WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 40: Vijf-en-dertigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Vier-en-dertigste Hoofdstuk.

Koning Jan.—’k Wil u iets zeggen, vriend:

Het is een echte slang op mijn weg;

Want waar ik ooit mijn voeten zetten mag,

Dáár ligt hij voor mijn schreên.—Verstaat ge mij?

Koning Jan.

Er was een groot feest in het kasteel van York, waarop Prins Jan die edelen, prelaten en aanvoerders genoodigd had, met wier behulp hij zijn eerzuchtige plannen op den troon van zijn broeder hoopte door te zetten. Waldemar Fitzurse, zijn bekwame en listige raadgever, werkte in het geheim om den moed bij hen aan te wakkeren, om openlijk voor hun voornemen uit te komen. Maar hunne onderneming werd vertraagd door de afwezigheid van meer dan één voornaam lid van het eedgenootschap. De hardnekkige en stoute, ofschoon ruwe moed van Front-de-Boeuf, de opgeruimde en ondernemende geest van De Bracy, de schranderheid, de krijgskundige ervaring en de beroemde dapperheid van Brian De Bois-Guilbert waren onmisbaar voor den goeden uitslag der samenzwering; en terwijl Prins Jan en zijn raadsman heimelijk hunne onnoodige en ontijdige afwezigheid verwenschten, durfden zij evenwel niets zonder hen beginnen. De Jood Izaäk scheen ook verdwenen te zijn, en met hem de hoop op zekere sommen eener leening, voor welke Prins Jan met dezen Israëliet en zijne broederen een contract had aangegaan. Dit gemis kon gevaarlijk worden bij eene zoo gewichtige onderneming.

Het was op den morgen na den val van Torquilstone, dat een verward gerucht zich in de stad York begon te verspreiden, dat De Bracy en De Bois-Guilbert, met hun bondgenoot Front-de-Boeuf, gevangen of gedood waren. Waldemar verhaalde dit aan Prins Jan, en voegde er bij, dat hij te meer vreesde, dat het waar moest zijn, daar zij met een klein gevolg op weg gegaan waren, om een aanval te doen op den Sakser Cedric en zijne reisgenooten. Op een anderen tijd zou Prins Jan deze daad van geweld als een aardige grap beschouwd hebben, maar nu, daar ze tegen zijne eigene plannen inliep, en deze belemmerde, voer hij uit tegen de ondernemers, en sprak van geschonden wetten en het aanranden der openlijke orde en van het bijzonder eigendom op een toon, die Koning Alfred gepast zou hebben.

“Die wet-schendende roovers!” zei hij; “zoo ik ooit Koning van Engeland word, zal ik zulke overtreders aan de ophaalbruggen van hun eigene kasteelen laten ophangen!”

“Maar om Koning van Engeland te worden,” antwoordde zijn Achitophel koeltjes, “is het niet alleen noodig, dat Uw Hoogheid de overtredingen van deze wet-schendende roovers verdraagt, maar ook, dat gij hun uwe bescherming verleent, in weerwil van uw loffelijken ijver voor de wetten, die zij gewoon zijn te overtreden. Het zou ons heerlijk vooruit helpen, indien die Saksische boeren het denkbeeld van Uwe Hoogheid verwezenlijkten om ophaalbruggen in galgen te veranderen; en die stoute Cedric schijnt mij juist de man om zoo iets in het hoofd te krijgen. Uw Hoogheid ziet toch wel in, dat het gevaarlijk zou zijn zonder Front-de-Boeuf, De Bracy en den Tempelier te handelen; en wij zijn reeds te ver gegaan om veilig te kunnen terugtreden.”

Prins Jan sloeg zich ongeduldig voor het voorhoofd en stapte toen in het vertrek op en neder.

“Die schurken,” zei hij, “die lage, verraderlijke schurken!—mij in dezen nood te verlaten!”

“Zeg liever, die onbedachtzame, kinderachtige dwazen!” zei Waldemar, “welke gekheden gaan verrichten, terwijl er zulke gewichtige zaken op handen zijn.”

“Wat moeten wij nu doen?” vroeg de Prins, vlak voor Waldemar blijvende staan.

“Ik weet niet, wat meer gedaan kan worden,” antwoordde zijn raadgever, “dan hetgeen door mijne zorgen reeds geschied is.—Ik ben niet gekomen, om over deze ramp bij Uwe Hoogheid te klagen, zonder vooraf mijn best gedaan te hebben, om ze te verhelpen.”

“Gij zijt altijd mijn goede engel, Waldemar,” hernam de Prins; “en als ik zulk een kanselier tot raadgever heb, dan zal de regeering van Koning Jan in onze jaarboeken beroemd worden.—Welke bevelen hebt gij gegeven?”

“Ik heb aan Lodewijk Winkelbrand, De Bracy’s luitenant, bevolen, zijn volk te doen opzitten, zijne banier te ontrollen, en dadelijk naar het kasteel van Front-de-Boeuf te jagen, om te beproeven, wat er nog voor onze vrienden te doen valt.”

Het gelaat van Prins Jan gloeide als dat van een bedorven kind, dat meent beleedigd te zijn.

“Bij den Hemel!” zei hij, “Waldemar Fitzurse, gij hebt veel gewaagd, en het was meer dan vermetel, om zonder uitdrukkelijk bevel de trompet te laten blazen, of eene banier te doen ontrollen in eene stad waar wij zelven tegenwoordig zijn!”

“Ik vraag vergiffenis, Hoogheid,” hernam Fitzurse, inwendig de laffe ijdelheid van zijn heer verwenschende; “maar daar de tijd drong, en zelfs het verlies van één oogenblik gevaarlijk kon zijn, vond ik best, om dit op mij te nemen, in eene zaak van zooveel gewicht.”

“Ik vergeef u uwe roekeloosheid, Fitzurse!” zei de Prins deftig.—“Maar wie komt daar?—De Bracy zelf, bij het heilige kruis!—en in welk een zonderlingen toestand verschijnt hij voor ons!”

Het was inderdaad De Bracy, bloedig door het sporen, en vuurrood door spoed!—Zijne wapenrusting droeg alle kenteekens van den pas doorgestanen hevigen strijd, daar ze gebroken, op verscheidene plaatsen met bloed bevlekt en van boven tot beneden met modder en stof bedekt was. Na zijn helm losgemaakt te hebben, zette hij dien op de tafel, en stond een oogenblik, alsof hij zich bezon, eer hij zijn nieuws verhaalde.

“De Bracy,” zei Prins Jan, “wat beteekent dit?—Spreek, ik beveel het u!—Zijn de Saksers oproerig?”

“Spreek, De Bracy,” riep Fitzurse bijna tegelijk met zijn meester; “gij waart altijd een man;—waar is de Tempelier?—waar is Front-de-Boeuf?”

“De Tempelier is gevlucht,” antwoordde De Bracy; Front-de-Boeuf zult gij nimmer wederzien. Hij heeft een bloedig graf gevonden onder de gloeiende puinhoopen van zijn eigen kasteel, en ik ben alleen overgebleven om het u te verhalen!”

“Een huiveringwekkend nieuws voor ons,” zei Waldemar, “hoewel gij van vuur en brand spreekt.”

“De ergste tijding heb ik nog niet overgebracht,” antwoordde De Bracy; en op Prins Jan toetredende, zei hij op zachten, nadrukkelijken toon: “Richard is in Engeland.—Ik heb hem gezien en gesproken!”

Prins Jan verbleekte, beefde en moest zich aan den rug van een eiken stoel vasthouden, evenals iemand, die door een pijl in het hart getroffen wordt.

“Gij raast, De Bracy,” zei Fitzurse; “het kan niet zijn!”

“Het is toch eene zekere waarheid,” hernam De Bracy; “ik ben zijn gevangene geweest en heb met hem gesproken.”

“Met Richard Plantagenet, zegt gij?” vervolgde Fitzurse.

“Met Richard Plantagenet,” hervatte De Bracy, “met Richard Leeuwenhart,—met Richard van Engeland!”

“En gij waart zijn gevangene?” vroeg Waldemar, “was hij dus aan het hoofd van eene gewapende macht?”

“Neen;—er waren slechts eenige vogelvrijverklaarde landlieden om hem heen, en aan dezen is hij onbekend. Ik hoorde hem zeggen, dat hij op het punt stond hen te verlaten. Hij had zich slechts met hen vereenigd, om hen in het bestormen van Torquilstone bij te staan.”

“Ja!” zei Fitzurse, “dit is inderdaad in den geest van Richard;—hij is een echte dolende ridder; hij trekt rond om avonturen te zoeken, op de sterkte van zijn eigen arm vertrouwende, terwijl de gewichtigste belangen van zijn koninkrijk vergeten worden en hij zelf in gevaar verkeert.—Wat zijt gij voornemens te doen, De Bracy?”

“Ik?—Ik bood Richard den dienst van mijne vrijcompagnie aan, en hij weigerde ze.—Ik zal ze thans naar Hull voeren, mij inschepen, en naar Vlaanderen zeilen; dank zij deze onrustige tijden, een man van moed vindt overal wat te doen. En gij, Waldemar, wilt gij lans en schild nemen, uwe staatkundige plannen vaarwel zeggen, met mij gaan, en het lot deelen, dat God ons beschikt?”

“Ik ben te oud, Maurice, en ik heb eene dochter,” antwoordde Waldemar.

“Geef haar aan mij, Fitzurse, en ik zal haar met behulp van lans en paard onderhouden, zooals haar rang betaamt,” hervatte De Bracy.

“Neen,” hernam Fitzurse; “ik zal eene schuilplaats zoeken hier in de St. Pieterskerk;—de aartsbisschop is mijn gezworen vriend.”

Onder dit gesprek was Prins Jan langzamerhand hersteld van den schrik, dien dit onverwachte bericht hem veroorzaakt had, en het onderhoud van zijne aanhangers had zijne ooren bereikt. “Ze vallen mij af,” zei hij in zich zelven, “evenals een verwelkt blad van den boom, zoodra zich een windje verheft! Hel en duivel! Kan ik geen hulpmiddelen bij mij zelven vinden, als deze lafaards mij verlaten?”—Hij zweeg eene poos, en met eene uitdrukking van duivelschen haat in zijn gedwongen lach, brak hij eindelijk hun gesprek af. “Ha, ha, ha! mijn heeren, bij het licht der oogen van onze Lieve Vrouw, ik hield u voor wijze, stoute en verstandige mannen; en evenwel verwerpt gij rijkdom, eer, genoegen, alles, wat onze edele onderneming u beloofde, op het oogenblik, dat die door één stouten slag kon volbracht worden!”

“Ik begrijp u niet,” zei De Bracy; “zoodra Richard’s terugkomst bekend wordt, zal hij aan het hoofd van een leger staan, en dan is alles uit met ons. Ik zou u raden, mijn vorst, òf naar Frankrijk te vluchten, òf bescherming bij de Koningin-Moeder te zoeken.”

“Ik zoek geene veiligheid voor mij zelven,” hervatte Prins Jan op trotschen toon; “die kan ik door één enkel woord bij mijn broeder verkrijgen. Maar ofschoon gij, De Bracy, en gij, Waldemar Fitzurse, zoo gereed zijt om mij te verlaten, zou ik er mij niet over verheugen, als ik uwe hoofden ginds op de Cliffords-poort zag prijken. Denkt gij, Waldemar, dat de listige aartsbisschop u niet van het altaar zelf zal laten afrukken, zoo hij zich daardoor met Koning Richard kan verzoenen? En vergeet gij, De Bracy, dat Robert Estoteville met zijne geheele macht tusschen u en Hull ligt, en dat de Graaf van Essex zijne mannen vergadert? Indien wij redenen hadden, om deze lichtingen zelfs vóór Richard’s terugkomst te vreezen, meent gij, dat er nu eenige twijfel is, welke partij hun aanvoerders kiezen zullen? Geloof mij, Estoteville alleen heeft macht genoeg, om geheel uwe vrijcompagnie in de Humber te jagen!”

Waldemar Fitzurse en De Bracy keken elkander verlegen aan.—“Er is nog maar één weg tot veiligheid!” vervolgde de Prins, en zijn blik werd somber als de middernacht; “hij, dien wij vreezen, reist alleen.—Men moet hem hier of daar te gemoet gaan.”

“Ik niet,” zei De Bracy haastig; “ik was zijn gevangene, en hij schonk mij genade,—ik wil geen haar van zijn hoofd krenken!”

“Wie sprak er van, om hem kwaad te doen?” hernam Prins Jan met een gedwongen lach; “gij zult misschien nog wel zeggen, dat ik hem wilde laten dooden!—Neen, een gevangenis ware beter; en in Engeland of in Oostenrijk, wat kan dat schelen?—De zaken zullen dan slechts op denzelfden voet zijn, als toen wij onze onderneming begonnen.—Die was gegrond op de hoop, dat Richard in Duitschland gevangen zou blijven.—Onze oom Robert leefde, en stierf in het kasteel van Cardiffe.”

“Ja maar,” zei Waldemar, “uw vader Hendrik zat vaster op zijn troon, dan Uwe Hoogheid zulks doen kan. Ik zeg, de beste gevangenis is die, welke de doodgraver gemaakt heeft;—er haalt geen kerker bij een grafkelder! Ik heb gezegd.”

“Kerker of graf,” zei De Bracy, “ik wil niets met de zaak te maken hebben.”

“Schurk!” hernam Prins Jan, “gij zoudt ons genomen besluit toch niet willen verraden!”

“Nog nooit heb ik zoo iets gedaan,” antwoordde De Bracy trotsch, en de naam van schurk moet niet met den mijne verbonden worden!”

“Bedaar, heer ridder!” zei Waldemar,—“en gij, mijn Vorst, vergeef de schroomvalligheid van den dapperen De Bracy; ik ben zeker, dat ik die weldra uit den weg zal ruimen.”

“Dat gaat uwe welsprekendheid te boven, Fitzurse,” hernam de ridder.

“Wel, goede Maurice,” hervatte de listige staatsman, “deins niet achteruit als een schichtig paard, zonder vooraf het voorwerp van uw schrik wat van naderbij te beschouwen.—Nog maar één dag geleden, en het was uw vurigste wensch, om dezen Richard, man tegen man, in het gevecht te ontmoeten;—honderdmaal heb ik u dat hooren wenschen!”

“Ja,” antwoordde De Bracy;—“maar dat was, gelijk gij zeidet, man tegen man, en in den slag. Gij hebt mij nooit hooren zeggen, dat ik hem alleen in een bosch wilde overvallen!”

“Gij zijt geen echte ridder, als gij hierin zwarigheid vindt,” hervatte Waldemar. “Was het in den slag, dat Lancelot du Lac en de ridder Tristram hun roem verwierven? Of was het door reuzen onder het lommer van dichte en ongebaande bosschen aan te vallen?”

“Ja, maar ik verzeker u,” zei De Bracy, “dat Tristram noch Lancelot, man tegen man, tegen Richard Plantagenet opgewassen zouden geweest zijn; en ik geloof tevens, dat het hunne gewoonte niet was, om met overmacht tegen een enkelen man op te trekken.”

“Gij raaskalt, De Bracy;—wat stellen wij u dan voor, u, die een huurling zijt, de aanvoerder van eene vrijcompagnie, wier zwaarden voor den dienst van Prins Jan gekocht zijn? Gij kent onzen vijand, en toch maakt gij zwarigheid, ofschoon het geluk van uw heer, van uw makkers, van u zelven, en het leven en de eer van ons allen op het spel staan!”

“Ik zeg u,” zei De Bracy wrevelig, “dat hij mij het leven geschonken heeft. Het is waar, hij zond mij uit zijne tegenwoordigheid weg en weigerde mijne hulde;—in zooverre ben ik hem gehoorzaamheid noch trouw verschuldigd;—maar ik wil geen hand aan hem slaan.”

“Dat behoeft niet;—zend Lodewijk Winkelbrand met een twintigtal van uwe lansen.”

“Gij hebt sluipmoordenaars genoeg onder uwe eigen lieden,” hervatte De Bracy; “geen der mijnen zal zulk een last op zich nemen.”

“Zijt gij zoo hardnekkig, De Bracy,” zei Prins Jan; “en wilt gij mij verlaten, na zooveel betuigingen van ijver voor mijn dienst?”

“Dat is mijne bedoeling niet,” antwoordde De Bracy; “ik wil u bijstaan in alles, wat een ridder betaamt, zoowel in het strijdperk als op het slagveld; maar dezen sluipmoordenaarsdienst kan men niet van mij vergen.”

“Kom, Waldemar,” zei Prins Jan, “ik ben een ongelukkig vorst. Mijn vader, Koning Hendrik, had getrouwer dienaars.—Hij behoefde slechts te zeggen, dat hij door een oproerigen priester gekweld werd, en het bloed van Thomas-à-Becket, ofschoon een heilige, werd gestort op de trappen van zijn eigen altaar.—Tracy, Morville, Brito,1 getrouwe en moedige onderdanen, uwe namen en uw geest zijn uitgestorven!—en ofschoon Riginald Fitzurse een zoon heeft nagelaten, zoo heeft deze zijn vaders getrouwheid en moed vergeten; hij is ontaard.”

“Hij is niet ontaard,” hernam Waldemar Fitzurse; “en daar het niet anders kan, zal ik zelf de uitvoering van deze gevaarlijke zaak op mij nemen. Duur betaalde evenwel mijn vader den naam van een ijverig vriend; en toch was zijn bewijs van getrouwheid aan Hendrik op verre na niet te vergelijken bij dat, hetwelk ik op het punt ben om u te geven; want liever wilde ik een geheel heir van heiligen aanvallen, dan mijne lans tegen Leeuwenhart richten.—De Bracy, aan u moet ik de zorg toevertrouwen, om den moed van de weifelenden op te houden,—voor de veiligheid van Prins Jan te waken. Indien gij de tijding ontvangt, die ik zeker u zal kunnen zenden, dan zal het gelukken van onze onderneming niet langer twijfelachtig zijn.—Page!” riep hij, “spoed u naar huis en zeg aan mijn wapenmeester, zich gereed te houden; en beveel Steven Wetheral, Thoresby en de drie lansknechten van Spyinglaw, zich dadelijk bij mij te vervoegen; ook Hugo Bardon, de hoofdspion moet dadelijk komen.—Vaarwel, mijn Prins, tot betere tijden!” En met deze woorden verliet hij het vertrek.

“Hij gaat om mijn broeder gevangen te nemen,” zei Prins Jan tegen De Bracy, “met even weinig wroeging, alsof het slechts de vrijheid van een Saksischen Franklin gold. Ik denk toch, dat hij mijne bevelen nakomen, en den persoon van onzen dierbaren Richard met allen verschuldigden eerbied behandelen zal?” De Bracy antwoordde slechts met een glimlach.

“Bij het licht der oogen van onze Lieve Vrouw,” zei Prins Jan, “ons bevel daaromtrent was allerstelligst, schoon gij het mogelijk niet gehoord hebt, daar wij te zamen bij het venster in den muur stonden.—Allerduidelijkst en zeer bepaald was onze last, om voor Richard’s veiligheid te zorgen, en wee Waldemars hoofd, als hij mij niet gehoorzaamt!”

“Dan ware het beter, dat ik naar zijn huis ging,” zei De Bracy, “om hem den wil van Uwe Hoogheid goed aan het verstand te brengen; want daar mijn oor er volstrekt niets van vernomen heeft, is het zeer wel mogelijk, dat het ook Waldemars oor ontgaan is.”

“Neen, neen!” hernam Prins Jan ongeduldig; “ik verzeker u, dat hij mij gehoord heeft; en buitendien heb ik andere bezigheden voor u, Maurice; kom hier, laat mij op uw arm leunen.”

Ze liepen in deze vertrouwelijke houding de zaal op en neder, en Prins Jan vervolgde op een toon van groote vertrouwelijkheid: “Wat denkt gij van dezen Waldemar Fitzurse, mijn waarde De Bracy?—Hij verbeeldt zich onze kanselier te worden. Zeker zullen wij ons moeten bedenken, eer wij een zoo hoog ambt aan een man geven, die duidelijk toont, hoe weinig hij ons bloed eerbiedigt, door deze onderneming tegen Richard zoo gereedelijk op zich te nemen. Gij gelooft misschien, dat gij iets van onze achting verloren hebt, door deze onaangename taak zoo rondborstig te weigeren.—Maar neen, Maurice! ik acht u te meer om uw deugdzame standvastigheid. Er zijn zeer noodige dingen te verrichten, welker uitvoerders wij beminnen noch achten; en er kunnen weigeringen zijn om ons te dienen, welke hen, die ons verzoek van de hand wijzen, in onze achting doen rijzen. De gevangenneming van mijn ongelukkigen broeder geeft niet zooveel aanspraak op de hooge waardigheid van kanselier, als uwe ridderlijke en moedige weigering u verschaft op den staf van grootmaarschalk. Denk daaraan, De Bracy, en doe uw plicht!”

“Trouwelooze tiran!” fluisterde De Bracy, terwijl hij den Prins verliet; “wie op u vertrouwt is er ongelukkig aan toe! Uw kanselier, voorwaar!—Hij, die uw geweten te bewaken heeft, zal waarlijk een gemakkelijk ambt hebben. Maar grootmaarschalk van Engeland! dat,” zei hij, den arm uitstrekkende, alsof hij den staf reeds grijpen wilde, en met trotschere schreden door de zaal stappende, “dat is inderdaad een prijs, die de moeite waard is!”

De Bracy had nauwelijks de kamer verlaten, of Prins Jan riep een bediende, en zei tot hem: “Beveel Hugo Bardon, onzen spion, hier te komen, zoodra hij met Waldemar Fitzurse gesproken heeft.”

Bardon kwam spoedig, terwijl de Prins met ongelijke en wankelende schreden door het vertrek stapte.

“Bardon, wat begeerde Waldemar van u?” vroeg hij.

“Twee moedige mannen, goed met deze Noordsche wildernissen bekend, en geoefend in het volgen van het spoor van menschen en paarden.”

“En hebt gij hem die verschaft?”

“Uwe Hoogheid moge mij anders nooit weer vertrouwen,” antwoordde de aanvoerder der spionnen. “De één is uit Hexhamshire; hij is gewoon dieven in Tynedale en Teviotdale op te sporen, gelijk een bloedhond het gekwetste wild. De andere is uit Yorkshire, en heeft menigmaal den boog in het woud van Sherwood gespannen; hij kent elke grasvlakte, kreupelhout en bosch tusschen hier en Richmond.”

“Goed!” zei de Prins. “Vertrekt Waldemar met hen?”

“Dadelijk,” antwoordde Bardon.

“Met wat gevolg?” vroeg Jan onverschillig.

“Thoresby gaat met hem, en Wetheral, dien men om zijne wreedheid Steven Steen-hart noemt; en drie noordsche krijgslieden, die tot den troep van Rolf Middleton behoord hebben; men noemt hen de lansknechten van Spyinglaw.”

“Goed,” hernam weder Prins Jan; en na een oogenblik zwijgens voegde hij er bij: “Bardon, het is noodig, dat gij een waakzaam oog houdt op Maurice de Bracy,—zóó echter, dat hij er niets van merkt;—en onderricht mij van tijd tot tijd van zijne bewegingen,—met wien hij spreekt, en wat hij doet. Verzuim dit niet; gij zijt er verantwoordelijk voor.”

Hugo Bardon boog en vertrok.

“Als Maurice mij verraadt,” zei Prins Jan—“als hij mij verraadt, zooals zijn gedrag mij doet vreezen, dan zal ik zijn hoofd hebben, al raasde Richard zelfs voor de poorten van York!”


1 Reginald Fitzurse, William de Tracy, Hugo de Morville en Richard Brito waren de edellieden van het hof van Hendrik den Tweede, welke, aangezet door eenige driftige uitdrukkingen van hun vorst, den beroemden Thomas-à-Becket vermoordden.

Vijf-en-dertigste Hoofdstuk.

Wek in Hircaniës woestijn den tijger,

Ontruk den hongerigen leeuw zijn prooi;

’t Is min gevaarlijk, dan het smeulend vuur

Der dweepzucht aan te blazen!

Anonymus.

Ons verhaal keert thans tot Izaäk van York terug.—Gezeten op een muilezel, welken de vrijbuiter hem geschonken had, door twee krachtige schutters vergezeld, die hem tot lijfwacht dienden, was de Jood op reis gegaan naar de Preceptory van Templestowe, om over het losgeld zijner dochter te onderhandelen. De Preceptory was maar ééne dagreis van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd, en de Jood had gehoopt, die vóór het vallen van den nacht te bereiken; na zijne leidslieden dus bij het einde van het bosch ontslagen en hen met een stuk zilver beloond te hebben, haastte hij zich, zooveel zijne vermoeidheid hem vergunde. Maar de krachten begaven hem geheel, toen hij nog vier mijlen van het hof der Tempeliers was; hevige pijnen voeren hem door den rug en de leden, en zijn knagende zielsangst, nu door lichamelijk lijden vergroot, maakte het hem volstrekt onmogelijk om verder te gaan, dan tot een klein vlekje waar een Joodsche Rabbijn woonde, die zeer ervaren was in de geneeskunde en dien Izaäk goed kende. Nathan Ben Israël ontving zijn lijdenden landsman met die gastvrijheid, welke de wet voorschreef, en welke de Joden jegens elkander uitoefenden. Hij stond er op, dat hij zich ter rust zou begeven, en diende hem die geneesmiddelen toe, welke toen de besten gerekend werden om de koorts te stuiten, welke schrik, vermoeienissen en verdriet den armen ouden Jood op den hals gehaald hadden. Des morgens, toen Izaäk opstaan en zijne reis vervolgen wilde, verzette Nathan zich tegen zijn voornemen, zoowel in zijne hoedanigheid van gastheer als in die van geneesheer. Het kon hem het leven kosten, zei hij. Maar Izaäk gaf hem tot antwoord, dat er meer dan leven en dood met zijne reis naar Templestowe gemoeid was.

“Naar Templestowe!” zei zijn gastheer met verbazing; voelde hem nog eens den pols, en pruttelde toen in zich zelven; “De koorts is afgenomen, maar toch schijnt zijn geest eenigszins verward.”

“En waarom niet naar Templestowe?” antwoordde zijn patient. “Ik geef u toe, Nathan, dat het eene woning is van mannen, voor welke de verachte kinderen Israëls een steen des aanstoots en een afschuw zijn; maar ge weet, dat dringende handelszaken ons soms onder deze bloeddorstige Nazareensche soldaten voeren, en dat wij de Preceptorijen der Tempeliers, zoowel als de Commanderijen der Hospitaal-ridders, gelijk men ze noemt, bezoeken.”1

“Dat weet ik wel,” hernam Nathan; “maar weet ge wel, dat Lucas de Beaumanoir, het opperhoofd van hunne Orde, en dien ze Grootmeester noemen, nu zelf te Templestowe is?”

“Dat wist ik niet,” hervatte Izaäk; “de laatste brieven van onze broeders te Parijs berichtten ons, dat hij zich in die stad bevond, om Filips hulp tegen den Sultan Saladin te vragen.”

“Hij is sedert naar Engeland overgekomen, zonder dat zijne broeders hem in het minst verwachtten, en hij komt met een sterken en uitgestrekten arm, om hen te verbeteren en te bestraffen; zijn aangezicht is in toorn ontstoken tegen hen, die van hunne gedane geloften zijn afgeweken, en groot is de schrik onder die zonen van Belial. Ge hebt hem toch zeker wel hooren noemen?”

“Ja zeker,” antwoordde Izaäk; “de Heidenen schilderen dezen Lucas Beaumanoir af, als een vurigen ijveraar voor ieder punt van de Nazareensche wet; en onze broeders noemen hem een wreeden vernieler der Saracenen, en een hardvochtigen dwingeland voor de kinderen Israëls.

“En zoo noemen zij hem met recht,” hernam Nathan de geneesheer. “Andere Tempeliers kunnen van hun voornemen worden afgebracht door vermaak, of omgekocht worden door goud en zilver; maar Beaumanoir is van verschillenden stempel;—hij veracht de zinnelijkheid, veracht den rijkdom, en streeft naar hetgeen ze de martelaarskroon noemen.—De God van Jakob schenke ze weldra aan hem en hen allen!—Vooral heeft deze trotsche man zijne hand uitgestrekt tegen de kinderen van Juda, evenals de heilige David tegen Edom, en hij houdt het vermoorden van een Jood voor eene even aangename offerande, als de dood van een Saraceen. Goddelooze en valsche dingen heeft hij gezegd, zelfs van de krachten van onze geneesmiddelen, alsof het ingevingen van den Satan waren.—De Heer straffe hem daarvoor!”

“En toch,” hernam Izaäk, “moet ik mij naar Templestowe begeven, al ware ook zijn aangezicht gelijk een vurig brandende oven.”

Hierop verklaarde hij aan Nathan de dringende reden van zijne reis.—De Rabbijn luisterde met belangstelling, en betuigde zijne deelneming naar de wijze van zijn volk, zijn kleederen scheurende en uitroepende: “Ach, mijne dochter!—Ach, mijne dochter!—Wee over de dochter van Sion!—Wee over de gevangenschap van Israël!”

“Ge ziet,” zei Izaäk, “hoe de zaken met mij staan, en dat ik niet dralen mag. Misschien verhindert de tegenwoordigheid van dezen Lucas Beaumanoir, die hun opperhoofd is, Brian De Bois-Guilbert in het kwaad, dat hij in den zin heeft, en dan zal hij mij mijne beminde dochter Rebekka teruggeven.”

“Ga dan,” zei Nathan Ben Israël; “en wees wijs; want wijsheid redde Daniël in den leeuwenkuil, waarin hij geworpen was; en het ga u naar den wensch uws harten. Maar zoo ge kunt, ontwijk de tegenwoordigheid van den Grootmeester, want het is zijn dagelijksch vermaak ons volk door verachting te krenken. Mogelijk zult ge beter bij Bois-Guilbert slagen, zoo ge hem in het geheim kunt spreken; want men zegt, dat deze verwenschte Nazareërs in de Preceptorij niet al te eenig zijn.—Mogen hunne beraadslagingen tot schande gemaakt worden!—Maar, broeder, keer tot mij terug, als tot het huis van uw vader, en breng bericht, hoe het u gegaan is; en ik hoop, dat ge Rebekka mede zult brengen, de leerling der wijze Mirjam, wier genezingen de Heidenen lasterden, alsof ze het werk des Satans waren.”

Izaäk zei zijn vriend vaarwel, en na omtrent een uur gereden te hebben, kwam hij vóór de Preceptorij van Templestowe. Deze stichting der Tempeliers lag tusschen schoone, vette weiden, welke de vorige vrome Preceptor aan de Orde ten geschenke gegeven had. Het gebouw was goed versterkt; iets dat deze ridders nooit verzuimden, en dat de onveilige toestand van Engeland noodig maakte. Twee zwartgekleede hellebaardiers bewaakten de ophaalbrug, en anderen in dezelfde sombere liverei, slopen heen en weer op de muren met een doodschen tred, meer op spoken dan op soldaten gelijkende. De mindere dienaren van de orde waren in het zwart gekleed, sedert het gebruik van witte kleederen, gelijk aan die van de ridders en knapen, in de gebergten van Palestina eene vereeniging van zekere valsche broeders had doen ontstaan, die zich Tempelridders noemden, en der Orde groote schande berokkend hadden. Men zag nu en dan een ridder in zijn langen witten mantel, met neergebogen hoofd, en gekruiste armen over de plaats gaan. Ze gingen elkander voorbij met een langzamen, plechtstatigen en stommen groet, volgens den regel van hunne Orde, zich op de woorden der heilige Schrift beroepende: “Door vele woorden ontgaat gij de zonde niet,” en “Leven en dood zijn in de macht der tong.” In één woord, de sombere monnikachtige gestrengheid van de tucht der Tempeliers, welke ze sedert lang tegen verkwisting en losbandigheid verruild hadden, scheen eensklaps te Templestowe onder het waakzame oog van Lucas Beaumanoir te herleven.

Izaäk bleef voor de poort staan, om te overwegen op welke wijze hij zich het best eene gunstige ontvangst verzekeren zou; want hij begreep wel, dat voor zijn ongelukkigen stam de herlevende dweepzucht van de Orde niet minder gevaarlijk was dan haar grootste losbandigheid; en dat zijn godsdienst het voorwerp van haat en vervolging in het ééne geval zou zijn, gelijk zijn rijkdom hem in het andere aan de knevelarijen van onbarmhartige onderdrukking zou blootgesteld hebben.

Intusschen wandelde Lucas Beaumanoir in een kleinen tuin, die tot de Preceptorij behoorde, en door de buitenste vestingwerken ingesloten was, in somber en vertrouwelijk gesprek met een broeder van de Orde, die met hem uit Palestina was teruggekomen.

De Grootmeester was een man van reeds gevorderden leeftijd, zooals zijn lange, grijze baard en zijn zware, grijze wenkbrauwen getuigden, welken over oogen hingen, wier vuur de ouderdom niet had kunnen blusschen. Zijn magere, strenge gelaatstrekken toonden, dat hij een geduchte krijgsman geweest was, en hadden steeds nog eene krijgshaftige, trotsche uitdrukking; niet minder bewees hunne door onthouding veroorzaakte magerheid, dat hij een bijgeloovig boetedoener en een hoogmoedig met zichzelven tevreden dweper was. Evenwel was er op deze harde gelaatstrekken iets treffends en edels, dat zonder twijfel toe te schrijven was aan de groote rol, welke zijn aanzienlijk ambt hem verplichtte onder koningen en vorsten te spelen, en aan de gewone uitoefening van gezag over de vele dappere en edele ridders, die door de regels der Orde vereenigd waren. Zijne gestalte was groot en zijne houding recht en statig, zonder door ouderdom en uitgestane vermoeienissen gedrukt te zijn. Zijn witte mantel was stipt naar het voorschrift van St. Bernardus zelven gemaakt, bestaande uit hetgeen men toen Burrel-laken noemde. Deze mantel paste volkomen aan zijne gestalte, en vertoonde op den linker schouder het achthoekige kruis van de Orde in rood laken. Geen bont of hermelijn versierde zijn kleeding; maar uit aanmerking van zijne hooge jaren was des Grootmeesters wambuis, zooals de regels vergunden, met het fijnste lamsvel bezet, met de wol naar buiten gekeerd,—hetwelk het dichtste bij bont kwam,—de grootste weelde van dien tijd. In zijn hand droeg hij dien eenvoudigen abacus of ambtsstaf, waarmede de Tempeliers dikwijls afgebeeld worden, aan het bovenste einde met een knop, waarop het kruis van de Orde gegraveerd was, door een kring, of parelsnoer zooals de herauten zulks noemen, omgeven. De man, welke deze hooge personaadje vergezelde, droeg bijna in alle opzichten dezelfde kleeding, maar zijne bijzondere onderdanigheid jegens zijn opperste toonde, dat er verder geene gelijkheid tusschen hen bestond. De Preceptor, want dit was zijn titel, ging niet vlak naast den Grootmeester, maar even achter hem, zoodat Beaumanoir met hem spreken kon, zonder het hoofd om te draaien.

“Koenraad,” zei de Grootmeester, “dierbare deelgenoot mijner veldslagen en werken, in uw getrouwen boezem alleen kan mijn hart zijn verdriet uitstorten. U kan ik zeggen, hoe dikwijls ik sedert mijne aankomst in dit koninkrijk gewenscht heb verlost te worden en in te gaan in de woningen der rechtvaardigen. Geen enkel voorwerp heeft zich in Engeland aan mijne oogen opgedaan, waarop ze met welgevallen konden rusten, behalve de graven onzer broeders, onder het grootsche gewelf van onze tempelkerk in gindsche trotsche hoofdstad. O dappere Robert de Ros! riep ik in mij zelven uit, terwijl ik op de strijders van het kruis staarde, zooals ze daar op hunne graftomben afgebeeld zijn;—o waardige Willem de Mareschal! opent uwe marmeren cellen, en neemt in uwe rustplaats een vermoeiden broeder op, die liever tegen honderdduizend Heidenen zou willen strijden dan het verval van onze heilige Orde aanschouwen!”

Lucas de Beaumanoir.

“Het is maar al te waar,” antwoordde Koenraad Mont-Fitchet; “en de ongebondenheid onzer broeders in Engeland is zelfs nog erger dan in Frankrijk.”

“Omdat ze rijker zijn,” hernam de Grootmeester. “Verschoon mij, broeder, als ik mij zelven een weinig prijzen moet; gij kent het leven, dat ik geleid heb; iederen regel van onze Orde heb ik gevolgd, ik heb vleeschelijke en geestelijke duivels bestreden; ik heb den brieschenden leeuw, die rondgaat om te zoeken, wien hij verslinden zal, als een dapper ridder en vroom priester geveld, overal waar ik hem vinden kon,—zooals de gezegende St. Bernardus ons heeft voorgeschreven in het vijfenveertigste hoofdstuk onzer regels, Ut leo semper feriatur.2

Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd heeft,—bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven, ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde, dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?—Het is hun verboden iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij uitroeien,—en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels, kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste spijzen.—Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf, gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht, paste beter voor den Harem van een ongeloovigen Emir, dan voor de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten hunner keuken-groenten.—En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!—Het is u bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen, welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren, omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan, door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk, (als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en zusters den kus der liefde te geven, ut ommium mulierum fugiantur oscula!—Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht, te spreken,—ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer, en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid, welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien, Koenraad, in nachtelijke droomen;—hunne heilige oogen stortten tranen over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij; gij slaapt,—ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels, schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen, waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd.3 De soldaten van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen, en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek ons!—Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!—Grijp het zwaard van Phineas!—De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte, kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven der witte mantels zien.—En ik wil naar hun bevel handelen, ik wil den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit, zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!”

“Maar bedenk, eerwaarde vader,” zei Mont-Fitchet, “dat de smet door tijd en gewoonte ingevreten is: laat de hervorming voorzichtig zijn, zoowel als billijk en wijs.”

“Neen, Mont-Fitchet;—ze moet streng en plotseling zijn:—de Orde is op het keerpunt van haar lot. De matigheid, zelfopoffering en vroomheid van onze voorgangers hebben ons machtige vrienden verschaft;—onze verwaandheid, rijkdom en weelde hebben ons geduchte vijanden op den hals gehaald.—Wij moeten deze schatten wegwerpen, welke eene verzoeking zijn voor de vorsten;—wij moeten die verwaandheid afleggen, welke eene beleediging voor hen is;—wij moeten de losbandigheid onzer zeden verbeteren, welke eene ergernis is voor de geheele Christen-wereld!—of,—let wel op mijn woorden,—de Orde van den Tempel zal geheel worden vernietigd, en hare plaats zal niet meer onder de volkeren bekend zijn.”

“God wende deze ramp van ons af!” riep de Preceptor.

“Amen!” zei de Grootmeester plechtig; “maar wij moeten Zijne hulp verdienen. Ik zeg u, Koenraad, dat noch de machten des Hemels, noch die der aarde de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht kunnen verdragen. Mijne berichten zijn zeker;—de grond, waarop ons gebouw staat, is reeds ondermijnd en iedere vermeerdering van grootheid zal het slechts te eerder doen instorten. Wij moeten onze schreden achterwaarts wenden, en ons als getrouwe strijders voor het kruis gedragen, aan onze roeping niet alleen ons bloed en leven, niet alleen onze lusten en ondeugden, maar ons gemak, onze levensvreugd, onze neigingen en menig vermaak opofferen, dat geoorloofd kan zijn aan anderen, maar verboden is aan den heiligen krijgsman des Tempels.”

Op dit oogenblik kwam een schildknaap in een afgesleten kleed (want de candidaten tot deze heilige Orde droegen gedurende hun noviciaat de kleederen, welke de ridders afgelegd hadden,) in den tuin, maakte een diepe buiging voor den Grootmeester, en bleef stilstaan, daar hij zijn boodschap niet verrichten durfde, eer hij verlof daartoe bekomen had.

“Is het niet passender,” zei de Grootmeester, “dezen Damian in het kleed van Christelijke nederigheid in eerbiedige stilte voor zijn opperste te zien verschijnen, dan zooals hij voor twee dagen rondliep, als een nar in een bont wambuis, terwijl hij trotsch en ijdel als een papegaai snapte?—Spreek, Damian, wij veroorloven het u;—wat is uwe boodschap?”

“Een Jood staat buiten de poort, edele en eerwaarde vader, en verzoekt broeder Brian De Bois-Guilbert te spreken.”

“Gij doet wel mij hiervan kennis te geven,” zei de Grootmeester; “in onze tegenwoordigheid is een Preceptor slechts een gewoon lid van onze Orde, die niet naar zijn eigen wil mag handelen, maar naar dien van zijn Meester,—volgens den tekst: “Zoodra hij mij hoorde, gehoorzaamde hij!”—Er is ons bijzonder veel aan gelegen, om iets van het gedrag van dezen Bois-Guilbert te hooren,” zei hij, zich tot zijn makker wendende.

“Het gerucht noemt hem stout en dapper,” zei Koenraad.

“En met recht noemt men hem zoo,” hernam de Grootmeester; “in onze dapperheid alleen zijn wij van onze voorgangers, de helden van het kruis, niet ontaard. Maar broeder Brian trad in onze Orde als een somber, ontevreden mensch; zonder twijfel aangespoord om onze gelofte aan te nemen en de wereld vaarwel te zeggen, niet uit oprechtheid der ziel, maar als een man, dien eenig gering ongeluk tot ontevredenheid en berouw had gebracht. Sedert is hij een ijverig en ernstig onruststoker, een ontevreden woelgeest, en een aanvoerder van hen geworden, die zich tegen ons gezag verzetten, zonder te overwegen, dat aan den meester de macht gegeven is, zelfs door het teeken van den staf en der roede,—den staf om de zwakken te ondersteunen;—de roede om de misdadigers te straffen.—Damian,” vervolgde hij, “breng den Jood voor ons.”

De knaap vertrok met eene diepe buiging, en keerde binnen weinige minuten terug, Izaäk van York binnen leidende. Geen hulpelooze slaaf, die in de tegenwoordigheid van eenig machtig vorst gebracht wordt, kan diens rechterstoel met dieper eerbied en schrik naderen. Toen hij op een afstand van drie ellen gekomen was, gaf Beaumanoir een teeken met zijn staf, dat hij niet nader zou komen. De Jood knielde op den grond neder, welken hij als een teeken van eerbied kuste; hierna oprijzende, bleef hij voor de Tempeliers staan, met de handen op de borst gevouwen, en het hoofd voorovergebogen, als een Oostersche slaaf.

“Damian,” zei de Grootmeester, “vertrek, en houd een wacht gereed, om dadelijk op ons bevel te verschijnen; en laat niemand in den tuin komen, eer wij dien verlaten hebben.”—De schildknaap boog diep en vertrok.—“Jood,” vervolgde de trotsche grijsaard, “let op! Het past onzen stand niet, om lang met u te spreken, en het is onze gewoonte niet, met wien het ook zij, woorden of tijd te verspillen. Wees dus kort in uw antwoorden op hetgeen ik u vragen zal, en spreek de waarheid; want zoo uw tong mij bedriegt, zal ik ze uit uw ongeloovigen hals laten scheuren.”

De Jood wilde antwoorden, maar de Grootmeester ging voort:

“Zwijg, ongeloovige!—Geen woord in onze tegenwoordigheid, dan in antwoord op onze vragen.—Wat hebt gij met onzen broeder Brian de Bois-Guilbert te doen?”

Izaäk beefde van schrik en onzekerheid. Zoo hij zijne geschiedenis verhaalde, kon die als eene lastering van de Orde beschouwd worden; en indien hij daarentegen ze niet verhaalde, wat hoop kon hij dan hebben, om de verlossing zijner dochter te bewerken? Beaumanoir zag zijn doodsangst, en verwaardigde zich, om hem een weinig gerust te stellen.

“Vrees niets,” zei hij, “voor uw ellendig leven, Jood, indien gij oprecht in deze zaak te werk gaat.—Ik vraag nog eens, wat hebt gij met Brian de Bois-Guilbert te doen?”

“Ik ben de overbrenger van een brief,” stamelde de Jood, “met uw verlof, hoogeerwaarde en gestrenge heer, voor dezen dapperen ridder van den Prior Aymer, van de Abdij van Jorvaulx.”

“Zei ik niet, dat het booze tijden waren, Koenraad?” zei de Grootmeester. “Een Cisterciënser Prior zendt een brief aan een soldaat van den Tempel, en kan geen geschikter bode vinden dan een ongeloovigen Jood.—Geef mij den brief!”

De Jood maakte met bevende handen de plooien van zijn Armenische kap los, waarin hij des Priors schrijftafel tot grootere veiligheid verborgen had, en wilde met uitgestrekte hand en gebogen lichaam naderen, om die aan zijn strengen rechter over te geven. “Terug, hond!” riep de Grootmeester. “Ik raak geen ongeloovige aan, behalve met het zwaard.—Koenraad, neem den brief aan, en geef hem aan mij over.”

Beaumanoir, thans in het bezit van de schrijftafel, bekeek den buitenkant nauwkeurig, en wilde toen het garen losmaken, waarmede die toegemaakt was. “Eerwaarde vader,” zei Koenraad met eerbied, “zult gij het zegel openbreken?”

“Zou ik niet?” hervatte Beaumanoir met gefronst voorhoofd. “Staat er niet in het tweeënveertigste hoofdstuk, De lectione literarum, dat een Tempelier geen brief mag ontvangen, zelfs van zijn vader, zonder dien aan den Grootmeester over te geven, en in zijne tegenwoordigheid te lezen?”

Hierop keek hij haastig den brief door, en met eene uitdrukking van verbazing en afgrijzen, las hij dien nog eenmaal langzamer over; vervolgens het papier aan Koenraad met de eene hand toehoudende en er met de andere licht op slaande, riep hij uit: “Dat is eene schoone zaak voor een Christen, om aan een ander Christen over te schrijven, en beiden zijn leden, en geen onaanzienlijke leden, van heilige broederschappen! Wanneer,” zei hij plechtig met ten hemel geslagene oogen, “zult Gij, o Heer! met Uw wan komen, om den dorschvloer te zuiveren?”

Mont-Fitchet nam den brief van zijn opperste, en wilde hem doorlezen. “Lees hard op, Koenraad,” zei de Grootmeester, “en gij” (tegen Izaäk), “luister naar den inhoud, want wij zullen u daarover ondervragen!”

Koenraad las den brief, welke aldus luidde:

“Aymer, door Gods genade, Prior van het huis der Cisterciënsers van de Heilige Maria van Jorvaulx, wenscht den Ridder Brian de Bois-Guilbert, van de heilige Orde des Tempels, gezondheid, met de gunst van God Bacchus en van Vrouw Venus. Wat onzen tegenwoordigen toestand betreft, waarde broeder, wij zijn een gevangene in de handen van zekere wetschendende en goddelooze mannen, die niet gevreesd hebben onzen persoon aan te houden en ons losgeld af te dwingen, waardoor wij ook van Front-de-Boeuf’s ongeluk zijn onderricht geworden, en dat gij met die schoone Joodsche tooveres ontsnapt zijt, wier zwarte oogen u bekoord hebben. Wij zijn hartelijk verblijd, dat ge in veiligheid zijt; evenwel bidden wij u, op uwe hoede te zijn ten opzichte van deze tweede heks van Endor; want wij zijn in het geheim verzekerd, dat uw Grootmeester, die zich niet in het minste aan roode wangen en zwarte oogen stoort, uit Normandië komt, om uwe genoegens te beperken, en uwe misstappen te bestraffen. Derhalve bidden wij u hartelijk op uwe hoede te zijn en wakende gevonden te worden, zooals de heilige tekst zegt: Invenientur vigilantes! En de rijke Jood, haar vader, Izaäk van York, mij om een brief ter haren voordeele verzocht hebbende, zoo heb ik hem dezen gegeven, u ernstig aanradende om het meisje tegen losgeld vrij te geven, daar hij uit zijne geldzakken gemakkelijk genoeg geven kan, om vijftig andere vrouwen los te koopen en van dit geld hoop ik mijn deel te krijgen, als wij ons samen verlustigen zullen, gelijk getrouwe broeders, den wijnbeker niet te vergeten; want, wat zegt de tekst? Vinum lactificat cor hominis; en verder: Rex delectabitur pulchritudine tua.

Wij wenschen u wel te leven tot aan onze eerste bijeenkomst! Gegeven uit dit roovershol, tegen het uur van het morgengebed.

Aymer, Pr. S. M. Jorvolciensis.

Postscriptum. Waarachtig, uw gouden ketting is niet lang bij mij gebleven, en daaraan hangt thans, om den hals van een vogelvrijverklaarden wilddief, het fluitje, waarmede hij zijn jachthonden roept!”

“Wat zegt ge hiervan, Koenraad?” zei de Grootmeester. “Roovershol! waarlijk een geschikt verblijf voor zulk een Prior! Geen wonder, dat Gods hand zwaar op ons ligt, en dat wij in het heilige Land stad op stad, voet voor voet, op de ongeloovigen verliezen, daar wij zulke geestelijken, als dezen Aymer, hebben!—En wat meent hij toch met die tweede heks van Endor?” vroeg hij zijn vertrouweling ter zijde.

Koenraad was (misschien uit ondervinding) beter bekend met de taal der galanterie, dan zijn opperste; en hij verklaarde den Grootmeester, dat dit eene uitdrukking was, in gebruik bij wereldsgezinde mannen jegens degenen, welken ze par amours beminden; maar deze verklaring voldeed den bijgeloovigen Beaumanoir niet.

Daar schuilt meer achter dan ge wel denkt, Koenraad; uwe eenvoudigheid kan dezen afgrond van goddeloosheid niet peilen. Deze Rebekka van York was eene leerlinge van Mirjam, van wie ge hebt hooren spreken. Ge zult zien; de Jood zelf zal het bekennen.” Voorts zich tot Izaäk wendende, zei hij luide: “Uw dochter is dus de gevangene van Brian De Bois-Guilbert?”

“Ja, eerwaarde en dappere heer, en al wat een arm man voor haar bevrijding betalen kan—”

“Stil!” zei de Grootmeester. “Deze uw dochter heeft de heelkunde beoefend, niet waar?”

“Ja, genadige heer;” antwoordde de Jood met herlevenden moed, “en ridder en knecht, vasal en heer zegenen de gaven, welke de Hemel haar geschonken heeft. Menigeen kan getuigen, dat ze hem door hare kunst genezen heeft, toen alle andere menschelijke hulp vruchteloos was; maar de zegen van den God van Jakob rustte op haar.”

Beaumanoir wendde zich tot Mont-Fitchet met een sarkastischen lach: “Zie, broeder,” zei hij, “de verleidingen van den aartsvijand der menschen! Zie het lokaas, waarmede hij naar zielen vischt, daar hij een korte span aardsch leven voor de eeuwige zaligheid schenkt! Wat zegt onze heilige regel: Semper percutiatur leo vorans.—Val aan op den leeuw! Vel den vernieler!” riep hij, zijn symbolieken staf zwaaiende, alsof hij de machten der duisternis uitdaagde. “Uwe dochter werkt dus,” ging hij voort tegen den Jood, “door woorden, zegels, amuletten en andere kabbalistische geheimen?”

“Neen, eerwaarde en dappere ridder,” antwoordde Izaäk, “maar hoofdzakelijk door een balsem van wonderdadige kracht.”

“Van wien heeft ze dit geheim?” vroeg Beaumanoir.

“Het werd haar geopenbaard door Mirjam, eene wijze vrouw uit onzen stam,” antwoordde Izaäk aarzelende.

“Ha, valsche Jood! was het die heks Mirjam, wier afschuwelijke toovenarijen in ieder Christelijk land bekend zijn?” riep de Grootmeester, een kruis slaande. “Haar lichaam is op een brandstapel verbrand, en hare asch door de winden verstrooid; en zoo ga het mij en mijne Orde, zoo ik niet hetzelfde en nog meer aan haar leerling doe! Ik zal haar leeren de soldaten van den Heiligen Tempel te betooveren!—Hier, Damian! werp dezen Jood buiten de poort!—Schiet hem dood, zoo hij zich verzet of terugkeert! Met zijne dochter zullen wij handelen, zooals de Christelijke wet en ons heilig ambt vorderen!”

De arme Izaäk werd dus weggesleept en naar buiten geworpen, zonder dat men de minste acht sloeg op zijn smeekingen, of zelfs op zijn aanbiedingen. Hij kon dus niets beters doen, dan naar het huis van den Rabbijn terug te keeren, en te trachten, door middel van dezen gewaar te worden, wat het lot zijner dochter zijn zou. Hij had tot hiertoe voor haar eer gevreesd, en nu moest hij voor haar leven sidderen. Intusschen liet de Grootmeester den Preceptor van Templestowe bij zich komen.


1 De stichtingen der Tempeliers heetten Preceptorijen, en de titel van den opperste der Orde was Preceptor, terwijl de voornaamste ridders van St. Jan Commandeurs en hunne huizen Commanderijen genoemd werden. Maar deze benamingen werden, naar het schijnt, somtijds verwisseld.W. S.

2 In de regels der Tempeliers wordt deze spreuk telkens, in verschillende bewoordingen herhaald, en komt in bijna elk hoofdstuk voor, alsof ze de leus ware van de Orde: dit zal verklaren waarom de Grootmeester zóó dikwerf er gebruik van maakt.—W. S.

3 Zie het XIIIde hoofdstuk van Leviticus.