WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 43: Acht-en-dertigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Acht-en-dertigste Hoofdstuk.

Hier ligt mijn pand;

Ik houd het vol tot aan het uiterste,

Met krijgsmans moed!

Richard II.

Lucas Beaumanoir zelfs werd door het voorkomen van Rebekka getroffen. Hij was van natuur geen wreed of hardvochtig mensch, maar met eene van natuur koude geaardheid, en met een verheven, schoon verkeerd begrip van plicht, was zijn hart langzamerhand verhard geworden door zijn kloosterleven, door de hooge macht, welke hij uitoefende en door de gewaande noodzakelijkheid om het ongeloof ten onder te brengen, en de ketterij uit te roeien, welke verplichting naar hij meende, bijzonder op hem rustte. Zijn trekken verloren iets van hunne gewone strengheid toen hij het schoone wezen, dat voor hem stond, aanschouwde, alleen, zonder een enkelen vriend, en zich met zooveel verstand en moed verdedigende. Hij maakte tweemaal het teeken van het kruis, alsof hij de oorzaak wantrouwde van die ongewone weekheid van een hart, dat bij zulke gelegenheden gewoon was het staal van zijn zwaard in hardheid te overtreffen. Eindelijk zei hij:

“Meisje, zoo het medelijden dat ik voor u gevoel, ontstaat uit het gebruik van uwe booze kunsten, dan is uw schuld groot. Maar ik geloof eerder, dat het de zachtere gewaarwordingen der natuur zijn, die zich bedroeft, dat een zoo schoon uiterlijk zooveel slechtheid verbergt. Heb berouw, mijne dochter,—beken uwe tooverijen,—verzaak uw ongeloof,—omhels dit heilige teeken, en alles zal u nog hier en in de toekomst wèl gaan. In een klooster van de strengste orde, zult gij tijd hebben, om te bidden en boete te doen, en over zulk berouw beklaagt men zich nooit. Doe dit en leef;—wat heeft Mozes’ wet voor u gedaan, dat gij er voor zoudt sterven?”

“Het is de wet mijner vaderen,” zei Rebekka, “welke onder donder en storm, in wolken en vuur op den berg Sinaï gegeven werd. Dit gelooft gij, zoo gij Christen zijt;—gij zegt, dat die wet herroepen is; maar dit hebben mijne leermeesters mij niet geleerd.”

“Laat onze kapelaan,” zei Beaumanoir, “voortreden en deze hardnekkige ongeloovige zeggen,—”

“Vergeef, dat ik u in de rede val;” zei Rebekka zachtjes; “ik ben een meisje, niet geleerd genoeg om over mijn godsdienst te redetwisten, maar daarvoor sterven kan ik wel, zoo het Gods wil is.—Heb de goedheid mij te antwoorden op mijn verzoek, om een kampvechter te mogen stellen.”

“Geef mij haar handschoen,” zei Beaumanoir: “Dit is waarlijk,” vervolgde hij, terwijl hij de zachte stof en de kleine vingers beschouwde, “een licht en teeder pand voor eene zoo doodelijke onderneming. Ziet gij, Rebekka, wat deze uw dunne en kleine handschoen tegen een van onze zware stalen handschoenen is, dat is ook uwe zaak tegen die van den Tempel; want het is onze Orde, die gij uitgedaagd hebt.”

“Werp mijne onschuld mede in de schaal,” antwoordde Rebekka, “en de zijden handschoen zal zwaarder wegen, dan de ijzeren.”

“Dus volhardt gij bij uwe weigering om uwe schuld te bekennen, en bij de stoute uitdaging, welke gij gedaan hebt?”

“Ik volhard daarbij, edele heer,” antwoordde Rebekka.

“Het zij zoo, in naam des Heeren!” zei de Grootmeester, “en moge God het recht doen zegepralen!”

“Amen!” riepen de Preceptoren rondom hem, en het woord werd zachtjes herhaald door de geheele vergadering.

“Broeders,” zei Beaumanoir, “gij gevoelt wel, dat wij aan deze vrouw het voorrecht van een Godsgericht wel hadden kunnen weigeren;—maar ofschoon zij eene Jodin en eene ongeloovige is, is zij toch vreemd en zonder bescherming, en God verhoede, dat zij de hulp van onze zachte wetten zou inroepen, en dat wij haar die zouden weigeren. Daarenboven zijn wij ridders en soldaten, zoowel als geestelijken, en het ware eene schande voor ons, om onder eenig voorwendsel eene uitdaging van de hand te wijzen. Zoo staan de zaken thans: Rebekka, de dochter van Izaäk van York, is ten gevolge van veelvuldige verdachte omstandigheden wegens tooverij, uitgeoefend tegen den persoon van een edelen ridder van onze heilige Orde veroordeeld, en zij heeft een Godsgericht gevorderd ten bewijze van haar onschuld. Aan wien meent gij, mijne broeders, dat wij het pand van den strijd moeten overgeven, en hem dus tot onzen kampvechter benoemen?”

“Aan Brian De Bois-Guilbert, die er hoofdzakelijk in betrokken is,” zei de Preceptor Van Goodalricke, “en die bovendien het best weet, hoe het met de waarheid in deze zaak staat.”

“Maar als onze broeder Brian,” hervatte de Grootmeester, “onder den invloed staat van eene betoovering?—Wij spreken slechts uit voorzorg; want aan geen lid van de heilige Orde zouden wij liever deze, of een nog gewichtiger zaak toevertrouwen.”

“Eerwaarde vader,” antwoordde de Preceptor Van Goodalricke, “geene betoovering heeft invloed op den kampvechter, die optreedt om in een Godsgericht te strijden.”

“Gij hebt gelijk, broeder,” hernam de Grootmeester. “Albert Malvoisin, geef dit onderpand van den strijd aan Brian De Bois-Guilbert.—Ik gelast u, broeder,” vervolgde hij, zich tot Bois-Guilbert wendende, “om manmoedig te strijden, niet twijfelende, of de goede zaak zal zegepralen.—Voor u, Rebekka, bepalen wij den derden dag na dezen, opdat gij een kampvechter moogt stellen.”

“Dat is een korte tijd,” antwoordde Rebekka, “voor een vreemdeling, die niet van uw geloof is, om iemand te vinden, die leven en eer om harentwille in den strijd zou willen wagen.”

“Wij kunnen den tijd niet verlengen,” hernam de Grootmeester; “de strijd moet in onze eigene tegenwoordigheid plaats hebben, en verscheidene gewichtige redenen roepen ons op den vierden dag van hier.”

“Gods wil geschiede!” riep Rebekka uit; “ik stel mijn vertrouwen in Hem, voor Wien één oogenblik even voldoende ter redding is, als eene geheele eeuw.”

“Gij hebt goed gesproken, meisje,” zei de Grootmeester; “maar wij weten ook zeer goed, wie zich als een Engel des lichts vertoonen kan. Nu blijft er slechts nog over, om eene plaats te bepalen voor den strijd, en, zoo het noodig mocht zijn, voor de volvoering der straf.—Waar is de Preceptor van dit huis?”

Albert Malvoisin, steeds Rebekka’s handschoen in de hand houdende, sprak zeer ernstig maar zacht met Bois-Guilbert.

“Hoe!” riep de Grootmeester, “wil hij het pand niet aannemen?”

“Hij wil het wèl,—hij heeft het reeds aangenomen, zeer eerwaarde vader,” antwoordde Malvoisin, den handschoen onder zijn eigen mantel stekende. “En voor de plaats van het gevecht, houd ik het strijdperk van St. George voor het geschiktst, daar het tot deze Preceptorij behoort, en wij het veelal voor krijgsoefeningen gebruiken.”

“Het is wèl,” zei de Grootmeester. “Rebekka, in dit strijdperk zult gij uw kampvechter stellen, en zoo gij zulks niet doet, of indien hij in het Godsgericht overwonnen wordt, dan zult gij, volgens uw vonnis, den dood eener tooveres sterven. Laat dit ons vonnis in het boek opgeteekend en luid voorgelezen worden, opdat niemand onkunde daarvan voorwende.”

Een der kapelanen, die den dienst van schrijvers bij het Kapittel waarnamen, schreef dadelijk het vonnis in een groot boek, de handelingen der Tempelridders bevattende, wanneer zij bij plechtige gelegenheden vergaderd waren; en toen hij met schrijven gedaan had, las een tweede met luider stem het vonnis van den Grootmeester, dat uit het Normandisch-Fransch vertaald, aldus luidde, voor:

“Rebekka, eene Jodin, de dochter van Izaäk van York, beschuldigd van tooverij, verleiding, en andere verdoemelijke kunsten, die zij op een ridder van de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion heeft uitgeoefend, loochent dit, en zegt, dat de heden tegen haar afgelegde getuigenissen valsch, boosaardig en onwaar zijn; en dat zij, wettig verhinderd door haar geslacht, in hare plaats een kampvechter stellen zal, om hare zaak te verdedigen, die zijn ridderlijken plicht vervullen zal met zoodanige wapens, als een gevecht vordert, en dat op hare kosten en gevaar. En hierop gaf zij haar pand, dat overgegeven werd aan den edelen Heer en Ridder Brian De Bois-Guilbert van de Heilige Orde van den Tempel van Sion; deze werd benoemd om dien strijd te voeren voor zijne Orde en zich zelven, als beleedigd en benadeeld zijnde door de tooverijen der aangeklaagde. Derhalve heeft de Zeer Eerwaarde Vader en machtige Heer Lucas, Markies van Beaumanoir, genoemde uitdaging en de verschooning der aangeklaagde wegens haar geslacht aangenomen, en den derden dag van heden tot genoemd gevecht bepaald, en daartoe aangewezen de omheinde plaats, genoemd het strijdperk van St. George, nabij de Preceptorij van Templestowe. En de Grootmeester roept dus de beschuldigde op, om aldaar door haar kampvechter te verschijnen, onder doodstraf, als van tooverij en verleiding overtuigd; als ook den aanklager om te verschijnen, onder straf van voor een lafaard verklaard te worden, in geval hij niet mocht verschijnen, en de edele Heer en Zeer Eerwaarde Vader voornoemd, bepaalt, dat het gevecht in zijne tegenwoordigheid zal plaats hebben, met inachtneming van alle in zulke zaken heerschende gebruiken. En moge God de rechtvaardige zaak bijstaan!”

“Amen!” riep de Grootmeester; en de menigte herhaalde het woord. Rebekka sprak niet; maar zij zag ten hemel, en haar handen vouwende, bleef zij eene minuut lang in dezelfde houding. Zij bracht hierop den Grootmeester op een bescheiden toon te binnen, dat zij eenige vrijheid moest hebben, om haar vrienden bericht van haar toestand te geven, opdat men, indien het mogelijk was, een kampvechter voor haar zou zoeken.

“Dat is recht en billijk,” zei de Grootmeester; “kies welken bode gij wilt, en hij zal vrij in uwe gevangenis komen.”

“Is er iemand hier,” zei Rebekka, “die hetzij uit liefde voor de goede zaak, of voor een mild loon, een boodschap voor een ongelukkig schepsel doen wil?”

Allen zwegen; want niemand waagde in de tegenwoordigheid van den Grootmeester eenige belangstelling voor de gelasterde gevangene te betoonen, uit vrees van voor Joodschgezind gehouden te worden. Niet eens het vooruitzicht op belooning en veel minder het gevoel van medelijden alleen kon deze vrees te boven komen.

Rebekka bleef eenige oogenblikken in onbeschrijfelijken angst en toen riep zij uit: “Is het wezenlijk zoo?—En moet ik in Engeland van de geringe kans van redding, die mij overblijft, beroofd worden, omdat niemand een liefdedienst voor mij verrichten wil, welken men den ergsten misdadiger niet zou weigeren?”

Higg, de zoon van Snell, antwoordde eindelijk: “Ik ben maar een kreupel man, maar aan hare liefderijke hulp heb ik het te danken, dat ik mij nog verroeren en bewegen kan.—Ik wil uwe boodschap verrichten,” voegde hij er bij, zich tot Rebekka wendende, “zoo goed als een verlamd schepsel het kan; en gelukkig zou ik zijn, als mijne beenen vlug genoeg waren om het kwaad, dat mijne tong gedaan heeft, weder goed te maken. Helaas! toen ik uwe liefdadigheid roemde, dacht ik niet, dat ik u daardoor in gevaar bracht!”

“God,” zei Rebekka, “beschikt alles. Hij kan Juda’s gevangenschap zelfs door het zwakste werktuig doen eindigen. Om Zijn last te volbrengen, is de slak een even zekere bode als de valk. Zoek Izaäk van York op;—zie, hier is geld, daar kunt gij een paard voor nemen,—en overhandig hem dit briefje.—Ik weet niet, of het de Hemel is, welke mij bezielt; maar ik ben vast overtuigd, dat ik dezen dood niet zal sterven, en dat er zich een kampioen voor mij zal opdoen. Vaarwel!—leven en dood hangen van uw spoed af.”

De boer nam het briefje, dat slechts eenige woorden in het Hebreeuwsch bevatte. Velen der toeschouwers wilden hem afraden, om een zoo verdacht geschrift aan te raken; maar Higg had vast besloten om zijne weldoenster te dienen. “Zij heeft mijn lichaam gered,” zei hij; “en ik ben verzekerd, dat zij mijne ziel niet in gevaar zal brengen. Ik zal het flinke paard van buurman Buthan huren, en te York zijn zoo spoedig man en beest er maar komen kunnen.”

Maar gelukkig, behoefde hij zoo ver niet te gaan, want ongeveer een kwartier van de poort der Preceptorij ontmoette hij twee ruiters, die hij aan hunne kleeding en groote gele mutsen voor Joden erkende; en naderbij komende ontdekte hij, dat een van hen Izaäk van York was; bij wien hij vroeger gewerkt had. De andere was de Rabbijn Ben Samuel; beiden waren zoo dicht bij de Preceptorij gekomen als zij durfden, toen zij hoorden dat de Grootmeester een Kapittel voor het proces van eene tooveres bijeen geroepen had.

“Broeder Ben Samuel,” zei Izaäk, “mijn ziel is ongerust en ik weet niet waarom. Dit voorwendsel van hekserij wordt dikwijls gebruikt om ons volk te kwellen.”

“Wees getroost, broeder,” zei de geneesheer; “gij kunt immers met de Nazareners handelen als een man, die den Mammon der ongerechtigheid bezit, en dus gemakkelijk vrijstelling van alle straf verkrijgen.—Het goud beheerscht de woeste gemoederen van deze goddelooze menschen, zooals men zegt, dat het zegel van den machtigen Salomo de booze geesten beheerscht.—Maar welke ongelukkige op krukken komt daar aan, begeerig naar het schijnt, om mij te spreken?—Vriend,” vervolgde de geneesheer, zich tot Higg, den zoon van Snell wendende, “ik weiger u de hulp van mijne kunst niet, maar help hen, die op den grooten weg bedelen, met geen penning. Vertrek!—Hebt gij de jicht in de beenen? werk dan met de handen voor de kost; want al zijt gij ook ongeschikt tot bode, of tot een zorgvuldigen herder, of tot den oorlog, of tot den dienst van een driftigen meester, zoo is er toch nog wel wat te doen.—Hoe nu, broeder,” zei hij, zijn rede afbrekende om naar Izaäk te zien, die nauwelijks het briefje, dat Higg hem ter hand stelde, had ingezien, of hij viel met een luiden gil, als een stervende van zijn muilezel, en bleef een oogenblik bewusteloos liggen. De Rabbijn steeg verschrikt af, en diende hem haastig de middelen toe, welke zijn kennis hem tot herstel van zijn vriend aan de hand gaf. Hij haalde zelfs zijn gereedschap tot aderlaten uit den zak en wilde het juist gebruiken, toen het voorwerp van zijn angstige zorg plotseling herleefde, maar alleen om zijne muts van het hoofd te trekken en zijn grijze haren met stof te bestrooien. De geneesheer was eerst geneigd om deze plotselinge en hevige aandoening aan zinneloosheid toe te schrijven, en bij zijn eerste voornemen blijvende, begon hij weder zijn instrumenten te hanteeren. Maar Izaäk overtuigde hem weldra van zijn dwaling. “Kind mijner smarte!” riep hij: “Wel moest gij Ben-Oni in plaats van Rebekka genoemd worden! Waarom moet uw dood mijne grijze haren naar het graf brengen, zoodat ik in de bitterheid van mijn hart God vervloek en sterf?”

“Broeder,” riep de Rabbijn verbaasd, “zijt gij een vader in Israël, en uit gij zulke woorden?—Het kind van uw huis leeft toch zeker nog?”

“Zij leeft,” antwoordde Izaäk; “maar het is als Daniël, die Beltsazar genoemd werd, toen hij in den leeuwenkuil was. Ze is gevangen bij deze mannen Belials, en ze willen hunne wreedheid op haar uitoefenen, zonder medelijden te hebben met hare jeugd en haar schoonheid. O! ze was een krans van groene palmen voor mijne grijze lokken; en ze moet in één nacht verwelken, gelijk de wonderboom van Jonas!—Kind mijner liefde!—Kind mijns ouderdoms!—O Rebekka, dochter van Rachel! de donkere schaduw des doods overvalt u!”

“Lees het briefje nog eens,” zei de Rabbijn, “mogelijk vinden wij nog een weg tot redding.”

“Lees gij, broeder,” antwoordde Izaäk; “want mijne oogen zijn als waterfonteinen.”

De geneesheer las, in hunne moedertaal, de volgende woorden: “Aan Izaäk, den zoon van Adonikam, welken de Heidenen Izaäk van York noemen.—Dat vrede en de zegen der belofte u geschonken worden!—Mijn vader, ik ben ter dood veroordeeld wegens eene misdaad, van welke mijn ziel niets weet, namelijk die der tooverij. Mijn vader, indien er een dapper man kan gevonden worden, om voor mij te strijden met zwaard en lans, volgens de gewoonte der Nazareners, in het strijdperk van Templestowe, den derden dag na dezen, dan zal misschien de God onzer vaderen hem kracht geven, om de onschuldige en hulpelooze te verdedigen. Maar zoo dat niet gebeurt, laat dan de maagden van ons volk om mij rouwen als om eene afgestorvene, als om het hert, dat de jager velt, en de bloem, welke de maaier met zijn zeisen afmaait. Zie dus toe, waar er hulp te vinden is. Één Nazareensch krijgsman zou inderdaad voor mij in het strijdperk treden; het is Wilfrid, de zoon van Cedric, dien de Heidenen Ivanhoe noemen. Maar hij kan het gewicht zijner wapenrusting nog niet dragen. Zend hem desniettegenstaande bericht, vader, want hij staat in aanzien bij de dappere mannen van zijn volk; en daar hij onze gevangenschap deelde, zal hij misschien iemand kunnen vinden, die voor mij strijdt. Maar zeg hem, aan hem zelven, aan Wilfrid, den zoon van Cedric, dat Rebekka leve of sterve, ze geheel vrij van de haar toegeschreven misdaad leeft en sterft. En zoo het de wil van God is, dat ge van uwe dochter beroofd moet worden, toef dan niet langer in dit land van bloedvergieten en wreedheid, oude man! maar begeef u naar Cordova, waar uw broeder in veiligheid woont onder den schepter, ja, zelfs onder den schepter van Boabdil, den Saraceen; want minder wreed zijn de gruwelen der Mooren tegen de kinderen van den stam Jacobs, dan de gruwelen der Nazareners van Engeland.”

Izaäk luisterde vrij bedaard terwijl Ben Samuël dezen brief voorlas, maar daarop toonde hij weder door Oostersche gebaren en uitroepingen zijne droefheid; hij verscheurde zijne kleederen, bestrooide zijn hoofd met stof en riep uit: “Mijne dochter! mijne dochter! vleesch van mijn vleesch en been van mijn been!”

“Kom aan, schep moed!” sprak de Rabbijn; “deze droefheid kan u niets helpen. Omgord uwe lendenen, en zoek dezen Wilfrid, den zoon van Cedric op. Hij kan u wellicht helpen met raad en daad; want de jongeling staat in gunst bij Richard, dien de Nazereners Leeuwenhart noemen, en het gerucht, dat deze teruggekeerd is, verspreidt zich in het land. Misschien kan hij brief en zegel van hem krijgen, om deze bloeddorstige menschen, die hun naam ontleenen aan den Tempel, dien ze onteeren, te bevelen, dat ze niet in dit hun goddeloos voornemen volharden.”

“Ik zal hem opzoeken,” antwoordde Izaäk, “want hij is een goede jongeling en heeft medelijden met de gevangenschap van Jacob. Maar hij kan zijne wapenrusting niet dragen, en welk ander Christen zal voor de onderdrukte dochter Sions strijden?”

“Wel,” zei de Rabbijn, “ge spreekt als een man, die de Heidenen niet kent. Met goud zult gij hunne dapperheid koopen, evenals gij met goud uw eigene veiligheid koopt. Wees goedsmoeds, en haast u dezen Wilfrid van Ivanhoe op te zoeken. Ik wil ook op weg gaan en werkzaam zijn, want het zou eene zware zonde wezen u in uw ongeluk te verlaten. Ik wil mij naar de stad York begeven, waar eene menigte krijgslieden en dappere mannen vergaderd zijn, en ik twijfel niet of ik zal iemand er vinden, die voor uwe dochter zal willen strijden; want goud is hun afgod, en voor geld zullen ze hun leven geven zoowel als hun land.—Zult gij alle beloften, die ik hun in uw naam doe, vervullen, broeder?”

“Voorzeker, broeder,” antwoordde Izaäk, “en de Hemel zij geloofd, dat hij mij een trooster in mijne ellende heeft gezonden. Hoe het ook zij, sta hunne eischen niet op eens toe; want ge zult vinden, dat het dezen menschen eigen is, ponden te vragen en met oncen tevreden te zijn.—Evenwel doe wat gij wilt, want ik ben buiten mij zelven, en hoe zou goud mij baten, als het kind mijner liefde verloren ging?”

“Vaarwel,” zei de geneesheer, “en mogen uwe wenschen vervuld worden!”

Zij omhelsden elkander en sloegen verschillende wegen in. De kreupele boer bleef eenigen tijd staan en zag hen na.

“Die honden van Joden!” riep hij; “ze storen zich niet meer aan een vrijen gildebroeder, dan alsof ik een geboren slaaf, een Turk, of een besneden Hebreër, gelijk zij zelven ware! Ze hadden mij toch wel een paar zilverstukken kunnen toewerpen. Ik was niet verplicht, om hun onheilig gekrabbel over te brengen en gevaar te loopen van betooverd te worden, zooals men mij zeide. En wat helpt mij het stukje goud, dat het meisje mij gegeven heeft, zoo de priester mij daarom bij de biecht op aanstaanden Paschen bestraft, en ik hem tweemaal zooveel moet geven om het weder goed te maken, en dan nog wellicht op den koop toe mijn leven lang de Joodsche bode heeten! Ik geloof, dat ik in ernst betooverd was, toen ik naast het meisje stond!—Maar dit was altijd het geval met Jood of Heiden, die in hare nabijheid kwam;—niemand kon blijven staan als ze een boodschap te doen had,—en toch, als ik aan haar denk, dan wilde ik wel mijn werkplaats en werktuigen er bij geven, om haar het leven te redden!”

Negen-en-dertigste Hoofdstuk.

O meisje, koud en onverbid’lijk!

Mijn’ ziel is even trotsch als de uwe!

Seward.

De avond schemerde op denzelfden dag, waarop Rebekka’s proces, als men het zoo noemen kan, had plaats gehad, toen er zachtjes aan de deur van hare gevangenis getikt werd. Dit stoorde de bewoonster niet, die juist bezig was met het avondgebed te verrichten, dat haar godsdienst voorschreef, en dat met een lofzang eindigde, welken wij gewaagd hebben aldus te vertalen:

Toen ’t uitverkoren volk weleer

Egypte’s slavernij ontkwam,

Verscheen der vaadren God, de Heer,

Aan Israël in rook en vlam.

Des daags, geleidde een wolkkolom

Hen door Arabiëns zandwoestijn;

Terwijl, des nachts, een vuurzuil glom,

Om hun een trouwe gids te zijn.

De blijde koorzang werd gehoord,

En Sions dochtren stemden ’t lied,

Bij cymbaalspel en harp-accoord,

Te zaam met krijgsheld en Leviet.

Helaas! geen wonderwerken meer

Beschermen Abrahams geslacht;

’t Viel van Uw wegen af, o Heer!

En ’t werd verlaten door Uw macht.

Maar schoon onzichtbaar voor Uw volk,

Verschijne aan ons verheugd gemoed

In voorspoed, nog gelijk een wolk,

Die voor bedrieglijk licht ons hoedt;

En als op ’t rampvol Isrel weer

Een nacht, door storm verduisterd, daalt,

Zij ons altijd barmhartig, Heer!

Een vuurzuil, die ons pad bestraalt.

Wij lieten binnen Babels stad

De harpen, ’s vijands schimp en spot.

Geen hand ontsteekt het wierookvat,

Bazuin noch citer looft u, God!

Maar Gij beloofdet Juda’s stam

Dat U, het hart in boete en rouw,

Nog meer, dan ’t bloed van geit of ram

Een welkom offer wezen zou.

Toen de klanken van Rebekka’s godsdienstig gezang weggestorven waren, werd het zachte getik aan de deur hervat. “Treed binnen,” zei ze, “als gij een vriend zijt, en indien gij een vijand zijt, heb ik de macht niet, om u het binnenkomen te beletten.”

“Ik ben,” zei Brian De Bois-Guilbert, in het vertrek tredende, “vriend of vijand, Rebekka, volgens den afloop van dit gesprek.”

Verschrikt op het gezicht van dezen man, wiens losbandige drift zij als de bron van al hare rampen beschouwde, trad Rebekka achteruit, op een wel voorzichtige en bedeesde, maar geenszins vreesachtige wijze, tot in den uitersten hoek van de kamer, alsof zij besloten had zich zoo ver mogelijk terug te trekken, maar wederstand te bieden als de terugtocht niet meer doenlijk was. Zij nam dus een niet trotseerende, maar moedige houding aan, alsof ze geen aanval wilde uitdagen, en zich toch tot het uiterste toe verdedigen zou.

“Gij hebt geen reden om mij te vreezen, Rebekka,” zei de Tempelier, “of, om mij beter uit te drukken, gij hebt ten minste nu niets van mij te vreezen.”

“Ik vrees u niet, heer ridder,” hernam Rebekka, ofschoon hare angstige ademhaling den heldenmoed harer woorden scheen te logenstraffen: “Mijn vertrouwen is groot, en ik vrees u niet.”

“Gij hebt er ook geene reden toe,” antwoordde Bois-Guilbert ernstig; “mijn vorige dolzinnige aanslagen hebt gij nu niet te vreezen. Er staat in de nabijheid een wacht, die gij roepen kunt, en over welke ik geen gezag heb. Ze is bestemd om u ter dood te geleiden, Rebekka; maar ze zou u door niemand, zelfs niet door mij laten beleedigen, zoo mijn razernij,—want razernij is het,—mij zoo ver dreef.”

“God zij geloofd!” zei de Jodin; “de dood is het geringste, wat ik in dit hol des Satans te vreezen heb.”

“Ja,” hernam de Tempelier, “het denkbeeld des doods heeft niets verschrikkelijks voor een onbevreesd gemoed, als de weg daartoe open en kort is. Een steek met eene lans, een houw met een zwaard, ware voor mij eene kleinigheid.—Voor u heeft eene sprong van een hoogen toren, een steek met een scherpen dolk niets ijselijks, vergeleken met hetgeen wij voor schande houden. Let wel op.—Ik zeg dit;—misschien zijn mijne eigene gevoelens van eer niet minder dweepziek, Rebekka, dan de uwe; maar wij weten beiden er voor te sterven.”

“Ongelukkige!” riep de Jodin uit; “en zijt gij veroordeeld om uw leven bloot te stellen voor grondbeginselen, wier deugdelijkheid door uw gezond verstand niet erkend wordt? Zeker, dit heet uwe schatten voor iets weggeven, dat niets waard is;—maar denk dat niet van mij. Uw besluit moge heen en weer dobberen op de woeste, ongestadige baren der menschelijke meening, het mijne ankert vast op de rots der eeuwen.”

“Stil, meisje,” antwoordde de Tempelier; “zulke gesprekken baten thans weinig;—gij zijt veroordeeld om te sterven, niet door een snellen en gemakkelijken dood, zooals de ellende en wanhoop verkiezen zouden, maar door een langzame, ijselijke, lang gerekte pijniging, die toekomt aan wat de duivelsche bijgeloovigheid dezer menschen uwe misdaad noemt.”

“En aan wien, zoo dit mijn lot is, aan wien heb ik het te danken?” zei Rebekka. “Zeker, alleen aan hem, die tot zijn eigen schandelijke oogmerken mij hierheen sleepte, en nu nog, om eenige mij onbekende beweegredenen, het ellendige lot, waaraan hij mij blootgaf, nog ellendiger tracht te maken.”

“Denk niet,” hernam de Tempelier, “dat ik u zoo blootgesteld heb; ik zou u met mijn eigen boezem tegen zulk een gevaar beschermd hebben, even zeker als ik mij prijs gaf aan de pijlen, die anders uw hart zouden doorboord hebben.”

“Ware het uw voornemen geweest de onschuld eerlijk te beschermen,” hervatte Rebekka, “dan zou ik u voor uwe bezorgdheid bedankt hebben. Maar zooals het nu is, hebt gij u zoo dikwijls op dezen dienst reeds beroemd, dat ik zeggen moet, dat het leven mij niets waard is, als het tegen den prijs, welken gij daarvoor vordert, behouden moet worden.”

“Stil met uw verwijten, Rebekka,” zei de Tempelier; “ik heb mijn eigene reden tot droefheid, en het is onnoodig, door uwe beschuldigingen ze te vermeerderen.”

“Wat is dan uw voornemen, heer ridder?” zei de Jodin. “Zeg het kortaf.—Indien gij hier iets anders te doen hebt dan de ellende, die gij mij berokkend hebt, te aanschouwen, doe het mij dan weten, en laat mij verder, ik bid u, aan mij zelve over;—de schrede van den tijd in de eeuwigheid is kort, maar verschrikkelijk, en ik heb slechts weinige oogenblikken, om mij daarop voor te bereiden.”

“Ik zie, Rebekka,” hernam Bois-Guilbert, “dat gij steeds voortgaat, om mij uwe rampen te last te leggen, die ik zoo gaarne zou hebben willen voorkomen.”

“Heer ridder,” hervatte Rebekka; “ik wilde gaarne geene verwijtingen doen;—maar wat is zekerder, dan dat ik mijn dood aan uwe toomelooze drift te wijten heb?”

“Gij dwaalt!—gij dwaalt,”—antwoordde de Tempelier driftig, “zoo gij aan mijne bedoeling of aan mijne schuld toeschrijft, wat ik voorzien, noch voorkomen kon. Kon ik de onverwachte aankomst van dien ouden dwaas voorzien, dien eenige vonken van roekelooze dapperheid en de lof toegekend aan de domme zelfkwellingen van een kloosterling, voor het oogenblik boven zijne eigene verdiensten, boven het gezond verstand, boven mij, en boven honderden van onze Orde, verheven hebben, die denken en gevoelen als mannen, vrij van zulke zotte en dweepzieke vooroordeelen, die tot grondslag van zijne gevoelens en daden strekken?”

“En toch,” zei Rebekka, “zat gij als rechter over mij; en terwijl gij wist, dat ik onschuldig,—geheel onschuldig was,—hebt gij aan mijne veroordeeling deel genomen, en, zoo ik het goed verstaan heb, moet gij zelf in het strijdperk verschijnen, om mijne straf te verzekeren!”

“Geduld, meisje!” hernam de Tempelier. “Geen volk weet beter dan het uwe zich naar de omstandigheden te schikken, en het schuitje zoo te sturen, dat zij zelfs uit een ongunstigen wind voordeel kunnen trekken.”

“Beklagenswaardig is het uur,” hervatte Rebekka, “dat het volk Israëls zulke kunsten geleerd heeft; maar de tegenspoed buigt het hart, gelijk het vuur het harde staal doet buigen; en zij, die zichzelven niet langer bestieren, noch burgers van een vrijen, onafhankelijken staat zijn mogen, moeten voor vreemdelingen bukken. Dat is de vloek, heer ridder, dien wij zonder twijfel door onze eigene overtredingen en door die onzer vaderen verdiend hebben; maar gij,—gij, die op uwe vrijheid, en op uw geboorterecht pocht, hoeveel grooter is uwe schande, als gij u, tegen uwe eigene overtuiging, verlaagt, om de vooroordeelen van anderen aan te kweeken!”

“Uw woorden zijn bitter, Rebekka,” zei Bois-Guilbert, ongeduldig door het vertrek stappende; “maar ik ben niet gekomen, om verwijtingen aan te hooren.—Weet, dat Bois-Guilbert voor geen mensch ter wereld wijkt, al noodzaken hem de omstandigheden een tijdlang zijn plan te wijzigen. Zijn wil is de bergstroom, welken de rots wel een oogenblik van richting kan doen veranderen, maar die toch zijn loop tot aan den oceaan vervolgt. Dit briefje, dat u aanried, om een kampvechter te vragen,—van wien kondet gij denken, dat het kwam, dan van Bois-Guilbert? Bij wien anders kondet gij zulk eene belangstelling verwekt hebben?”

“Dit is slechts een kort uitstel van een dreigenden dood,” antwoordde Rebekka, “dat mij weinig baten zal,—was dit alles, wat gij voor een meisje doen kondet, op welks hoofd gij rampen opeengestapeld, en dat gij zelf tot aan den rand van het graf gebracht hebt?”

“Neen, meisje,” antwoordde Bois-Guilbert, “dit was niet alles wat ik bedoelde. Zonder de vervloekte tusschenkomst van dien dweepzieken domoor en gek van Goodalricke, die, ofschoon een Tempelier, veinst volgens de regels der menschelijkheid te denken en te oordeelen, was het een gewonen ridder der Orde en niet een Preceptor ten deel gevallen, om te strijden. Dan zou ik zelf,—dit was mijn voornemen,—op het geblaas der trompet als uw kampvechter in het strijdperk verschenen zijn, vermomd als een dolende ridder, die met lans en zwaard avonturen zoekt; en dan had Beaumanoir niet één, maar twee of drie der hier vergaderde broeders kunnen uitkiezen, en ik zou hen één voor één onfeilbaar uit den zadel gelicht hebben. Aldus, Rebekka, zou uwe onschuld bewezen zijn, en ik zou de belooning mijner zege aan u zelve overgelaten hebben.”

“Dit, heer ridder,” zei Rebekka, “is slechts ijdele snoeverij;—gij pocht op wat gij gedaan zoudt hebben, indien gij niet goed gevonden hadt anders te doen. Gij hebt mijnen handschoen opgenomen, en mijn kampioen, indien een zoo rampzalig schepsel als ik er een vinden kan, moet uwe lans in het strijdperk wederstaan—en nog wilt gij u als vriend en beschermer voordoen?”

“Uw vriend en beschermer,” hervatte de Tempelier ernstig, “wil ik nog zijn;—maar luister op welk gevaar, of liever met welke zekerheid van schande; en dan berisp mij niet, zoo ik mijne voorwaarde stel, eer ik alles opoffer wat mij tot dusver in het leven dierbaar was, om het leven eener Jodin te redden.”

“Spreek,” zei Rebekka, “ik versta u niet!”

“Welaan dan,” hervatte Bois-Guilbert, “ik wil even vrij spreken, als ooit een onnoozel biechteling tegen zijn geestelijken vader.—Rebekka! wanneer ik niet in dit strijdperk verschijn, dan verlies ik roem en rang;—verlies, wat de ziel van mijn leven is, die achting, waarin ik bij mijne broeders sta, en de hoop, welke ik heb, om eens dat groote gezag in handen te krijgen, hetwelk thans de bijgeloovige, onnoozele Lucas De Beaumanoir bezit. Dit is mijn lot, zoo ik niet verschijn, om tegen uwe zaak te strijden. Vervloekt zij Goodalricke, die mij dezen strik gespannen heeft! en dubbel vervloekt zij Albert de Malvoisin, die mij in mijn voornemen verhinderde, om den handschoen in het gezicht van den bijgeloovigen ouden dwaas te werpen, die eene zoo ongerijmde aanklacht tegen een zoo hooghartig en bekoorlijk schepsel aanhoorde!”

“En wat baat thans uw razen of vleien?” antwoordde Rebekka. “Gij hebt uwe keus gedaan tusschen den dood van eene onschuldige vrouw en het verlies van uw aardschen rang en aardsche hoop;—wat baat het, dit tegen elkander te wegen?—uwe keus is gedaan!”

“Neen, Rebekka,” hervatte de ridder op zachteren toon en naderbij komende; “mijne keus is niet gedaan;—neen! let wel,—de beslissing staat aan u. Als ik in het strijdperk verschijn, dan moet ik mijn wapenroem staande houden; en geschiedt dit, dan moet gij, er moge zich een kampvechter voor u opdoen of niet, op den brandstapel sterven; want er leeft geen ridder, die in den strijd mij overwinnen kan, of zelfs gelijk met mij staat, behalve Richard Leeuwenhart en zijn gunsteling Ivanhoe. Deze is, zooals ge weet, buiten staat, om zijne wapenrusting te dragen, en Richard zucht in eene vreemde gevangenis. Als ik opkom, dan sterft gij, al bewogen ook uwe bekoorlijkheden den een of anderen heethoofdigen jongeling, om voor u te strijden.”

“En waartoe dient het, dit zoo dikwijls te herhalen?” zei Rebekka.

“Opdat gij uw lot van alle kanten leert beschouwen,” antwoordde de Tempelier.

“Welaan dan,” hervatte de Jodin, “keer het blad om; laat mij de andere zijde zien.”

“Als ik in het noodlottige strijdperk verschijn,” zei Bois-Guilbert, “dan sterft gij een langzamen en pijnlijken dood, in kwellingen, die men zegt, dat hiernamaals voor de schuldigen bestemd zijn. Maar, als ik niet verschijn, dan ben ik een onteerd en verstooten ridder, beschuldigd van tooverij en gemeenschap met ongeloovigen;—de doorluchtige naam, die door mij nog beroemder geworden is, wordt een schimp- en schandnaam. Ik verlies roem en eer;—ik verlies het vooruitzicht op een grootheid, welke nauwelijks keizers bereiken.—Ik offer eene machtige eerzucht op; ik zie af van plannen, welke zoo hoog opgebouwd waren als de bergen, met welke de heidenen zeggen, dat hun hemel eens bijna beklommen werd,—en echter, Rebekka!” voegde hij er bij, zich aan haar voeten werpende, “wil ik deze grootheid opofferen, van dezen roem afstand doen, deze macht laten varen, zelfs nu ik ze half in de hand houd, als gij zeggen wilt: Bois-Guilbert, ik neem u tot mijn minnaar aan!”

“Denk aan zulke dwaasheid niet, heer ridder,” antwoordde Rebekka; “maar vlieg naar den Regent, naar de Koningin-moeder, naar Prins Jan;—ze kunnen, om de eer der kroon, de handelwijze van uw Grootmeester niet goedkeuren. Op deze wijze zult ge mij beschermen, zonder opoffering van uw kant, en zonder een voorwendsel te hebben om eenige vergelding van mij te vergen.”

“Met dezen onderhandel ik niet,” vervolgde hij, den slip van haar gewaad vasthoudende;—“tot u alleen wend ik mij; en wat kan tegen mijn voorstel opwegen? Bedenk, al ware ik een duivel, dan is de dood nog vreeselijker, en het is de dood, die mijn medeminnaar is!”

“Ik geef niet om deze rampen,” zei Rebekka, bevreesd om den woesten ridder te vertoornen, en toch even vast besloten zijne liefde niet te dulden, en niet eens te veinzen ze te dulden. “Wees man, wees Christen! Indien uw geloof werkelijk die barmhartigheid voorschrijft, welke meer in uwe woorden dan in uwe daden gevonden wordt, red mij dan van dezen schrikkelijken dood, zonder eene belooning te zoeken, die uwe grootmoedigheid tot een lagen ruilhandel zou vernederen.”

“Neen, meisje,” zei de trotsche Tempelier, opspringende; “zoo zult ge mij niet misleiden. Zoo ik van mijn reeds verkregen roem en alle toekomstige eer afzie, dan doe ik het om uwentwille, en wij zullen te zamen vluchten. Luister naar mij, Rebekka!” zei hij, zijn toon weder verzachtende: “Engeland, Europa is de wereld niet. Er zijn nog landen, waar wij leven kunnen, die groot genoeg zijn zelfs voor mijne eerzucht. Wij zullen naar Palestina gaan, waar Conrad, Markies van Montserrat, mijn vriend is,—een vriend, even vrij als ik, van die domme vooroordeelen, welke onze vrijgeborene rede kluisteren; liever willen wij ons zelfs met Saladijn verbinden, dan den hoon van die schijnheiligen verdragen, die wij verachten.—Ik zal nieuwe paden voor mijne eerzucht banen,” ging hij voort, de kamer met driftige schreden op en neer gaande.—“Europa zal de luide stem hooren van hem, die het uit het getal zijner zonen verstooten heeft!—De millioenen, welke het als kruisvaarders ter slachting zendt, kunnen niet zooveel ter verdediging van Palestina doen;—de zwaarden van de duizenden en tienduizenden Saracenen kunnen niet dieper in dat land inhouwen, welks bezit de volken elkaar betwisten, dan de kracht en de staatslisten van mij en die broeders, welke, in weerwil van gindschen ouden dwaas, mij in goed en kwaad getrouw zullen zijn. Gij zult Koningin worden, Rebekka!—Op den berg Karmel zullen wij den troon oprichten, dien mijne dapperheid voor u veroveren zal, en ik zal den lang gewenschten grootmeesterlijken staf tegen een schepter verruilen!”

“Een droom,” zei Rebekka, “een ijdele droom, welke, al kon die ook verwezenlijkt worden, mij niet bekoort;—nooit zou ik deel willen hebben in de macht, welke ge zoudt kunnen verkrijgen! Ook denk ik niet zoo lichtvaardig over vaderland en godsdienstig geloof, dat ik hem zou kunnen achten, die deze banden wil verscheuren, en de wetten van een Orde schenden, van welke hij een gezworen medelid is, om een toomelooze drift voor de dochter van een vreemd volk te voldoen.—Bepaal geen prijs voor mijne bevrijding, heer ridder!—verkoop een edelmoedige daad niet!—bescherm de onderdrukte, uit menschenliefde, en niet om eigen voordeel!—Ga naar den Koning van Engeland; Richard zal mij uit de handen van deze wreede mannen redden!”

“Nooit, Rebekka!” riep de Tempelier trotsch. “Zoo ik mijne Orde verlaat, dan doe ik het alleen om u.—Ik wil de eerzucht behouden, zoo gij mijne liefde versmaadt; ik wil niet van alle kanten teleurgesteld worden!—Mijn hoofd voor Richard buigen?—een gunst van dien hoogmoedige vragen?—Nooit, Rebekka, wil ik de Orde des Tempels in mijn persoon aan zijn voeten leggen;—de Orde vaarwel zeggen, dat kan ik; maar nooit wil ik ze onteeren of verraden!”

“Nu, dan zij God mij genadig!” zuchtte Rebekka; “want op hulp van menschen kan ik bijna niet meer hopen!”

“Dat is zoo,” hernam de Tempelier; “want hoe trotsch gij ook zijn moogt, zoo hebt gij in mij uws gelijke gevonden. Zoo ik met de lans in het strijdperk treed, dan geloof ik niet, dat eenig menschelijk wezen mij zal beletten mijne kracht te toonen; en denk dan aan uw eigen lot,—den dood der ergste boosdoeners te sterven,—op een vlammenden brandstapel te vergaan,—terwijl uw asch in die elementen verstrooid wordt, waaruit onze lichamen zoo geheimzinnig samengesteld zijn;—en er niet het minste overblijft van die aanvallige gestalte, om ons te zeggen: zij leefde en bewoog zich onder ons!—Rebekka, geene vrouw kan dit vooruitzicht verdragen,—gij moet mijne eischen inwilligen!”

“Bois-Guilbert,” antwoordde de Jodin, “gij kent het vrouwelijk hart niet, of gij kent slechts zulke vrouwen, die haar edelste gevoelens verloren hebben. Ik zeg u, trotsche Tempelier, dat gij, die zoo op uwe dapperheid pocht, in de heetste gevechten niet meer moed hebt ten toon gespreid, dan eene vrouw kan toonen, wanneer zij door liefde of plicht geroepen wordt om te lijden. Ik ben zelve eene vrouw, teeder opgevoed, van natuur bevreesd voor gevaar, en gevoelig voor smart;—en toch ben ik ten volle overtuigd, dat, wanneer wij in het noodlottige strijdperk treden, gij om te vechten en ik om te sterven, mijn moed grooter zal zijn dan de uwe. Vaarwel!—ik verspil geene woorden meer aan u; de tijd, welke aan de dochter van Jacob op aarde nog overblijft, moet anders besteed worden:—zij moet den Trooster zoeken, die Zijn aangezicht voor Zijn volk kon verbergen, maar die altijd Zijn oor opent voor de stem van hen, die Hem in oprechtheid en waarheid zoeken!”

“Wij scheiden dus op deze wijze!” zei de Tempelier na eene korte stilte; “gave de Hemel, dat wij elkander nooit ontmoet hadden, of dat gij van eene edele geboorte en van het Christelijk geloof geweest waart!—Neen,—bij den Hemel! als ik u aanzie en bedenk, wanneer en hoe wij elkander den eersten keer weêr zullen ontmoeten, dan zou ik zelfs kunnen wenschen, dat ik een lid van uw veracht volk ware, dat mijne hand slechts met geldzakken en sjekels in plaats van lans en schild wist om te gaan, dat ik het hoofd voor iederen kleinen edele moest buigen, en dat mijn blik alleen schrikkelijk ware voor den sidderenden armen schuldenaar;—dit zou ik haast kunnen wenschen, Rebekka, om in het leven bij u te blijven, en om het vreeselijk deel te ontgaan, dat ik aan uwen dood hebben moet!”

“Gij hebt den Jood geschilderd,” antwoordde Rebekka, “zooals de vervolging van mannen, als gij zelf, hem gemaakt heeft. De Hemel heeft hem in zijn toorn uit zijn land verjaagd: maar de nijverheid heeft den eenigen weg tot macht en invloed, welke de onderdrukking ongesloten liet, voor hem geopend. Lees de oude geschiedenis van Gods volk, en zeg mij, of zij, door wie Jehova zulke wonderen op aarde verricht heeft, toen een volk van vrekken en woekeraars waren!—En weet, trotsche ridder, dat wij namen onder ons tellen, tegen welke uw geroemde Noordsche adel is als de kalebas tegen den ceder, namen, welke tot in die tijden opklimmen, toen God Zijn troon had gevestigd in het heiligdom tusschen de vleugelen der Cherubijnen, namen, welke hun glans van geen aardschen Vorst ontleenen, maar van die verhevene stem, welke hun vaders met goddelijke verschijningen vereerde.—Dit waren de Vorsten van Jacobs huis!”

Een hooger rood kleurde Rebekka’s wangen, terwijl zij van den alouden roem van haar geslacht gewaagde; maar het verdween, toen zij er zuchtende bijvoegde: “Zoo waren de Vorsten van Juda, maar zij zijn niet meer!—Zij zijn onder den voet getreden, gelijk het gemaaide gras, en vermengd met het slijk des wegs. Maar er zijn er nog onder hen, die hunne doorluchtige voorvaders niet onteeren, en tot dezen zal de dochter van Izaäk, den zoon van Adonikam, behooren! Vaarwel!—Ik benijd u uwe bloedige eer niet!—Ik benijd u uwe afkomst van Noordsche Heidenen niet!—Ik benijd u uw geloof niet, dat gij altijd in den mond, maar nooit in uw hart en in uwe daden hebt!”

“Bij den Hemel! eene tooverkracht houdt mij nog terug!” riep Bois-Guilbert. “Bijna geloof ik, dat die onzinnige grijsaard gelijk heeft, dat de weêrzin, met welken ik u verlaat iets bovennatuurlijks is.—Bekoorlijk wezen!” vervolgde hij, haar naderende, maar met grooten eerbied:—“Zoo jong, zoo schoon, zoo onbevreesd voor den dood! en toch veroordeeld om te sterven,—en dat wel een schandelijken en pijnlijken dood! Wie zou niet om u weenen?—Tranen, sedert twintig jaren vreemd aan deze oogen, bevochtigen mijn wangen, als ik u aanzie! Maar het moet zoo zijn;—niets kan thans uw leven redden. Gij en ik zijn slechts de blinde werktuigen van het onweêrstaanbaar noodlot, dat ons voortdrijft, gelijk twee schoone schepen, die de storm voor zich heenjaagt, en tegen elkander doet stooten en verbrijzelt. Vergeef mij dus, en laat ons ten minste als vrienden scheiden. Ik heb u te vergeefs van besluit willen doen veranderen, en het mijne is even vast, als de onverbreekbare vonnissen van het noodlot.”

“Zoo leggen de menschen de gevolgen hunner woeste driften aan het noodlot te last!” zei Rebekka. “Maar ik vergeef u, Bois-Guilbert, schoon gij de oorzaak van mijn ontijdigen dood zijt. Edele gedachten komen in uw krachtigen geest op; maar die gelijkt op den tuin des luiaards, waar het onkruid te welig opgroeit en de schoone, heilzame bloem verdrukt!”

“Ja,” hervatte de Tempelier, “ik ben, zooals gij mij afgeschilderd hebt, ontembaar, woest en trotsch;—daardoor heb ik onder een hoop van ijdele gekken en listige dweepers de kracht van mijn geest bewaard, welke mij boven hen verheft. Ik ben van mijne jeugd af een kind des oorlogs geweest, grootsch in mijn plannen, hardnekkig en onbuigzaam en onwrikbaar; en dit zal ik der wereld bewijzen.—Maar gij vergeeft mij, Rebekka?”

“Even gaarne, als ooit een slachtoffer zijn beul vergaf!”

“Vaarwel!” zei de Tempelier en verliet het vertrek.

De Preceptor Albert wachtte ongeduldig in de naaste kamer op de terugkomst van Bois-Guilbert.

“Gij hebt lang getoefd,” zei hij; “ik stond als op gloeiende kolen van ongeduld. Als de Grootmeester, of zijn spion Koenraad hierheen gekomen waren? Ik zou mijne gedienstigheid duur hebben moeten betalen.—Maar wat scheelt u, broeder?—Uw knieën wankelen, uw blik is somber als de nacht! Zijt gij niet wel, Bois-Guilbert?”

“Ja,” antwoordde de Tempelier, “ik ben wel; zoo wel als de ellendeling, die gedoemd is, om binnen een uur te sterven. Neen, bij het heilige kruis, niet half zoo wel;—want er zijn er in dien toestand, die het leven als een versleten kleed kunnen afleggen. Bij den Hemel, Malvoisin, dat meisje heeft mij bijna overwonnen! Ik heb half besloten, om naar den Grootmeester te gaan, de Orde te verlaten, en te weigeren de wreedheid uit te voeren, welke zijne dwingelandij mij opgelegd heeft!”

“Gij zijt razend,” antwoordde Malvoisin; “gij zult u zelven daardoor geheel rampzalig maken, zonder de minste kans te hebben om het leven dezer Jodin, die u zoo dierbaar schijnt, te redden. Beaumanoir zal een anderen ridder van de Orde benoemen, om zijn vonnis in uwe plaats te handhaven, en de beschuldigde zal even zeker sterven, als wanneer gij uw plicht gedaan hadt.”

“Dat is onwaar!—Ik zal zelf de wapens voor haar opnemen,” hernam de Tempelier, op trotschen toon; “en als ik dat doe, Malvoisin, dan geloof ik, dat gij geen één onder de Orde kent, die tegen mijne lans in den zadel zal blijven!”

“Ja, maar gij vergeet, dat gij tijd, noch gelegenheid zult hebben, om dit dolle voornemen ten uitvoer te brengen. Ga naar Lucas Beaumanoir, en zeg hem uwe gelofte van gehoorzaamheid op, en gij zult zien, hoe lang de heerschzuchtige grijsaard u in vrijheid zal laten. Nauwelijks zullen de woorden uit uw mond zijn, of gij zult honderd voet onder den grond zitten, in den kelder der Preceptorij, om uw vonnis als een afvallige af te wachten; of, indien hij bij zijne gedachte over uwe betoovering volhardt, dan zal hij u stroo, duisternis en ketens geven in de eene of andere afgelegene kloostercel, en u daar laten kwellen met banmiddelen en besproeien met wijwater, om den boozen geest, die in u gevaren is, uit te drijven. Gij moet in het strijdperk, Brian, of gij zijt een verloren en onteerd man!”

“Ik zal er uitbreken en vluchten,” zei Bois-Guilbert.—“Vluchten naar het een of ander ver afgelegen land, waarheen zich dwaasheid en dweepzucht nog geen weg gebaand hebben. Geen droppel van het bloed van dit voortreffelijk schepsel zal door mijn toedoen vergoten worden!”

“Gij kunt niet vluchten,” zei de Preceptor; “uwe razernij heeft achterdocht verwekt, en men zal u niet vergunnen, de Preceptorij te verlaten. Beproef het;—vertoon u aan de poort; beveel, dat men de brug neêrlate, en let op, welk antwoord gij krijgen zult.—Gij zijt verbaasd en beleedigd; maar is dit niet het beste voor u? Zoo gij vlucht, wat zal er het gevolg van zijn, dan het onteeren van uw wapen, de schande van uw geslacht, de ontzetting van uw rang?—Bedenk dit! Waar zullen de oude wapenbroeders hun hoofden van schaamte bergen, als Brian De Bois-Guilbert, de beste lans van de Tempeliers, onder het geschreeuw van het vergaderde volk voor een afvallige verklaard wordt? Wat zal dat een verdriet zijn voor het Fransche Hof! Met welke blijdschap zal de trotsche Richard de tijding hooren, dat de ridder, die hem in Palestina in het nauw bracht, en zijn roem bijna verduisterde, zijn eigen naam en eer om een Joodsch meisje opgeofferd heeft, dat hij niet eens tegen zulk een hoogen prijs redden kon!”

“Malvoisin,” zei de ridder, “ik dank u;—gij hebt de snaar aangeraakt, welke mijn hart het meest doet trillen!—Wat er ook van kome, afvallig zal Bois-Guilbert nooit genoemd worden. Gave God, dat Richard, of een van zijn geroemde Engelsche gunstelingen, in dit strijdperk verscheen! Maar het zal ledig blijven;—niemand zal het wagen eene lans voor de verlorene te breken!”

“Des te beter, als het zoo uitkomt,” hernam de Preceptor; “als er geen kampvechter verschijnt, dan is het niet door uw toedoen, dat dit ongelukkig meisje sterven zal, maar door de veroordeeling van den Grootmeester, die alle schuld heeft, en welke deze schuld zich tot lof en eer zal rekenen!”

“Dat is waar,” hervatte Bois-Guilbert; “als er geen kampioen verschijnt, dan ben ik maar een deel van den optocht; ik zit te paard in het strijdperk, maar ik heb geen deel aan hetgeen er op volgen zal.”

“Geen het minste,” zei Malvoisin; “niet meer dan het gewapende beeld van St. George, als het een deel van den optocht uitmaakt!”

“Welaan, ik wil weder moed scheppen. Zij heeft mij veracht, verstooten, vernederd! En waarom zou ik alles opofferen, wat mij achting bij anderen verschaft? Malvoisin, ik zal in het strijdperk verschijnen.”

Met deze woorden verliet hij haastig het vertrek, en de Preceptor volgde, om hem in zijn besluit te bevestigen; want hij had zelf groot belang in den roem van Bois-Guilbert, daar hij menig voordeel van hem verwachtte, als hij eens aan het hoofd van de Orde zou zijn; zonder de bevordering in aanmerking te nemen, waarop Mont-Fitchet hem hoop gegeven had, op voorwaarde, dat hij tot de veroordeeling van de ongelukkige Rebekka medewerkte. Evenwel, ofschoon hij bij het bestrijden van de betere gevoelens zijns vriends al de overmacht bezat, welke een listig, bedaard, baatzuchtig karakter heeft over iemand, die door sterke en tegenstrijdige hartstochten geslingerd wordt, eischte het al de bekwaamheid van Malvoisin om Bois-Guilbert in zijn voornemen te bevestigen. Hij was genoodzaakt hem nauw te bewaken, om te beletten, dat hij de gedachte van vlucht weder opvatte, en om te verhinderen, dat hij met den Grootmeester in aanraking, en tot eene opene breuk met zijn opperste kwam; hij moest ook van tijd tot tijd de verschillende beweegredenen herhalen, waardoor hij getracht had te bewijzen, dat, als Bois-Guilbert bij deze gelegenheid als kampvechter verscheen, hij, zonder Rebekka’s lot te verhaasten of te verergeren, den eenigen weg zou volgen, waarop hij zich van vernedering en schande kon redden.