Acht-en-twintigste Hoofdstuk.
Dit zwervend volk, van andren afgezonderd,
Stoft op zijn dieper kennis der natuur;
De zeeën, wouden, velden, waar zij toeven,
Zien hen bekend met hun verborgen schatten:
Geringe kruiden, bloemen, bloesems spreiden,
Door hen verzameld, ongekende krachten.
De Jood.
Onze geschiedenis moet noodzakelijk eenige bladzijden terug gaan, om den lezer van zekere voorvallen te onderrichten, welker kennis vereischt is tot het verder begrijpen van dit belangrijk verhaal. Hij zal wel van zelf begrepen hebben, dat, toen Ivanhoe in zwijm viel en door iedereen verlaten scheen, Rebekka door haar dringende beden haar vader overhaalde den dapperen jongen krijgsman uit het strijdperk naar het huis te laten brengen, dat de Joden tijdelijk in een der voorsteden van Ashby bewoonden. Het zou ook in andere omstandigheden niet moeielijk geweest zijn, om Izaäk tot dezen stap te overreden, want hij was van inborst goedaardig en dankbaar. Maar hij bezat ook de vooroordeelen en schroomvallige vreesachtigheid aan zijn vervolgd volk eigen, en deze moesten overwonnen worden.
“Heilige Abraham!” riep hij uit, “het is een goed jongeling, het snijdt mij door het hart, als ik zie, hoe het bloed over zijn rijk geborduurde kraag en zijne kostbare wapenrusting vloeit.—Maar hem in ons huis te brengen, meisje, hebt gij daar wel over nagedacht?—Hij is een Christen, en naar onze wet mogen wij met den vreemdeling en den Heiden niet anders verkeeren, dan om den wille van den handel.”
“Zeg dat niet, lieve vader,” hernam Rebekka; “wij mogen ons, wel is waar, niet onder hen mengen bij gastmalen en vroolijkheid; maar in ongeluk en ellende wordt de Heiden des Joden broeder.”
“Ik zou wel eens willen weten, wat de Rabbi Jacob Ben Tudela er van zeggen zou?” hervatte Izaäk;—“echter moet de goede jongeling niet dood bloeden. Seth en Ruben kunnen hem naar Ashby dragen.”
“Neen,” zei Rebekka; “laten zij hem in mijn draagstoel leggen; ik zal een der rijpaarden bestijgen.”
“Dan zoudt gij u immers blootstellen aan de onbeschaamde oogen van die honden van Ismaël en Edom,” fluisterde Izaäk, met een achterdochtigen blik op de menigte ridders en knapen. Maar Rebekka was reeds bezig, met haar liefderijk voornemen ten uitvoer te brengen, en luisterde niet naar hetgeen hij zei, totdat Izaäk, haar bij den slip van den mantel grijpende, weder met een benauwde stem uitriep: “Bij Aärons baard!—als de jongeling sterft—als hij in onze bewaring sterft, zullen wij dan niet voor schuldig aan zijn dood gehouden, en door de menigte verscheurd worden?”
“Hij zal niet sterven, vader,” zei Rebekka, zich zachtjes van Izaäk losmakende; “hij zal niet sterven, als wij hem niet verlaten, en als wij dat doen, dan zijn wij inderdaad aan God en de menschen rekenschap voor zijn bloed verschuldigd.”
“Wel,” antwoordde Izaäk, terwijl hij haar losliet, “het spijt mij evenzeer, zijn bloed te zien stroomen, alsof het gouden byzantijnen uit mijn beurs waren; en ik weet wel, dat de lessen van Mirjam, de dochter van den Rabbi Manasse van Byzantium, wiens ziel in het Paradijs is, u in de heelkunst ervaren gemaakt hebben, en dat gij krachtige kruiden en versterkende elixers kent. Doe dus, wat uw hart u ingeeft;—gij zijt een goed meisje, een zegen, en eene kroon, en de trots van mij en mijn huis, en van het volk mijner vaderen.”
De vrees van Izaäk was intusschen niet ongegrond; en de edelmoedige menschlievendheid zijner dochter stelde haar, gedurende de terugreis naar Ashby bloot aan de stoute blikken van Brian de Bois-Guilbert. De Tempelier reed hen tweemalen voorbij om zijn onbeschaamd en vurig oog op de schoone Jodin te vestigen; en wij hebben reeds de gevolgen gezien van zijne bewondering voor hare bekoorlijkheden, toen het toeval haar in de macht van dezen woesten wellusteling geleverd had.
Rebekka verloor geen tijd met den patient naar hunne tijdelijke woning te laten brengen, en ging toen zelve aan het werk, om zijne wonden te onderzoeken en te verbinden.
De meest onervaren lezer van romans en romantische balladen zal zich herinneren, hoe dikwijls de vrouwen, gedurende de middeleeuwen, in de geheimen der heelkunst waren ingewijd, en hoe dikwerf de dappere ridder zijne wonden juist aan haar ter genezing toevertrouwde, wier oogen zijn hart nog dieper gewond hadden.
Maar de Joden, zoowel mannen als vrouwen, verstonden en beoefenden alle takken der geneeskunst, en de vorsten en machtige Baronnen van dien tijd vertrouwden zich dikwijls aan de behandeling van menigen ervaren geleerde onder dit verachte volk, wanneer ze gekwetst of ziek waren. De hulp der Joodsche geneesheeren werd niet minder ijverig gezocht, ofschoon het geloof algemeen onder de Christenen heerschte, dat de Joodsche Rabbijnen zeer bedreven waren in de geheime wetenschappen, en vooral in de kabbalistische kunsten, welke haar naam en oorsprong aan de wijzen van Israël te danken hebben. Ook loochenden de rabbijnen zulk eene kennis der bovennatuurlijke kunsten niet, hetgeen volstrekt niet den haat vergrootte (want hoe kon die ook vergroot worden?) waarmede men hun volk beschouwde, terwijl daardoor de verachting verminderd werd, waarmede deze afkeer gepaard ging. Een Joodsche toovenaar mocht even erg verfoeid worden als een Joodsche woekeraar, maar hij kon nooit zoo veracht worden. Het is bovendien waarschijnlijk, als men de verwonderlijke genezingen in aanmerking neemt, welke men gelooft, dat ze verricht hebben, dat de Joden eenige geheimen in de geneeskunst kenden, die hun eigen waren, en welke ze met den achterhoudenden geest, door hun maatschappelijken toestand aangekweekt, met groote zorg voor de Christenen, onder wie ze leefden, verborgen hielden.
De schoone Rebekka was zorgvuldig opgevoed in al de wetenschappen aan haar volk eigen, en haar vlug en groot verstand had alles onthouden, geschikt en ontwikkeld, op eene wijze die hare jaren, haar geslacht en zelfs hare eeuw ver vooruit was. Hare kennis der genees- en heelkunst had ze verkregen van eene oude Jodin, de dochter van een der beroemdste Joodsche doctoren, welke Rebekka als haar eigen kind beminde, en die, naar men geloofde, aan deze de geheimen had medegedeeld, welke haar wijze vader had nagelaten in denzelfden tijd en onder dezelfde omstandigheden.
Het was het lot van Mirjam geweest, om als slachtoffer van de dweepzucht dier tijden te vallen; maar hare geheimen hadden haar in de persoon harer begaafde leerling overleefd.
Rebekka, dus met kunde en schoonheid bedeeld, werd algemeen geëerd en bewonderd door haar eigen stam, welke haar bijna beschouwde als eene dier bevoorrechte vrouwen, die in de Heilige Schrift vermeld worden.
Haar vader zelf, uit eerbied voor hare bekwaamheden, gepaard met zijn onbegrensde liefde, liet het meisje meer vrijheid dan de gewoonten van haar volk anders aan haar geslacht vergunden, en hij werd, zooals wij reeds gezien hebben, dikwijls door haar gevoelen bestierd, al was het ook lijnrecht in strijd met het zijne.
Toen Ivanhoe Izaäks woning bereikte, was hij nog steeds in een staat van bewusteloosheid, veroorzaakt door het geweldige bloedverlies, dat hij in het strijdperk geleden had. Rebekka onderzocht de wond, en na die verbonden te hebben met de heelmiddelen, welke haar kennis voorschreef, gaf ze haar vader te kennen, dat, zoo de koorts gestuit werd, wat ze wegens het sterke bloedverlies verwachtte, en indien de heelende balsem van Mirjam zijn kracht niet verloren had, er niets voor het leven van hun gast te vreezen was, en dat hij den volgenden dag veilig met hen naar York zou kunnen reizen. Izaäk ontstelde een weinig bij dit bericht. Zijne menschlievendheid had zich gaarne bepaald bij hetgeen hij te Ashby gedaan had, of, op zijn best, zou hij den gekwetsten Christen hebben willen achterlaten, om opgepast te worden in het huis, waar ze thans woonden, met verzekering aan den Jood, wien het toebehoorde, dat alle onkosten behoorlijk zouden worden vergoed. Hiertegen bracht Rebekka echter verscheidene bezwaren in, waarvan wij slechts twee zullen aanhalen, daar ze van bijzonder veel gewicht bij Izaäk waren. Het ééne was, dat zij in geen geval haar fleschje met kostbaren balsem, zelfs in handen van een geneesheer van hare eigen natie geven wilde, uit vrees, dat het onwaardeerbaar geheim ontdekt mocht worden; het andere was, dat deze gekwetste ridder, Wilfrid van Ivanhoe, een vertrouwde en gunsteling was van Richard Leeuwenhart, en dat, ingeval die vorst terugkeerde, Izaäk, die aan zijn broeder Jan geld verschaft had om zijn oproerige plannen te bevorderen, een machtigen beschermer, die Richards gunst genoot, hoog noodig zou hebben.
“Gij zegt de zuivere waarheid, Rebekka,” zei Izaäk, voor deze gewichtige gronden zwichtende,—“het ware heiligschennis, om de geheimen der gezegende Mirjam te verraden; want het goede, dat de Hemel geeft, moet niet roekeloos aan anderen verkwist worden, het mogen dan gouden talenten of zilveren sjekels, of de geheimen van een wijzen geneesheer zijn;—zeker moeten ze bewaard worden door hen, aan welke de Voorzienigheid ze heeft geschonken. En als hij eens weder terug kwam, dien de Nazareërs van Engeland Leeuwenhart noemen, dan ware het waarlijk beter voor mij in de klauwen van een sterken leeuw van Idumea te vallen, dan in de zijnen, als hij lucht krijgt van mijne handelingen met zijn broeder. Dus wil ik gehoor geven aan uw raad, en deze jongeling zal met ons naar York reizen, en ons huis zal het zijne wezen, tot zijne wonden genezen zijn. En als deze Leeuwenhart in het land terugkeert, zooals het gerucht loopt, dan zal deze Wilfrid van Ivanhoe mij verdedigen, wanneer des Konings toorn tegen uw vader ontbrandt. En als hij niet terugkeert, dan kan deze Wilfrid ons onze kosten vergoeden, als hij schatten verdient door de kracht van zijn speer en zijn zwaard, zooals hij gisteren en heden gedaan heeft. Want de jongeling is een braaf jongeling, en houdt woord, en geeft terug, wat hij leent, en helpt den Israëliet, zelfs den zoon mijns vaders, als hij door dieven en kinderen Belials omsingeld is.”
Het was eerst laat in den avond, toen Ivanhoe zijn bewustheid terugkreeg. Hij ontwaakte uit eene onrustige sluimering, met de verwarde indrukken, natuurlijk aan het bijkomen uit een staat van bewusteloosheid. Het was hem gedurende eenigen tijd onmogelijk, zich de omstandigheden, welke zijne bezwijming in het strijdperk vooraf waren gegaan, nauwkeurig te herinneren of de voorvallen van den vorigen dag aaneen te schakelen. Het bewustzijn van verwonding en pijn, gevoegd bij groote zwakheid en afmatting, ging gepaard met de herinnering aan gegeven en ontvangen slagen en houwen, van tegen elkander stootende paarden, van overwinnaars en overwonnenen,—van geschreeuw en wapengekletter, en al het verwarde gedruisch van een heet gevecht. Eene poging, om de gordijn van zijn bed te openen, gelukte hem gedeeltelijk, ofschoon de pijn zijner wonde dit moeielijk maakte.
Tot zijne groote verwondering zag hij zich in eene rijk gestoffeerde kamer, maar met kussens voorzien, in plaats van met stoelen, en in andere opzichten zooveel overeenkomende met de Oostersche gebruiken, dat hij begon te twijfelen, of hij niet gedurende zijn slaap naar Palestina was teruggevoerd. De indruk werd vermeerderd, toen eene deur in het behang open ging, en eene vrouwelijke gedaante, rijk en meer naar den Oosterschen dan den Europeeschen smaak gekleed, gevolgd door een zwarten dienaar, binnensloop.
Toen de gekwetste ridder deze schoone verschijning wilde aanspreken, gebood zij hem stil te zwijgen, door den vinger op de rozenroode lippen te leggen, terwijl de bediende, nader komende, Ivanhoe’s zijde ontblootte, en de beminnelijke Jodin zich overtuigde, dat het verband op zijn plaats zat, en het met de wond goed stond. Zij volbracht haar taak met een aanvallige en waardige eenvoudigheid en zedigheid, welke, zelfs in beschaafdere tijden had moeten strekken, om alles, wat de vrouwelijke kieschheid had kunnen kwetsen, te doen vergeten. Het denkbeeld van een zoo jonge en schoone vrouw bezig te zien om een zieke op te passen, of de wonden van een man te verbinden, maakte plaats voor dat van een weldadig wezen, dat zijne krachtige hulp verleende om de smart te verzachten, en den pijl des doods af te wenden. Rebekka gaf haar weinige en korte bevelen in het Hebreeuwsch aan den ouden dienaar en deze, die haar dikwijls in soortgelijke gevallen had bijgestaan, gehoorzaamde zonder te antwoorden.
De klank eener onbekende taal, hoe onaangenaam die ook in een anderen mond zou geweest zijn, had in dien van de schoone Rebekka die romantische en aangename uitwerking, die de verbeelding aan de eene of andere weldadige toovergodin toeschrijft, welke, wel is waar, onverstaanbaar blijft voor het oor, maar door de zachte uitdrukking en den goedaardigen blik het hart roert en treft. Zonder te beproeven naar iets te vragen, liet Ivanhoe haar in stilte die maatregelen nemen, welke zij voor zijne beterschap het noodigst oordeelde, en eerst toen zij gedaan had, en zijne behulpzame vriendin op het punt stond om heen te gaan, kon hij zijne nieuwsgierigheid niet langer onderdrukken.—“Bekoorlijk meisje,” begon hij in het Arabisch, welke taal hem gedurende zijn reizen in het Oosten gemeenzaam geworden was, en die hij zich verbeeldde dat het met tulband en kaftan gesmukte meisje, dat voor hem stond, het best zou verstaan, “ik bid u, bekoorlijk meisje,—uwe goedheid—”
Maar hier viel zijn schoone arts hem in de rede; een glimlach, welken zij nauwelijks onderdrukken kon, zweefde over een gelaat, waarop gewoonlijk eene uitdrukking rustte van peinzende zwaarmoedigheid: “Ik ben uit Engeland, heer ridder, en spreek de Saksische taal, ofschoon mijne kleeding en mijn stam onder een andere hemelstreek te huis behooren.”
“Edele Jonkvrouw,”—begon de ridder van Ivanhoe opnieuw, en wederom haastte zich Rebekka hem in de rede te vallen.
“Geef mij dien eeretitel niet, heer ridder,” zei zij. “Het is goed, dat gij dadelijk verneemt, dat uwe verzorgster eene arme Jodin is, de dochter van Izaäk van York, dien gij onlangs zoo liefderijk en vriendelijk behandeld hebt. Het is zijn plicht en die van zijne huisgenooten om u die zorgvuldige verpleging te verschaffen, welke uw tegenwoordige toestand zoo gebiedend eischt.”
Ik weet niet, of de schoone Rowena wel tevreden zou geweest zijn over de bewondering, waarmede haar ridder tot dusverre de schoone trekken, de rijzige gestalte en de schitterende oogen van de beminnelijke Rebekka aanschouwd had; oogen, wier glans overschaduwd en als het ware verzacht werd door lange wimpers, welke een dichter vergeleken zou hebben bij de avondster, die haar stralen door een priëel van jasmijn schiet. Maar Ivanhoe was te goed katholiek om deze gevoelens voor een Jodin te koesteren. Dit had Rebekka voorzien en daarom had zij zich gehaast om haars vaders naam en stam te noemen, evenwel,—want de schoone en wijze dochter van Izaäk was niet zonder een kleinen zweem van vrouwelijke zwakheid,—kon zij niet nalaten in haar hart te zuchten, toen de blik van eerbiedige bewondering, niet geheel onvermengd met teederheid, waarmede Ivanhoe tot hiertoe zijne onbekende weldoenster aanschouwd had, eensklaps veranderde in een koel, bedaard en terughoudend gedrag, waarin geen dieper gevoel te zien was, dan dat van dankbaarheid voor een dienst, welken men onverwacht van een persoon van minderen stand ontvangt. Niet dat Ivanhoe’s vroegere houding meer uitdrukte, dan die algemeene, eerbiedige hulde, welke de jeugd altijd aan de schoonheid betoont; maar toch was het pijnlijk, dat een enkel woord genoeg was, om als met een tooverslag, de arme Rebekka, die niet geheel onbewust kon zijn, van haar recht op zulke hulde, tot eene verachte klasse te doen nederdalen, aan welke ze niet met eer kon bewezen worden.
Maar de zachtaardige, edele Rebekka rekende het Ivanhoe tot geen misdaad, dat hij in de algemeene vooroordeelen van zijne eeuw en van zijne geloofsgenooten deelde. Integendeel hield de schoone Jodin, ofschoon zij gevoelde, dat haar patient haar als een spruit van een verworpen stam beschouwde, met welke het niet eervol was, meer dan het noodzakelijkste verkeer te houden, niet op, hem dezelfde geduldige en zorgvuldige oplettendheid te betoonen. Zij onderrichtte hem van de noodzakelijkheid om naar York te vertrekken en van haars vaders besluit, om hem daarheen te vervoeren en in zijn eigen huis te verzorgen, tot zijn genezing volmaakt was. Ivanhoe legde grooten tegenzin in dit plan aan den dag, terwijl hij voorwendde dat hij niet geneigd was zijne weldoeners verder tot last te strekken.
“Is er niet,” zei hij, “te Ashby, of in de nabijheid, de een of ander Saksische Franklin, of zelfs eenige rijke boer, die op zich zou willen nemen om een gekwetsten landsman bij zich te ontvangen, tot hij weder in staat is de wapens te dragen? Is er geen Saksisch klooster, waar hij kan aankloppen?—Of kan hij niet naar Burton vervoerd worden, waar hij verzekerd is, gastvrijheid te vinden bij Waltheoff, den Abt van Sint Withold, zijn bloedverwant?”
“Iedere, zelfs de nederigste dezer schuilplaatsen,” zei Rebekka, met een zwaarmoedigen glimlach, “zou zonder twijfel geschikter zijn voor u dan de woning van een verachten Jood; maar, heer ridder, zoo gij uw geneesheer niet wilt missen, moet gij niet van verblijf veranderen. Ons volk, zooals gij wel weet, kan wonden genezen, ofschoon wij er geen mogen toebrengen; en bij mijn geslacht in het bijzonder, berusten geheimen, welke sedert Salomo’s tijd zijn overgebracht, en waarvan gij het heil reeds ondervonden hebt.—Geen Nazareër—ik smeek u om verschooning, heer ridder,—geen Christen wondarts in Brittanje zou u in staat kunnen stellen, uwe wapenrusting in minder dan eene maand te dragen.”
“En hoe spoedig zult gij mij in staat stellen, dat te doen?” vroeg Ivanhoe ongeduldig.
“Binnen acht dagen, als gij geduldig wilt zijn en naar mijn voorschriften luisteren,” hernam Rebekka.
“Bij de Heilige Maagd,” zei Wilfrid, “indien het geene zonde is haar hier te noemen, het is geen tijd voor mij, of voor eenigen echten ridder bedlegerig te zijn; en als gij uwe belofte houdt, meisje, zal ik u beloonen met mijn helm vol goud, vanwaar het dan ook komen moge!”
“Ik zal mijne belofte houden,” hernam Rebekka, “en gij zult uwe wapenrusting heden over acht dagen weder kunnen dragen, als gij mij slechts eene bede wilt vergunnen, in plaats van het geld, dat ge mij belooft.”
“Zoo het in mijne macht staat,—en een goed Christen ridder het aan iemand van uw volk mag toestaan,” hervatte Ivanhoe, “dan zal ik aan uw verzoek gaarne en dankbaar voldoen.”
“Welnu,” antwoordde Rebekka, “ik wilde u slechts bidden, om voortaan te gelooven, dat een Jood aan een Christen een dienst kan doen zonder andere belooning dan de zegen van den Grooten Vader, die Jood en Heiden geschapen heeft.”
“Het ware zonde hieraan te twijfelen, meisje,” hernam Ivanhoe, “en ik vertrouw mij aan uwe kunde toe, zonder verderen twijfel of ongerustheid, maar ik reken er op, dat gij mij in staat zult stellen, mijne wapenrusting op den achtsten dag na heden te dragen. En nu moet ik u naar het nieuws van buiten vragen. Wat weet gij van den edelen Sakser, Cedric en zijn gezin?—Wat van de schoone Jonkvrouw,”—hij hield op, alsof hij Rowena’s naam niet in het huis van een Jood uitspreken wilde,—“van haar, meen ik, die tot Koningin van het toernooi benoemd werd?”
“En die door u, heer ridder, uitgekozen werd om die waardigheid te bekleeden, met een oordeel, dat evenzeer bewonderd werd als uwe dapperheid,” hervatte Rebekka.
Het bloed dat Ivanhoe verloren had, belette niet dat een blos zijn wangen kleurde, toen hij begreep, dat hij onvoorzichtig de belangstelling, welke hij voor Rowena gevoelde, verraden had door zijne onhandige poging om die te verbergen.
“Het was minder van haar dat ik spreken wilde,” zei hij, “dan van Prins Jan, en ik wilde gaarne iets weten van mijn getrouwen schildknaap, en waarom hij mij niet oppast?”
“Laat ik mijn gezag als wondarts gebruiken,” antwoordde Rebekka, “en u het stilzwijgen en het vermijden van alle ontroering opleggen, terwijl ik u onderricht van hetgeen gij wenscht te weten. Prins Jan heeft het toernooi plotseling afgebroken en is in groote haast naar York vertrokken met de edelen, ridders en geestelijken van zijne partij, na al het geld dat zij door billijke of onbillijke middelen afpersen konden van hen, die voor de rijken des lands gehouden worden, medegenomen te hebben. Men zegt dat hij voornemens is, zich de kroon zijns broeders op te zetten.”
“Niet zonder dat er menige slag ter verdediging er van gedaan wordt,” zei Ivanhoe, zich in zijn bed oprichtende, “al was er ook maar één getrouwe onderdaan in Engeland! Ik wil met den besten hunner om Richards recht strijden,—ja, zelfs één tegen twee in zijne rechtvaardige zaak.”
“Maar om dit te kunnen doen,” zei Rebekka, hem met haar hand zacht op den schouder aanrakende, “moet gij thans mijne bevelen volgen, en u rustig houden.”
“Gij hebt gelijk, meisje,” hernam Ivanhoe, “zoo rustig als deze onrustige tijden toelaten.—En wat nu van Cedric en zijn gezin?”
“Zijn huishofmeester is een oogenblik geleden hier geweest,” hervatte de Jodin, “buiten adem van haast, om van mijn vader eenig geld te halen voor wol, welke hij van Cedric’s kudden verkregen had; en van hem vernam ik, dat Cedric en Athelstane van Coningsburgh de woning van den Prins in groot ongenoegen verlaten hadden en op het punt waren om weder naar huis te reizen.”
“Is er ook eene dame met hen op het feest geweest?” vroeg Wilfrid.
“Jonkvrouw Rowena,” antwoordde Rebekka, den naam vermeldende, dien hij verzwegen had,—“Jonkvrouw Rowena, is niet naar des Prinsen feest geweest, en, zooals de huishofmeester ons gezegd heeft, is zij thans op de terugreis naar Rotherwood met haar voogd Cedric. En wat uw getrouwen schildknaap Gurth—”
“Ha!” riep de ridder, “kent gij zijn naam?—Maar zeker,” voegde hij er haastig bij, “zeker kent gij hem, want het was uit uwe hand, en, zooals ik vermoed, door uw edelmoedigheid, dat hij gisteren honderd zechinen ontvangen heeft.”
“Spreek daar niet van,” zei Rebekka blozende, “ik merk, hoe gemakkelijk het is met den mond te verraden wat het hart gaarne zou verbergen.”
“Maar,” zei Ivanhoe ernstig, “mijne eer is er mede gemoeid, om uw vader deze som te betalen.”
“Volg uw eigen zin,” zei Rebekka, “als acht dagen verloopen zijn; maar denk nu, bid ik u, aan niets, en spreek van niets, dat uwe herstelling zou kunnen vertragen.”
“Het zij zoo, meisje,” hernam Ivanhoe; “het zou zeer ondankbaar zijn, mij tegen uwe verordeningen te verzetten. Maar één woord over Gurth’s lot, en ik heb gedaan met vragen.”
“Het spijt mij u te moeten zeggen,” antwoordde de Jodin, “dat hij op bevel van Cedric gevangen is!”—En toen zij de droefheid bespeurde, welke hare mededeeling bij Wilfrid verwekte, voegde zij er dadelijk bij: “maar de huishofmeester Oswald zei, dat als er niets voorviel om zijns meesters ongenoegen tegen hem te vermeerderen, hij zeker wist, dat Cedric Gurth zou vergeven, daar hij een getrouw lijfeigene was, hoog in gunst stond, en dezen misstap slechts begaan had uit liefde voor Cedric’s zoon. En hij zeide daarenboven, dat hij en zijne makkers, en bijzonder de nar Wamba, besloten hadden om Gurth onderweg te helpen ontvluchten, in geval de toorn van Cedric tegen hem niet verzacht kon worden.”
“God geve, dat zij hun voornemen ten uitvoer brengen!” zei Ivanhoe; “maar het schijnt dat ik geboren ben, om allen, die mij liefde betoond hebben, ongelukkig te maken!—Mijn koning eerde en onderscheidde mij, en gij ziet, dat de broeder, die hem het meeste verschuldigd is, de wapens opneemt om hem de kroon te ontrukken;—mijne liefde heeft de schoonste van haar geslacht aan dwang en onrust onderworpen, en nu zal mijn vader wellicht in zijn toorn dezen armen lijfeigene om het leven brengen, alleen om zijne liefde en getrouwheid voor mij!—Gij ziet, meisje, welk een ongelukskind gij bijstaat; wees verstandig, en laat mij gaan eer mijn rampen, welke mij als speurhonden vervolgen, ook u medesleepen.”
“Wel,” zei Rebekka, “uwe zwakheid en uwe smart, heer ridder, doen u de bedoelingen des Hemels verkeerd uitleggen! Gij zijt aan uw vaderland teruggegeven, toen het den bijstand van eene sterke hand en een getrouw hart noodig had, en hebt den hoogmoed van uw en uws konings vijanden vernederd, op een oogenblik, dat die ten toppunt gestegen was;—en wat uw ongeluk betreft, ziet gij niet, dat de Hemel u hulp en een arts gezonden heeft, zelfs onder de meest verachte bewoners des lands?—Houd dus goeden moed en vertrouw er op, dat gij gespaard zijt voor eenig wonder, dat uw arm voor dit volk zal verrichten. Vaarwel, en begeef u, zoodra gij den drank ingenomen hebt, welken ik u door Ruben zal zenden, weder ter rust, om des te beter in staat te zijn morgen de vermoeienissen van de reis door te staan.”
Ivanhoe liet zich door Rebekka’s woorden overreden, en gehoorzaamde aan hare bevelen. De drank, welken Ruben hem toediende, was van een bedarenden en slaapwekkenden aard en verschafte den zieken een vasten en ongestoorden sluimer. Den volgenden morgen vond zijn vriendelijke arts hem geheel vrij van koortsachtige aandoening en in staat om de vermoeienis der reis te verdragen.
Rebekka.
Hij werd in den draagstoel geplaatst, waarin hij uit het strijdperk gebracht was, en welke door paarden gedragen werd, en men nam alle voorzorgen om hem met gemak te doen reizen. In één opzicht slechts konden zelfs de beden van Rebekka geene genoegzame oplettendheid voor het gemak van den gewonden ridder bezorgen. Izaäk zag, evenals de rijk geworden reiziger, in de satire van Juvenalis, in zijne verbeelding overal roovers, daar hij overtuigd was dat de stroopende Normandische edelman en de Saksische vrijbuiter beiden hem als wettigen buit zouden beschouwen. Hij reisde dus met den meesten spoed, en hield slechts korte rust en nog kortere maaltijden, zoodat hij Cedric en Athelstane voorbij reisde, die verscheidene uren vóór hem vertrokken, maar opgehouden waren door hun langgerekt gastmaal in het klooster van St. Withold. Zóó groot was echter de kracht van Mirjams balsem, of van Ivanhoe’s gestel, dat hij door de overhaaste reis het ongemak niet leed, dat Rebekka voor hem gevreesd had.
In een ander opzicht echter, had de haast van den Jood geen gelukkige gevolgen. De spoed, waarop hij onder het reizen aandrong, verwekte veel oneenigheid tusschen hem en de lieden, die hij tot zijn bescherming gehuurd had. Deze waren Saksers en geenszins vrij van die aangeboren zucht naar gemak en goede sier, welke de Normandiërs met den naam van luiheid en gulzigheid bestempelden. Shylock’s stelling omkeerende, hadden zij dezen last op zich genomen, in de hoop van zich op kosten van den rijken Jood te mesten, en ze waren zeer ontevreden, toen ze zich bedrogen vonden door de snelheid, waarop hij aandrong. Zij verzekerden hem dan ook, dat hunne paarden daardoor ongewoon gevaar liepen. Ten laatste ontstond er tusschen Izaäk en zijne wachten een doodelijke veete over de hoeveelheid wijn en bier, welke bij iederen maaltijd mocht gebruikt worden. En zoo kwam het, dat toen het gevaar naderde, en hetgeen Izaäk gevreesd had, hem wezenlijk overkwam, de ontevredene huurlingen, op wier bescherming hij vertrouwd had, hem verlieten, daar hij de noodige middelen niet gebruikt had, om zich van hunne verkleefdheid te verzekeren.
In dezen hulpeloozen toestand werd de Jood met zijne dochter en hun gekwetsten gast door Cedric gevonden, zooals wij reeds gemeld hebben en kort daarna vielen ze in de macht van De Bracy en zijne bondgenooten. Men sloeg eerst weinig acht op den draagstoel, die achtergebleven zou zijn zonder de nieuwsgierigheid van De Bracy, die er in keek, daar hij dacht, dat wellicht het voorwerp van zijn onderneming er in schuilde, want Rowena had zich nog niet ontsluierd. Maar groot was De Bracy’s verbazing, toen hij bespeurde dat de draagstoel een gekwetsten krijgsman bevatte, die in het denkbeeld, dat hij in de macht van Saksische roovers gevallen was, bij wie zijn naam een bescherming voor hem en zijn vrienden kon zijn, openhartig bekende, dat hij Wilfrid van Ivanhoe was.
De begrippen van riddereer, welke De Bracy, te midden van zijne woestheid en lichtvaardigheid, nooit geheel en al verzaakt had, beletten hem, om den ridder in zijn hulpeloozen toestand eenig leed aan te doen, en verhinderden insgelijks, dat hij hem aan Front-de-Boeuf verraadde, die er volstrekt geene gewetenszaak van zou gemaakt hebben, om zijn mededinger naar het leen Ivanhoe ter dood te brengen, in welke omstandigheden hij hem ook gevonden had. Van den anderen kant was het eene daad, ver boven de edelmoedigheid van De Bracy verheven om een medeminnaar in vrijheid te stellen, aan wien door Jonkvrouw Rowena de voorkeur gegeven werd, zooals de gebeurtenissen bij het toernooi en Wilfrids vroegere verbanning uit het vaderlijke huis reeds genoegzaam te kennen gegeven hadden. Een middenweg tusschen goed en kwaad was alles waartoe hij zich in staat gevoelde, en hij beval aan twee zijner schildknapen dicht bij den draagstoel te blijven, en niemand er bij te laten. Zoo men hen ondervroeg, beval hun meester te zeggen, dat het de ledige draagstoel der Jonkvrouw Rowena was, welke gebruikt werd om een makker, die in de schermutseling gekwetst werd, te vervoeren. Bij hunne aankomst te Torquilstone, terwijl de Tempelier en de heer van het kasteel ieder met zijn eigen ontwerp vervuld was, de een met den schat van den Jood, en de andere met zijne dochter, brachten De Bracy’s schildknapen Ivanhoe, nog altijd onder den naam van een gewonden makker, in een afgelegen vertrek. Dit zeiden ook De Bracy’s knapen aan Front-de-Boeuf, toen deze hun vroeg, waarom ze, toen er alarm geblazen werd, zich niet naar de wallen begeven hadden.
“Een gekwetste makker!” hernam hij in groote drift en verbazing; “geen wonder, dat boeren en landlieden zich verstouten, om zelfs kasteelen te belegeren, en dat narren en zwijnenhoeders uitdagingen aan edellieden zenden, daar krijgers in ziekenoppassers veranderen, en huurlingen wachters bij een sterfbed geworden zijn, als zelfs het kasteel op het punt is, van bestormd te worden.—Naar de wallen, gij trage schurken!” riep hij, zijne forsche stem verheffende, zoodat de gewelven er van weêrgalmden, “naar de wallen, of ik zal er u met deze knots heen jagen!”
De lieden antwoordden hem op stuggen toon, “dat ze niets beters verlangden dan naar de wallen te gaan, mits Front-de-Boeuf het bij hun meester verantwoorden wilde, die hun bevolen had, den stervende op te passen.”
“Den stervende, schelmen!” hervatte de Baron, “ik beloof u, dat wij allen weldra stervenden zullen zijn, als wij ons niet dapper houden. Maar ik zal de wacht bij dezen uwen ellendigen makker aflossen.—Hier, Urfried,—duivelsche Saksische heks,—hoort ge mij niet?—pas op dien bedlegerigen kerel, daar hij toch opgepast moet worden, terwijl deze schelmen hunne wapens gebruiken. Hier, kameraden, zijn twee armbogen, met pijlen er bij—voort, naar het buitenwerk, en ieder schot van u treffe den schedel van een Sakser!”
De mannen, die, gelijk de meesten van huns gelijken, het gevaar beminden, en de werkeloosheid verfoeiden, gingen blijmoedig naar de gevaarlijke plaats waarheen men hen gezonden had, en dus werd de zorg voor Ivanhoe aan Urfried, of Ulrica, opgedrongen. Maar deze, wier hoofd vervuld was met de herinnering aan smaad en met de hoop op wraak, liet gaarne de oppassing van den zieke aan Rebekka over.
Negen-en-twintigste Hoofdstuk.
Beklim den wachttoren ginds,
Beschouw het slagveld: beschrijf ons het gevecht!
Schiller’s Maagd van Orleans.
Een oogenblik van gevaar is dikwijls ook het oogenblik van openhartige genegenheid en liefde. Wij vergeten onze voorzichtigheid in de hevige ontroering onzer gevoelens, en wij verraden dan dikwijls aandoeningen, welke, in kalme oogenblikken, de bedaardheid ons doet verbergen, zoo niet geheel en al onderdrukken. Toen Rebekka zich weder naast het bed van Ivanhoe bevond, was zij zelve verwonderd over het geluk dat zij smaakte, op een oogenblik, dat beiden in gevaar, zoo niet reddeloos verloren waren. Toen zij hem den pols voelde, en naar zijne gezondheid vroeg, lag er in hare aanraking en in hare stem eene teederheid, welke eene grootere belangstelling te kennen gaf, dan zij zelve zou gewenscht hebben uit te drukken. Hare stem beefde, zij zelve sidderde, en het was slechts de koele vraag van Ivanhoe: “Zijt gij het, mijne vriendin?” welke hare bedaardheid terugriep, en haar herinnerde, dat de gevoelens, die zij koesterde, niet wederkeerig waren en zulks ook niet worden konden. Een zucht ontsnapte haar, maar een zucht, die nauwelijks hoorbaar was, en de vragen, welke zij den ridder omtrent zijn toestand deed, waren in den toon der bedaardste vriendschap. Ivanhoe antwoordde dadelijk, dat hij, ten opzichte der gezondheid, zoo wel was, en zelfs beter, dan hij verwacht kon hebben.—“Dank,” zei hij, “uw kundige hulp, waarde Rebekka.”
“Hij noemt mij waarde Rebekka,” zei het meisje in zich zelve, “maar op een kouden en onverschilligen toon, welke slecht met het woord overeenkomt. Zijn strijdpaard,—zijn jachthond zijn hem liever dan de verachte Jodin.”
“Mijn gemoed wordt meer door angst gekweld, meisje,” ging Ivanhoe voort, “dan mijn lichaam door pijn. Uit het gesprek der mannen, die mij zooeven oppasten, verneem ik, dat ik een gevangene ben, en, zoo ik mij niet vergis, naar de harde, gebiedende stem te oordeelen welke hen van hier riep, om den een of anderen krijgsdienst te verrichten, dan ben ik in het kasteel van Front-de-Boeuf.—Zoo ja, hoe zal dit afloopen,—en hoe zal ik Rowena en mijn vader beschermen?”
“Hij noemt den Jood en de Jodin in het geheel niet,” zei Rebekka in zich zelve; “maar wat is hem aan ons gelegen,—en hoe rechtvaardig word ik door den Hemel gestraft, omdat mijne gedachten met hem vervuld zijn!” Zij haastte zich na deze korte zelfbeschuldiging, om Ivanhoe alles mede te deelen wat zij wist; maar het kwam slechts hier op neêr, dat de Tempelier, Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf in het kasteel het bevel voerden; dat het van buiten belegerd werd, maar door wien, wist zij niet. Zij voegde er bij, dat er een Christenpriester in het kasteel was, die hun misschien nader bericht kon geven.
“Een Christenpriester?” zei de ridder met blijdschap; “breng hem hierheen, Rebekka, zoo gij kunt,—zeg, dat een zieke zijne geestelijke hulp begeert,—zeg, wat gij wilt; maar breng hem hier;—ik moet iets doen of ondernemen; maar hoe kan ik tot iets besluiten, eer ik weet hoe de zaken buiten staan?”
Rebekka deed die poging, volgens Ivanhoe’s wensch, om Cedric te halen, die, zooals wij reeds gezien hebben door de tusschenkomst van Urfried werd teleurgesteld, die ook op den loer gestaan had, om den gewaanden monnik te spreken. Rebekka keerde terug, om Ivanhoe den ongelukkigen afloop van hare boodschap te melden. Zij hadden niet veel tijd om dit te betreuren, of te overleggen door welk middel men iets vernemen kon; want de onrust in het kasteel, veroorzaakt door de voorbereidingen tot verdediging, welke een tijdlang geduurd had, ging nu in een tienmaal sterker geraas en geschreeuw over. De zware en haastige stap der krijgslieden liet zich op de muren hooren, of weergalmde in de nauwe, kronkelende gangen en op de trappen, welke naar de verschillende buitenwerken en versterkte wallen leidden. Men hoorde de stemmen der ridders, die hunne manschappen aanvuurden, of middelen van verdediging beraamden, terwijl hunne bevelen dikwijls verloren gingen onder het gekletter der wapens, of het geschreeuw van hen, tot welke ze gericht werden. Hoe schrikbarend ook deze klanken waren, die nog ijselijker gemaakt werden door hetgeen ze voorspelden, ging er een zekere grootschheid mede gepaard, voor welke Rebekka’s hoogmoedige geest, zelfs in dat oogenblik van gevaar, niet ongevoelig bleef. Haar oog glinsterde, ofschoon het bloed hare wangen verliet, en er was eene vermenging van vrees en van een treffend gevoel van het verhevene in haar ziel, toen ze, half tegen den gewonden ridder sprekende, deze woorden uit de Heilige Schrift herhaalde: “De pijlkoker ratelt, de glinsterende speer en het schild,—het geroep der aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.”
Maar Ivanhoe was, als het strijdpaard, in die verhevene plaats vermeld, brandende van ongeduld over zijne werkeloosheid en met het vurig verlangen om aan den strijd deel te nemen, welken al deze drukten verkondigden. “Zoo ik maar naar gindsch venster kon sluipen,” zei hij, “om te zien, hoe die edele kamp afloopen zal. Als ik maar een boog had, om een pijl af te schieten, of een strijdbijl, om slechts één enkelen slag voor onze bevrijding te doen!—Het is vergeefs, het is vergeefs. Ik lig hier zonder kracht of wapens!”
“Kwel u niet, edele ridder,” antwoordde Rebekka, “het geraas heeft eensklaps opgehouden;—het is mogelijk, dat ze niet handgemeen worden.”
“Gij begrijpt het niet,” riep Wilfrid ongeduldig; “deze doodelijke stilte bewijst slechts, dat de krijgslieden op hun post zijn, en een onmiddellijken aanval verwachten. Hetgeen wij gehoord hebben, was slechts het verwijderd dreigen van den storm,—die dadelijk in volle woede uitbarsten zal.—Kon ik slechts gindsch venster bereiken!”
“Ge zoudt u daardoor zelf benadeelen, edele ridder,” hernam Rebekka; en zijn vurig verlangen begrijpende, voegde ze er op vasten toon bij: “Ik zelf zal achter de traliën gaan staan, en u, zoo goed ik kan, verhalen wat er buiten omgaat.”
“Gij moet niet,—gij zult niet!” riep Ivanhoe; “iedere tralie, iedere opening zal weldra een mikpunt voor de boogschutters zijn;—een of ander op goed geluk afgeschoten pijl zou—”
“Welkom zijn,” zei Rebekka in zich zelve, terwijl ze met vasten tred een paar trapjes besteeg, die naar het venster leidden, waarvan ze spraken.
“Rebekka, waarde Rebekka!” riep Ivanhoe, “dit is geene zaak voor vrouwen;—stel u niet aan wonden en dood bloot, en maak mij niet voor altijd ongelukkig door het denkbeeld, dat ik daartoe aanleiding gegeven heb; bedek u ten minste met gindsch oud schild, en vertoon u zoo weinig mogelijk aan het venster.”
Rebekka volgde met verwonderlijke gevatheid Ivanhoe’s voorschriften; en daar ze zich met het breede, oude schild bedekte, dat ze tegen den rand van het venster plaatste, kon ze met vrij groote veiligheid gedeeltelijk zien wat er buiten het kasteel voorviel, en Ivanhoe van de toebereidselen onderrichten, welke de belegeraars tot den storm maakten. Wezenlijk was de plaats, welke ze dus innam, bijzonder geschikt tot dit oogmerk, daar ze, uit dezen hoek van het hoofdgebouw, niet alleen zien kon wat er in den omtrek van het kasteel omging, maar ook het buitenwerk in het gezicht had, dat waarschijnlijk het eerste punt van den voorgenomen aanval zijn zou. Dit was een vestingwerk van geringe hoogte en sterkte, bestemd om het poortje te dekken, waardoor Front-de-Boeuf kort te voren Cedric uitgelaten had. De gracht van het kasteel scheidde deze soort van bruggenhoofd van het overige der vesting, zoodat, als het ingenomen werd, men gemakkelijk alle gemeenschap met het hoofdgebouw kon afsnijden door de brug af te breken. In het buitenwerk was een deur voor den uitval, vlak tegenover het poortje, en het geheel was omgeven door sterke palissaden. Rebekka kon uit het aantal manschappen, welke opgesteld waren om dezen post te verdedigen, opmerken, dat de belegerden voor de veiligheid er van bevreesd waren; en daar de belegeraars zich bijna vlak tegenover de poort schaarden, scheen het niet minder duidelijk, dat ze die als een zwak punt beschouwden.
Deze opmerkingen deelde zij haastig aan Ivanhoe mede, en voegde er bij: “De zoom van het bosch schijnt met boogschutters bezet te zijn, ofschoon er maar weinigen uit het dichte lommer te voorschijn gekomen zijn.”
“Onder welke banier?” vroeg Ivanhoe.
“Onder geen banier, voor zoover ik ontdekken kan,” antwoordde Rebekka.
“Een zonderlinge verschijning,” prevelde de ridder, “zulk een kasteel te bestormen, zonder vaandel of banier te toonen.—Ziet gij ook wie de aanvoerders zijn?”
“Een ridder in eene zwarte wapenrusting valt het meest in het oog,” zei de Jodin; “hij alleen is van top tot teen gewapend, en schijnt het bevel over allen, die hem omringen, te voeren.”
“Welk devies voert hij op zijn schild?” ging Ivanhoe voort.
“Iets, dat naar een ijzeren staf gelijkt, en een hangslot, dat in blauwe kleuren op het zwarte schild glinstert.”1
“Een slot en boeien op een blauw veld,” zei Ivanhoe; “ik weet niet, wie dit wapen draagt; maar ik weet wel dat het thans het mijne kon zijn. Kunt gij het devies niet onderscheiden?”
“Nauwelijks het wapen zelf op dezen afstand,” hernam Rebekka; “maar als de zon helder op zijn schild schijnt, dan ziet het er uit, zooals ik gezegd heb.”
“Vertoonen er zich geen andere aanvoerders?” riep de ongeduldige ridder.
“Geen van hoogen rang, of die zich uiterlijk onderscheiden, voor zoover ik van deze standplaats zien kan,” hernam Rebekka; “maar zonder twijfel wordt de andere zijde van het kasteel ook aangevallen. Zij schijnen nu gereed om voorwaarts te trekken.—God van Sion, bescherm ons!—Welk een verschrikkelijk gezicht!—Zij, die het eerst vooruitdringen, dragen groote schilden en schermdaken, uit planken gemaakt; en anderen volgen, terwijl zij hun bogen spannen. Zij verheffen de bogen!—God van Mozes, vergeef het den schepselen, die Gij geschapen hebt!”
Hier werd haar beschrijving plotseling afgebroken door het teeken tot de bestorming, dat door een schellen horen gegeven, en dadelijk beantwoord werd door het geschal der Normandische trompetten van de wallen, hetwelk, vermengd met het dof en hol geluid der mossels (een soort van pauken) trots de uitdaging van den vijand beantwoordde. Het geschreeuw van beide partijen vermeerderde het gedruisch, daar de aanvallers riepen: “St. George voor Engeland!” en de Normandiërs antwoordden met het geroep van: “En avant De Bracy! Beauséant! Beau-Séant! Front-de-Boeuf à la rescousse!”—de onderscheidene oorlogskreten van hunne verschillende aanvoerders.
Het was echter niet door geschreeuw, dat de strijd te beslissen was, en de wanhopige pogingen der aanvallers werden door een even krachtige verdediging van den kant der belegerden ontmoet. De boogschutters, door lange oefening in hun landelijke vermaken reeds zeer goed aan het gebruik van den boog gewend, schoten zoo volmaakt juist, dat geen punt, waar een verdediger het geringste gedeelte van zijn lichaam vertoonde, aan hun lange pijlen ontging. Door dezen hagelbui van pijlen,—waarvan echter ieder zijn bijzonder wit had,—die met dozijnen tegelijk tegen alle schietgaten en openingen in de muren vlogen, zoowel als tegen ieder venster, waar toevallig een verdediger geplaatst was, of verondersteld werd te staan;—door dezen hagelbui van pijlen werden een paar van het garnizoen gedood, en verscheidene anderen gekwetst. Maar, vertrouwende op hunne goede wapenrusting en op de bescherming, welke hunne standplaats hun verschafte, toonden de lieden van Front-de-Boeuf en zijne bondgenooten eene hardnekkigheid in de verdediging, welke geëvenredigd was aan de woede van den aanval, en beantwoordden de pijlschoten der aanvallers met hunne handbogen, lange bogen, slingers, en werpspiesen; en daar de belegeraars meestal slecht beschermd waren, zoo leden zij een grooter verlies dan zij den belegerden konden toebrengen. Het fluiten der pijlen en spiesen van beide zijden werd alleen afgebroken door het geschreeuw, dat ontstond, als een van beide partijen een aanmerkelijk voordeel behaalde, of nadeel leed.—
“En ik moet hier liggen als een zieke monnik,” riep Ivanhoe uit, “terwijl andere handen het spel uitspelen, dat mij de vrijheid of den dood moet geven!—Zie nog eens uit het venster, meisje; maar pas op, dat de boogschutters beneden u niet opmerken.—Zie nog eens en zeg mij, of zij tot den storm voorwaarts trekken.”
Met een geduldigen moed, die versterkt was geworden door den tusschentijd, welken zij in stille aandacht had doorgebracht, vatte Rebekka weder post bij het venster, maar verborg zich echter zoo, dat zij van beneden niet zichtbaar was. “Wat ziet gij, Rebekka?” vroeg weder de gewonde ridder.
“Niets dan een hagelbui van pijlen, zoo dicht, dat zij mij de oogen verblinden, en de schutters verbergen, die ze afschieten.”
“Dat kan zoo niet voortduren,” zei Ivanhoe; “als zij het kasteel niet met geweld aantasten, dan zal het pijlschieten maar weinig baten tegen steenen muren en bolwerken. Zie eens naar den ridder met het wapenschild, schoone Rebekka, en zeg mij, hoe hij zich gedraagt; want zooals de aanvoerder is, zoo zullen zijn lieden zijn.”
“Ik zie hem niet,” antwoordde Rebekka.
“O die lafaard!” riep Ivanhoe, “wijkt hij van het roer, als de wind het hevigst waait?”
“Hij wijkt niet! hij wijkt niet!” hernam Rebekka, “ik zie hem nu; hij brengt een troep dicht onder de buitenste barrière van het bruggenhoofd2.—Zij halen de palen omver, zij hakken de barrières met bijlen om,—zijn hooge zwarte vederbos fladdert over de menigte heen, gelijk een raaf over het slagveld;—zij hebben eene opening in de barrière gemaakt—zij stormen er in;—zij worden teruggeworpen!—Front-de-Boeuf is aan het hoofd der belegerden; ik zie zijn reusachtige gedaante boven den hoop uitsteken. Zij dringen wederom naar de opening, en de doortocht wordt hand tegen hand en man tegen man betwist. God van Jakob! zoo ontmoeten elkander twee woedende stroomen,—zoo bruisen twee door winden bewogen zeeën tegen elkander.”
Zij wendde het hoofd van het venster weg, alsof zij niet meer in staat was zulk een verschrikkelijk gezicht te verdragen.
“Zie nog eens naar buiten, Rebekka,” zei Ivanhoe, die de reden waarom zij hare plaats verlaten had, verkeerd uitlegde; “het schieten moet eenigszins opgehouden hebben, daar zij nu handgemeen zijn.—Zie nog eens naar buiten;—er is nu minder gevaar bij.”
Rebekka zag weder naar buiten, en riep bijna onmiddellijk: “Heilige Profeten! Front-de-Boeuf en de Zwarte Ridder zijn handgemeen in de bres, onder het geschreeuw hunner soldaten, die den uitslag van het gevecht gadeslaan.—Hemel, sta de zaak der onderdrukten en gevangenen bij!” Hierop gaf ze een luiden gil, en riep uit: “Hij valt!—hij valt!”
“Wie valt?” riep Ivanhoe, “in naam der Heilige Maagd, zeg mij, wie is gevallen?”
“De Zwarte Ridder,” antwoordde Rebekka half onmachtig, maar terstond daarna riep ze weder met blijde drift: “Maar neen,—maar neen,—maar neen—de naam van den Heer der heirscharen zij geloofd!—hij staat weder, en vecht alsof hij de kracht van twintig man in zijn enkelen arm had;—zijn zwaard is gebroken;—hij grijpt de bijl van een schutter;—hij dringt op Front-de-Boeuf aan, met slag en stoot.—De reus wijkt en wankelt, gelijk een eik onder de bijl van den houthakker;—hij valt—hij valt!”
“Front-de-Boeuf?” riep Ivanhoe.
“Front-de-Boeuf,” antwoordde de Jodin; “zijne manschappen snellen hem ter hulp, onder aanvoering van den trotschen Tempelier;—hunne vereenigde krachten verhinderen den ridder verder te dringen;—zij sleepen Front-de-Boeuf binnen de muren.”
“De bestormers hebben de barrières toch ingenomen, niet waar?” vroeg Ivanhoe.
“Wel zeker,—wel zeker,—en ze maken een hevigen aanval op den buitenwal; eenigen zetten ladders, anderen zwermen gelijk bijen, en trachten op elkanders schouders te stijgen.—Steenen, balken en boomstammen vallen naar beneden op hun hoofden, en zoodra zij de gekwetsten naar de achterhoede brengen, nemen nieuwe strijders hun plaats in.—Groote God! hebt Gij den mensch daarom naar Uw evenbeeld geschapen, opdat hij aldus wreedelijk door de handen zijner broeders misvormd zou worden!”
“Denk daar niet aan,” hernam Ivanhoe; “dit is geen tijd voor zulke gedachten.—Wie wijkt?—wie dringt vooruit?”
“De ladders worden omvergeworpen,” hernam Rebekka, ijzende; “de soldaten liggen er onder gelijk verpletterde wormen.—De belegerden hebben de overhand!”
“St. George sta ons bij!” zei de ridder; “wijken die valsche schutters?”
“Neen!” riep Rebekka, “zij houden zich dapper; de Zwarte Ridder nadert het poortje met zijne ontzaglijke bijl;—de donderende slagen, welke hij er aan toebrengt, kunt gij boven al het gedruisch en geschreeuw van het gevecht uit hooren.—Steenen en balken worden op den stouten strijder neêrgestort;—hij let er niet meer op, dan of het vederen waren!”
“Bij St. Jean d’Acre!” zei Ivanhoe, zich verheugd op zijne legerstede verheffende, “ik dacht, dat er slechts één man in Engeland was, die zoo iets zou kunnen verrichten!”
“De poort bezwijkt,” ging Rebekka voort; “zij kraakt,—zij wordt verbrijzeld door zijn slagen;—zij stormen er in;—het buitenwerk is veroverd;—o God!—zij werpen de verdedigers van den wal naar beneden;—zij storten hen in de gracht;—o menschen, zoo gij inderdaad menschen zijt, spaart hen, die niet langer weerstand kunnen bieden!”
“De brug,—de brug, die gemeenschap heeft met het kasteel,—hebben zij die bezet?” riep Ivanhoe uit.
“Neen!” hervatte Rebekka, “de Tempelier heeft de plank, waarop hij zich terugtrok, vernield;—weinigen der verdedigers zijn met hem in het kasteel ontkomen;—het geschreeuw en gekerm, dat gij hoort, onderricht u van het lot der overigen. Helaas! ik zie, dat het nog moeielijker is naar de overwinning, dan naar den strijd te zien.”
“Wat doen ze nu, meisje?” vroeg Ivanhoe; “zie nog eens uit;—dit is geen tijd om voor bloedvergieten te schrikken.”
“Het is vooreerst gedaan,” antwoordde Rebekka; “onze vrienden versterken zich in het buitenwerk, dat zij veroverd hebben, en het verschaft hun eene zoo volkomene bescherming tegen de pijlen der vijanden, dat de bezetting slechts eenige schichten op hen afschiet, als het ware meer om hen te verontrusten, dan om hen wezenlijk te benadeelen.”
“Onze vrienden,” zei Wilfrid, “zullen zeker eene onderneming niet opgeven, die zoo roemrijk begonnen en tot dusver zoo wel geslaagd is.—Zeker niet! ik vertrouw op den dapperen ridder, wiens bijl eiken balken en ijzeren staven vernield heeft.—Zonderling,” prevelde hij bij zich zelven, “dat er twee menschen zouden zijn, die zulk een stout waagstuk ondernemen;—een slot en boeien op een blauw veld;—wat moet dat beduiden? Ziet ge niets anders, Rebekka, waardoor de Zwarte Ridder zich onderscheidt?”
Worsteling tusschen den Zwarten Ridder en Front-de-Boeuf voor de bres.
“Niets,” zei de Jodin; “alles wat hij aan heeft is zwart, als de vleugel van de raaf. Ik kan verder niets ontdekken dat hem kenmerkt, maar, nadat ik hem eenmaal zijne kracht in den slag heb zien ten toon spreiden, dunkt mij, dat ik hem onder duizend andere krijgslieden zou herkennen. Hij vliegt ten strijde als tot een feest. Het is meer dan bloote kracht; het schijnt, alsof de geheele ziel en het geheele hart van den kampvechter bij iederen slag waren, welken hij zijn vijanden toebrengt. God vergeve hem de zonde van het bloedvergieten! O, het is ijselijk, en toch heerlijk te zien, hoe de arm en de moed van één man over honderden kunnen zegepralen.”
“Rebekka,” zei Ivanhoe, “gij hebt een held geschilderd;—zeker rusten zij slechts uit, om nieuwe krachten te verzamelen, of om middelen tot den overtocht van de gracht te beramen. Onder een aanvoerder, als dezen ridder, bestaat er geene laffe vrees, geen flauw uitstel, geen opgeven van eene stoute onderneming, welke juist door de zwarigheden, die ze oplevert, des te roemrijker wordt. Ik zweer bij de eer van mijn huis, bij den naam mijner schoone, ik zou tien jaren gevangenschap willen verduren, als ik één dag aan de zijde van dezen dapperen ridder in zulk een strijd als dezen vechten kon!”
“Helaas!” zei Rebekka, haar plaats aan het venster verlatende, en het bed van den gewonden ridder naderende, “dit ongelukkig verlangen naar den strijd;—dit worstelen met, en klagen over uw tegenwoordige zwakheid zal zonder twijfel uwe terugkeerende gezondheid schaden.—Hoe kunt gij wenschen anderen wonden toe te brengen, eer gij van die genezen zijt, welke gij zelf ontvangen hebt?”
“Rebekka,” hernam hij, “gij weet niet, hoe onmogelijk het is voor een man, die opgevoed is voor het ridderleven, om lijdelijk te blijven als een priester, of eene vrouw, wanneer roemrijke daden rondom hem verricht worden. De liefde voor den strijd is de spijs waarvan wij leven; het stof van het slagveld is de lucht, die wij inademen! Wij leven niet,—wij wenschen niet langer te leven, dan zoolang wij overwinnaars en beroemd zijn.—Dit, meisje, zijn de wetten der ridderschap, die wij bezworen hebben, en waaraan wij alles opofferen, wat ons dierbaar is!”
“Ach,” hervatte de schoone Jodin, “en wat is dit anders, dappere ridder, dan het op te offeren aan den duivel der ijdele roemzucht, en geworpen te worden in het vuur van Moloch?—Wat blijft u over, tot belooning voor al het bloed, dat gij vergoten hebt,—voor al de moeite en al het lijden, dat gij doorgestaan hebt,—voor al de tranen, welke uw daden hebben doen storten, als de dood den speer der dapperen gebroken en het snelle strijdros ingehaald heeft?”
“Wat ons overblijft?” riep Ivanhoe; “de roem, meisje, de roem! die onze grafzerk verguldt en onzen naam vereeuwigt.”
“De roem?” ging Rebekka voort; “helaas, is de verroeste wapenrusting, die boven het somber en vermolmd graf des strijders hangt,—is het spoedig uitgewischte opschrift, dat de onwetende monnik nauwelijks voor den nieuwsgierigen pelgrim ontcijferen kan,—is dit alles een voldoende vergelding voor de opoffering van iedere teedere genegenheid, voor een leven, in ellende doorgebracht, om anderen ellendig te maken?—Of is er zooveel kracht in de ijdele rijmen van een rondtrekkenden zanger, dat huiselijke liefde, teederheid, vrede en geluk roekeloos veracht worden, om eens de held te worden van de balladen, die zwervende minnezangers dronken boeren bij hun avonddrank voorzingen?”
“Bij de ziel van Hereward!” hernam de ridder ongeduldig, “gij spreekt van iets, meisje, waarvan gij niets begrijpt. Gij zoudt het zuivere licht der ridderschap willen uitdooven, dat alleen den edele van den gemeenen man, den ridder van den boer en den wilde onderscheidt; dat ons het leven verre, verre beneden de eer doet stellen; ons doet zegepralen over smart, ontbering en lijden, en ons leert geen ander kwaad te vreezen, dan de schande. Gij zijt geene Christin, Rebekka, en u zijn die verhevene gevoelens onbekend, die het hart van eene edele jonkvrouw doen kloppen, als haar minnaar eenige stoute daad verricht heeft, welke zijne liefde heiligt. De ridderschap!—meisje, zij is de kweekster der zuivere en verhevene genegenheid, de steun der onderdrukten, de wreekster van onrecht,—een breidel voor de macht der tirannen. De adel ware zonder haar slechts een ijdele naam, en de vrijheid vindt de beste bescherming door haar lans en haar zwaard!”
“Inderdaad,” zei Rebekka, “ik stam van een geslacht af, dat zich door zijn moed in het verdedigen van zijn vaderland onderscheiden heeft; maar dat, zelfs als natie, geen oorlog voerde, dan op bevel des Heeren, of om zijn land tegen onderdrukking te beschermen. De klank der bazuinen wekt Juda niet meer op, en zijne verachte kinderen zijn thans niets meer dan weerlooze slachtoffers van hunne krijgshaftige vijanden en onderdrukkers. Te recht hebt gij gesproken, heer ridder,—vóór dat de God van Jakob een tweeden Gideon, of een anderen Maccabeër voor zijn volk doet verrijzen, past het de Jodin niet van strijd of oorlog te spreken.”
Het hooghartige meisje besloot hare rede op een smartelijken toon, die bewees hoe diep zij de vernedering van haar volk besefte, terwijl zij misschien eenigszins verbitterd was door het denkbeeld, dat Ivanhoe haar het recht niet toekende, om in eene zaak van eer een oordeel te vellen, en haar voor buiten staat hield om edele en grootmoedige gevoelens te koesteren.
“Hoe weinig kent hij dit hart,” dacht zij, “als hij zich verbeeldt, dat er lafhartigheid, of laagheid van ziel in wonen moeten, omdat ik de fantastische ridderschap der Nazareërs berispt heb!—Gave de Hemel, dat het vergieten van mijn eigen bloed, droppel voor droppel, Juda uit de ballingschap redden kon! Ach! konde ik daardoor slechts mijn vader en dezen zijn weldoener uit de ketenen van den onderdrukker verlossen! De trotsche Christen zou dan zien, of de dochter van Gods uitverkoren volk niet even moedig zou durven sterven, als het hooghartigste Nazareensche meisje, dat zich op hare afkomst van het een of ander onbekend opperhoofd van het ruwe en koude Noorden beroemt!”
Hierop zag ze weder naar het bed van den gekwetsten ridder.
“Hij slaapt,” zei zij; “de natuur is uitgeput door smart en gemoedsaandoening, en zijn vermoeid lichaam maakt het eerste oogenblik van schijnbare rust ten nutte, om in te sluimeren. Helaas! is het een misdaad voor mij, naar hem te zien, mogelijk voor den laatsten keer?—Nog korten tijd slechts, en deze schoone trekken zullen misschien niet langer bezield worden door den stouten, onrustigen geest, welke hem zelfs niet in den slaap begeeft!—Misschien zal weldra deze mond opengespalkt, de oogen verglaasd en gesloten zijn, en de trotsche, edele ridder door den laagsten slaaf van dit vervloekt kasteel vertrapt worden, zonder dat hij zich verroert, als hem de voet op het hoofd gezet wordt!—En mijn vader!—o mijn vader! het staat slecht met uwe dochter, daar zij niet aan uwe grijze haren, maar aan de blonde lokken der jeugd denkt!—Wie weet of deze rampen geene voorboden zijn van Jehova’s toorn tegen het ontaarde kind, dat eerder aan de gevangenschap van een vreemde, dan aan die van haar vader denkt!—dat Juda’s ellende vergeet, en op de schoonheid van een heiden en vreemdeling staart!—Maar ik wil dezen hartstocht uit mijn hart rukken, al moest het daarbij ook doodbloeden!”
Zij wikkelde zich dicht in haar sluier, en ging op eenigen afstand van de legerstede des gewonden ridders zitten, met den rug naar hem toe gekeerd, terwijl zij hare ziel versterkte, of trachtte die te versterken, niet alleen tegen de ongelukken, die haar van buiten dreigden, maar ook tegen de verraderlijke gevoelens, welke haar hart bestormden.
2 Ieder Gothisch kasteel en elke stad had, behalve de buitenwallen, een bevestiging van palissaden, Barrière genoemd, welke dikwijls het tooneel was van bloedige schermutselingen, daar ze natuurlijk moest ingenomen worden, eer men bij de wallen zelve komen kon. Verscheidene dier heldendaden van dapperheid, welke de kronijken van Froissart versieren, vielen voor bij de Barrières van belegerde plaatsen.—Schrijver.