele, grootmoedige voogd! Ik verdien de ramp, die mij getroffen heeft, daar ik zijn lot om dat van zijn zoon vergeten heb.”

“Cedric’s lot hangt ook van uw besluit af,” zei De Bracy; “en ik verlaat u, om er over na te denken.”

Tot hiertoe had Rowena hare rol in deze beproeving met onverschrokken moed volgehouden, maar alleen omdat zij het gevaar noch als ernstig, noch als dringend beschouwde. Haar karakter was van natuur dat, hetwelk de gelaatkundigen als eigenaardig aan blonde vrouwen toekennen; zacht, vreesachtig en goedig; maar het was gewijzigd, en als het ware verhard geworden, door de omstandigheden van hare opvoeding. Gewoon om den wil van allen, zelfs van Cedric, die voor het overige vrij onbuigzaam was jegens anderen, voor hare wenschen te zien onderdoen, had zij die soort van moed en zelfvertrouwen verworven, welke voortspruit uit de gedurige inschikkelijkheid der menschen, in wier kring wij ons bewegen. Zij kon nauwelijks aan de mogelijkheid denken, dat men zich tegen haar wil zou verzetten, veel minder, dat men er in het geheel geen acht op zou slaan.

Haar trotschheid en hoogmoed waren dus slechts aangenomen hoedanigheden, welke diegene, die haar aangeboren waren, verdrongen hadden, en ze verlieten haar zoodra haar de oogen geopend werden voor haar eigen gevaar en voor dat van haar minnaar en van haar voogd, en zoodra zij bevond, dat haar wil, welken zij gewoon was geëerd en opgevolgd te zien, aan dien van een sterk, trotsch en vast mannelijk gemoed tegenover stond, dat bovendien de overmacht reeds bezat, en besloten had er gebruik van te maken.

Nadat zij de oogen in het rond geslagen had, als om hulp te zoeken, welke nergens te vinden was, en na eenige onsamenhangende uitroepingen, hief zij de ineengeslagen handen ten hemel, en barstte uit in tranen van onmatige droefheid en smart.

Het was onmogelijk zulk een schoon wezen in zooveel ellende te zien, zonder medelijden te gevoelen, en De Bracy bleef niet onaangedaan, ofschoon hij eerder verlegen dan verteederd werd. Hij was inderdaad te ver gegaan, om weder terug te treden; en evenwel kon hij, in Rowena’s tegenwoordige gemoedsgesteldheid, noch met bewijsgronden, noch met bedreigingen op haar werken. Hij liep in het vertrek heen en weer, nu eens te vergeefs het verschrikte meisje vermanende, om te bedaren, dan weder aarzelende ten opzichte van zijne eigene verdere houding.

“Zoo ik door de tranen en de smart van dit troostelooze meisje bewogen werd,” dacht hij, “wat zou ik anders inoogsten dan het verlies van de schoone hoop, voor welke ik zooveel gewaagd heb, en de spotternijen van Prins Jan en zijne lustige makkers? En toch,” zei hij in zich zelven, “gevoel ik mij slecht geschikt voor de rol, die ik speel. Ik kan dat schoon gezicht, door smart ontsteld, en die in tranen zwemmende oogen niet langer aanschouwen! Ik wilde, dat ze haar eerste trotschheid van karakter behouden had, of dat ik meer van de onwrikbare hardvochtigheid van Front-de-Boeuf bezat.”

Verontrust door deze gedachten, kon hij niets anders doen, dan de ongelukkige Rowena bidden zich te troosten, en haar verzekeren, dat ze vooralsnog geene reden had tot de vlaag van wanhoop, waaraan zij zich overgaf. Maar in deze taak van vertroosting werd De Bracy gestoord door den horen, die “schor, ver en luid weergalmende” tegelijk de overige bewoners van het kasteel verschrikt en de uitvoering van hun verschillende plannen van geldzucht of losbandigheid gestoord had. De Bracy was misschien van allen het minst over deze stoornis ontevreden; want zijn gesprek met de Jonkvrouw Rowena was tot die hoogte gekomen, dat hij het even moeielijk vond, zijne onderneming door te drijven, als ze op te geven.

En hier oordeelen wij het niet onnoodig, eenige krachtiger bewijzen te geven, dan de voorvallen van een verdicht verhaal om de waarheid van het tafereel, dat wij van de bedorvenheid der zeden opgehangen hebben, te staven. Het is een pijnlijke gedachte, dat die dappere baronnen, aan wier wederstand tegen de kroon, Engeland zijn vrijheden te danken heeft, zelven verschrikkelijke geweldenaars waren, in staat tot buitensporigheden, strijdig niet alleen met de wetten van het rijk, maar zelfs met die der natuur en der menschelijkheid. Maar, helaas, wij behoeven slechts uit den vlijtigen Henry een dier talrijke bladzijden af te schrijven, welke hij uit schrijvers van dien tijd heeft verzameld, om te bewijzen, dat de verdichting zelve nauwelijks de droevige wezenlijkheid der ijselijkheden van dit tijdvak kan evenaren.

De schilderij, welke de schrijver van de Saksische Kroniek ophangt van de wreedheden onder de regeering van Koning Steven, uitgeoefend door de groote baronnen en heeren van kasteelen, welke allen Normandiërs waren, levert een sterk bewijs op van de buitensporigheden, waartoe zij in staat waren, als hunne driften gaande gemaakt werden. “Zij onderdrukten het arme volk geweldig, door het bouwen van kasteelen; en als deze voltooid waren, bezetten zij ze met goddelooze mannen, of liever duivels, welke alle mannen en vrouwen grepen, die zij waanden eenig geld te bezitten, hen in de gevangenis wierpen, en hun wreeder kwellingen aandeden, dan ooit de martelaars ondergaan hebben. Sommigen deden zij stikken in de modder, anderen hingen zij bij de voeten, het hoofd, of de duimen op, en staken vuur onder hen aan. Zij bonden sommigen met touwen vol knoopen het hoofd, totdat zij hun de hersens indrukten, terwijl zij anderen in kerkers wierpen, vol slangen, adders en padden.”1 Maar het zou wreed zijn om den lezer de straf op te leggen, het overige van deze beschrijving te doorlezen.

Als een ander voorbeeld van de bittere vruchten der verovering, en misschien het sterkste, dat kan worden aangehaald, kunnen wij melden, dat de Keizerin Mathilde, ofschoon een dochter van den Koning van Schotland, en naderhand Koningin van Engeland en Keizerin van Duitschland, de dochter, gemalin en moeder van Vorsten, verplicht was, gedurende haar verblijf in Engeland, waar zij hare opvoeding zou ontvangen, den sluier aan te nemen, als het eenige middel, om aan de losbandige vervolgingen der Normandische edelen te ontkomen. Deze verontschuldiging gebruikte zij voor een grooten raad van de Engelsche geestelijkheid als de eenige reden, om welke zij het geestelijk gewaad had aangenomen. De vergaderde geestelijkheid vergenoegde zich met deze verschooning, steunende op de bekendheid der omstandigheden, waarop ze gegrond was, en gaf dus eene ontwijfelbaar en allermerkwaardigst getuigenis van het bestaan dier schandelijke losbandigheid, welke die eeuw bevlekte. “Het was algemeen bekend,” zeide zij, “dat, na de verovering van Koning Willem, zijn Normandische volgelingen, trotsch geworden door eene zoo groote overwinning, geen andere wet erkenden, dan hun eigen, goddeloozen wil, en de overwonnen Saksers niet alleen van land en goed beroofden, maar de eer hunner vrouwen en dochters met de meest teugellooze ongebondenheid schonden; en van daar was het de gewoonte van vrouwen en meisjes van adellijke familie, den sluier aan te nemen, en in de kloosters eene schuilplaats te zoeken, niet als geroepen door de stem van God, maar alleen om haar eer tegen de toomelooze slechtheid der mannen te bewaren.”

Zoodanig en zoo losbandig waren die tijden, volgens de openlijke verklaring van de vergaderde geestelijkheid, zoo als Eadmer die geboekt heeft; en wij behoeven er niets meer bij te voegen, om de waarschijnlijkheid der tooneelen te rechtvaardigen, die wij reeds beschreven hebben en nog beschrijven zullen, op het meer apocrief gezag van het Wardour Handschrift.


1 Henry’s Geschied. uitg. 1805; vol. VII p. 346.—Schrijver.

Vier-en-twintigste Hoofdstuk.

Ik wil haar vrijen, zooals de leeuw zijn bruid.

Douglas.

Terwijl de door ons beschreven tooneelen in andere gedeelten van het kasteel voorvielen, wachtte de Jodin Rebekka haar lot af, in een verafgelegen en afgezonderden toren. Derwaarts werd zij gebracht door twee van de vermomde roovers, en nadat zij in een klein vertrekje was geschoven, bevond zij zich in de tegenwoordigheid van een oude vrouw, die een Saksisch liedje neuriede, alsof zij de maat wilde houden bij het draaien van haar spinnewiel. De oude vrouw verhief het hoofd bij het binnenkomen van Rebekka, en gluurde naar de schoone Jodin met dien boosaardigen nijd, waarmede de ouderdom en de leelijkheid, gepaard met het ongeluk, gewoon zijn jeugd en schoonheid te beschouwen.

“Gij moet opstaan en van hier weggaan, oude,” zei een der mannen; “onze edele meester beveelt het. Gij moet deze kamer aan een schooner overlaten.”

“Ach,” bromde de oude, “zoo worden mijne diensten beloond! Ik heb den dag beleefd, dat alleen mijn woord den besten krijgsman onder u uit den zadel en den dienst zou geworpen hebben; en nu moet ik op en weg, op bevel van een stalknecht, zooals gij!”

“Goede vrouw Urfried,” zei de andere, “houd u niet met redeneeren op, maar sta op en pak u weg. Aan des meesters bevelen moet men vlug gehoorzamen. Gij hebt uw dag gehad, oude dame, maar uwe zon is reeds lang ondergegaan. Gij zijt nu het ware zinnebeeld van een oud krijgspaard, dat men op de dorre heide jaagt;—gij hebt in uw tijd ook doorgedraafd, maar nu is een langzame sukkelgang al wat voor u is overgebleven. Kom, sukkel weg van hier!”

“Moge de booze u vervolgen!” riep de oude, “en het galgenveld uwe begraafplaats zijn! moge de duivel Zernebock mij verscheuren, als ik mijn kamertje verlaat, voor dat ik het vlas van mijn spinrokken afgesponnen heb.”

“Verantwoord dat bij onzen meester, oud spook,” zei de man heengaande, en Rebekka in het gezelschap van de oude latende, in wier bijzijn men haar zoo tegen wil en dank gebracht had.

“Welke duivelsche daad hebben zij nu in den zin?” zei de oude heks, in zichzelve brommende, terwijl zij van tijd tot tijd een slinkschen en boosaardigen blik op Rebekka wierp; “maar het is gemakkelijk te raden.—Glinsterende oogen, zwarte lokken, en een vel zoo wit als papier, voordat de priester het met zijn zwarten inkt besmet.—Ach, het is zoo gemakkelijk te raden, waarom zij haar naar dat eenzaam torentje zenden, waaruit men het geschreeuw evenmin kan hooren, alsof het van vijfhonderd vademen onder den grond kwam. Gij zult uilen tot buren hebben, meisje, en hun gekras zal even ver als het uwe gehoord, en even zooveel opgemerkt worden. Ook nog eene buitenlandsche,” zei zij, de kleeding en den tulband van Rebekka opmerkend.—“Uit welk land zijt gij?—Een Saraceensche? of een Egyptische?—Waarom antwoordt gij niet?—Gij kunt weenen; kunt gij dan ook niet spreken?”

“Wees niet boos, moeder!” smeekte Rebekka.

“Gij behoeft geen woord meer te zeggen,” hernam Urfried: “men kent den vos aan zijn staart, en een Jodin aan hare spraak.”

“Om Gods wil,” zei Rebekka, “wat moet ik verwachten na het geweld, waarmede men mij hierheen heeft gesleept? Is het mijn leven, dat zij zoeken, om voor mijn godsdienst te boeten? Ik wil het gaarne daarvoor opofferen.”

“Uw leven, zottinnetje?” antwoordde de oude, “wat vermaak zouden zij er in vinden, om u het leven te benemen?—Geloof mij, uw leven is niet in het minste gevaar. U is dezelfde behandeling toegedacht, die men eens goed genoeg rekende voor een edel Saksisch meisje. En zal eene Jodin, zooals gij, morren, dat zij niet beter dan deze behandeld wordt? Zie mij maar aan.—Ik was jong en tweemaal zoo schoon als gij, toen Front-de-Boeuf, de vader van dezen Reginald, en zijn Normandiërs dit kasteel bestormden. Mijn vader en zijne zeven zonen verdedigden hun vaderlijk erf van verdieping tot verdieping, van kamer tot kamer.—Er was geen vertrek, geen trap, die niet glibberig was van hun bloed. Zij stierven:—zij stierven tot den laatsten man; en nog eer hun lichamen koud waren, eer hun bloed opgedroogd was, werd ik de buit en het verachte slachtoffer van den overwinnaar!”

“Is er geene hulp?—Zijn er geene middelen om te ontvluchten?” riep Rebekka. “Rijkelijk, rijkelijk zou ik uw bijstand vergelden!”

“Denk daar niet aan,” zei de oude; “uit deze plaats is er geen andere uitweg, dan door de poorten des doods; en het wordt laat, zeer laat,” voegde zij er bij, het grijze hoofd schuddende, “eer die zich voor ons openen.—Het is echter een troost te denken, dat wij menschen op aarde teruglaten, die even ellendig zijn als wij. Vaarwel, Jodin!—Jood of Heiden, uw lot zou hetzelfde zijn; want gij hebt met menschen te doen, die medelijden noch vrees kennen. Vaarwel, zeg ik. Mijn draad is afgesponnen;—uwe taak moet eerst beginnen.”

“Blijf! blijf! om Gods wil!” riep Rebekka; “Blijf, al is het ook om mij te beschimpen en mij te vervloeken.—Uwe tegenwoordigheid is toch nog eenige bescherming.”

“De tegenwoordigheid van de Moeder Gods zou geene bescherming voor u zijn!” antwoordde de oude. “Daar staat ze,” op een ruw beeld van de Heilige Maagd wijzende, “zie of zij het lot, dat u te wachten staat, kan afwenden!”

Dit zeggende verliet zij de kamer, terwijl haar gelaat zich tot een honenden lach vertrok, die nog leelijker was, dan haar gewone boosaardige uitdrukking. Zij sloot de deur achter zich, en Rebekka kon haar verwenschingen bij iedere schrede hooren, over de steilheid van de toren-trap, welke zij langzaam en met moeite afklom.

Rebekka had nu een nog verschrikkelijker lot te duchten dan Rowena; want welke waarschijnlijkheid was er, dat men zachtheid of toegevendheid ten opzichte eener vrouw van haren onderdrukten stam zou gebruiken, hoewel men den schijn daarvan ook nog tegenover een Saksische erfdochter bewaarde? De Jodin had evenwel dit voordeel, dat zij beter door de gewoonte van na te denken, en door natuurlijke sterkte van geest was voorbereid, de gevaren tegemoet te zien, waaraan zij blootgesteld was. Daar zij van haar teederste jaren krachtig en opmerkzaam van aard was, hadden de pracht en de rijkdom, welke haar vader binnen zijne muren ten toon spreidde of welke ze in de huizen van andere vermogende Hebreërs zag, haar niet verblind voor de onveiligheid, in welke zij die genoten. Even als Damocles bij zijn beroemd gastmaal, zag Rebekka gedurig, midden onder die pracht, het zwaard, dat aan een enkel haar boven het hoofd van haar volk hing. Deze overwegingen hadden een karakter bezadigd en verstandig gemaakt, dat, onder andere omstandigheden, trotsch, overmoedig en eigenzinnig had kunnen worden.

Uit haars vaders voorbeeld en voorschriften had Rebekka geleerd zich beleefd te gedragen jegens allen, die in hare nabijheid kwamen. Zij kon, wel is waar, zijne overdrevene onderdanigheid niet navolgen, omdat de laagheid van ziel en de aanhoudende vrees, door welke die veroorzaakt werd, haar vreemd waren; maar zij gedroeg zich met eene trotsche nederigheid, alsof ze zich onderwierp aan de ongelukkige omstandigheden, waarin zij geplaatst was, als de dochter van een verachten stam, terwijl zij in haar hart de bewustheid gevoelde, dat zij door haar verdiensten het recht had, een hoogeren rang te bekleeden, dan die naar welke de willekeurige dwinglandij van het godsdienstig vooroordeel haar vergunde te streven.

Aldus voorbereid om rampen tegemoet te zien, had zij de noodige standvastigheid verkregen, om te handelen. Haar toestand vorderde al hare tegenwoordigheid van geest, en zij bereidde zich derhalve voor.

Haar eerste zorg was het vertrek te onderzoeken; maar dit leverde weinig hoop op redding of bescherming. Het bevatte noch verborgen uitgang, noch valdeur, en scheen, op de deur na, waardoor zij binnen gekomen was, en welke het met het hoofdgebouw vereenigde, door den ronden buitenmuur van het torentje omgeven te zijn. De deur had van binnen slot noch grendel. Het eenige venster zag uit op een kleine ruimte met eene borstwering, die Rebekka, op het eerste gezicht, eenige hoop op redding gaf; maar zij bevond weldra, dat die in geene verbinding stond met eenig ander gedeelte der vestingwerken, daar het een soort van balkon was, door een muurtje met schietgaten versterkt, waarop eenige boogschutters konden geplaatst worden, om het torentje te verdedigen, en den muur aan dien kant van het kasteel te bestrijken.

Er was dus geen andere hoop, dan in lijdzamen moed, en in dat sterke vertrouwen op den Hemel, hetwelk aan groote en edelmoedige karakters eigen is. Hoe zonderling Rebekka de beloften der Heilige Schrift aan het uitverkoren volk des Hemels ook had leeren uitleggen, zoo dwaalde ze toch hierin niet, dat het tegenwoordige uur, het uur der beproeving was, en dat zij vast geloofde, dat de kinderen van Sion eens met de Heidenen tot het heil zouden geroepen worden. Intusschen bleek uit alles, wat haar omgaf, dat hun tegenwoordige staat die van straf en beproeving was, en dat het hun bijzondere plicht was te lijden, zonder te zondigen. Aldus, gereed om zich te beschouwen als het slachtoffer van het ongeluk, had Rebekka vroeg over haar toestand leeren nadenken, en de gevaren tegemoet gezien, die haar waarschijnlijk te wachten stonden.

De gevangene beefde evenwel, en verbleekte, toen zij een voetstap op de trap hoorde, de deur van het torentje langzaam geopend werd, en een groot man, gekleed als een dier bandieten, aan wie zij hun ongeluk te wijten hadden, zachtjes binnentrad, en de deur achter zich toe deed. Zijne muts, welke hij over het voorhoofd getrokken had, verborg het bovenste gedeelte van zijn gelaat, en het overige er van was in zijn mantel gehuld. In deze vermomming stond hij voor de verschrikte gevangene, alsof hij bereid was tot de uitvoering eener daad, waarover hij zich schaamde; maar hoezeer hem zijne kleeding ook als een schurk kenmerkte, scheen hij toch verlegen te zijn, om te verklaren welk oogmerk hem derwaarts gevoerd had; zoodat Rebekka, zich zelve geweld aandoende, tijd had zijne verklaring te voorkomen. Zij had reeds twee kostelijke armbanden en een halssnoer losgemaakt, die ze zich haastte den gewaanden roover aan te bieden, natuurlijk besluitende, dat, om zijne gunst te winnen, ze zijne hebzucht bevredigen moest.

“Neem dit, goede vriend, zei ze, “en wees om Gods wil barmhartig jegens mij en mijn ouden vader! Deze sieraden zijn van groote waarde, en toch zijn zij slechts eene kleinigheid bij wat wij u zouden schenken, als gij ons vrij en ongeschonden uit dit kasteel ontslaan wildet.”

“Schoone bloem van Palestina,” hernam de roover, “deze paarlen zijn Oostersche; maar ze moeten in witheid voor uw tanden onderdoen, de diamanten zijn schitterend, maar zij kunnen niet met uw oogen wedijveren; en toen ik dit woeste beroep opvatte, heb ik eene gelofte gedaan, aan de schoonheid den voorrang boven den rijkdom te geven.”

“Doe u zelven dit ongelijk niet aan,” zei Rebekka; “neem het losgeld, en heb medelijden!—Voor goud kunt gij alles koopen;—ons te mishandelen zou u alleen wroeging verschaffen. Mijn vader zal gaarne uw overdrevenste wenschen bevredigen; en zoo ge verstandig wilt handelen, kunt gij u met ons geld weder toegang tot de maatschappij koopen, vergiffenis voor vorige misdaden verkrijgen, en buiten de noodzakelijkheid geraken, om er nieuwe te begaan.”

“Gij hebt goed gesproken,” hervatte de roover in het Fransch, daar hij het waarschijnlijk moeielijk vond, een gesprek in het Saksisch vol te houden, dat Rebekka in die taal begonnen was; “maar weet, schoone lelie van het dal Baca, dat uw vader reeds in handen is van een machtigen alchymist, die het geheim kent, om zelfs de verroeste staven van een gevangenis-haard in goud en zilver te veranderen. De eerwaardige Izaäk is in handen van iemand, die hem alles afpersen zal, wat hem dierbaar is, zonder mijn bijstand of uw smeeken er bij noodig te hebben. Uw losgeld moet betaald worden door liefde en schoonheid, en ik zal geene andere munt aannemen.

“Gij zijt geen roover,” hernam Rebekka, in dezelfde taal, waarin hij haar aansprak; “geen roover zou zulke aanbiedingen van de hand gewezen hebben! Geen roover in dit land kent den tongval, in welken gij gesproken hebt. Gij zijt geen roover, maar een Normandiër; misschien edel van geboorte;—o, wees dat ook in uwe daden, en werp dit schrikkelijke masker van misdaad en geweld af!”

“En gij, die zoo waar kunt gissen,” zei Brian de Bois-Guilbert, den mantel voor zijn gezicht weg doende, “zijt geene ware dochter van Israël, maar in alles, behalve in jeugd en schoonheid, een echte tooveres van Endor. Ik ben geen roover, schoone roos van Saron. Ik ben een man, die uwe armen en hals eerder met paarlen en diamanten behangen, dan u van deze sieraden berooven zal.”

“Wat wilt gij dan van mij,” vroeg Rebekka, “zoo het mijn rijkdom niet is?—Wij kunnen niets met elkander gemeen hebben; gij zijt een Christen, ik een Jodin. Onze vereeniging zou strijdig zijn met de wetten van de Kerk zoowel als met die van de Synagoge.”

“Dat zou ze wezenlijk zijn,” hernam de Tempelier lachende; eene Jodin trouwen? Despardieux!—Neen, al was zij ook de Koningin van Scheba. En verneem buitendien, schoone dochter van Sion, dat, al bood de Allerchristelijkste Koning mij zijne allerchristelijkste dochter, met Languedoc tot bruidschat aan, ik haar niet trouwen kon. Het is tegen mijne gelofte, eenig meisje anders te beminnen, dan par amours, zooals ik u bemin. Ik ben een Tempelier. Ziedaar het kruis van mijn heilige orde.”

“Durft gij u daarop beroepen,” zei Rebekka, “bij eene gelegenheid als deze?”

“En indien ik het doe,” zei de Tempelier, “raakt het u niet; daar gij niet gelooft aan het heilige teeken onzer verlossing.”

“Ik geloof, hetgeen mijne vaders leerden,” zei Rebekka, “en God moge mij mijn geloof vergeven, zoo ik dwaal. Maar gij, heer ridder, wat is uw geloof, als gij zonder schromen u beroept op hetgeen gij voor het heiligste houdt, terwijl gij voornemens zijt, de plechtigste uwer geloften als ridder en als geestelijke, te schenden?”

“Dat is stichtelijk en goed gepreekt, dochter van Sirach!” antwoordde de Tempelier; “maar, schoone predikster, uwe bekrompen Joodsche begrippen verblinden u voor onze hooge voorrechten. Het huwelijk ware eene onvergeeflijke misdaad in een Tempelier: maar voor elke mindere dwaling, die ik bega, zal ik gemakkelijk aflaat krijgen bij de eerste vergadering van onze orde. Noch de wijste der koningen noch zijn vader, wier voorbeelden gij natuurlijk bekennen moet ook voor u waarde te hebben, eischten grootere voorrechten, dan wij arme soldaten van den Tempel van Sion gewonnen hebben, door onzen ijver in diens bescherming. De verdedigers van Salomo’s Tempel kunnen vrijheden vergen op voorbeeld van Salomo.”

“Zoo gij de Schrift en het leven der heiligen alleen leest, om uwe eigene losbandigheid en ongebondenheid te rechtvaardigen,” zei de Jodin, “dan evenaart uwe misdaad die van hem, die vergif haalt uit de gezondste en meest onmisbare planten.

De oogen van den Tempelier vonkelden bij dit verwijt.—“Luister,” zei hij, “Rebekka! ik heb tot dusver zacht met u gesproken; maar nu zal ik de taal des overwinnaars gebruiken: Gij zijt mijne gevangene door mijn boog en speer,—onderworpen aan mijn wil volgens het recht van alle volken, en ik zal geen haar breedte van mijn recht afstaan, noch mij ontzien, om met geweld dat te nemen, hetwelk gij aan mijn verzoek, of aan de noodzakelijkheid weigert.”

“Terug,” riep Rebekka, “terug!—en hoor mij, voor dat gij eene zoo doodelijke zonde begaat! Gij kunt, wel is waar, over mijne krachten zegevieren, want God heeft de vrouw zwak gemaakt, en hare bescherming aan de edelmoedigheid des mans toevertrouwd. Maar Tempelier, ik zal uwe schanddaad van het eene einde van Europa tot het andere uitbazuinen. Ik wil aan het bijgeloof uwer broederen te danken hebben, wat hun medelijden mij zou weigeren. Iedere vergadering, ieder kapittel van uw orde zal vernemen, dat gij, als ketter, met eene Jodin gezondigd hebt. Zij, die niet voor uwe misdaad sidderen, zullen u voor vervloekt houden, omdat gij het kruis, dat gij draagt, onteerd hebt, door een dochter van mijn volk te volgen.”

“Gij zijt sluw, Jodin,” hernam de Tempelier, die de waarheid van hetgeen zij zeide zeer goed gevoelde, en tevens wist, dat de regels van zijne orde op de stelligste wijze, en onder zware straffen, soortgelijke minnarijen verboden, en dat, in sommige gevallen, er zelfs de verdrijving uit de orde op gevolgd was,—“ge zijt sluw; maar uwe klachten moeten zeer luid zijn, zoo men ze buiten de dikke muren van dit kasteel zal hooren; daar binnen verstommen klachten, zuchten, het inroepen der gerechtigheid en hulpgeschreeuw. Slechts één ding kan u redden, Rebekka! onderwerp u aan uw lot, omhels onzen godsdienst, en gij zult in zulke pracht te voorschijn treden, dat menige Normandische vrouw zoowel in weelde als in schoonheid zal moeten onderdoen voor de begunstigde beminde van den dappersten ridder onder de verdedigers van den Tempel.”

“Mij aan mijn lot onderwerpen!” riep Rebekka,—“Heilige Hemel! aan welk lot? uw godsdienst omhelzen!.... en welke godsdienst kan het zijn, dien zulk een booswicht in zijn hart koestert?—Gij, de dapperste der Tempeliers!—Valsche ridder!—Meineedige Priester! Ik veracht u,—ik trotseer u!—De God van Abraham heeft één uitweg voor Zijn dochter geopend,—zelfs uit dezen doolhof van schande!”

Dit zeggende, smeet zij het tralievenster open, dat naar de borstwering leidde, en een oogenblik daarna stond zij op den rand van de borstwering, zonder iets tusschen haar en de verschrikkelijke diepte beneden te hebben. Onvoorbereid op zulk eene wanhopige poging, daar zij tot hiertoe volkomen onbeweeglijk gestaan had, vond Bois-Guilbert den tijd niet om haar te voorkomen, of haar tegen te houden. Zoodra hij voorwaarts wilde treden, riep zij: “Blijf waar gij zijt, trotsche Tempelier,—of nader, zoo gij verkiest!—één stap slechts, en ik stort mij in den afgrond; mijn lichaam zal verpletterd en onkenbaar worden, eer het aan uwe misdadige begeerten opgeofferd wordt!”

Dit zeggende, vouwde zij de handen, en hief ze ten hemel, als om genade voor hare ziel te smeeken, eer zij den laatsten sprong deed. De Tempelier aarzelde, en zijne standvastigheid, die nooit voor medelijden of ellende geweken was, bezweek nu onder de bewondering van haar moed. “Kom naar beneden,” riep hij, “vermetele!—Ik zweer bij aarde, zee en hemel, u niet het minste geweld aan te doen!”

“Ik vertrouw u niet, Tempelier,” antwoordde Rebekka; “gij hebt mij reeds geleerd, hoe ik de deugden uwer orde moet eerbiedigen. Het eerste kapittel zou u aflaat schenken van een eed, die slechts de eer of schande van een ellendig Jodenmeisje betrof.”

“Gij zijt onrechtvaardig,” hernam de Tempelier; “ik zweer u bij den naam, welken ik draag,—bij het kruis op mijn borst,—bij het zwaard aan mijn zijde, bij het aloude wapen mijner voorvaderen, u niet het minste leed aan te doen. Zoo niet om uwentwille, dan ter liefde van uw vader, wees bedaard! Ik wil zijn vriend zijn, en in dit kasteel heeft hij zeker een machtigen vriend noodig.”

“Helaas!” zei Rebekka, “dat weet ik maar al te goed;—maar kan ik u vertrouwen?”

“Moge mijn wapen geschandvlekt, en mijn naam onteerd worden,” zei Brian de Bois-Guilbert, “zoo gij reden hebt, over mij te klagen. Menige wet, menig gebod heb ik overtreden, maar mijn woord heb ik nog nooit geschonden.”

“Ik zal u dan vertrouwen,” hervatte Rebekka, “tot zoo verre;” en zij trad van den rand der borstwering af, maar bleef dicht bij een der schietgaten of machicolles, zooals ze toen genoemd werden, staan.—“Hier,” zei ze, “zal ik blijven. Blijf ook waar gij zijt, en zoo gij tracht, den afstand tusschen ons één stap te verminderen, zult gij zien, dat het Jodenmeisje eerder haar ziel aan God, dan haar eer aan den Tempelier zal toevertrouwen.”

Terwijl Rebekka aldus sprak, gaf haar stout en vast besluit, dat zoo goed strookte met de gebiedende schoonheid van haar gelaat, aan haar blikken, houding en gebaren eene waardigheid, die bovenmenschelijk scheen. Haar blik verflauwde niet, haar wang verbleekte niet door vrees voor het ijselijk lot, hetwelk haar boven het hoofd hing; integendeel, verleende de gedachte, dat zij haar lot in handen had, en de schande door den dood ontgaan kon, een nog hooger rood aan haar wangen, en een nog schitterender vuur aan hare oogen. Bois-Guilbert, die zelf trotsch en hooghartig was, meende nooit een zoo levendige en gebiedende schoonheid gezien te hebben.

“Laten wij vrede met elkander sluiten, Rebekka!” zei hij.

“Vrede, zoo gij wilt,” antwoordde ze, “vrede, maar met dezen afstand tusschen ons.”

“Gij behoeft mij niet meer te vreezen!” zei Bois-Guilbert.

“Ik vrees u niet,” hervatte zij; “dank zij hem, die dezen trotschen toren zoo hoog heeft gebouwd, dat er niemand af kan vallen, en in het leven blijven;—dank zij hem en den God van Israël,—ik vrees u niet!”

“Gij doet mij onrecht,” zei de Tempelier; “bij aarde, zee en hemel, gij doet mij onrecht! Ik ben niet zooals gij mij gezien hebt; hard, baatzuchtig en onmeêdoogend. Eene vrouw was het, die mij wreedheid leerde, en tegen de vrouwen heb ik die ook uitgeoefend; maar niet tegen zulke vrouwen als gij zijt. Hoor mij aan, Rebekka.—Nooit heeft een ridder de lans in de hand genomen, met een hart meer toegedaan aan de dame zijner liefde, dan Bois-Guilbert. Zij,—dochter van een geringen edelman, die op geen andere goederen kon roemen, dan op een vervallen toren, een slechten wijngaard, en eenige bunders van de woeste landen om Bordeaux,—zij was bekend overal, waar wapenfeiten verricht werden, verder bekend, dan menige dame, die een graafschap tot bruidschat medebracht.—Ja,” ging hij voort, op de kleine opene ruimte op- en neergaande, met een drift, in welke hij alle bewustheid van Rebekka’s tegenwoordigheid scheen te verliezen.—“Ja, mijne daden, mijne gevaren, mijn bloed maakten den naam van Adelaïde De Montemare bekend, van het hof van Castilië tot aan dat van Byzantium. En hoe werd ik beloond?—Toen ik met mijne duur verkregen eer, met moeite en bloed gekocht, terugkeerde, vond ik haar gehuwd met een Gasconjer, wiens naam nooit gehoord was buiten de grenzen van zijn eigen armzalig gebied! Ik beminde haar oprecht, en bitter wreekte ik mij wegens hare geschondene trouw! Maar mijne wraak is op mij zelven teruggevallen. Sedert dien dag heb ik mij losgescheurd van het leven en zijne banden.—Mijn mannelijke leeftijd mag geen eigen haard kennen,—mag door geene liefderijke vrouw gelukkig gemaakt worden.—Mijn ouderdom zal geene koesterende schuilplaats vinden.—Mijn graf moet eenzaam zijn, en mij mogen geene nakomelingen overleven, om den alouden naam van Bois-Guilbert te dragen. Aan de voeten van mijn bevelhebber heb ik het recht, om zelf te handelen,—het voorrecht der onafhankelijkheid,—neêrgelegd. De Tempelier, een lijfeigene in alles, behalve den naam, kan land noch goed bezitten, en leeft, beweegt zich, en ademt alleen volgens den wil en het goedvinden van een ander.”

“Helaas,” zei Rebekka, “welke voordeelen konden tegen zulk een opoffering opwegen?”

“De macht tot wraak, Rebekka!” hernam de Tempelier, “en de vooruitzichten der eerzucht.”

“Eene slechte vergoeding,” hervatte Rebekka, “voor het afstaan van al die rechten, welke der menschheid het dierbaarste zijn.”

“Zeg dat niet, meisje!” antwoordde de Tempelier; “de wraak is een feest voor de Goden! En als zij, zooals de priesters ons zeggen, zich die voorbehouden hebben, dan is het, omdat zij ze voor een te kostbaar genot voor bloote stervelingen houden. En de eerzucht? Zij is een verzoeking, welke de zaligheid des hemels zelve kon doen vergeten.”—Hij hield een oogenblik op, en daarop voegde hij er bij: “Rebekka! zij die den dood boven de schande kon verkiezen, moet eene trotsche en krachtige ziel bezitten. De mijne moet gij worden!—Neen, schrik niet,” vervolgde hij: “het moet met uwe eigene toestemming, en op uwe eigene voorwaarden zijn. Gij moet er in bewilligen, een vooruitzicht met mij te deelen, uitgebreider dan men het op den troon van een vorst kan hebben. Hoor mij, eer gij antwoordt, oordeel, eer gij weigert! De Tempelier verliest, zooals gij gezegd hebt, zijne maatschappelijke rechten, de macht om vrij te handelen; maar hij wordt lid en onderdeel van een machtig lichaam, voor hetwelk de tronen reeds sidderen;—evenals de enkele regendroppel, welke met de zee vermengd wordt, een deel wordt van dien onweêrstaanbaren oceaan, welke rotsen ondermijnt, en koninklijke vloten vernietigt. Zulk een wassende vloed is ons sterk verbond. Van deze machtige orde ben ik geen gering lid, maar reeds een der hoofdaanvoerders, en kan er wel naar dingen, om eens den staf van Grootmeester te voeren. De arme krijgslieden des Tempels zullen niet alleen hun voet op de nekken der Koningen zetten,—een ellendige monnik vermag dat ook. Maar onze geharnaste voet zal hunnen troon beklimmen, onze ijzeren handschoen zal den schepter uit hunne handen rukken. De regeering van uw te vergeefs verwachten Messias biedt uw verstrooide stammen geen zoodanige macht aan, als die, naar welke mijn eerzucht streven kan. Ik had slechts een met mij verwanten geest gezocht, om ze met mij te deelen, en ik heb u gevonden!”

“Zegt gij dit aan iemand van mijn volk?” antwoordde Rebekka. “Bedenk—”

“Antwoord mij niet,” hernam de Tempelier, “met het verschil van ons geloof aan te halen; in onze geheime conciliën spotten wij met deze kinderverhalen. Denk niet, dat wij lang blind gebleven zijn voor de dolzinnige dwaasheid van onze stichters, die alle genoegens van het leven afzwoeren voor het genot, om als martelaars van honger of dorst, door de pest, of de zwaarden der wilden te sterven, terwijl zij te vergeefs trachtten, een dorre woestijn te verdedigen, die alleen waarde heeft in het oog van het bijgeloof. Onze orde smeedde spoedig stoutere en grootere ontwerpen, en vond eene betere schadeloosstelling voor onze opofferingen. Onze onmetelijke bezittingen in ieder rijk van Europa, onze groote krijgsroem, welke de bloem der ridderschap uit alle christelijke landen in onzen kring brengt,—deze zijn tot doeleinden bestemd, waarvan onze vrome stichters niet droomden, en welke evenzeer verborgen gehouden worden voor die zwakke geesten, welke onze orde wegens hare oude beginselen omhelzen, en wier bijgeloof hen tot onze geduldige werktuigen maakt. Maar ik mag den sluier van onze geheimen niet verder oplichten. Dat horengeschal verkondigt iets, hetwelk misschien mijne tegenwoordigheid vereischt. Denk aan hetgeen ik u gezegd heb. Vaarwel!—Ik zeg niet, vergeef mij het geweld, waarmede ik u bedreigd heb, want dat was noodzakelijk, om uw karakter te doen kennen. Men kan het goud alleen erkennen, door het op den toetssteen te leggen. Ik zal spoedig terugkomen en verder met u spreken.”

Hij ging terug in het torenkamertje, en de trap af, Rebekka verlatende, die nauwelijks meer verschrikt was door het vooruitzicht van den dood, waaraan zij zoo kort te voren was blootgesteld geweest, dan door de woedende eerzucht van den stouten en slechten man, in wiens macht ze zich zoo ongelukkig bevond. Toen ze in de torenkamer trad, was haar eerste werk, den God van Jakob te danken voor de bescherming, welke Hij haar verleend had, en om die bij voortduring voor haar en haar vader af te smeeken. Een andere naam sloop in haar gebed;—het was die van den gewonden Christen, dien het lot in de handen van bloeddorstige menschen, zijne doodvijanden, geleverd had. Haar hart verweet haar wel is waar, dat zij zelfs in het gebed tot den Almachtige de herinnering aan een man mengde, met wiens lot het hare in geene gemeenschap kon komen;—van een Nazarener en een vijand van haar geloof; maar de bede was reeds gedaan, en zelfs alle bekrompen vooroordeelen van haar godsdienst konden Rebekka niet overhalen, om te wenschen, dat het niet gebeurd ware.