WeRead Powered by ReaderPub
Ivanhoe cover

Ivanhoe

Chapter 45: Veertigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in medieval England during the king's absence, the narrative follows a disowned knight who returns to confront feudal divisions through tournaments, sieges, and forest skirmishes. The plot interweaves vivid set pieces — a grand joust, the capture and defense of castles, an outlaw band's interventions, and a dramatic trial by combat surrounding a Jewish woman contested before the military-religious order — while a hidden royal presence gradually emerges. The work emphasizes tensions between the ruling Norman aristocracy and the dispossessed Saxon populace, and explores chivalry, identity, loyalty, and justice with richly drawn episodes and lively supporting characters.

Veertigste Hoofdstuk.

Wijkt, schimmen, wijkt!—’t Is Richard zelf!

Richard III.

Toen de Zwarte Ridder,—want het is noodig zijn lotgevallen na te gaan,—den gerechtseik van den grootmoedigen roover verliet, richtte hij zijn weg regelrecht naar een naburig klooster van kleinen omvang en geringe inkomsten, de Priorij van St. Botolph, waarheen de gewonde Ivanhoe, na het innemen van het kasteel, onder leiding van den getrouwen Gurth en den edelmoedigen Wamba gebracht werd. Het is voor het oogenblik onnoodig te verhalen hetgeen er inmiddels tusschen Wilfrid en zijn bevrijder voorviel; genoeg is het te zeggen, dat, na lange en ernstige beraadslagingen, de Prior naar verscheidene kanten boden uitzond, en dat de Zwarte Ridder den volgenden morgen gereed stond om op reis te gaan, vergezeld door den nar Wamba, die hem tot gids zou verstrekken.

“Wij zullen elkander op Coningsburgh, het kasteel van den overleden Athelstane, wederzien,” zei hij tot Ivanhoe, “uw vader viert aldaar het lijkfeest van zijn edelen bloedverwant. Ik wilde gaarne uwe Saksische verwanten bij elkander zien, ridder Wilfrid, en hen wat beter leeren kennen. Dáár zal het ook mijne taak zijn, u met uw vader te verzoenen.”

Dit zeggende nam hij afscheid van Ivanhoe, die een vurig verlangen aan den dag legde, om zijn redder te vergezellen. Maar de Zwarte Ridder wilde er niet van hooren. “Rust heden uit; gij zult morgen nog nauwelijks sterk genoeg zijn om te reizen. Ik wil geen anderen leidsman bij mij hebben dan den eerlijken Wamba, die voor gek of geleerde kan spelen, naar mijne luim.”

“En ik,” zei Wamba, “wil u hartelijk gaarne vergezellen. Ik verlang om het lijkmaal van Athelstane te zien; want als het niet prachtig en druk bezocht is, dan staat hij van de dooden weder op, om kok, tafeldekker en schenker te kastijden, en het zou wel de moeite waard zijn dat te zien. In elk geval, heer ridder, vertrouw ik, dat uwe dapperheid mij bij Cedric zal verontschuldigen, zoo mijn vernuft te kort mocht schieten!”

“En hoe zou mijne geringe dapperheid daar slagen, heer nar, waar uw schitterend vernuft schipbreuk lijdt?—verklaar mij dit!”

“Het vernuft, heer ridder,” hernam de nar, “kan veel doen. Het is een vlugge, scherpzinnige knaap, die de zwakke zijde van zijn buurman ontdekt, en uit den weg weet te blijven, als zijne drift ontstoken is. Maar de dapperheid is een onstuimige jongen, die alles verbrijzelt. Hij roeit tegen weer en wind op, en komt toch vooruit; dus, heer ridder, terwijl ik van het schoone weder in het gemoed van mijn heer gebruik maak, hoop ik, dat gij uw best zult doen, als het begint te stormen!”

“Heer Zwarte Ridder, daar gij verkiest zoo genoemd te worden,” zei Ivanhoe, “ik vrees, dat gij een praatzieken en lastigen nar tot gids gekozen hebt. Maar hij kent iederen weg en ieder pad in de bosschen, zoo goed als de beste jager; en de arme schelm is, zooals gij zelf reeds gezien hebt, getrouw als staal.”

“Wel,” zei de ridder, “als hij mij den weg wijzen kan, dan zal ik er niet kwaad om worden, dat hij dien zoekt te veraangenamen.—Vaarwel, goede Wilfrid!—Ik gelast u, op het vroegst, morgen te vertrekken.”

Dit zeggende, stak hij Ivanhoe de hand toe, welke deze aan zijn lippen drukte, nam afscheid van den Prior, besteeg zijn paard en vertrok met zijn leidsman Wamba. Ivanhoe volgde hen met de oogen, tot zij onder het lommer van het woud verdwenen, en keerde daarop in het klooster terug.

Maar dadelijk na de vroegmetten verzocht hij, om den Prior te zien. De oude man kwam haastig en vroeg angstig naar den staat van zijne gezondheid.

“Ze is beter,” antwoordde Ivanhoe, “dan mijne vurigste hoop verwachten kon; mijn wond is of geringer geweest, dan mijn bloedverlies mij deed vermoeden, of deze balsem heeft eene wonderdadige genezing bewerkt. Het komt mij voor, dat ik mijne wapenrusting heden reeds zou kunnen dragen, en dat is gelukkig, daar er gedachten bij mij opkomen, welke mij ongeneigd maken om hier langer in werkeloosheid te blijven.”

“Alle Heiligen bewaren ons daarvoor,” zei de Prior, “dat de zoon van den Sakser Cedric ons klooster zou verlaten eer zijne wonden genezen zijn! Het zou eene schande voor onzen stand zijn, als wij dit duldden!”

“En ik zou uw gastvrij dak ook niet verlaten, eerwaarde vader,” hernam Ivanhoe, “als ik mij niet sterk genoeg gevoelde, om de reis te doen, en niet gedwongen werd ze te ondernemen.”

“En wat kan u tot zulk een overhaast vertrek bewegen?” vroeg de Prior.

“Hebt gij nooit een voorgevoel gehad van naderend ongeluk, eerwaarde vader,” antwoordde de ridder, “waarvoor gij te vergeefs zoudt trachten een reden op te geven?—Hebt gij nooit uw ziel verduisterd gevonden als een door de zon bestraald landschap door een plotseling opkomende wolk, welke een naderenden storm verkondigt?—En denkt gij niet, dat zulke gewaarwordingen onze aandacht verdienen, als wenken van onze beschermengelen, dat er gevaar in de nabijheid is?”

“Ik kan niet ontkennen,” zei de Prior, een kruis makende, “dat zulke voorgevoelens van den Hemel gekomen zijn, en nog komen; maar dan hebben ze een blijkbaar nuttig en goed doel gehad. Maar wat zou het u baten, dat gij, gewond als gij zijt, de schreden van hem volgt, wien ge niet zoudt kunnen helpen, als hij aangevallen werd?”

“Prior,” zei Ivanhoe, “gij vergist u:—ik ben sterk genoeg, om te kampen met iedereen, die mij daartoe aanleiding geeft.—Maar al ware het ook anders, zou ik hem in zijn gevaar niet anders dan door kracht van wapens kunnen bijstaan? Het is maar al te wel bekend, dat de Saksers de Normandiërs niet beminnen, en wie weet wat er van komen kan, als hij onverwachts onder hen valt, terwijl hunne harten door den dood van Athelstane verbitterd, en hunne hoofden door den edelen wijn van zijn lijkfeest verhit zijn? Ik houd zijne verschijning onder hen op zulk een oogenblik voor zeer gevaarlijk, en ik heb besloten het gevaar met hem te deelen, of het af te wenden; en om dit te doen, zou ik u wel willen verzoeken mij een paard te leenen, welks gang zachter is, dan die van mijn strijdros.”

“Zeker!” zei de waardige geestelijke: “Gij zult mijn eigen rijpaard hebben, en ik wensch, dat het even zacht voor u moge loopen, als dat van den abt van St. Albans. Maar dit wil ik zeggen van Malkin,—want zoo heet het dier,—dat, wanneer gij het paard van den goochelaar niet leent, dat een horlepijp tusschen eieren danst, gij geen rid kunt doen op een dier, dat zoo zacht is en zulk een aangenamen gang heeft. Ik heb menige preek op zijn rug gemaakt, tot stichting van mijn kloosterbroeders en van menige arme Christenziel.”

“Ik verzoek u, eerwaarde vader, Malkin dadelijk gereed te laten maken, en laat ook Gurth met mijne wapens komen.”

“Ja maar, beste heer, ik bid u in overweging te nemen, dat Malkin even weinig kennis heeft van wapens, als zijn meester, en dat ik er niet voor instaan wil, dat het dier het gezicht en de zwaarte van uw volle wapenrusting verdragen kan. O, ik beloof u, Malkin is een verstandig dier, en zal zich tegen ieder onbehoorlijk overwicht verzetten. Ik had slechts eens de Fructus Temporum van den priester van St. Bees geleend, en ik verzeker u, dat ik het paard niet van de poort weg kon krijgen, eer ik den foliant tegen mijn klein gebedenboek verruild had.”

“Vertrouw er op, eerwaarde vader,” hernam Ivanhoe, “dat ik uw paard geen te groot gewicht zal opleggen; en als het zich tegen mij verzet, dan zal het de slechtste partij kiezen.”

Terwijl Ivanhoe dit antwoord gaf, gespte Gurth aan de hielen van den ridder een paar groote vergulde sporen, die ieder weerspannig paard konden leeren, dat het best deed met zich naar den wil van zijn ruiter te schikken.

De groote scherpe raderen, waarmede Ivanhoe’s hielen gewapend waren, deden den waardigen Prior bijna berouw gevoelen over zijn gedienstigheid, en hij riep uit: “Maar, beste heer, nu herinner ik mij, dat Malkin geene sporen verdraagt.—Het is beter, dat gij de merrie van onzen rentmeester op de pachthoeve neemt, welke wij in iets meer dan een uur kunnen krijgen, en die zeker handelbaar is, daar zij veel van ons winterbrandhout trekken moet, en geen haver krijgt.”

“Ik dank u, eerwaarde vader; maar ik zal mij maar aan uw eerste aanbod houden, daar ik zie, dat men Malkin reeds naar buiten leidt. Gurth zal mijne wapenrusting dragen, en voor het overige, verlaat u er op, dat Malkin evenmin mijn geduld zal vermoeien, als ik haar rug zal overladen. En nu, vaarwel!”

Ivanhoe ging de trappen af, sneller en gemakkelijker dan men wegens zijne wond zou verwacht hebben, en wierp zich op het paard, begeerig om den Prior te ontgaan, die hem van zoo nabij volgde, als zijne jaren en zijn zwaarlijvigheid hem vergunden, nu eens den lof van Malkin uitbazuinende, en dan weder den ridder voorzichtigheid met het paard aanbevelende.

“Ze is in het gevaarlijkste tijdvak voor eene merrie,” zei de oude man, over zijn eigen geestigheid lachende, “daar ze eerst in haar vijftiende jaar is.”

Ivanhoe, die andere dingen in het hoofd had, dan met den eigenaar over zijn paard te staan redeneeren, leende slechts een half oor zoowel aan de deftige raadgevingen als aan de vroolijke scherts van den Prior; hij sprong dus op het paard, beval zijn schildknaap—want zoo noemde Gurth zich thans,—hem bij te blijven, en volgde het spoor van den Zwarten Ridder in het woud, terwijl de Prior in de poort stond, om hem na te zien, uitroepende: “Heilige Maria! Wat zijn die krijgslieden vlug en vurig! Ik wenschte wel, dat ik hem Malkin niet had toevertrouwd; want daar ik lam van de jicht ben, zou ik ongelukkig zijn als haar iets kwaads overkwam. En echter,” voegde hij er bij, “daar ik mijn eigene oude, zwakke ledematen niet zou sparen voor Oud-Engeland, zoo moet ook Malkin zich daarvoor in gevaar begeven, en misschien houdt men wederkeerig ons arm huis eene rijke schenking waardig, of zendt men den ouden Prior een mak rijpaard. En al doen zij ook geen van beide, daar de grooten dikwijls de diensten der geringen vergeten, dan zal ik mij toch wèl beloond rekenen, als ik maar doe wat recht is. En het zal nu ook wel tijd zijn, om de broeders tot het ontbijt in de eetzaal samen te roepen.—Och! ik geloof, dat ze liever hieraan zullen gehoorzamen, dan aan de klok voor de vroegmis en het morgengebed!”

Hierop hinkte de Prior van St. Botolph naar de eetzaal terug, om het voorzitterschap bij den stokvisch en het bier te bekleeden, welke juist voor het ontbijt der monniken opgedragen werden. Ernstig en met een veelbeteekenend gelaat ging hij aan tafel zitten en liet menigen duisteren wenk vallen over de schenkingen, welke het klooster te wachten had, en over de groote diensten, welke hij zelf bewezen had, die op een anderen tijd de aandacht zijner toehoorders zouden geboeid hebben. Maar, daar de stokvisch sterk gezouten en het bier tamelijk krachtig was, waren de kinnebakken der broeders te druk bezig, om hun te vergunnen veel gebruik van hun ooren te maken, en wij lezen niet dat één der broederschap lust gevoelde om gissingen over de wenken van hun opperste te maken, behalve vader Diggory, die geweldig aan kiespijn leed, zoodat hij maar met een kant van den mond kon kauwen.

Intusschen trokken de Zwarte Ridder en zijn gids rustig door het dichte bosch; nu eens bromde de ridder in zich zelven het liedje van den een of anderen verliefden troubadour, dan weder wakkerde hij door zijne vragen de praatzucht van zijn reisgezel aan; zoodat hun gesprek een zonderling mengsel van gezang opleverde, waarvan wij onze lezers gaarne eenig denkbeeld zouden willen geven. Gij moet u dus dezen ridder verbeelden, zooals wij hem beschreven hebben, sterk van lichaam, groot, gespierd en met breede schouders, gezeten op zijn reusachtig zwart strijdros, dat tot zijn gebruik voorbestemd scheen, zoo gemakkelijk droeg het zijn last. De ridder had het vizier van zijn helm open, om vrij adem te kunnen halen; evenwel was het benedenste gedeelte gesloten, zoodat men zijn trekken slechts gedeeltelijk onderscheiden kon. Maar zijn zwart verbrande wangen en zijn groote blauwe oogen, welke met ongewone stoutheid van onder de donkere schaduw van het open vizier schitterden, kon men zien; en de geheele houding en het voorkomen van den ridder getuigden van eene zorgelooze opgeruimdheid en een moedig zelfvertrouwen,—van een gemoed, buiten staat om het gevaar te vreezen, maar altijd gereed om het te trotseeren, als iets waaraan het gewoon was geworden door aanhoudende strijden en avonturen.

De nar droeg zijne gewone zonderlinge kleeding, maar de gebeurtenissen der laatste dagen hadden hem bewogen om een fikschen krommen sabel te voeren, in plaats van zijn houten zwaard, met een schild daarbij; en hij had gedurende het beleg van Torquilstone getoond, dat hij beiden zeer goed wist te gebruiken. Wezenlijk moest de zwakheid van Wamba’s brein hoofdzakelijk aan een soort van gedurige prikkelbaarheid worden toegeschreven, die hem steeds dwong van houding te veranderen, en het hem onmogelijk maakte eenige geregelde aaneenschakeling van denkbeelden te volgen, ofschoon hij voor eenige minuten vlug genoeg was om dadelijk iets te verrichten, of het onderwerp van een gesprek te volgen. Te paard dus, wierp hij zich gedurig nu eens voor- dan weder achterwaarts, nu eens op de ooren van het paard, dan bijna op den staart, nu eens hing hij met beide beenen op de eene zijde, dan weder zat hij met zijn gezicht naar den staart, grijnzende gezichten trekkende en duizenderlei kunstjes makende; tot zijn paard eindelijk zijn grappen zoo kwalijk nam, dat het hem lang uit op het groene gras wierp,—iets, dat den ridder bijzonder vermaakte, maar zijn reisgezel noodzaakte in het vervolg bedaarder te rijden.

Op het oogenblik van hunne reis, waarop wij hen weder ontmoeten, was dit vroolijk paar bezig een virelai te zingen, zooals men het noemde, waar de nar den beter onderrichten ridder op een harden, krassenden toon antwoordde. Dus luidde het gezang:

De Ridder.

Anna Maria, ontwaakt is de zon,

Anna Maria, de morgen begon;

’t Vooglenkoor zingt reeds, de nevel trok heen,

Rijs, mijn Maria! de morgen verscheen.

Anna Maria, ik bid u, ontwaak,

’k Hoor het gejuich van het jagersvermaak,

’t Schalt en weerklinkt van den heuvelentop,

Anna Maria, eilieve, sta op!

Wamba.

Mijn Tybalt, mijn Tybalt, och, wek mij nog niet,

Terwijl mij de slaap zoete droombeelden biedt;

Want wat wij genieten al wakende, is bij

Die toovergestalten van luttel waardij.

Laat zingen de vooglen als d’ ochtend zich meldt,

Laat klinken den horen der jagers in ’t veld,

Veel lieflijker tonen verblijden mij nu,—

Maar denk niet, mijn Tybalt, ik droomde van u!

“Een aardig lied,” zei Wamba, toen zij gedaan hadden; “en, bij mijn zotskap, er zit een goede les in!—Ik was gewoon het te zingen met Gurth, eertijds mijn speelmakker, en nu door God en zijns meesters genade een vrij man, en wij kregen eens stokslagen, omdat wij zoo betooverd waren door de melodie, dat wij twee uren na zonsopgang nog te bed lagen, en het liedje tusschen slapen en waken zongen;—de rug doet mij sedert dien tijd steeds zeer, als ik eraan denk! En toch heb ik de rol van Anna Maria vervuld, om u genoegen te geven, edele heer!”

Hierop hief de nar een ander gezang aan, een soort van kluchtig liedje, waarop de ridder, de wijs vattende, antwoordde:

De Ridder en Wamba.

Er kwamen drie gasten uit Zuid, West en Noorden,

En zongen bij beurten een lied,

Opdat ze de weduw van Wycomb bekoorden,

En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hen niet?

Een ridder van Tyndaal kwam ’t eerste haar nadren,

En zong al gedurig zijn lied:

Beroemd was waarachtig de stam zijner vadren,

En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?

Hij stofte op zijn vader, zijn oom, d’eedle heeren,

Op titels in ’t rijmende lied,

Maar ach, zij beduidde hem huiswaarts te keeren,

Want ’t weeuwtje van Wycomb verhoorde hem niet.

Wamba.

De tweede bezwoer bij het licht van zijn oogen,

Al zingende vroolijk zijn lied;

Hij toch was een heerschap in Welschland getogen,

En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?

Hij heette heer David van Hugo van Morgen,

Van Griffith van Tudor, zoo snoefde zijn lied,

“Dat gaat niet, één weeuw voor zoo velen te zorgen!”

Zoo sprak ze en verhoorde onzen Welschman ook niet.

Een pachter van Kent was de laatste gebleven,

Maar zong nu zoo vleiend een lied,

Hij roemde zijn rijkdom, zijn vorstelijk leven.

En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?

De Ridder en Wamba.

De heer en de ridder, och lagen er achter,

Al zongen ze beurtlings een lied;

De weduw bekoorde het goed van den pachter,

Wat weeuwtje ook ter wereld verhoorde hem niet!

“Ik wilde wel, Wamba,” zei de ridder, “dat onze gastheer van den gerechtseik, of de vroolijke monnik, zijn kapelaan, dit lied op den lof van onzen trotschen landman hoorde.”

“Dat wilde ik niet,” zei Wamba, “zoo niet die horen aan uw bandelier hing!”

“Ja, hernam de ridder, “dit is een pand van Locksley’s welwillendheid, schoon ik het waarschijnlijk niet noodig zal hebben. Drie klanken op dien horen zullen, daarvan ben ik zeker, in geval van nood een goede bende van die eerlijke schutters rondom mij verzamelen.”

“Ik zou zeggen, de Hemel beware ons daarvoor,” hernam de nar, “zoo deze schoone gift geen onderpand was, dat zij ons vreedzaam zouden laten trekken!”

“Wat meent gij,” vroeg de ridder; “denkt gij, dat zij ons zonder dit teeken van broederschap zouden aanvallen?”

“Neen, daar zeg ik niets van,” antwoordde Wamba; “want groene boomen hebben zoowel ooren als steenen muren. Maar kunt gij mij zeggen, heer ridder:—wanneer is het beter, dat uwe wijnkan en beurs ledig dan vol zijn?”

“Wel, nooit dunkt mij!” antwoordde de ridder.

“Gij verdient wegens dit zotte antwoord nooit eene volle kan of beurs in de hand te hebben! Gij doet best uwe kan te ledigen, eer gij ze aan een Sakser overgeeft; en uw geld te huis te laten, als gij door het groene woud reist.”

“Houdt gij onze vrienden dan voor roovers?” vroeg de ridder.

“Dat hebt gij mij niet hooren zeggen, edele heer,” antwoordde Wamba; “het verlicht het paard van een reiziger, die een verren tocht te maken heeft, als men hem zijn valies afneemt; en het is wellicht goed voor zijne ziel, als men hem verlost van hetgeen de wortel des kwaads is; derhalve wil ik hun, welke zulke diensten bewijzen, geene harde namen geven. Ik zou slechts mijn valies in huis en mijne beurs op mijne kamer wenschen, als ik deze goede lieden ontmoette; omdat dit hun eenige moeite zou besparen!”

“Wij zijn evenwel verplicht naar hen te verlangen, niettegenstaande den lof, welken gij hun geeft.”

“Ik wil van ganscher harte naar hen verlangen,” zei Wamba, “maar in de stad, niet in het groene woud, gelijk de Abt van St. Bees, welken zij de mis hebben laten lezen in een ouden hollen eik, tot koorgestoelte.”

“Zeg wat gij wilt, Wamba,” hernam de ridder, “deze schutters hebben uw meester Cedric, bij Torquilstone, heerlijke diensten bewezen.”

“Ja zeker,” antwoordde Wamba, “maar dat is de wijze waarop zij met den Hemel handel drijven.”

“Met den Hemel handel drijven, Wamba, hoe meent gij dat?”

“Wel, zóó: zij houden rekening-courant met den Hemel, zooals onze oude keldermeester zijn boekhouden placht te noemen, juist zoo goed als Izaäk de Jood ze houdt met zijne schuldenaars,—en evenals hij, geven zij weinig en nemen lang krediet; zonder twijfel tot hun eigen voordeel de zevenvoudige interesten berekenende, welke de Heilige Schrift aan liefdadige leeningen beloofd heeft.”

“Geef mij een voorbeeld van wat ge bedoelt, Wamba;—ik versta iets van rekenen en interesten,” antwoordde de ridder.

“Wel,” zei Wamba, “indien uwe dapperheid zoo onwetend is, dan moet gij leeren, dat deze eerlijke kerels eene goede daad tegen eene andere, welke niet volkomen zoo loffelijk is, laten opwegen; b. v. een kroon, die zij aan een bedelmonnik geven, tegen honderd byzantijnen, welke zij een vetten abt ontnemen; of een meisje, dat zij in het groene woud kussen, tegen eene arme weduwe, die zij ondersteunen.”

“Welke van deze laatste was de goede daad en welke de slechte?” viel hem de ridder in de rede.

“Goed gevraagd! Goed gevraagd!” riep Wamba uit. “Geestig gezelschap scherpt het verstand. Ik wil er op zweren, heer ridder, dat gij geen zoo goeden inval gehad hebt, toen gij dronken avondgebeden met den woesten kluizenaar opzeidet. Maar om voort te gaan. De vroolijke schutters stellen het opbouwen eener hut tegen het afbranden van een kasteel,—het oprichten van een kansel tegen het plunderen van eene kerk;—het in vrijheid stellen van een armen gevangene, tegen den moord van een hoogmoedigen schout,—of, om nader ter zaak te komen, het bevrijden van een Saksischen Franklin tegen het levend verbranden van een Normandischen Baron. Kortom, het zijn vriendelijke dieven en hoffelijke roovers; maar het is altijd het gelukkigst hen te ontmoeten, als zij het meest in nood zijn.”

“Hoe zoo, Wamba?” vroeg de ridder.

“Wel, dan hebben zij eenig berouw, en willen hun zaken gaarne met den Hemel vereffenen. Maar wanneer de balans opgemaakt is, dan zij de Hemel hem genadig, met wien zij eene nieuwe rekening openen! De reizigers, die hen eerst na hun bewezen diensten bij Torquilstone ontmoeten, zullen schoon gevild worden.—En echter,” vervolgde hij, dicht naast den ridder komende, “er zijn kerels, die voor een reiziger veel gevaarlijker zijn dan gindsche vogelvrijverklaarden.”

“En wie zijn dat dan; want er zijn zeker geene beren of wolven hier?” vroeg de ridder.

“Maar, wij hebben hier Malvoisin’s volk,” antwoordde Wamba; “en laat ik u zeggen, dat in tijden van burgeroorlog een tiental er van ten allen tijde even gevaarlijk is als een bende wolven. Zij wachten thans hun oogst, en zijn versterkt door de soldaten, die uit Torquilstone ontsnapt zijn; zoodat, indien wij een troep van deze lieden ontmoetten, wij denkelijk onze heldendaden duur zouden moeten betalen.—Nu bid ik u, heer ridder, wat zoudt gij doen, als wij er twee van ontmoetten?”

“De schurken met mijn lans tegen den grond spijkeren, Wamba, als zij ons de minste verhindering in den weg legden.”

“Maar indien er vier waren?”

“Zij zouden evenzoo te pas komen,” antwoordde de ridder.

“Maar indien er zes waren,” vervolgde Wamba—“en wij, zooals wij hier zijn, met ons beiden;—zoudt gij niet aan Locksley’s horen denken?”

“Hoe, om hulp blazen,” riep de ridder, “tegen eene bende schurken, welke één goede ridder voor zich heen kan drijven, evenals de wind de verdorde bladeren voor zich heen jaagt!”

“Nu, nu,” zei Wamba, “heb de goedheid en laat mij toch eens dien horen van naderbij bezien, welke een zoo machtige stem heeft.”

De ridder maakte den horen van zijn bandelier los en gaf hem aan zijn reisgenoot, die hem dadelijk om zijn eigen hals hing.

“Tra-lira-la!” zei hij, die noten fluitende; “ik ken de wijs zoo goed als een ander.”

“Hoe meent gij dat, schelm?” zei de ridder; “geef mij den horen terug.”

“Stel u gerust, heer ridder, die is in zekere bewaring. Als de dapperheid en de dwaasheid samen reizen, dan moet de dwaasheid den horen dragen, omdat zij het best er op blazen kan.”

“Maar, schelm,” zei de Zwarte Ridder, “dit gaat te ver,—wacht u om mijn geduld uit te putten!”

“Gebruik geen geweld tegen mij, heer ridder,” zei de nar, zich op een afstand van den vertoornden ridder houdende, “of de dwaasheid zal u de hielen laten zien, en de dapperheid, zoo goed zij kan, haar weg door het woud laten zoeken.”

“Ha! daar hebt gij mij gevangen,” zei de ridder, “en om de waarheid te zeggen, ik heb ook geen tijd om met u te schertsen. Behoud den horen, zoo gij wilt; maar laten wij onze reis vervolgen.”

“Gij zult mij dus geen kwaad doen?” vroeg Wamba.

“Ik zeg u van neen, schelm!”

“Ja, maar geef mij uw ridderwoord er op!” vervolgde Wamba, met groote omzichtigheid naderende.

“Ik geef u mijn ridderwoord, kom maar nader met uw zotten persoon.”

“Welaan dan, dus zullen de dapperheid en de dwaasheid opnieuw goede reismakkers zijn,” zei de nar weder onbevreesd naast den ridder rijdende; “maar waarlijk, ik houd niet van zulke slagen, zooals gij er den lustigen monnik een gegeven hebt, toen zijne heiligheid over den grond rolde, gelijk de koning in het kegelspel. En nu, daar de dwaasheid den horen voert, laat de dapperheid zich verheffen en haar manen schudden; want, indien ik mij niet vergis, dan is er gezelschap in gindsch kreupelhout, dat op ons loert.”

“Waarom denkt gij dat?” vroeg de ridder.

“Omdat ik al een paar maal een helm door de groene bladeren heb zien schemeren. Als het eerlijke kerels waren, dan bleven zij op den open weg. Maar die dichte plaats is een uitgezochte kapel voor de priesters van St. Nikolaas.”

“Op mijn woord van eer,” zei de ridder, zijn vizier sluitende; “ik geloof, dat gij gelijk hebt!”

En wel ter rechter tijd sloot hij het; want er vlogen op hetzelfde oogenblik uit de verdachte plaats drie pijlen naar zijn hoofd en zijn borst, waarvan de een tot in de hersenpan zou doorgedrongen zijn, als het stalen vizier de spits niet had doen afstuiten. De beide anderen werden tegengehouden door het borstharnas en het schild, dat om zijn hals hing.

“Wees gedankt, brave wapensmid!” zei de ridder.—“Wamba, laten wij op hen losgaan,” en hiermede reed hij naar het kreupelhout toe. Zes of zeven gewapenden renden in volle vaart er uit, met gevelde lansen tegen hem aan. Drie van dezen troffen hem, en vlogen zonder de minste uitwerking te doen in splinters, als tegen een stalen toren. De oogen van den Zwarten Ridder schenen vuur te schieten door de opening van zijn vizier. Hij lichtte zich in de stijgbeugels, met een onbeschrijflijk waardige houding op, en riep uit: “Wat beduidt dit, mijne heeren?”—De mannen antwoordden alleen door hun zwaarden te trekken en hem van alle kanten aan te vallen, uitroepende: “Sterf, dwingeland!”

“Ha, St Eduard! ha! St. George!” riep de Zwarte Ridder, bij iederen uitroep een vijand ter neêr vellende; “hebben wij hier verraders?”

De Zwarte Ridder, verrast in het woud, strijdt tegen zijn aanvallers.

De aanvallers, hoe wanhopig ze ook vochten, weken terug voor een arm, welke met iederen slag den dood uitdeelde, en het scheen, alsof alleen de schrik voor zijne kracht de overwinning over deze schurken zou behalen, toen een ridder in een blauwe wapenrusting, die zich tot hiertoe achter de andere aanvallers gehouden had, met gevelde lans vooruit reed, en niet op den ruiter, maar op het paard mikkende, het edele dier doodelijk kwetste.

“Dat was een verraderlijke steek!” riep de Zwarte Ridder, terwijl het paard met zijn ruiter ter aarde tuimelde. Op dit oogenblik blies Wamba op den horen;—want alles was zoo onverwacht voorgevallen, dat hij geen tijd had gevonden om dat vroeger te doen. Die verrassende klanken deden de moordenaars nog eens terugdeinzen, en Wamba, ofschoon onvolkomen gewapend, aarzelde niet om er op los te gaan, en den Zwarten Ridder in het opstaan behulpzaam te zijn.

“Schaamt u, valsche lafaards!” riep de ridder uit, die de aanvallers scheen aan te voeren; “vlucht gij voor den blooten klank van een horen, door een nar geblazen?”

Aangevuurd door deze woorden, vielen zij den ridder opnieuw aan, wiens beste toevlucht thans was, zich met den rug tegen een eik te plaatsen en zich met zijn zwaard te verdedigen. De verraderlijke ridder, welke een andere speer gekregen had, nam het oogenblik waar, toen zijn geduchte tegenpartij het hardst gedrongen werd, en reed op hem los, in de hoop van hem met zijn lans tegen den boom te nagelen, toen zijn voornemen door Wamba verhinderd werd. De nar, die zijn gebrek aan kracht door vlugheid vergoedde, en niet door de gewapenden opgemerkt werd, die door een geduchter vijand bezig gehouden werden, haastte zich om deel aan den strijd te nemen en stremde wezenlijk den noodlottigen loop van den Blauwen Ridder, door met zijn zwaard diens paard de knie-zenuwen door te klieven. Man en paard vielen; desniettemin bleef de toestand van den Zwarten Ridder zeer gevaarlijk, daar hij door verscheidene vijanden van nabij gedrongen werd, en vermoeid begon te worden door de geweldige inspanning, welke het hem kostte, om zich tegelijk op zoo vele punten te verdedigen, toen eensklaps een pijl een der geduchtste van zijn aanvallers op den grond deed neêrtuimelen, en een bende schutters uit het bosch te voorschijn kwam, onder aanvoering van Locksley en den vroolijken monnik, die dadelijk en vlug deel aan den strijd nemende, de aanvallers met zooveel kracht aangrepen, dat ze spoedig allen dood, of doodelijk gewond, op de plaats bleven. De Zwarte Ridder dankte zijn bevrijders met eene waardigheid, welke ze te voren niet in zijn gedrag hadden opgemerkt, dat tot dusver eerder dat van een stoutmoedigen, openhartigen krijgsman dan van een man van hoogen rang geschenen had.

“Er ligt mij veel aan gelegen,” zei hij, “zelfs eer ik mijn dankbaarheid jegens mijne waardige vrienden te kennen geef, om zoo mogelijk te ontdekken, wie mijn ongetergde vijanden geweest zijn.—Wamba, open het vizier van dien Blauwen Ridder, die de aanvoerder van deze schurken schijnt te zijn.”

De nar ging dadelijk op den aanvoerder der moordenaars los, die, gekneusd door zijn val, en gedrukt onder het gekwetste paard, daar lag zonder te kunnen vluchten of weêrstand bieden.

“Kom, dappere heer,” zei Wamba, “ik moet uw schildknaap zijn, zoowel als uw stalmeester. Ik heb u van het paard geholpen, en nu zal ik u van den helm ontdoen.” Dit zeggende, maakte hij met een niet zeer zachte hand den helm van den Blauwen Ridder los, welke op het gras rollende, den Zwarten Ridder de grijze lokken en het gelaat vertoonde van iemand, dien hij niet op deze wijze verwacht had te ontmoeten.

“Waldemar Fitzurse!” riep hij geheel verwonderd uit, “Wat kon een man van uw rang en van uwe schijnbare waardigheid tot zulk een schandelijke onderneming bewegen?”

“Richard,” zei de gevangen ridder, naar hem opziende, “gij kent den mensch slecht, als gij niet weet, waartoe eerzucht en wraak elk Adamskind kunnen verleiden!”

“Wraak?” antwoordde de Zwarte Ridder; “ik heb u nooit beleedigd.—Op mij hebt gij geene wraak te nemen.”

“Mijne dochter, Richard, wier verbintenis gij versmaad hebt,—was dat geen hoon voor een Normandiër, wiens bloed even edel is als het uwe?”

“Uwe dochter!” hervatte de Zwarte Ridder. “Een gegronde reden, waarlijk, tot eene vijandschap, welke zulk een bloedigen afloop moest hebben!—Treedt wat terug, mijne heeren, ik wil alleen met hem spreken.—En nu, Waldemar Fitzurse, zeg mij de waarheid;—beken, wie u tot deze verraderlijke daad aangezet heeft?”

“Uws vaders zoon,” antwoordde Waldemar, “die daardoor slechts uwe ongehoorzaamheid tegen uw vader wreekte.”

Richards oogen gloeiden van toorn; maar zijn betere natuur behield de overhand. Hij sloeg zich met de hand op het voorhoofd, en staarde een oogenblik op het gelaat van den vernederden ridder, op wiens trekken hoogmoed en schaamte met elkander in strijd waren. “Vraagt gij niet om uw leven, Waldemar?” vroeg de Koning.

“Hij, die in de klauwen van den leeuw is,” antwoordde Fitzurse, “weet dat zoo iets overbodig zou zijn.”

“Neem het dan ongevraagd,” hervatte Richard; “de leeuw aast op geen lijken.—Neem uw leven, maar onder voorwaarde, dat gij binnen drie dagen Engeland zult verlaten, uwe schande in uw kasteel in Normandië verbergen, en nooit den naam van Jan van Anjou noemen, als in betrekking staande met uwe schurkerij. Zoo men u na den u vergunden tijd op het Engelsch gebied vindt, dan sterft gij;—of, als gij iets ruchtbaar laat worden, dat de eer van mijn huis bevlekken kan, bij St. George, dan zal het altaar zelfs geene schuilplaats voor u zijn! Ik laat u aan den hoogsten toren van uw eigen kasteel ophangen, om den raven tot voedsel te dienen!—Geef dezen ridder een paard, Locksley; want ik zie dat uwe schutters die opgevangen hebben, welke los liepen, en laat hem ongehinderd vertrekken.”

“Zoo ik niet begreep, dat ik een stem verneem, welke men niet mag tegenspreken,” antwoordde de schutter, “dan zou ik den sluipenden schurk een schicht achterna zenden, welke hem de moeite eener lange reis zou besparen.”

“Gij hebt een Engelsch hart, Locksley,” zei de Zwarte Ridder, “en te recht oordeelt gij, dat gij verplicht zijt mijne bevelen te gehoorzamen.—Ik ben Richard van Engeland!”

Bij deze woorden, welke op een toon van majesteit, aan zijn hoogen rang, en aan het niet minder hooghartig karakter van Richard Leeuwenhart passende, uitgesproken werden, knielden de schutters allen tegelijk voor hem neder, en zwoeren hem trouw, terwijl zij tevens vergiffenis voor hunne misdaden vroegen.

“Staat op, vrienden,” zei Richard, op vriendelijken toon, hen aanziende met een gelaat, waarop zijne gewone opgeruimdheid reeds alle teekens van toorn overwonnen had, en op welks trekken geen spoor meer van den zoo even geleverden woedenden strijd te zien was, behalve de hoogere kleur, welke de inspanning veroorzaakt had.—“Staat op, vrienden! uw wangedrag zoowel in het bosch als in het veld, is uitgewischt door de diensten, welke gij aan mijne verdrukte onderdanen onder de muren van Torquilstone bewezen hebt, en door de redding, welke uw koning u heden te danken heeft. Staat op, mijn getrouwen, en weest ook in het vervolg goede onderdanen.—En gij, brave Locksley,—”

“Noem mij niet langer Locksley, mijn vorst; maar ken mij onder een anderen naam, welken ik vrees, dat de faam te ver heeft uitgebazuind, dan dat die uwe koninklijke ooren niet zou bereikt hebben.—Ik ben Robin Hood van het bosch van Sherwood.”

“Koning der vogelvrijverklaarden, en vorst van alle vroolijke makkers!” zei de Koning; “wie zou een naam niet gehoord hebben, welke tot naar Palestina is overgewaaid? Maar wees verzekerd, dappere vriend! dat geene daad, welke gij in onze afwezigheid en gedurende de onrustige tijden, die er het gevolg van waren, gepleegd hebt, tot uw nadeel zal strekken.”

“Wel is het spreekwoord waar,” zei Wamba, hem in de rede vallende, maar met een weinig minder moedwil dan gewoonlijk: “als de kat weg is dansen de muizen!”

“Hoe, Wamba, zijt gij nog daar!” zei Richard; “daar ik uwe stem zoo lang niet gehoord had, meende ik, dat gij de vlucht genomen hadt.”

“Ik de vlucht nemen!” hervatte Wamba. “Wanneer vindt gij ooit de Dwaasheid van de Dapperheid gescheiden? Daar ligt het zegeteeken van mijn zwaard, dat schoone grijze paard, dat ik hartelijk wenschte weder op zijn pooten te zien, mits zijn meester in zijne plaats daar uitgestrekt was. Het is waar, ik bleef eerst een weinig uit den weg, want een bont jakje houdt geene lanssteken tegen, zooals een stalen harnas. Maar zoo ik niet veel met de punt gevochten heb, zult gij toch moeten toegeven, dat ik tot den aanval geblazen heb.”

“En dat wel met goed gevolg, eerlijke Wamba!” hernam de Koning. “Uw dienst zal niet vergeten worden.”

Confiteor! Confiteor!” riep op onderdanigen toon eene stem naar den Koning:—“mijn Latijn wil mij niet meer helpen;—maar ik beken mijn hoogverraad, en verzoek absolutie eer ik ter dood geleid word!”

Richard keek om, en ontwaarde den vroolijken monnik op zijne knieën, zijne rozenkrans tellende, terwijl zijn knots, welke gedurende de schermutseling niet werkeloos geweest was, naast hem op het gras lag. Zijn gelaatstrekken had hij de uitdrukking van het diepst mogelijk berouw doen aannemen, daar hij de oogen opsloeg en de hoeken van den mond neêrgetrokken had, gelijk de kwasten van een beurs, zooals Wamba placht te zeggen. Evenwel werd deze nederige vertooning van ongeveinsd berouw wonderlijk gelogenstraft door een spotachtigen trek, die er onder te voorschijn kwam, en die scheen aan te duiden, dat zijne vrees en zijn berouw beiden even oprecht waren.

“Waarom zijt gij zoo terneergeslagen, dolle priester?” zei Richard. “Vreest gij dat uw bisschop vernemen zal, hoe getrouw gij onze Heilige Maagd en St. Dunstan dient?—Stil, man! vrees niets; Richard van Engeland verraadt geene geheimen, welke bij de wijnflesch uitlekken.”

“Neen, genadigste Vorst,” hernam de kluizenaar (wel bekend onder den naam van broeder Tuck bij hen, die de volksvertellingen van Robin Hood kennen); “het is de bisschopsstaf niet, dien ik vrees, maar den schepter.—Helaas! dat mijne heiligschendende vuist ooit het oor van den gezalfde des Heeren aangeraakt heeft!”

“Ha! ha!” zei Richard, “waait de wind uit dien hoek?—Inderdaad, ik had den klap vergeten; ofschoon mijn oor den geheelen dag daarvan gesuisd heeft. Maar zoo die flink gegeven was, dan wil ik al deze brave jongens laten oordeelen, of hij niet even goed betaald werd;—of zoo gij denkt, dat ik u nog iets schuldig ben, dan staat u nog een klap ten dienste.”

“In het geheel niet,” hernam broeder Tuck; “ik heb den mijne terug ontvangen, en dat wel met woeker; moge uw Majesteit uwe schulden altijd even goed betalen!”

“Zoo ik dat maar met klappen kon doen,” zei de Koning, “dan zouden mijne schuldeischers weinig reden hebben, om over mijn ledige schatkist te klagen.”

“En toch,” zei de monnik, zijn schijnheilig gelaat weder aannemende, “weet ik niet, welke boete ik voor dien heiligschendenden slag moet doen!”

“Spreek er niet meer van, broeder,” zei de koning; “nadat ik zooveel slagen van Heidenen en ongeloovigen gekregen heb, zou het onverstandig van mij zijn, vertoornd te worden over den klap van een zoo heiligen kluizenaar, als dien van Copmanshurst. Maar, eerlijke monnik, mij dunkt toch, het ware best voor de kerk en u zelven, dat ik u verlof bezorgde, om het monnikskleed uit te trekken, en dat ik u bij mijn lijfwacht aanstelde, ten einde zorg voor mijn persoon te dragen, gelijk te voren voor het altaar van St. Dunstan?”

“Mijn Koning,” zei de monnik; “ik vraag u nederig om verschooning hiervan; en gij zult mijne verontschuldiging gaarne aannemen, zoo gij maar weet, hoe de zonde der luiheid mij bekropen heeft.—St. Dunstan—hij zij ons genadig!—blijft rustig in zijn nis, al vergeet ik ook mijne gebeden onder het jagen van een vetten reebok.—Soms blijf ik ook wel een nacht buiten mijne cel, ik weet niet waarom,—en St. Dunstan klaagt nooit,—hij is een zoo stil en vreedzaam meester, als er ooit een van hout gemaakt werd.—Maar lijfwacht te zijn, om mijn Koning en Heer te dienen,—de eer is zonder twijfel groot,—en toch, zoo ik maar eens op zij ging, om eene weduwe in den éénen hoek te troosten, of een hert in den anderen te schieten, dan zou het terstond wezen: “Waar is die hond van een priester? Wie heeft dien verwenschten Tuck gezien? Die schurk van een monnik vernielt meer wild dan al de overigen te zamen,” zegt de eene houtvester. “En jaagt iedere schuwe hinde na!” roept een tweede.—Kortom, mijn Koning, ik bid u mij te laten, zooals gij mij gevonden hebt, of, zoo gij eenige goedertierenheid jegens mij betoonen wilt, beschouw mij dan als den armen heremiet van St. Dustan’s cel in Copmanshurst, die iedere geringe gave in dank aannemen zal.”

“Ik versta u,” hervatte de Koning, “en de heilige heremiet zal het vrije jachtrecht genieten in mijn bosch van Warncliffe. Maar let wel: ik sta u in ieder jachttijd slechts drie reebokken toe; als u dit echter geen verontschuldiging geeft om er dertig te schieten, dan ben ik geen Christen ridder of echte Koning.”

“Uwe Majesteit kan verzekerd zijn,” antwoordde de monnik, “dat ik met de hulp van St. Dunstan middelen zal vinden, om uw allergenadigst geschenk te vermenigvuldigen.”

“Ik twijfel er volstrekt niet aan, goede broeder,” zei de Koning; “en daar wildbraad maar een droog eten is, zoo zal onze keldermeester bevel hebben, om u jaarlijks een vat Sek, een vaatje Malvezij en drie okshoofden van het beste bier te zenden.—Zoo dit uw dorst niet lescht, dan moet gij aan het Hof komen en kennis maken met onzen bottelier.”

“Maar wat krijgt St. Dunstan?” zei de monnik.

“Een kap, een stola en een altaarkleed zult gij ook hebben,” vervolgde de Koning, een kruis makende.—“Maar wij mogen onze scherts niet in ernst veranderen, uit vrees dat God ons straffe, omdat wij meer aan onze gekheden dan aan Zijn eer en dienst denken.”

“Ik wil voor mijn patroon instaan,” zei de priester lachende.

“Sta voor u zelven in, monnik,” hernam Koning Richard eenigszins ernstig, maar stak dadelijk daarop den heremiet de hand toe, welke deze een weinig beschaamd en geknield kuste. “Gij doet minder eer aan mijne opene hand dan aan mijn gebalde vuist,” zei de Koning; “gij knielt slechts neder voor de eerste, en voor de andere wierpt gij u lang uit op den grond.”

Maar de monnik, die vreesde, dat hij misschien den koning weder beleedigen zou door het gesprek te lang op een schertsenden toon voort te zetten,—een misslag, waarvoor zij, die met Vorsten omgaan, zich bijzonder wachten moeten,—maakte eene diepe buiging en trad terug.

Tegelijkertijd verschenen er nog twee nieuwe aankomelingen op het tooneel.

Een-en-veertigste Hoofdstuk.

Heil u allen, mijn heeren van hoogeren stand,

Maar niet meerder gelukkig dan wij op het land!

In onze wouden gekomen,

Om onze spelen te zien,

Onder ’t lover der boomen,

Willen wij hartlijk het welkom u biên.

Macdonald.

De nieuwe aankomelingen waren Wilfrid van Ivanhoe, op het paard van den Prior van Botolph, en Gurth, die den ridder op diens strijdros vergezelde. De verbazing van Ivanhoe was grenzenloos, toen hij zijn meester met bloed bespat zag, terwijl zes of zeven gesneuvelden op het kleine grasplein uitgestrekt lagen, waar het gevecht plaats had gehad. Niet minder verwonderd was hij, Richard omringd te zien van zoovele menschen, die vogelvrijverklaarden, en dus een gevaarlijk gevolg voor een Vorst schenen te zijn. Hij wist niet, of hij den Koning als den Zwarten Ridder, of op een andere wijze aanspreken zou. Richard bemerkte zijn verlegenheid.

“Vrees niet, Wilfrid,” zei hij, “om Richard Plantagenet als zoodanig aan te spreken, daar gij hem in het gezelschap van getrouwe Engelsche onderdanen ziet, ofschoon zij mogelijk door hun vurig Engelsch bloed een weinig van den rechten weg afgedwaald zijn.”

“Ridder Wilfrid van Ivanhoe,” zei de dappere kapitein, voorwaarts tredende, “mijn verzekeringen kunnen die van onzen Koning geen meerder gewicht geven; maar ik kan wel met eenigen trots zeggen, dat hij onder mannen, die veel geleden hebben, geen getrouwer onderdanen heeft, dan zij die hem nu omringen.

“Ik twijfel er niet aan, dappere vriend,” zei Wilfrid, “daar ik u onder het getal zie.—Maar wat beduiden deze teekens van dood en gevaar, deze verslagene mannen en de bebloede wapenrusting van mijn Vorst?”

“Er is hier verraad gepleegd, Ivanhoe,” antwoordde de Koning; “maar dank zij dezen braven mannen, het verraad heeft zijn loon gekregen.—Thans echter schiet mij te binnen, dat gij ook een verrader zijt,” zei Richard, glimlachende, “een oproerige verrader; want heb ik u geen stellig bevel gegeven om in de Abdij van St. Botolph te blijven uitrusten, tot uwe wonde genezen was?”

“Ze is al genezen,” antwoordde Ivanhoe; “ze was niet dieper dan het vel.—Maar waarom, o waarom, edele vorst, kwelt gij dus uwe getrouwe dienaren, en waagt gij uw leven op eenzame reizen en gevaarlijke avonturen, alsof het niet meer waard was, dan dat van een dolenden ridder, die niets anders op de wereld heeft dan hetgeen lans en zwaard hem verschaffen?”

“En Richard Plantagenet,” hernam de Koning, “verlangt naar geen anderen roem, dan dien, welken zijn goede lans en zijn goed zwaard hem verschaffen kunnen;—en Richard Plantagenet is er trotscher op, om een avontuur met zijn goed zwaard en zijn sterken arm alleen te doorstaan, dan om een leger van honderdduizend man in den slag aan te voeren.”

“Maar uw koninkrijk, mijn Vorst,” zei Ivanhoe, “wordt bedreigd met burgeroorlog en ontbinding;—uwe onderdanen met allerlei rampen, indien zij hun vorst in een dezer avonturen, welke gij dagelijks alleen tot uw vermaak opzoekt, en waaraan gij nog zooeven ternauwernood ontsnapt zijt, verliezen.”

“Ho! ho! mijn koninkrijk en mijn onderdanen?” antwoordde Richard ongeduldig: “ik zeg u, Wilfrid, de besten onder hen betalen mijn zotheden met gelijke munt.—Bij voorbeeld, mijn zeer getrouwe dienaar, Wilfrid van Ivanhoe wil mijne stellige bevelen niet gehoorzamen, en leest evenwel zijn Koning de les, omdat hij zich niet nauwkeurig naar zijn raad gedraagt. Wie van ons heeft de meeste reden om den ander verwijten te doen?—Maar vergeef mij, mijn getrouwe Wilfrid! De tijd, welken ik in verborgenheid doorgebracht heb en nog doorbrengen moet, is, gelijk ik u te St. Botolph verklaard heb, alleen om mijnen vrienden en getrouwen edelen den tijd te geven, om hunne macht te vereenigen, opdat Richard, als zijne terugkomst bekend wordt, aan het hoofd van zulk een leger sta, dat zijne vijanden schrikken het te zien, en dus het voorgenomen verraad smoren, zonder zelfs het zwaard te trekken. Estoteville en Bohun zullen eerst in vier en twintig uren sterk genoeg zijn om naar York op te trekken; ik moet tijding van Salisbury, uit het zuiden, van Beauchamp, uit Warwickshire, en van Multon en Percy uit het noorden hebben. De Kanselier moet voor Londen kunnen instaan. Een te spoedige verschijning zou mij aan gevaren blootstellen, uit welke mijne lans en mijn zwaard, schoon ik door den boog van den moedigen Robin, of de knots van broeder Tuck en den horen van den wijzen Wamba ondersteund werd, mij niet zouden kunnen redden.”

Wilfrid boog onderdanig, daar hij wel wist hoe vergeefs het zijn zou tegen den onbezonnen ridderlijken geest te strijden, die zijn meester zoo dikwerf in gevaren stortte, welke hij gemakkelijk had kunnen vermijden, of liever, welke hij met een onvergeeflijke roekeloosheid opzocht. Wilfrid zuchtte dus, en zweeg; terwijl Richard, verheugd zijn raadsman tot zwijgen gebracht te hebben, ofschoon zijn hart de gegrondheid zijner verwijten erkende, zijn gesprek met Robin Hood vervolgde.—“Koning der roovers,” zei hij, “hebt gij geene verversching aan uw broeder Koning aan te bieden? Want deze doode schelmen hebben mij èn werk èn eetlust verschaft.”

“In waarheid,” hernam de roover, “want ik wil uwe Majesteit niet bedriegen, onze mondvoorraad bestaat voornamelijk,—” hij zweeg eenigszins verlegen.

“Uit wild, veronderstel ik,” viel Richard hem vroolijk in de rede; “betere spijs kan er niet zijn, als men honger heeft;—en waarlijk, als een Koning niet te huis blijven wil, om zijn eigen wild te schieten, dan, dunkt mij, moet hij niet hard brommen, als hij het door vreemde handen geveld vindt.”

“Zoo uwe Majesteit dus weder eene der rustplaatsen van Robin Hood met uwe tegenwoordigheid vereeren wil,” zei Robin, “dan zal het wild niet ontbreken; en een dronk bier, en ook nog wel een beker wijn staan tot uw dienst.”

De kapitein ging vooruit om den weg te wijzen, en werd gevolgd door den vroolijken Vorst, die waarschijnlijk vergenoegder was over zijne toevallige ontmoeting met Robin Hood en zijne volgelingen, dan hij geweest zou zijn, als hij zijne koninklijke waardigheid hernomen en in een schitterenden kring van pairs en edelen het voorzitterschap bekleed had. Verandering van gezelschap en avonturen maakten het levensgeluk uit van Richard Leeuwenhart, en het was hem des te bekoorlijker, als het met menigvuldige gevaren gepaard ging. In Koning Richard werd het schitterend, maar onbeduidend karakter van een dolenden ridder bijkans verwezenlijkt, en de persoonlijke roem, welken hij door zijn wapenfeiten verwierf, was hem, wegens zijne vurige verbeelding, veel dierbaarder dan die, welken een staatkundig en wijs gedrag hem zou verschaft hebben. Dus was ook zijn regeering gelijk aan den loop van een schitterend en vluchtig luchtverschijnsel, dat langs het uitspansel snelt, een onnoodig maar geweldig licht in het rond verspreidt en plotseling door een diepe duisternis vervangen wordt; zijne ridderlijke daden verschaften onderwerpen voor dichters en minnezangers, maar aan zijn land geen van die blijvende voordeelen, waarbij de geschiedenis gaarne vertoeft, en welke zij als een voorbeeld aan de nakomelingschap voorstelt. In het tegenwoordig gezelschap echter, vertoonde zich Richard in het voordeeligst licht. Hij was vroolijk, goed geluimd, en beminde de dapperheid, in welken stand hij ze ook vond.—Onder een grooten eik werd het landelijk maal in alle haast voor den Koning van Engeland gereed gemaakt, die omringd was door mannen, welke onlangs door zijne regeering vogelvrij verklaard waren, en thans zijn hof en zijne lijfwacht uitmaakten. Toen de flesch begon rond te gaan, verloren de ruwe gezellen weldra hun ontzag voor de tegenwoordigheid des Konings uit het oog. Gezang en scherts klonken in het rond:—de geschiedenissen van vorige dagen werden verhaald; en eindelijk, terwijl zij op hunne wèl geslaagde overtreding der wetten pochten, herinnerde zich niemand meer, dat hij in tegenwoordigheid van haar natuurlijken beschermer sprak. De vroolijke Koning, die niet meer dan zijn gezelschap zijne waardigheid in het oog hield, lachte, dronk en schertste onder de vroolijke bende. Het natuurlijk gezond verstand van Robin Hood deed hem verlangen een einde aan het tooneel te maken, eer er iets voorviel, dat de eensgezindheid stoorde, te meer, daar hij bespeurde dat Ivanhoe’s gelaat betrok. “Wij zijn door de tegenwoordigheid van onzen dapperen Koning vereerd,” zei hij ter zijde tot den ridder; “echter wilde ik niet gaarne, dat hij den tijd verbeuzelde, welken de belangen van zijn koninkrijk kostbaar maken.”

“Gij hebt gelijk, dappere Robin Hood,” antwoordde de ridder, “en gij moet buitendien weten, dat zij, welke met den Koning schertsen, zelfs in zijne vroolijkste luim, slechts met den leeuw spelen, die bij de minste terging tanden en klauwen gebruikt.”

“Gij hebt de ware reden van mijne vrees geraden,” hernam de kapitein; “mijne lieden zijn van aard en beroep ruw; de Koning is driftig zoowel als vroolijk; en ik weet niet hoe spoedig eene beleediging kan aangedaan, of hoe ernstig ze kan opgenomen worden: het is tijd, dat de maaltijd afgebroken worde.”

“Dan moet gij trachten dat te bewerken, dappere schutter,” zei Ivanhoe; “want iedere wenk, dien ik getracht heb hem te geven, schijnt slechts te dienen om het feest te verlengen.”

“Moet ik dus zoo spoedig gevaar loopen om de genade en de gunst van mijn Vorst te verliezen?” zei Robin Hood zich een oogenblik bedenkende; “maar, bij St. Christophorus, het zal gebeuren! Ik zou zijne genade onwaardig zijn, zoo ik ze niet voor zijn welzijn in de waagschaal stelde.—Hier Scathlock! ga in gindsch kreupelhout, en blaas een Normandisch signaal op uw horen, en dat zonder een oogenblik te dralen, zoo u het leven lief is!”

Scathlock gehoorzaamde, en in minder dan vijf minuten werden de gasten door den klank van een horen verschrikt.

“Het is Malvoisin’s horen,” riep de Molenaar opspringende, en naar zijn boog grijpende. De monnik liet de flesch vallen en greep naar zijn knots. Wamba bleef in het midden van eene scherts steken, en tastte naar zwaard en schild. Alle overigen grepen naar de wapens.

Mannen, aan zulk eene onveilige leefwijze gewoon, gaan zeer gemakkelijk van den disch tot den strijd over, en voor Richard scheen deze afwisseling slechts een verandering van vermaak te zijn. Hij riep om zijn helm en de zwaarste deelen van zijn wapenrusting, welke hij afgelegd had, en terwijl Gurth ze hem aandeed, gaf hij, onder straffe van zijn grootste misnoegen, Wilfrid streng bevel, om geen deel te nemen in de schermutseling, welke hij verwachtte.

“Gij hebt honderd maal voor mij gestreden, Wilfrid,—en ik heb toegezien. Heden zult gij zien, hoe Richard voor zijn vriend en leenman vechten zal!”

Koning Richard Leeuwenhart.

Intusschen had Robin Hood verscheidene van zijn lieden naar verschillende kanten uitgezonden, alsof zij den vijand verkennen moesten; en toen hij zag dat het gezelschap werkelijk verstrooid was, naderde hij Richard, die nu geheel gewapend was, en, de knie buigende, vroeg hij zijn Vorst om vergiffenis.

“Waarvoor, vriend?” zei Richard eenigszins ongeduldig. “Hebben wij u niet reeds volle vergiffenis voor alle overtredingen geschonken? Meent gij dat ons woord een veder is, welke heen en weêr geblazen kan worden? Gij hebt nog geen tijd gehad, om nieuwe zonden te begaan.”

“Ja, dat heb ik toch gedaan,” antwoordde de schutter, “zoo het een zonde is, mijn Vorst tot zijn eigen best te misleiden. De horen, welken gij gehoord hebt, was niet van Malvoisin, maar werd op mijn bevel geblazen, opdat de maaltijd geëindigd zou worden, uit vrees dat de uren mochten voorbijsnellen, die te gewichtig zijn om verspild te worden.”

Toen stond hij op, kruiste de armen op de borst, en wachtte het antwoord des Konings eerder op eene eerbiedige dan op een onderdanige wijze af,—als een man, die bewust is, dat hij misschien beleedigd heeft, maar overtuigd is van de redelijkheid zijner handelwijze. De toorn kleurde Richard’s wangen; maar het was slechts de eerste opwelling, die zijn gevoel van billijkheid terstond deed voorbijgaan. “De Koning van Sherwood,” zei hij, “misgunt den Koning van Engeland zijn wild en zijne wijnflesch! Het is wèl, stoute Robin!—Maar als gij mij in het vroolijke Londen bezoekt, dan beloof ik u, dat ik een minder schraal gastheer zal zijn. Gij hebt echter gelijk, vriend. Laat ons te paard stijgen en vertrekken. Wilfrid is reeds een uur lang ongeduldig geweest. Zeg mij eens, brave Robin, hebt gij geen vriend onder uwe bende, die, niet tevreden met u raad te geven, ook volstrekt uw handelingen wil bestieren, en een benauwd gezicht zet, als gij het waagt voor u zelven te handelen?”

“Zoo iemand,” antwoordde Robin, “is mijn luitenant, de kleine John, die thans op een tocht naar de grenzen van Schotland is; en ik wil Uwe Majesteit bekennen, dat de vrijmoedigheid zijner raadgevingen mij soms mishaagt;—maar, als ik er nog eens over denk, dan kan ik niet lang boos op iemand zijn, die geen anderen beweeggrond voor zijn zorg kan hebben, dan ijver voor de belangen van zijn meester.”

“Gij hebt gelijk, vriend,” zei Richard, “en als ik steeds aan de ééne zijde Ivanhoe had, om deftigen raad te geven, en dien door zijn ernstig gezicht te ondersteunen, en aan de andere zijde uw persoon, om mij door list te dwingen tot hetgeen gij voor mij best houdt, dan zou ik even weinig vrijen wil hebben, als eenig koning in het Christen- of in het Heidendom.—Maar komt, heeren, laat ons maar naar Coningsburgh rijden, en niet meer aan het gebeurde denken.”

Robin Hood verzekerde hem, dat hij een troep op den weg, dien zij nemen moesten, vooruitgezonden had, welke niet in gebreke zou blijven, hen voor alle geheime hinderlagen te waarschuwen; en dat hij er niet aan twijfelde, of zij zouden de wegen veilig vinden, of anders zoo vroegtijdig bericht van het gevaar krijgen, dat zij in staat zouden zijn om zich terug te trekken tot eene sterke bende boogschutters, met welken hij voornemens was den Koning op denzelfden weg te volgen.

De wijze en oplettende voorzorg, welke voor Richard’s veiligheid genomen werd, trof zijn gevoel en verdreef de lichte ontevredenheid, welke hij misschien nog koesterde over de list van den kapitein der vogelvrijverklaarden. Hij stak Robin Hood nog eens de hand toe, verzekerde hem van zijne volkomene vergiffenis en toekomstige gunst, zoowel als van zijn vast besluit, om de tirannieke uitoefening van het jachtrecht en andere drukkende wetten te beperken, waardoor zooveel Engelsche landlieden tot oproer gebracht werden. Maar Richard’s goede voornemens jegens den stouten roover werden door zijn ontijdigen dood teleurgesteld, en de jachtwet werd aan de onwillige handen van Koning Jan afgeperst, toen hij zijn heldhaftigen broeder opvolgde. Wat het overige van Robin Hood’s levensloop, zoowel als het verhaal van zijn verraderlijken dood betreft, dat kan men in die oude met gothische letters gedrukte volksverhalen vinden, welke eertijds voor den geringen prijs van een halven stuiver verkocht werden, maar nu voorwaar “tegen goud opwegen.”

De verwachting van den vogelvrijverklaarde aangaande de veiligheid van den weg, werd bevestigd; en de Koning, vergezeld door Ivanhoe, Gurth en Wamba, kwam zonder verder oponthoud in het gezicht van het kasteel van Coningsburgh, terwijl de zon nog aan den hemel stond.

Er zijn weinig schoonere en bekoorlijker natuurtooneelen in Engeland, dan in de nabijheid van deze oude Saksische vesting. De stille en liefelijke rivier, de Don, stroomt door een breed dal, waarin bouwland rijkelijk met bosschen afgewisseld wordt, en op een berg, welke van den oever der rivier opstijgt, verheft zich het oude kasteel, verdedigd door muren en grachten, dat, zooals de Saksische naam aanduidt, vóór de Verovering, een residentie der Koningen van Engeland was. De buitenmuren werden waarschijnlijk door de Normandiërs bijgebouwd; maar het binnenste getuigt van eene zeer groote oudheid. Het oudste gedeelte van het kasteel ligt op eene hoogte in een hoek van de binnenplaats, en vormt een volkomen cirkel van omtrent vijf en twintig voet in middellijn. De muur is van buitengewone dikte en door zes ontzaglijk groote, gemetselde steunpilaren verdedigd, welke tegen de zijden van den toren aanleunen, als het ware om dien te schragen. Deze massieve stutten zijn naar boven toe hol, en loopen in een soort van torentjes uit, welke met het binnenste van het hoofdgebouw zelf in verbinding staan. Het voorkomen van dit groote gebouw op een afstand, met deze zonderlinge bijgebouwen, is even belangwekkend voor de beminnaars van het schilderachtige, als het binnenste van het kasteel zelf voor den ijverigen oudheidkundige, wiens verbeelding daardoor in de tijden der Zeven Koninkrijken verplaatst wordt. Een hol in de nabijheid van het kasteel wordt als het graf van den beroemden Hengist aangewezen, en verscheidene zeer oude en bezienswaardige gedenkteekenen worden op het kerkhof in de buurt getoond.

Toen Richard en zijn gevolg dit ruw en toch statig gebouw naderden, was het niet, zooals heden, door uitwendige versterkingen omringd. De Saksische bouwmeester had zijne kunst uitgeput om het hoofdgebouw tot verdediging geschikt te maken, en er was geene andere omheining dan een ruwe borstwering van palissaden.

Eene groote zwarte banier, welke van den top van den toren waaide, duidde aan dat de begrafenisplechtigheden van den laatsten eigenaar nog gevierd werden. Deze vlag droeg geen teeken van de geboorte of van den rang des overledenen, want wapens waren toen eene nieuwigheid, zelfs onder de Normandische ridderschap, en geheel onbekend bij de Saksers. Maar boven de poort hing eene andere banier, waarop de ruw geschilderde afbeelding van een schimmel, de afstamming en den rang van den overledene te kennen gaf, door het welbekend zinnebeeld van Hengist en zijne krijgers.

Rondom het kasteel heerschte groote drukte; want zulke begrafenisfeesten waren eene aanleiding tot algemeene en kwistige gastvrijheid, waaraan niet alleen zij, die in eenige, zelfs de verste betrekking tot den doode stonden, maar alle voorbijreizenden genoodigd werden deel te nemen. De rijkdom en het aanzien van den overleden Athelstane maakten, dat deze plechtigheden op de ruimst mogelijke schaal gevierd werden.

Men zag dus talrijke benden de hoogte waarop het kasteel stond, op- en afstijgen; en toen de Koning en zijn gevolg door de open en onbewaakte poorten reden, bood de inwendige ruimte een tooneel aan, dat met de aanleiding tot deze bijeenkomst niet gemakkelijk overeen te brengen was. Aan den éénen kant waren de koks bezig met zware ossen en vette schapen te braden; aan den anderen waren okshoofden bier aangestoken, ten behoeve van alle aankomelingen. Men zag groepen van allerlei stand, die de hun aangebodene spijs en drank gretig verslonden. De half naakte Saksische lijfeigene stilde zijn halfjarigen honger en dorst door één dag van zwelgerij en dronkenschap;—de meer welgestelde burger en gildebroeder gebruikte de spijzen met smaak, of sprak oordeelkundig over de hoeveelheid van het mout en de bekwaamheid van den brouwer. Men zag ook eenigen van den minderen Normandischen adel, die men aan hun geschoren kinnen en korte mantels onderscheiden kon, en niet minder daardoor, dat ze altijd bij elkander bleven en de geheele plechtigheid met groote minachting aanschouwden, zelfs terwijl ze zich verwaardigden van al het goede gebruik te maken, dat zoo mild werd opgedischt.

Bedelaars waren er natuurlijk in groote menigte, zoowel als rondzwervende soldaten, die uit Palestina waren teruggekeerd (ten minste naar hun eigen zeggen); kramers stelden hunne waren ten toon, reizende handwerkers vroegen om arbeid, en pelgrims en verloopen priesters, Saksische minnezangers en barden uit Wallis, prevelden gebeden en lokten onwelluidende tonen uit hunne harpen, violen en citers. De één roemde Athelstane in eene treurige lijkrede; een ander roemde in een Saksisch gedicht zijn geslachtslijst en de hardklinkende, barbaarsche namen van zijn edele voorouders. Narren en goochelaars ontbraken er niet, en men was niet van oordeel, dat de aanleiding tot de bijeenkomst de uitoefening van hunne kunsten onbetamelijk of ongepast maakte. De begrippen der Saksers bij die gelegenheid waren inderdaad even natuurlijk als ruw. Als de droefheid dorst leed, dan was er te drinken;—was ze hongerig, dan was er te eten;—als ze op het hart lag en het ter neêr drukte, dan waren er middelen tot vroolijkheid, of ten minste tot afleiding voorhanden, die de aanwezigen niet beneden zich achtten tot hun troost te besteden, ofschoon nu en dan de mannen, alsof zij zich plotseling de reden herinnerden, welke hen bijeengebracht had, allen tegelijk steunden, terwijl de vrouwen, in groot getal tegenwoordig, haar stem verhieven en luide weeklachten lieten hooren.

Dit was het tooneel op het slotplein van Coningsburgh, toen Richard met zijn gevolg optrad. De huishofmeester, die zich niet verwaardigde om acht te slaan op de groepen van mindere gasten, welke gestadig in- en uitgingen, ten minste niet meer dan noodig was om de orde te handhaven, werd door het voorkomen van den Koning en Ivanhoe getroffen; maar vooral daar hij zich verbeeldde, dat de trekken van den laatste hem bekend waren. Buitendien was de verschijning van twee ridders, zooals zij door hun kleeding bleken te zijn, een zeldzame gebeurtenis bij eene Saksische plechtigheid, en kon niet anders dan als een soort van eer voor den overledene en zijne familie beschouwd worden. In zijn zwart gewaad en met zijn witten ambtsstaf in de hand, maakte dus deze gewichtige personage ruimte door de bonte vergadering van gasten, en geleidde Richard en Ivanhoe naar den ingang van den toren. Gurth en Wamba vonden spoedig kennissen op het plein, en waagden het niet verder door te dringen, tot hunne tegenwoordigheid gevorderd werd.