WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 38: Drie-en-dertigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Twee-en-dertigste Hoofdstuk.

Geloof mij, iedere staat heeft behoefte aan wetten;

De rijken hebben hun edicten, steden

Haar charters; zelfs bandieten in hun wouden

Bewaren nog een zweem van burgertucht;

Want sedert Adam ’t groene voorschoot droeg

Zag men den mensch maatschappelijk vereenigd,

En steeds dien band door wet en recht versterken.

Oud Tooneelstuk.

Door de lanen van het eikenwoud schemerde het daglicht. De groene takken glinsterden met de paarlen van den dauw. De hinde geleidde haar jong uit de schuilplaats van hoog varenkruid naar de meer opene plekken van het groene bosch, en er was geen jager dáár, om het statige hert, aan het hoofd van zijne gehoornde kudde op te wachten, of af te snijden.

De vogelvrijverklaarden waren allen vergaderd om den grooten gerechtseik in de Harthill-laan, waar zij den nacht hadden doorgebracht, met zich van de vermoeienissen van het beleg te herstellen, eenigen door wijn, anderen door slaap, velen door de gebeurtenissen van den strijd aan te hooren of te verhalen, terwijl zij den buit berekenden, welken hun overwinning ter beschikking van hun opperhoofd gesteld had. Deze buit was inderdaad aanzienlijk, want ofschoon veel door het vuur vernield werd, zoo was er toch een groote menigte zilverwerk, rijke wapenrustingen en prachtige kleederen door de onverschrokken roovers gered, die door geen gevaar konden afgeschrikt worden, als zij zulke belooningen te wachten hadden. Zoo streng waren echter de wetten hunner vereeniging, dat niemand het waagde zich slechts het geringste gedeelte van den buit toe te eigenen, welke men op eene algemeene verzamelplaats gebracht had, om ter beschikking van hun aanvoerder te blijven.

De vergaderplaats was bij een ouden eik; niet dezelfde, waarheen Locksley vroeger Gurth en Wamba gevoerd had, maar een andere, welke het middelpunt was van een boomvrijen kring, een halve mijl van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd. Hier nam Locksley zijn plaats in, op een troon van zoden, opgericht onder de overhangende takken van den ontzaglijken eik, en zijne onderdanen van het bosch stonden in het rond. Hij wees den Zwarten Ridder eene plaats aan zijn rechter en Cedric eene aan zijne linkerhand aan.

“Vergeeft mijne vrijheid, edele heeren,” zei hij; “maar in deze bosschen ben ik koning;—het is mijn rijk, en deze, mijne woeste onderdanen, zouden weinig ontzag voor mijne macht hebben, als ik mijne plaats aan een anderen sterveling, wien het ook zij, afstond.—Nu, heeren, wie heeft onzen kapelaan gezien? Waar is onze dappere monnik? Een mis is onder Christenen het beste begin van het dagwerk.”—Niemand had den kluizenaar van Copmanshurst gezien.

“Waarlijk,” vervolgde de roover-kapitein, “ik hoop, dat het niets anders is, dan dat de vroolijke priester een weinig te lang bij de wijnflesch gezeten heeft. Wie heeft hem na de inneming van het kasteel gezien?”

“Ik heb hem gezien,” zeide Mulder, “bezig met eene kelderdeur open te breken, bij alle heiligen uit den almanak zwerende, dat hij Front-de-Boeuf’s Gasconjer-wijn eens proeven wilde.”

“Nu, dan mogen alle heiligen verhinderd hebben,” zei de aanvoerder, “dat hij te diep in het glas gezien heeft, en, bij den val van het kasteel is omgekomen!—Ga, Mulder!—Neem mannen genoeg met u, doorzoek de plaats waar gij hem het laatst gezien hebt;—werp water uit de gracht over de brandende puinhoopen. Ik zal ze steen voor steen laten wegnemen, liever dan mijn braven monnik te verliezen.”

De vele mannen, die zich haastten, om dezen plicht te vervullen, ofschoon er eene belangrijke verdeeling van buit zou plaats hebben, bewees hoezeer de veiligheid van den geestelijken vader de bende ter harte ging.

“Laten wij intusschen voortgaan,” zei Locksley; “want zoodra deze daad ruchtbaar wordt, zullen de troepen van De Bracy, Malvoisin en andere bondgenooten van Front-de-Boeuf tegen ons optrekken, en dus is het goed, bijtijds voor onze veiligheid te zorgen, en deze buurt te verlaten. Edele Cedric,” zei hij, zich tot den Sakser wendende, “de buit is in twee deelen verdeeld; kies dat, hetwelk u het best aanstaat, om uw lieden te beloonen, die onze deelgenooten in deze onderneming geweest zijn.”

“Dappere schutter,” antwoordde Cedric, “mijn hart is overstelpt van droefheid. De edele Athelstane van Coningsburgh is niet meer,—de laatste spruit van den Heiligen Belijder! Er is met hem eene hoop te gronde gegaan, die nooit meer verwezenlijkt kan worden.—Er is in zijn bloed eene vonk uitgebluscht, welke geen menschelijke adem weder aanblazen kan! Mijne lieden, behalve de weinigen, die nu bij mij zijn, wachten slechts op mijne tegenwoordigheid, om zijn geëerde overblijfsels naar hun laatste rustplaats over te brengen. Jonkvrouw Rowena verlangt naar Rotherwood terug te keeren en moet door eene voldoende macht begeleid worden. Ik zou dus reeds vroeger deze plaats verlaten hebben, ware het niet, dat ik gewacht had,—niet om den buit te deelen;—want, zoo waarlijk helpe mij God en St. Withold! ik noch één der mijnen zal er een penning van nemen,—maar om u en uw dappere volgelingen mijn dank te betuigen voor mijn leven en mijne eer, die gij gered hebt!”

“Maar,” zei de aanvoerder, “wij hebben op zijn best slechts het halve werk gedaan; neem van den buit zoo veel, dat ge uwe naburen en uwe lieden beloonen kunt.”

“Ik ben rijk genoeg om hen zelf te beloonen,” antwoordde Cedric.

“En eenigen,” zei Wamba, “zijn wijs genoeg geweest om zich zelven te beloonen. Ze gaan niet allen met ledige handen weg. Wij dragen niet allen zotskappen.”

“Dat staat hun vrij,” hernam Locksley; “onze wetten zijn alleen van kracht voor ons zelven.”

“Maar gij, mijn goede jongen,” zei Cedric, zich omkeerende, en den nar omhelzende, “hoe zal ik u beloonen, daar ge niet geaarzeld hebt u zelven in mijne plaats aan gevangenschap en den dood bloot te stellen!—Allen verlieten mij, terwijl de arme nar getrouw bleef!”

Een traan stond in de oogen van den ruwen Thane, terwijl hij dus sprak,—een blijk van aandoening, hetwelk zelfs Athelstane’s dood niet van hem afgeperst had; maar er was iets in de half instinctmatige verkleefdheid van zijn nar, dat zijn gemoed sterker trof, dan de smart zelve.

“Neen!” hernam de nar, zich aan zijne omhelzing onttrekkende, “zoo ge mijn dienst met het water uwer oogen betaalt, dan moet de nar mede weenen, en wat wordt er dan van zijn beroep?—Maar, oom, als ge mij inderdaad eene gunst wilt bewijzen, dan verzoek ik u mijn makker Gurth te vergeven, die eene week aan uw dienst ontstolen heeft, om die aan uw zoon toe te wijden.

“Hem vergeven,” riep Cedric; “Ik wil hem vergeven en beloonen.—Kniel neder, Gurth.” Oogenblikkelijk lag de zwijnenhoeder aan de voeten zijns meesters.—“Sta op! Niet langer als een lijfeigene!” vervolgde Cedric, hem met een stok aanrakende: “Een vrij man zijt gij in de stad, in het woud en in het veld. Ik schenk u een stuk land in mijn gebied van Walburgham voor u en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage, en Gods vloek treffe hem, die zich hiertegen durft verzetten!”

Niet langer een slaaf, maar een vrij man en landeigenaar, deed Gurth twee sprongen bijna zoo hoog als hij zelf was, uitroepende: “Een smid en een vijl, hier! om den halsband van een vrij man los te maken!—Edele meester, mijne krachten zijn verdubbeld door uwe gift, en dubbel zal ik voor u vechten!—Er is een vrije geest in mijne borst.—Ik ben een geheel ander man voor mij zelven en allen rondom mij.—Ha, Fangs!” ging hij voort, want de getrouwe hond, toen hij zijn meester zoo verheugd zag, begon tegen hem op te springen en zijn deelneming uit te drukken, “kent ge uw meester nog?”

“Ja,” zei Wamba, “Fangs en ik kennen u nog, Gurth, schoon wij den halsband vooralsnog zullen moeten dragen; maar ge zult ons waarschijnlijk vergeten!”

“Ik zal mij zelven eerder vergeten, dan u, trouwe makker,” zei Gurth; “en zoo de vrijheid voor u geschikt ware, Wamba, dan zou uw meester u die zeker ook schenken.”

“Neen, broeder Gurth,” hernam Wamba, “denk niet, dat ik u benijd: de lijfeigene zit bij het vuur in de zaal, terwijl de vrije man naar buiten in het veld moet.—En wat zegt Oldhelm van Malmsbury:—“Beter een nar bij het feest, dan een wijs man in den strijd.”

Nu hoorde men het getrappel van paarden, en Jonkvrouw Rowena verscheen, omringd door verscheidene ruiters en eene nog grootere troep voetvolk, welke vroolijk met hunne pieken tegen de schilden sloegen, uit vreugde over hare bevrijding. Zij zelve, rijk gekleed en op een donker bruin paard zittende, had al de waardigheid harer houding hernomen, en slechts eene ongewone bleekheid toonde wat ze uitgestaan had. Haar schoon voorhoofd, hoewel bewolkt, blonk echter met een straal van herlevende hoop voor de toekomst, zoowel als van dankbare erkentenis voor hare verlossing.—Ze wist, dat Ivanhoe in veiligheid, en ook dat Athelstane dood was. Het eerste vervulde haar met oprechte dankbaarheid; en al verheugde zij zich ook juist niet over het laatste, zoo kon men haar vergeven, dat ze het geluk besefte van bevrijd te zijn van verdere aanzoeken in de eenige zaak, waarin ze altijd door haar voogd Cedric was tegengegaan.

Toen Rowena haar paard naar Locksley’s zitplaats wendde, stonden de dappere schutter en al zijne onderhoorigen met natuurlijke, ongemaakte hoffelijkheid op, om haar te begroeten. Het bloed kleurde haar wangen toen zij, vriendelijk met de hand groetende, en zoo diep buigende, dat haar schoone, loshangende vlechten voor een oogenblik met de lange manen van haar paard vermengd werden, in weinige maar passende woorden, hare verplichting en haar dank jegens Locksley en hare overige bevrijders uitdrukte.—“God zegene u, brave mannen!” besloot zij, “God en de Heilige Maagd zegenen en beloonen u, dat gij zoo dapper het gevaar getrotseerd hebt om de onderdrukten te helpen!—Zoo één uwer honger mocht lijden, dan herinnert u, dat Rowena voedsel heeft;—zoo gij dorst hebt, dan heeft ze menig vat wijn en bier;—en zoo de Normandiërs u uit deze bosschen verjagen, dan heeft Rowena bosschen genoeg in eigendom, waar hare dappere bevrijders in volle vrijheid kunnen rondzwerven, zonder aan den houtvester voor elken afgeschoten pijl rekenschap te moeten geven!”

“Ik dank u, edele Jonkvrouw!” hervatte Locksley, “voor mijn volgelingen en voor mij zelven. Maar u gered te hebben is reeds belooning genoeg. Wij, die in de groene bosschen rondzwerven, hebben menige woeste daad te verantwoorden, en de bevrijding van Jonkvrouw Rowena zal mogelijk als vergoeding daarvoor gelden.”

Nog eens diep buigende, maakte Rowena zich gereed om te vertrekken; maar toen ze een oogenblik stil hield, terwijl Cedric, die haar vergezellen zou, insgelijks afscheid nam, bevond zij zich onverwachts dicht bij den gevangen De Bracy. Hij stond onder een boom in diep gepeins, met de armen over elkander geslagen, en Rowena hoopte, dat zij onopgemerkt hem zou kunnen voorbijrijden. Hij keek evenwel op, en toen hij haar blik ontmoette, verspreidde zich een blos van schaamte over zijn schoon gelaat. Hij stond een oogenblik besluiteloos; hierop, vooruit tredende, vatte hij haar paard bij den teugel, en boog de knie voor haar, zeggende: “Wil de Jonkvrouw Rowena zich verwaardigen een blik te slaan op een gevangen ridder,—op een onteerden krijgsman?”

“Heer ridder,” antwoordde Rowena, “in ondernemingen, als de uwe, ligt de ware schande, niet in overwonnen te zijn, maar in de overwinning.”

“De zegepraal, Jonkvrouw, moest het hart verzachten,” hernam De Bracy; “laat mij slechts vernemen, dat Jonkvrouw Rowena het geweld vergeeft, door ongelukkigen hartstocht veroorzaakt, en zij zal weldra zien, dat De Bracy haar op een edeler wijze weet te dienen.”

“Ik schenk u, heer ridder, Christelijke vergiffenis!” zei Rowena.

“Dat wil zeggen,” zei Wamba, “dat ze hem in het geheel niet vergeeft.”

“Maar ik kan nooit de ellende en verwoesting vergeten, die uwe razernij heeft veroorzaakt!” vervolgde Rowena.

“Laat den teugel los,” riep Cedric, nader tredende. “Bij de heldere zon boven ons hoofd, indien ik mij niet schaamde, zou ik u met mijn werpspies aan den grond vastboren; maar wees verzekerd, Maurice De Bracy, dat uw deel in deze schanddaad u duur te staan zal komen!”

“Wie een gevangene dreigt, die dreigt veilig,” hervatte De Bracy; “maar wanneer had een Sakser ooit eenig besef van ridderlijkheid?” en hierop een paar schreden achteruit tredende, liet hij de Jonkvrouw voortrijden.

Eer zij vertrokken, gaf Cedric zijne bijzondere dankbaarheid te kennen aan den Zwarten Ridder en verzocht hem dringend, hem naar Rotherwood te vergezellen.

“Ik weet,” zei hij, “dat gij, dolende ridders, uw fortuin het liefst zoekt met de punt uwer lansen, en u weinig om land of rijkdom stoort; maar de oorlogskans is wisselvallig, en zelfs de zwervende kampioen verlangt weleens naar eene rustige verblijfplaats. Gij hebt er een verdiend te Rotherwood, edele ridder; Cedric bezit genoeg om de onrechtvaardigheid van het geluk te herstellen, en alles, wat hij heeft, behoort aan zijn verlosser.—Kom derhalve naar Rotherwood, niet als gast, maar als zoon, of als broeder.”

“Cedric heeft mij reeds rijk gemaakt,” hernam de ridder; “hij heeft mij de waarde der Saksische deugd geleerd. Naar Rotherwood zal ik komen, brave Sakser, en dat spoedig; maar voor het oogenblik beletten mij gewichtige en dringende bezigheden een bezoek in uw huis af te leggen. Zoo ik er kom, zal ik mogelijk eene gunst van u vorderen, welke zelfs uwe edelmoedigheid op de proef zal stellen.”

“Zij is reeds toegestaan, eer gij er om vraagt,” zei Cedric, terwijl hij zijne hand in die des ridders legde, welke met den ijzeren handschoen bedekt was,—“zij is reeds toegestaan, al moest het mijn half vermogen kosten.”

“Beloof niet zoo schielijk,” hervatte de ridder; “ik hoop echter de belooning, die ik vragen zal, te verkrijgen. Intusschen vaarwel!”

“Ik heb nog maar te zeggen,” voegde de Sakser er bij, “dat gedurende de begrafenisplechtigheden van den edelen Athelstane, ik zijn kasteel Coningsburgh zal betrekken.—Het zal openstaan voor allen, die aan de plechtigheden willen deelnemen; en ik spreek in den naam van de edele Edith, de moeder van den gesneuvelden vorst;—haar woning zal nooit gesloten zijn voor hem, die zoo dapper, schoon te vergeefs medegewerkt heeft, om Athelstane van Normandische ketenen en Normandisch staal te redden.”

“Ach ja,” zei Wamba, die was begonnen zijne rol weder bij zijn heer te spelen, “goede sier zal er zijn:—het is jammer, dat de edele Athelstane bij zijn eigen lijkmaal niet smullen kan.—Maar hij,” vervolgde de nar, zijne oogen ernstig ten hemel slaande, “zit in het paradijs, en doet zonder twijfel den maaltijd eere aan!”

“Zwijg,—en voorwaarts!” zei Cedric, wiens toorn over deze ontijdige scherts door de herinnering aan Wamba’s onlangs bewezene diensten gematigd werd. Rowena maakte eene beleefde buiging voor den Zwarten Ridder; de Sakser beval hem in Gods hoede, en ze reden door eene breede laan van het bosch weg.

Nauwelijks waren zij vertrokken, of er kwam plotseling een stoet van onder de groene takken te voorschijn, die langzaam over de vlakte trok en dezelfde richting nam, als Rowena en haar geleiders. De priesters van een naburig klooster vergezelden, in de verwachting van een rijke begiftiging, door Cedric beloofd, de baar waarop Athelstane’s lijk lag, en hieven gezangen aan terwijl het droevig en langzaam, op de schouders zijner vazallen, naar het kasteel van Coningsburgh gedragen werd, om daar in het graf van Hengist nedergelegd te worden, van wien de overledene afstamde. Vele zijner vazallen waren op de tijding van zijn dood vergaderd, en volgden de baar, met ten minste uiterlijke teekens van neêrslachtigheid en rouw. De vrijbuiters stonden andermaal op, en bewezen aan den dood dezelfde ongemaakte en vrijwillige hulde, die ze zoo kort te voren aan de schoonheid bewezen hadden; de lijkzang en de langzame tred der priesters herinnerden hen aan diegenen hunner makkers, die den vorigen dag in den strijd gesneuveld waren. Maar zulke herinneringen duren niet lang bij menschen, die een leven vol gevaren en avonturen leiden, en nog eer de klank van het lijkgezang uit het gehoor was, waren de schutters reeds weder bezig met de verdeeling van hun buit.

“Dappere ridder,” zei Locksley tot den zwarten kampvechter, “zonder wiens moed en machtigen arm onze onderneming ten eenenmale had moeten mislukken, wilt gij van dien buit nemen wat u het meest behaagt, als een herinnering aan dezen mijn gerechts-eik?”

“Ik neem het aanbod aan,” antwoordde de ridder, “even gul als het gedaan wordt, en ik vraag verlof, om naar welgevallen over den ridder Maurice De Bracy te mogen beschikken.”

“Hij is reeds tot uw beschikking,” hernam Locksley; “en het is een geluk voor hem, anders had die tiran den hoogsten tak van dezen eik versierd, met zoovelen van zijne vrijbende, als wij hadden kunnen bijeen brengen, om hem heen.—Maar hij is uw gevangene, en hij is veilig, al had hij mijn eigen vader vermoord.”

“De Bracy,” zei de ridder, “ge zijt vrij:—vertrek van hier. Hij, wiens gevangene gij zijt, rekent het beneden zich eene lage wraak te nemen voor wat reeds voorgevallen is. Maar wacht u in de toekomst; anders zal het u kwalijk gaan. Maurice De Bracy, ik zeg u, wees in de toekomst op uw hoede!”

De Bracy maakte eene diepe, sprakelooze buiging, en was op het punt van zich op weg te begeven, toen de schutters eensklaps een geschreeuw, dat hun afschuw en bespotting te kennen gaf, aanhieven. De trotsche ridder bleef oogenblikkelijk staan, keerde zich om, sloeg de armen over elkander, richtte zich op, en riep: “Zwijgt, gij blaffende honden! die een geschreeuw maakt, dat ge niet durfdet aanheffen, toen het wild zich verdedigde.—De Bracy veracht uw spot zoowel als uwe goedkeuring. Voort naar uwe bosschen en holen, gij vogelvrijverklaarde dieven! en zwijgt stil, wanneer er een mijl afstands van uwe vossenholen van iets ridderlijks en edels gesproken wordt!”

Deze ontijdige terging zou De Bracy een hagelbui van pijlen bezorgd hebben, zoo de aanvoerder niet haastig tusschenbeide gekomen ware. Inmiddels greep de ridder een paard bij den teugel; want verscheidene, die uit Front-de-Boeuf’s stallen genomen waren, stonden opgetoomd in de nabijheid, en maakten een aanzienlijk gedeelte van den buit uit. Hij wierp zich in den zadel, en reed door het bosch weg.

Toen de verwarring door dit voorval veroorzaakt, eenigszins bedaard was, nam de rooverkapitein van zijn eigen hals den schoonen horen en draagband, welke hij kort te voren te Ashby bij het boogschieten gewonnen had.

“Edele heer,” zei hij tegen den Zwarten Ridder, “indien gij het niet beneden u acht een horen aan te nemen, dien ik eens gedragen heb, dan bid ik u, dezen te bewaren, ter gedachtenis aan uw dapperen bijstand,—en zoo ge iets te doen hebt, en (zooals het dikwijls een dapperen gaat), in het nauw gebracht wordt in een of ander bosch tusschen de Trent en de Tees, dan blaas deze drie mots1 op den horen aldus; Wa-sa-hoa! en ge zult wellicht helpers en verlossers vinden.”

Hierop blies hij nog eens dezelfde noten op den horen tot de ridder ze gevat had.

“Grooten dank voor uw gift, dappere schutter,” zei de ridder; betere hulp dan de uwe en die van uwe lieden zou ik nooit zoeken, al ware ik ook in den uitersten nood.” En hierop blies hij, dat het geheele bosch er van weêrgalmde.

“Goed en zuiver geblazen,” zei de schutter; “bij mijn ziel, ge verstaat evenveel van de jacht als van den oorlog!—ge zult in uw tijd menig hert geveld hebben, daar sta ik voor in.—Kameraden, let op deze drie klanken;—het is het teeken van den Zwarten Ridder, en hij, die het hoort, en zich niet haast om hem in zijn nood bij te staan, dien laat ik met zijne eigene boogpees uit onze bende weggeeselen.”

“Leve onze aanvoerder!” schreeuwden de schutters, “en leve de Zwarte Ridder!—Moge hij weldra onze hulp noodig hebben, opdat wij hem bewijzen kunnen, hoe genegen wij hem zijn!”

Locksley ging nu over tot het verdeelen van den buit, dat hij met de lofwaardigste onpartijdigheid deed. Een tiende gedeelte werd voor de Kerk en tot godsdienstige doeleinden ter zijde gelegd; vervolgens werd een gedeelte afgezonderd voor een soort van algemeenen schat; een gedeelte werd gegeven aan de weduwen en kinderen van hen die gevallen waren, of besteed aan missen voor de zielen van hen, die geen familie hadden nagelaten. Het overige werd verdeeld onder de vogelvrijverklaarden, volgens hun rang en hunne verdiensten; en het oordeel van den aanvoerder werd bij alle twijfelachtige gevallen met groote scherpzinnigheid gegeven en met volkomen onderwerping ontvangen. De Zwarte Ridder was niet weinig verbaasd te zien, dat menschen, die zoo in strijd met de wet leefden, onder elkander zoo geregeld en rechtvaardig bestierd werden, en alles wat hij zag verhoogde zijne gunstige meening omtrent de rechtvaardigheid en schranderheid van hun aanvoerder.

Toen ieder zijn eigen aandeel van den buit weggenomen had, en terwijl de schatmeester, vergezeld door vier sterke schutters, het gedeelte aan het algemeen fonds toebehoorende naar een verborgene en veilige plaats bracht, lag het voor de Kerk bestemde gedeelte nog onaangeroerd.

“Ik wenschte,” zei de kapitein, “dat wij tijding konden krijgen van onzen vroolijken kapelaan;—hij placht nooit afwezig te zijn, als de spijzen gezegend, of de buit verdeeld moest worden, en het is zijn plicht om zorg te dragen voor deze tienden van onze welgeslaagde onderneming. Het is mogelijk, dat deze aan de Kerk bewezene dienst eenige zijner ongeregeldheden doet vergeven. Ik heb echter ook een anderen heiligen broeder in de nabijheid gevangen, en ik wilde gaarne, dat de monnik mij hielp naar behooren met hem te onderhandelen.—Ik twijfel echter zeer aan de veiligheid van den dapperen kluizenaar.”

“Dat zou mij zeer spijten,” hernam de Zwarte Ridder, “want ik ben hem voor zijn gulle gastvrijheid en den vroolijken nacht in zijn cel, veel verschuldigd. Laat ons naar de puinhoopen van het kasteel gaan, mogelijk vernemen wij daar iets van hem.”

Terwijl ze dus spraken, kondigde een luid gejuich der schutters de aankomst van hem aan, voor wien ze bezorgd waren; en zij hoorden de harde stem van den monnik zelven, lang eer zij zijn gespierde gedaante zagen.

“Plaats, vroolijke makkers!” riep hij; “plaats voor uw geestelijken vader en zijn gevangene.—Roept nog eens welkom!—Ik kom, edele kapitein, gelijk een arend, met mijn prooi in de klauwen.”—En zich onder het gelach van alle omstanders een weg door den kring banende, verscheen hij zegepralende, met zijn zware strijdknots in de eene hand, en in de andere een touw, waarvan het eene einde om den hals van den ongelukkigen Izaäk van York geslagen was, die gebukt onder leed en schrik, door den overmoedigen priester werd voortgetrokken.—“Waar is Allen-a-Dale, om mij in eene ballade of een lied te vereeuwigen?—Bij de heilige Hermangilde! die gekke speelman is altijd afwezig, als er een geschikte gelegenheid is om de dapperheid te bezingen.”

“Vroolijke priester,” zei de aanvoerder, “gij zijt heden morgen bij een natte mis geweest, hoe vroeg het ook nog is. In den naam van St. Nikolaas, wien hebt gij daar?”

“Een gevangene van mijn zwaard, en mijne lans, edele kapitein,” hernam de kluizenaar van Copmanshurst; “van mijn boog en mijne knots, moest ik liever zeggen; en echter heb ik hem door mijne heiligheid uit een nog ergere gevangenschap gered. Spreek, Jood, heb ik u niet uw geloof, uw Pater en uw Ave Maria geleerd?—Heb ik niet den geheelen nacht besteed, om u toe te drinken en u in de mysteriën in te wijden?”

“Om Gods wil!” riep de arme Jood, “wil niemand mij verlossen uit de macht van dezen dollen,—ik wilde zeggen, van dezen heiligen man?”

“Hoe is het, Jood!” zei de monnik op dreigenden toon; “herroept gij, Jood?—Bedenk u, zoo gij in uw ongeloof terugvalt, dan zijt gij, ofschoon niet zoo malsch als een speenvarken,—ik zou willen dat ik er een voor mijn ontbijt had,—toch niet te taai om gebraden te worden.—Wees verstandig, Jood, en zeg mijn woorden na: Ave Maria—”

“Neen, wij willen geene heiligschennis, dolle priester,” zei Locksley; “laat ons liever hooren, waar gij uw gevangene gevonden hebt.”

“Bij St. Dunstan,” hervatte de monnik, “ik vond hem op eene plaats, waar ik naar betere waar zocht. Ik ging in den kelder, om te zien wat men dáár redden kon; want ofschoon een beker warmen wijn, met specerijen er in, een avonddrankje is voor een keizer, scheen het mij toch toe, dat het overdaad was zoo veel van dien goeden drank in eens te doen opkoken; ik had één vaatje wijn opgenomen en wilde om meer hulp roepen bij die luie kerels, welke altijd te zoek zijn als er eene goede daad te verrichten is, toen ik eene zware gesloten deur bespeurde.—Ha, ha! dacht ik, het uitgezochtste druivensap is in deze geheime bewaarplaats te vinden, en die schelm van een keldermeester, in zijn beroep gestoord, heeft den sleutel in de deur laten zitten.—Ik ging er dus in, maar vond juist niets dan een partij verroeste ketenen en dezen hond van een Jood, die zich terstond op genade en ongenade aan mij overgaf. Ik verkwikte mij slechts na de vermoeienis van den strijd tegen den ongeloovige met een schuimenden beker wijn, en wilde mijn gevangene voortleiden, toen de steenen van een buitentoren, met een vreeselijk gekraak, alsof het een donderslag was, instortten, (verwenscht zijn de handen, die hem gebouwd hebben!) en den uitgang belemmerden. Het geraas van den eenen vallenden toren volgde op dat van den ander;—ik gaf alle hoop op om mijn leven te redden; en daar ik het voor schade hield voor een man van mijn beroep, in gezelschap van een Jood uit deze wereld te gaan, nam ik mijne knots ter hand, om hem de hersens in te slaan, maar ik had medelijden met zijn grijze haren, en oordeelde het beter mijn wapen weder neer te leggen en mijne geestelijke kracht te zijner bekeering te gebruiken. En wezenlijk, met den zegen van den heiligen Dunstan, is het zaad in een goeden grond gevallen, ware het niet dat, door den geheelen nacht over de heilige mysteriën met hem te spreken bij eene leege maag, (want de weinige druppels wijn, die ik gebruikt heb om mijn verstand te scherpen, komen niet in aanmerking), mijn hoofd wat duizelig geworden was.—Maar ik was geheel uitgeput,—Gilbert en Willibald weten, in welken toestand ze mij gevonden hebben:—geheel en al uitgeput!”

“Wij kunnen het getuigen,” zei Gilbert, “want toen wij het puin hadden weggeruimd, en met de hulp van St. Dunstan, de trap der gevangenis ontdekt hadden, vonden wij het vaatje half ledig, den Jood half dood, en den monnik meer dan half uitgeput, zooals hij het noemt.”

“Gij liegt, schelm!” hervatte de vertoornde priester; “gij en uw gulzige makkers hebt den wijn uitgedronken, en noemdet het uw morgenslok.—Ik ben een Heiden, zoo ik den wijn niet voor onzen kapitein bewaard had. Maar wat kan het schelen? De Jood is bekeerd, en begrijpt alles wat ik hem gezegd heb, bijna even goed, zoo niet volkomen zoo goed, als ik zelf.”

“Jood,” zei Locksley, “is dat waar? Hebt gij uw ongeloof afgezworen?”

“Mocht ik zoo zeker zijn genade in uwe oogen te vinden,” antwoordde de Jood, “als ik zeker niets weet van al wat de eerwaarde priester in dezen verschrikkelijken nacht tegen mij gesproken heeft. Helaas! ik was zoo verward door doodsangst, schrik en pijn, dat al ware onze heilige vader Abraham gekomen, om voor mij te preeken, hij maar een dooven toehoorder gevonden zou hebben.”

“Gij liegt, Jood, en dat weet gij ook,” zei de monnik; “ik zal u slechts één woord van ons gesprek herinneren;—gij hebt beloofd om uw geheel vermogen aan onze heilige Orde af te staan!’

“Zoo waar mij het Woord Gods helpe, mijne heeren,” riep Izaäk, nog ongeruster dan te voren, “geen woord van dien aard is over mijne lippen gekomen! Helaas! ik ben een oud, doodarm man,—en daarenboven, vrees ik, ook kinderloos;—hebt medelijden met mij en laat mij gaan!”

“Neen,” zei de monnik, “als gij geloften intrekt, die gij ten voordeele der Heilige Kerk gedaan hebt, dan moet gij boete doen!”

Hij hief zijne knots op, en zou krachtig op de schouders van den Jood toegeslagen hebben, zoo niet de Zwarte Ridder den slag tegengehouden en daardoor den toorn van den heiligen monnik tot zich zelven getrokken had.

“Bij St. Thomas van Kent,” riep hij, “wie houdt mij tegen? Ik zal u leeren om u met uwe eigene zaken te bemoeien, in weerwil van uw ijzeren pot!”

“Och, wees niet boos op mij!” hernam de ridder; “gij weet, dat ik uw gezworen vriend en makker ben.”

“Daar weet ik niets van,” antwoordde de monnik; “en ik verklaar u voor een neuswijzen kwast.”

“Ja, maar,” hervatte de ridder, die er genoegen in scheen te scheppen, zijn voormaligen gastheer te plagen, “hebt gij vergeten hoe gij, om mijnentwille, uwe geloften van vasten en waken verbroken hebt, want ik zeg niets van de verleiding der flesch en der pastei?”

“Waarachtig, vriend!” zei de monnik, hem met zijn groote gebalde vuist dreigende, “ik zal u een klap geven!”

“Ik neem zulke geschenken niet aan,”2 hernam de ridder, “ik zal u met even grooten woeker terugbetalen, als ooit uw gevangene daar in zijn handel geëischt heeft.”

“Dat zal ik zien!” zei de monnik.

“Hola!” riep de kapitein, “wat wilt gij, gekke priester? Wilt ge twist maken onder mijn gerechtsboom?”

“Geen twist,” zei de ridder, “het is slechts eene vriendelijke beleefdheidswisseling.—Monnik, sla toe, als gij durft.—Ik zal uw slag afwachten, zoo gij den mijne wilt ontvangen.”

“Gij hebt het voordeel van dien ijzeren pot op uw hoofd,” zei de geestelijke; “maar op den grond moet gij; al waart gij Goliath van Gath, in zijn metalen helm.”

De monnik ontblootte zijn gespierden arm tot aan den elleboog, en gaf den ridder uit al zijn macht een slag, welke een os zou geveld hebben. Maar zijn tegenpartij stond zoo vast als een rots. De hem omringende schutters hieven een luid gejuich aan.

“Nu, priester,” zei de ridder, zijn ijzeren handschoen uittrekkende, “zoo ik voordeel had boven u in mijn hoofd, dan zal ik er geen hebben in mijne hand;—sta vast!”

Genam meam dedi vapulatori.—Ik heb mijn wang aan mijn vijand blootgegeven,” hernam de priester, “als gij mij van de plaats kunt brengen, dan schenk ik u het losgeld van den Jood.”

Zoo sprak de dappere priester, terwijl hij eene fiere houding aannam. Maar wie kan het noodlot weêrstaan? De slag van den ridder viel met zooveel kracht en juistheid, dat de monnik hals over kop over den grond rolde, tot groote verbazing van alle toeschouwers. Maar hij stond weder op, zonder vertoornd of ontmoedigd te zijn.

“Broeder,” zei hij tegen den ridder, “gij hadt uwe kracht met wat meer bescheidenheid moeten gebruiken. Ik zou een slechte mis-lezer geworden zijn, als gij mij de kinnebak stuk geslagen hadt, want de pijper blaast slecht, als hij geene tanden in den mond heeft. Evenwel, daar hebt ge mijne hand tot een vriendschapspand, dat ik geen klappen meer met u wisselen wil; daar ik bij den handel verloren heb. Maak nu een einde aan alle vijandschap. Laat ons het losgeld van den Jood bepalen, daar het luipaard zijn vlekken niet afleggen kan, en hij een Jood blijven wil.”

“De priester,” zei Clement, “is niet half zoo zeker van de bekeering des Joods, sinds hij dien klap om de ooren gekregen heeft.”

“Loop, schelm, wat praat gij van bekeering?—Hoe! hebt gij geene achting voor mij?—Zijn allen heeren en geen knechts?—Ik zeg u, kerel, ik was een weinig duizelig, toen ik den slag van den braven ridder ontving, anders was ik blijven staan. Maar zoo gij er nog langer over babbelt, dan zult gij leeren, dat ik zoowel geven als ontvangen kan.”

“Stilte!” riep de kapitein.—“En gij, Jood, denk aan uw losgeld; ik behoef u niet te zeggen, dat uw stam bij alle Christelijke gemeenten voor vervloekt gehouden wordt; en wees verzekerd, dat wij uwe tegenwoordigheid onder ons niet dulden kunnen. Denk dus aan een bod, terwijl ik een gevangene van eene andere soort ondervraag.”

“Zijn er veel van Front-de-Boeuf’s lieden gevangen?” vroeg de Zwarte Ridder.

“Geen enkele, die gewichtig genoeg is, om losgeld te laten betalen,” antwoordde de kapitein. “Het waren eenige ellendelingen, die wij losgelaten hebben, om een nieuwen meester te zoeken;—er was genoeg gedaan tot wraak en voordeel; de overigen waren niets waard. De gevangene, van wien ik spreek, is een betere buit;—een vroolijke monnik, die naar zijn liefje reed, zooals ik uit zijn prachtig paardentuig en zijn kleeding opmaak. Daar komt de waardige prelaat aan, zoo trotsch als een pauw.”

En tusschen twee schutters in, werd onze oude kennis, de Prior van Jorvaulx, voor den troon van den aanvoerder der schutters gebracht.


1 De noten op den horen werden eertijds mots genoemd, en worden onderscheiden in de oude verhandelingen over de jacht, niet door muzikale teekens, maar door geschreven woorden.Schrijver.

2 Zie noot I, over Richard Leeuwenhart.—Schrijver.

Drie-en-dertigste Hoofdstuk.

———Gij, dapperste der krijgers,

Hoe staat het thans met Titus Lartius?

Marcius. Hij is met veel besluiten bezig;

Deez’ doemt hij tot den dood, dien tot verbanning,

Vergeeft den eenen, en bedreigt den and’ren.

Coriolanus.

De gelaatstrekken en manieren van den gevangen Prior toonden een zonderling mengsel van beleedigden hoogmoed, verlegene gemaaktheid, en angst voor lichamelijke kwelling.

“Hoe, mijne heeren!” zei hij met eene stem, welke deze drie aandoeningen verried, “wat beteekent dit alles? Zijt gij Turken of Christenen, daar gij de handen slaat aan een dienaar der Kerk?—Weet gij, wat het is manus imponere in servos Domini? Gij hebt mijne valiezen uitgeplunderd; mijn schoonen kanten mantel, die een kardinaal waardig was, verscheurd.—In mijn plaats zou een ander zijn excommunicabo vos gebruiken; maar ik ben vreedzaam van aard, en als gij mijne paarden en valiezen teruggeeft, mijne broederen loslaat, hier op de plaats honderd kronen uitbetaalt, om missen te laten lezen voor het groote altaar der Abdij van Jorvaulx, en eene gelofte doet, vóór eerstkomende Pinksteren geen wild te eten, dan zou het kunnen gebeuren dat gij verder niets van dezen dollen streek hoort.”

“Eerwaarde vader,” zei de aanvoerder, “het spijt mij te vernemen, dat gij door mijne lieden zoo behandeld zijt, dat zij uwe vaderlijke afkeuring verdienen.”

“Behandeld!” riep de priester, aangemoedigd door den zachten toon van den aanvoerder;—“men moest geen hond van goed ras zoo behandelen,—veel minder een Christen,—nog veel minder een priester,—en het allerminst den Prior van de heilige broederschap van Jorvaulx. Hier is een goddelooze en beschonken minnezanger Allen-a-Dale,—nebule quidam,—die mij met pijnlijke mishandeling bedreigd heeft,—ja, met den dood zelven, zoo ik niet vierhonderd kronen losgeld betaal, boven al de schatten, waarvan hij mij beroofd heeft;—gouden ketenen en juweelen ringen van onschatbare waarde, behalve wat er gebroken en bedorven is door ruwe handen, zooals mijn poederdoos en mijn zilveren krultang.

“Het is onmogelijk, dat Allen-a-Dale een man van uw stand aldus kan mishandeld hebben!” hernam de aanvoerder.

“Het is zoo waar, als het Evangelie van St. Nicodemus,” antwoordde de Prior; “hij zwoer met menigen schrikkelijken Noordschen eed, dat hij mij aan den hoogsten boom in het bosch zou ophangen.”

“Heeft hij dat wezenlijk gedaan? Ja dan, eerwaarde vader, moest gij, naar mijn inzien, zijn eischen maar inwilligen;—want Allen-a-Dale is juist de man, om woord te houden, als hij het op eene plechtige wijze gegeven heeft.”

“Gij schertst,” hervatte de verschrikte Prior, met een gedwongen lach; “en ik houd veel van scherts. Maar, ha! ha! ha! als de grap den geheelen nacht geduurd heeft, dan wordt het tijd, om des morgens ernstig te worden.”

“En ik ben ernstig als een biechtvader,” hernam de aanvoerder; “gij moet een goed losgeld betalen, heer Prior, of uw klooster zal waarschijnlijk tot eene nieuwe verkiezing moeten overgaan, want men zal u er niet wederzien!”

“Zijt gij Christenen!” riep de Prior, “en spreekt gij zulke taal tegen een geestelijke?”

“Christenen! Ja, waarachtig dat zijn wij, en wij hebben ook op den koop toe godgeleerden onder ons,” antwoordde de kapitein. “Laat onze vroolijke kapelaan vóórtreden, en dezen eerwaarden vader de op deze zaak toepasselijke teksten verklaren.”

De kluizenaar, half dronken en half nuchter, had schielijk een monniksgewaad over zijn groen buis aangetrokken, en nu alle geleerde brokken bij elkander halende, welke hij in vroegere tijden van buiten geleerd had, zei hij: “Eerwaarde vader, Deus faciat salvam benignitaten vestram!—Welkom in het groene woud!”

“Welke schandelijke vermomming is dit?” vroeg de Prior. “Vriend, indien gij waarlijk tot de Kerk behoort, zoudt gij beter doen met mij te wijzen, hoe ik uit de handen van deze menschen ontsnappen kan, dan daar te staan buigen en grijnzen als een hansworst.”

“Waarlijk, eerwaarde vader,” zei de monnik, “ik ken slechts één middel om te ontsnappen. Dit is voor ons een St. Andreas-dag, wij nemen onze tienden.”

“Maar toch niet van de Kerk, wil ik hopen, waarde broeder?” hernam de Prior.

“Van geestelijken en leeken,” hernam de monnik; “en derhalve, heer Prior, facite vobis amicos de Mammone iniquitatis,—maakt u vrienden uit den Mammon der ongerechtigheid, want geen andere vriendschap kan u hier baten.”

“Ik houd veel van een vroolijken jager,” zei de Prior; “kom, gij moet mij niet te streng behandelen.—Ik versta het jagerswerk, en kan helder en lustig op den jachthoren blazen, zoodat alle eiken in het woud er van weêrgalmen;—kom, gij moet mij niet te streng behandelen.”

“Geeft hem een horen,” zei de aanvoerder, “wij willen de kunst, waarop hij zich beroemt, op de proef stellen.”

De Prior Aymer blies op den horen, en de kapitein schudde het hoofd.

“Heer Prior,” zei hij, “dit kan u niet verlossen—wij kunnen u niet voor een klank vrij geven,—zooals het devies op het schild van zekeren goeden ridder zegt. Buitendien heb ik ontdekt, dat gij een van hen zijt, die door nieuwe Fransche kunsten en Tra-li-ras de oude Engelsche klanken doet vergeten.—Prior, dit geblaas heeft uw losgeld met vijftig kronen verhoogd, omdat gij het oude, echte, manhaftige jagerslied bedorven hebt.”

“Vriend,” zei de Prior, benauwd, “uwe jachtkennis is zwaar te voldoen. Ik bid u wat toegevender te zijn ten opzichte van mijn losgeld. In één woord,—daar de nood mij dwingt voor ditmaal bij den duivel te biecht te gaan, welk losgeld moet ik betalen, omdat ik den weg naar Watling opging, zonder een bedekking van vijftig man bij mij te hebben?”

“Zou het niet goed zijn,” zei de luitenant der bende ter zijde tegen den kapitein, “dat de Prior het losgeld van den Jood bepaalde, en de Jood dat van den Prior?”

“Gij zijt een dolle vent,” antwoordde de kapitein; “maar uw plan is heerlijk!—Hier Jood!—kom hier.—Beschouw dien eerwaarden vader Aymer, Prior van de rijke Abdij van Jorvaulx, en zeg ons, hoe hoog wij zijn losgeld stellen kunnen?—Gij kent zeker de inkomsten van zijn klooster?”

“O voorzeker,” zei Izaäk, “ik heb handel gedreven met de goede vaders, en tarwe en gerst en vruchten en ook veel wol van hen gekocht. O, het is eene rijke Abdij, en zij leven van het vette der aarde en drinken de lekkerste wijnen, die goede vaders van Jorvaulx. Och, als een arm verstooten man, als ik, zulk een huis had, en zulk een inkomen in het jaar en in de maand, dan zou ik veel goud en zilver betalen, om mij uit de gevangenschap los te koopen.”

“Hond van een Jood!” riep de Prior; “geen mensch weet beter dan gij, dat ons heilig huis wegens het bouwen van een kansel schulden heeft.”

“En wegens het vullen van uw kelders verleden jaar met de behoorlijke hoeveelheid Gasconjer wijn,” viel de Jood hem in de rede; “maar dat, dat is eene kleinigheid.”

“Hoort dien ongeloovigen hond!” riep de Prior; “hij praat, alsof onze heilige broederschap in schulden geraakt ware voor den wijn, welken wij verlof hebben te drinken, propter necessitatem et ad frigus depellendum. De besneden hond lastert de heilige Kerk, en Christenen luisteren naar hem en tuchtigen hem niet!”

“Dat baat alles niet;” zei de aanvoerder.—“Izaäk, zeg, wat kan hij betalen, zonder hem het vel over de ooren te halen?”

“Zeshonderd kronen,” antwoordde Izaäk, “kan de goede Prior wel betalen, en hij zal er geene koude om lijden.”

“Zeshonderd kronen,” herhaalde de kapitein ernstig: “ik ben tevreden;—gij hebt goed gesproken, Izaäk;—zeshonderd kronen,—het vonnis is geveld, heer Prior.”

“Een vonnis!—een vonnis!” riep de bende; “Salomo kon het niet beter overlegd hebben.”

“Gij hoort uw vonnis, Prior,” zei de kapitein.

“Gij raast, vrienden,” hernam de Prior; “waar zal ik zulk een som vinden? Al verkocht ik de hostiekast en kandelaars van het altaar van Jorvaulx, dan zou ik nauwelijks de helft bij elkander kunnen brengen, en daarom zal ik zelf naar Jorvaulx moeten gaan; gij kunt mijne beide priesters als borgen houden.”

“Dat zou een slecht onderpand zijn,” hervatte de kapitein, “wij zullen u houden, Prior, en hen er heenzenden, om uw losgeld te halen. Het zal u intusschen niet aan een beker wijn en een stuk wild ontbreken; en als gij een vriend van de jacht zijt, dan zult gij hier iets zien, dat gij in uwe noordsche streken nooit gezien hebt.”

“Als het u behaagt,” zei Izaäk, die zich gaarne de gunst der roovers wilde verwerven, “kan ik naar York zenden, om de zeshonderd kronen te laten halen, uit zekere gelden, die ik in handen heb, als de eerwaarde Prior mij een schuldbekentenis daarvoor geven wil.”

“Hij zal u alles geven wat gij verkiest, Izaäk,” zei de kapitein; “en gij zult het losgeld betalen voor den Prior Aymer zoowel als voor u zelven.”

“Voor mij zelven! Ach, dappere heeren!” smeekte de Jood, “ik ben een arm, te gronde gericht man; en ik zou den bedelstaf moeten opvatten, al moest ik maar vijftig kronen betalen.”

“Hierover zal de Prior oordeelen,” hernam de kapitein; “wat zegt gij er van, vader Aymer?—Kan de Jood een goed losgeld betalen?”

“Of hij een losgeld kan betalen?” antwoordde de Prior.—“Is hij niet Izaäk van York, rijk genoeg om de tien stammen Israëls, die naar Assyrië gevoerd werden, uit de gevangenschap vrij te koopen?—Ik voor mij, heb maar weinig van hem gezien, maar onze keldermeester en onze schatmeester hebben veel met hem te doen gehad, en het gerucht zegt, dat zijn huis te York zoo vol goud en zilver is, dat het schande is in een Christenland. Iedere Christenziel moet verbaasd staan, dat zulke vergiftigde adders geduld worden, die aan de ingewanden van den staat, en zelfs van de heilige Kerk knagen door schandelijken woeker en afpersingen.”

“Ik bid u, eerwaarde vader,” zei de Jood, “matig en bedaar uw toorn. Ik bid u, bedenk dat ik mijn geld aan niemand opdring. Maar wanneer geestelijken en leeken, vorsten en abten, ridders en priesters aan Izaäks deur kloppen, dan leenen zij zijn sjekels niet met onbeleefde woorden. Dan luidt het: “Vriend Izaäk, wilt gij ons in deze zaak een dienst doen, en wij zullen stiptelijk op den dag af betalen, zoo waar God ons helpe!—Goede Izaäk, zoo gij ooit iemand dienst gedaan hebt, zoo betoon u mijn vriend in dezen nood!” Maar als de dag komt, en ik mijn geld vraag, wat hoor ik anders dan: “Vervloekte Jood, de vloek van Egypte treffe uw stam!” en dergelijk meer, om het ruwe, onbeschaafde gemeen tegen den armen vreemdeling op te hitsen.”

“Prior,” zei de kapitein, “ofschoon hij een Jood is, heeft hij nu toch waarheid gesproken. Noem dus zijn losgeld, zooals hij het uwe genoemd heeft, zonder verdere scheldwoorden.”

“Niemand dan een latro famosus,” hernam de Prior, “waarvan ik u de beteekenis op een anderen tijd, en een andere plaats zal zeggen,—zou een Christen-prelaat en een ongedoopten Jood op dezelfde bank zetten.—Maar daar gij nu eenmaal wilt, dat ik het losgeld van dezen ellendeling bepalen zal, zeg ik u ronduit, dat gij u zelven benadeelen zoudt indien gij één penning beneden de duizend kronen aannemen wildet.”

“Een vonnis!—een vonnis!” zei de kapitein.

“Een vonnis!—een goed vonnis!” schreeuwden zijn makkers; “de Christen heeft zijne goede opvoeding getoond, en is ons gunstiger geweest dan de Jood.”

“De God mijner vaderen sta mij bij!” zei de Jood; “wilt gij een armen man geheel te gronde richten?—Ik ben reeds kinderloos, en wilt gij mij nu nog van alle middelen van bestaan berooven?”

“Als gij kinderloos zijt, Jood, zult gij des te minder te zorgen hebben,” zei Aymer.

“Helaas, heer!” hernam Izaäk; “uwe wet laat niet toe, dat gij ondervinden zoudt, hoe zeer het kind onzer liefde ons ter harte gaat.—O Rebekka, dochter mijner beminde Rachel! Al ware ieder blad van dien boom een zechin, en iedere zechin behoorde mij toe, dien geheelen schat zou ik er voor geven, om te weten of gij nog leeft, en aan de handen van den Nazareër ontsnapt zijt!”

“Had uwe dochter geen zwart haar?” vroeg een der roovers; “en droeg zij niet een sluier van zijden gaas met zilver geborduurd?”

“Ja!—ja!” riep de oude man, sidderende van hoop en angst. “Jacobs zegen ruste op u! Kunt gij mij zeggen, of zij in veiligheid is?”

“Zij was het dus,” antwoordde de schutter, “die de trotsche Tempelier heeft medegevoerd, toen hij gisteren avond door onze rijen heen brak. Ik had mijn boog reeds gespannen, om hem een pijl achterna te zenden, maar ik spaarde hem om den wille van het meisje, daar ik vreesde haar te kwetsen.”

“Och! hernam de Jood, “gave God, dat gij geschoten hadt, al moest de pijl ook haar boezem doorboord hebben;—beter het graf harer vaderen, dan het onteerende bed van den losbandigen, woesten Tempelier. Ichabod! Ichabod! de eer van mijn huis is geschandvlekt.”

“Vrienden,” zei de aanvoerder, rondziende, “de grijsaard is maar een Jood; toch treft mij zijn leed.—Wees eerlijk, Izaäk;—zult gij na dit losgeld van duizend kronen betaald te hebben niets meer overhouden?”

Izaäk, dus aan zijne wereldsche goederen herinnerd, voor welke zijne diep gewortelde liefde, zelfs met zijne vaderliefde in strijd was, verbleekte, stamelde, en kon niet ontkennen, dat er nog wel een klein overschot zou zijn.

“Goed,” zei de kapitein, “laat dat zoo zijn; wij willen niet te nauw met u rekenen. Zonder geld kunt gij even weinig hopen uw kind uit de klauwen van den ridder Brian De Bois-Guilbert te verlossen, als men hopen kan om een hert met een pijl zonder kop te dooden.—Wij zullen u voor hetzelfde losgeld als de Prior Aymer, of liever voor honderd kronen minder vrijlaten, en deze honderd kronen zal ik zelf betalen; en zoo zullen wij den schimp vermijden van een Joodschen koopman even hoog te schatten als een Christenprelaat; en gij zult nog vierhonderd kronen overhouden, om over de vrijheid uwer dochter te onderhandelen. De Tempelieren houden evenveel van het glinsteren van zilveren sjekels als van het schitteren van zwarte oogen.—Haast u, om uw kronen in het oor van Bois-Guilbert te doen klinken eer het te laat is. Gij zult hem, zooals onze verspieders bericht hebben, in de naaste Preceptory zijner orde vinden.—Is het zoo goed, makkers?”

De schutters gaven als gewoonlijk hun bijval over de uitspraak van hun aanvoerder te kennen; en Izaäk, van de helft van zijn angst ontheven, door de zekerheid, dat zijne dochter leefde, en misschien vrijgekocht kon worden, wierp zich voor de voeten van den grootmoedigen roover, en met zijn baard diens voeten rakende, beproefde hij om de slip van zijn groen gewaad te kussen. De kapitein trad echter achteruit, en maakte zich uit de handen van den Jood los, niet zonder eenige teekens van verachting.

“Foei, man, schaam u, sta op! ik ben een geboren Engelschman, en houd niet van zulke Oostersche kniebuigingen; kniel neder voor God, en niet voor een armen zondaar, als ik ben.”

“Ja, Jood,” zei de Prior Aymer; “kniel neder voor God, die door den dienaar van Zijn altaar hier wordt vertegenwoordigd; en wie weet, welke genade gij door oprecht berouw en behoorlijke giften op het altaar van St. Robert voor u zelven en uwe dochter Rebekka kunt verkrijgen? Het spijt mij om het meisje, want zij is schoon en liefelijk; ik heb haar in het strijdperk te Ashby gezien. Brian De Bois-Guilbert is een man, bij wien ik veel vermag;—bedenk, hoe gij het verdienen kunt, dat ik bij hem een goed woord voor u doe!”

“Helaas, helaas!” schreeuwde de Jood, “van alle kanten komen er roovers tegen mij op; ik ben ten prooi gegeven aan den Assyriër en den Egyptenaar!”

“En wat moest ook het lot van uw vervloekten stam zijn?” antwoordde de Prior, “want wat zegt de Heilige Schrift, verbum Domini projecerunt, et sapientia est nulla in eis:—zij hebben het Woord Gods verworpen, en er is geen wijsheid in hen; propterea dabo mulieres eorum exteris:—ik zal hun vrouwen aan vreemdelingen geven;—dat is, aan den Tempelier, gelijk in het tegenwoordige geval; et thesauros eorum heredibus alienis,—en hun schatten aan vreemde erven.”

Izaäk slaakte een diepen zucht, en begon de handen te wringen en zich weder aan neerslachtigheid en wanhoop over te geven. Maar de aanvoerder der schutters nam hem ter zijde. “Bedenk wel, Izaäk, wat gij in deze zaak doen wilt: mijn raad is, dat gij u dezen geestelijke tot vriend maakt. Hij is ijdel, Izaäk, en gierig; ten minste hij heeft geld noodig, om in zijne verspillingen te voorzien. Gij kunt zijne hebzucht licht bevredigen; want denk niet, dat ik verblind ben door uwe voorgewende armoede. Ik ken zelfs de ijzeren kist, Izaäk, waarin gij uwe geldzakken bewaart. Hoe? zou ik den grooten steen niet kennen onder den appelboom, welke toegang verschaft tot de gewelfde kamer onder uw tuin, te York?” De Jood werd bleek als de dood.—“Maar vrees niets van mij,” ging de schutter voort: “want wij zijn oude kennissen. Herinnert gij u den zieken jager niet, dien uw schoone dochter Rebekka te York uit de gevangenis vrijkocht, en in huis hield, totdat hij hersteld was, en dien gij toen heenzondt, met een stuk geld; hoe groot een woekeraar gij ook zijt, gij hebt nooit geld op betere renten uitgezet dan dat kleine zilverstuk; want het heeft u heden vijfhonderd kronen bespaard.”

“Zijt gij de man, dien wij Diccon de schutter noemden?” zei Izaäk; “uw stem kwam mij terstond bekend voor.

“Ik ben die Diccon,” zei de kapitein, “en Locksley, en heb nog één naam bovendien.”

“Maar gij vergist u, goede schutter, ten opzichte van de gewelfde kamer. Zoo waar mij de hemel helpe, er is daar niets in dan eenige goederen, die ik gaarne met u deelen wil:—honderd ellen groen Lincolnsch om wambuizen voor uw manschappen te maken, en honderd stuks Spaansche ijpentakken voor bogen, en honderd sterke, ronde en schoone zijden boogstrengen;—dit alles zal ik u voor uwe welwillendheid zenden, eerlijke Diccon, als gij van het gewelf zwijgen wilt, goede Diccon!”

“Stil als het graf!” zei de roover; “maar geloof mij, het spijt mij om uwe dochter. Ik kan er echter niets aan doen:—de lansen van den Tempelier zijn te sterk voor mijne schutters.—Zij zouden ons als stof doen uiteenvliegen. Had ik maar geweten, dat het Rebekka was, die hij schaakte, dan had ik nog iets kunnen doen; maar nu moet gij met list te werk gaan. Kom, zal ik voor u met den Prior onderhandelen?”

“In Gods naam, Diccon, als gij mij niet kunt helpen om het kind mijner liefde terug te bekomen.”

“Hinder mij niet door uwe ontijdige gierigheid,” zei de kapitein, “en ik zal met hem spreken.”

Hierop verliet hij den Jood, die hem evenwel als zijne schim volgde.

“Prior Aymer,” zei de kapitein, “kom met mij ter zijde, onder dezen boom. Men zegt, dat gij van den wijn en den glimlach eener vrouw meer houdt, dan uwe orde betaamt, heer priester; maar dat raakt mij niet. Ik heb ook gehoord, dat gij een liefhebber zijt van een koppel goede honden en van een vlug paard, en mogelijk, daar gij een vriend zijt van kostbare dingen, zijt gij ook geen vijand van een beurs vol goud. Maar nimmer hoorde ik, dat gij een vriend waart van onderdrukking of wreedheid.—Welnu, hier staat Izaäk, die u de middelen van vermaak en tijdverdrijf wil verschaffen door een beurs met honderd mark zilver, indien uwe voorspraak bij uw bondgenoot, den Tempelier, de vrijheid zijner dochter bewerkt.”

“In tucht en eerbaarheid, zooals ze mij ontroofd is,” zei de Jood, “anders geldt de koop niet!”

“Stil, Izaäk,” zei de roover, “of ik bemoei mij niet meer met uw zaken. Wat zegt gij van dezen voorslag, Prior Aymer?”

“De zaak,” antwoordde de Prior, “kan van twee kanten beschouwd worden; want zoo ik van den éénen kant eene goede daad verricht, zoo is die van den anderen kant ten voordeele van een Jood, en in zoover in strijd met mijn geweten. Maar als de Israëliet der Kerk voordeel aanbrengen wil, door mij iets te geven tot het opbouwen onzer slaapzalen, dan wil ik het op mijn geweten nemen om hem in de zaak met zijne dochter te helpen.”

“Om een twintig mark voor de slaapzalen,” zei de kapitein;—“zwijg, Izaäk, zeg ik u!—of om een paar zilveren kandelaars op het altaar, zullen wij niet met u twisten.”

“Ja, maar, goede Diccon,” zei Izaäk, trachtende hem in de rede te vallen.

“Goede Jood,—goed dier,—goede worm!” hernam de schutter, alle geduld verliezende; “zoo gij voortgaat met uw verachtelijke gierigheid tegen het leven en de eer uwer dochter in de weegschaal te leggen, bij den hemel, dan zal ik u, eer drie dagen verloopen zijn, van iederen penning berooven, dien gij in de wereld bezit!”

Izaäk kromp van schrik ineen, en zweeg.

“En welk onderpand krijg ik?” vroeg de Prior.

“Als Izaäk door uwe bemiddeling slaagt,” hervatte de kapitein, “dan zweer ik bij St. Hubertus, dat ik er voor zorgen zal, dat hij u het geld baar uitbetaalt; of ik zal zoodanig met hem afrekenen, dat hij beter gedaan had twintig zulke sommen uit te betalen.”

“Welaan dan, Jood,” zei Aymer; “daar ik mij volstrekt met die zaak moet bemoeien, leen mij uwe schrijftafels;—maar wacht,—neen, ik zou liever vierentwintig uren vasten, dan uwe pen gebruiken, en waar zal ik er eene andere vinden?”

“Indien uwe heilige nauwgezetheid u niet veroorlooft de schrijftafels van den Jood te gebruiken, dan kan ik wel eene pen vinden,” zei de schutter, en, zijn boog spannende, mikte hij op een wilde gans, welke boven hem zweefde, in de voorhoede van eene vlucht vogels, op weg naar de afgelegen en eenzame moerassen van Holderness. De vogel fladderde, door den pijl getroffen, naar beneden.

“Daar, Prior,” zei de kapitein, “zijn pennen genoeg voor alle monniken van Jorvaulx gedurende de eerste honderd jaren, als ze niet beginnen kronieken te schrijven.”

De Prior zette zich neder, en schreef zeer langzaam een brief aan Brian De Bois-Guilbert, en dien zorgvuldig verzegeld hebbende, gaf hij hem aan den Jood, zeggende: “Dit zal uw vrijgeleide naar de Preceptory van Templestowe zijn, en zal waarschijnlijk de vrijstelling uwer dochter bewerken, zoo ge er kracht bijzet door aanbiedingen van voordeel van uw kant; want, geloof mij, de goede ridder De Bois-Guilbert is van de broederschap van hen, die niets om niet doen.”

“Wel, Prior,” zei de roover, “ik wil u niet langer ophouden, dan om den Jood eene schuldbekentenis voor de vijfhonderd kronen, waarop uw losgeld bepaald is, te geven.—Ik neem hem tot betaalmeester aan; en zoo ik hoor, dat ge zwarigheid maakt om hem de som, die hij voor u uitbetaalde, terug te geven, dan zweer ik bij de Heilige Maria, dat ik de Abdij boven uw hoofd in brand zal steken, al moet ik daarom ook tien jaren vroeger hangen!”

Met veel minder bereidwilligheid, dan aan den Tempelier, schreef de Prior eene schuldbekentenis van vijfhonderd kronen, hem in zijn nood voorgeschoten door Izaäk van York, ter afdoening van zijn losgeld, en beloofde getrouw en eerlijk deze som terug te betalen.

“En nu,” zei Aymer, “verzoek ik u om teruggave van mijne muilezels en paarden, en om de vrijheid der eerwaarde broeders, die mij vergezellen; en ook om de teruggave der juweelen, ringen, kleinoodiën, en prachtige kleedingstukken, welke men mij ontroofd heeft, daar ik u mijn losgeld als gevangene voldaan heb.”

“Wat uwe geestelijke broeders betreft, heer Prior,” antwoordde Locksley, “ze zullen dadelijk in vrijheid worden gesteld, daar het onrechtvaardig zou zijn hen nog gevangen te houden; wat uwe paarden en muilezels betreft, die zullen ook teruggegeven worden, met reisgeld genoeg om uwe vertering tot York te betalen; want het zou wreed zijn u de middelen om te reizen te benemen. Maar wat de ringen, juweelen, ketenen en dergelijke dingen aangaat, moet ge weten, dat wij een fijn geweten hebben, en dat wij een eerwaarden heer, zooals gij zijt, die voor de ijdelheden der wereld afgestorven moest zijn, niet in de zware verzoeking willen brengen, om den regel zijner instellingen door het dragen van ringen, ketenen of dergelijke ijdele pracht te schenden.”

“Bedenkt wat ge doet, mijn heeren,” riep de Prior, “eer ge de handen aan kerkelijk goed slaat.—Deze dingen behooren inter res sacras, en wie weet, welk oordeel u treft, als ze in ongewijde handen blijven.”

“Daarvoor zal ik zorgen, eerwaarde Prior,” zei de kluizenaar van Copmanshurst, “want ik zal ze zelf dragen.”

“Vriend, of broeder,” antwoordde de Prior op deze oplossing van zijne zwarigheden, “als gij waarlijk tot een heilige orde behoort, zoo bid ik u toe te zien, hoe ge aan uw bisschop wegens uwe deelneming aan hetgeen heden gebeurd is, rekenschap zult geven!”

“Vriend Prior,” hernam de heremiet, “ge moet weten, dat ik tot een klein bisdom behoor, waar ik mijn eigen bisschop ben, en dat ik mij even weinig om den bisschop van York als om den Abt van Jorvaulx, den Prior en het geheele klooster bekommer.”

“Gij zijt geheel en al buiten den regel,” zei de Prior; “een dier losbandige menschen, die zich den heiligen stand, zonder er eenig recht op te hebben, aanmatigen; de heilige plechtigheid ontwijden, en de zielen van diegenen in gevaar brengen, welke hun raad vragen: lapides, pro pane condonantes iis,—hun steenen in plaats van brood gevende, zooals de Vulgata zegt.”

“Wel!” hervatte de monnik; “zoo mijn hersenpan door Latijn had kunnen gebroken worden, had ze het zoo lang niet uitgehouden. Ik zeg, dat zulke ijdele priesters, als gij zijt, van hunne juweelen en hun goud te berooven, eene wettige plundering der Egyptenaren is.”

“Gij zijt een verloopen priester,”1 zei de Prior, in grooten toorn, excommunicabo vos!”

“Gij zijt zelf een ketter en dief!” hernam de monnik, even verbitterd; “ik zal in tegenwoordigheid van mijne kudde zulk een schimp niet verdragen, als gij het waagt mij aan te doen: ofschoon ik uwe eerwaarde broeder ben; ossa eius perfringam, ik zal u de beenderen stuk slaan, zooals de Vulgata zegt!”

“Hola!” riep de kapitein, “gebruiken de eerwaarde broeders zulke uitdrukkingen?—Vrede, monnik!—Prior: als gij uwe rekening met den hemel niet gesloten hebt, terg dan den monnik niet verder! Heremiet, laat den eerwaarden vader in vrede vertrekken, als een man, die zijn losgeld betaald heeft!”

De schutters scheidden de verbitterde priesters, die voortgingen hun stemmen te verheffen, terwijl zij elkander uitscholden in slecht Latijn, dat de Prior zeer vlug, en de kluizenaar met des te grooter hevigheid sprak. De Prior bedacht eindelijk, dat hij zijne waardigheid vergat door te twisten met zulk een geestelijke, als den rooverkapelaan, en zijne dienaren verzameld hebbende, reed hij weg met veel minder deftigheid, en wat den uiterlijken vorm betrof, op eene veel meer apostolische wijze, dan die waarop hij gekomen was.

Nu moest de Jood nog eenig onderpand geven voor het losgeld, dat hij voor den Prior en zichzelven zou betalen. Hij gaf dus een met zijn zegel voorzien briefje voor een geloofsgenoot te York, hem gelastende aan toonder de som van duizend kronen te betalen, en hem zeker genoemde waren over te geven.

“Mijn broeder Sheva,” zei hij met een diepen zucht, “heeft den sleutel van mijne magazijnen.”

“En van de gewelfde kamer?” fluisterde Locksley hem toe.

“Neen, neen, de Hemel beware mij!” riep Izaäk. “Vervloekt zij het uur, waarop iemand dit geheim vernam!”

“Het is bij mij wel bewaard,” zei de kapitein, “als mij dit briefje de daarin genoemde som verschaft.—Maar hoe is het, Izaäk? Zijt gij dood? Zijt gij verstomd? Heeft de betaling van duizend kronen u het gevaar uwer dochter uit den zin gebracht?”

De Jood sprong op.—“Neen, Diccon, neen!—ik zal dadelijk vertrekken.—Vaarwel, gij, dien ik niet voor goed kan, en niet voor kwaad zou durven, of willen houden!”

Eer Izaäk vertrok, gaf de roover-kapitein hem nog den volgenden raad tot afscheid:—“Wees mild met uw aanbiedingen, Izaäk, en spaar uwe beurs niet, om uwe dochter te bevrijden. Geloof mij, het goud, dat gij in deze zaak spaart, zal u in het vervolg evenveel kwelling veroorzaken, alsof het gesmolten in uw keel gegoten ware.”

Izaäk stemde er met een diepen zucht in toe, en begaf zich op reis, vergezeld van twee forsche jagers, om hem tot gidsen en tegelijk tot beschermers in het bosch te dienen.

De Zwarte Ridder, die met niet weinig belangstelling deze verschillende tooneelen bijgewoond had, nam nu op zijne beurt afscheid van den vogelvrijverklaarde, en kon niet nalaten zijne verbazing te kennen te geven, dat hij zooveel orde vond onder menschen, die van alle geregelde bescherming en alle hulp der wet verstoken waren.

“Er groeien soms goede vruchten aan een slechten boom,” zei de schutter, “en slechte tijden brengen niet altijd alleen en onvermengd kwaad voort. Onder hen, die tot dezen wetteloozen staat vervallen zijn, vindt men zonder twijfel velen, die hunne vrijheid met eenige gematigdheid gebruiken, en eenigen, die zich wellicht beklagen, dat zij verplicht zijn zulk een leven te leiden.”

“En tot een der laatsten spreek ik nu, gelijk ik vermoed?” vroeg de ridder.

“Heer ridder,” antwoordde de roover; “wij hebben ieder ons geheim. Gij hebt vrijheid om over mij te denken zooals gij verkiest; en ik mag mijn gissingen omtrent u maken, ofschoon wij het misschien beiden mis hebben. Maar daar ik niet begeer in uw geheim te dringen, neem mij niet kwalijk, dat ik het mijne bewaar.”

“Ik verzoek verschooning,” hernam de ridder, “uw verwijt is billijk. Maar mogelijk ontmoeten wij elkander in het vervolg met minder geheimzinnigheid van weerskanten.—Intusschen scheiden wij als goede vrienden, niet waar?”

“Daar hebt gij er mijn hand op,” hervatte Locksley, “en ze is die van een oprechten Engelschman, ofschoon ik thans een vogelvrijverklaarde ben.”

“En daar hebt gij de mijne,” zei de ridder, “en ik beschouw het als eene eer, dat ze door de uwe gedrukt wordt; want hij, die goed doet, terwijl hij de onbepaalde macht heeft om kwaad te doen, verdient niet alleen lof voor het goede, dat hij verricht, maar ook voor het kwaad, dat hij voorkomt.—Vaarwel, dappere vriend!”

Zoo scheidden de beiden; en, na zijn moedig strijdros bestegen te hebben, reed de ridder door het woud weg.


1 Zie noot K.—Schrijver.