Derde Hoofdstuk.
Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen
Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen,
Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.—
Thomson’s “Vrijheid.”
In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak, bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt, had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht- en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren, welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden.
Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke men daïs noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en de aanzienlijke bezoekers betreden.
Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars op dezen daïs geplaatst; van welker midden de langere en lagere tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden, eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak.
De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de daïs uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd, in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels, was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed; de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats van stoelen.
Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun Saksischen eeretitel ontleenden van: “de Brooduitdeelers.” Bij ieder van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in rang slechts een Thane, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een Franklin, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte, maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd, als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen, opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs, ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde.
Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, minever genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing, zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur, die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren, maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den daïs; de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden, zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten, maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric’s bord lag, om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude, grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling, dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: “Weg, Balder, weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!”
Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters, waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden.
Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische Thane ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen, hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,—op zich zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden, deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn gevuld, aanbood. “Waar blijft Jonkvrouw Rowena?” vroeg hij.
Cedric de Sakser.
“Zij verandert alleen van hoofdtooi,” antwoordde eene vrouwelijke bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin antwoordt: “Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger bij het kleeden dan mijne meesteres.”
Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend “hm!” van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: “Ik hoop, dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de St. Janskerk wil gaan bidden;—maar wat, in ’s duivels,” vervolgde hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde te vreezen tegengesproken te worden, “wat houdt, in ’s duivels naam, Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem tot een mijner knechts1 gemaakt hebben.”
Oswald, de schenker, hernam bescheiden, “dat het nauwelijks een uur geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht geluid had;” een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was.
“De duivel hale de klok,” riep Cedric uit, “en den wreeden bastaard, die het ingevoerd heeft, en den lagen slaaf, die het met een Saksische tong aan een Saksisch oor noemt! De klok!” ging hij na eene stilte voort, “ja, de klok, welke brave menschen verplicht het licht uit te blusschen, opdat dieven en roovers hunne daden in het duistere verrichten kunnen! Ja, die klok;—Reginald Front-de-Boeuf en Phillippe de Malvoisin kennen het gebruik er van even goed, als Willem de Bastaard zelf, of eenig ander Normandisch gelukzoeker, die bij Hastings vocht. Ik zal vermoedelijk hooren, dat mijn eigendom is weggevoerd, om de uitgehongerde bandieten, die zij alleen door roof en diefstal kunnen onderhouden, van den hongerdood te redden; dat mijn getrouwe slaaf vermoord is, en mijne kudden gestolen zijn;—en Wamba—waar is Wamba? Heeft niet iemand gezegd, dat hij met Gurth was uitgegaan?”
Oswald beantwoordde deze vraag toestemmend.
“Wel—het wordt hoe langer hoe mooier! Hij is weggekaapt—de Saksische nar—om den Normandischen heer te dienen. Gekken zijn wij inderdaad allen, dat wij hun onderworpen zijn, en geschiktere voorwerpen voor hunne verachting en hun spot, dan zij, die maar met een half verstand geboren waren. Maar ik zal mij wreken,” voegde hij er bij, toornig over het veronderstelde onrecht, terwijl hij van zijn stoel opsprong en zijn jachtspies greep: “ik zal mijne klachten voor den grooten raad brengen, ik heb vrienden, ik heb aanhangers—man tegen man zal ik den Normandiër in het strijdperk roepen; laat hem komen in staal en harnas, en al wat den lafhartigen moed kan inboezemen; ik heb zulk een spies, als deze, wel door een borstwering heen geworpen, driemaal zoo dik als hunne schilden!—Misschien houden zij mij voor oud, maar zij zullen ondervinden, dat, ofschoon ik alleen en kinderloos ben, het bloed van Hereward nog door Cedric’s aderen stroomt.—Ach Wilfrid! Wilfrid!” riep hij op zachteren toon, “hadt gij uw onverstandigen hartstocht kunnen beheerschen, dan stond uw vader niet in zijn ouderdom verlaten daar, gelijk de eenzame eik, die zijn geknakte en onbeschermde takken tegen de volle woede van den storm uitbreidt!” Deze herinnering scheen zijn toorn in droefheid te veranderen. Zijn jachtspies neêrzettende, nam hij weder plaats, sloeg de oogen naar den grond, en scheen geheel in zwaarmoedige gedachten verzonken.
Uit deze overpeinzing werd Cedric plotseling gewekt door het geluid van een horen, hetwelk beantwoord werd door het luidruchtig gehuil en geblaf van alle honden in de zaal, en wel twintig of dertig anderen in het overige gedeelte van het gebouw. Met behulp van den witten stok, en van de bedienden, werd er spoedig een einde gemaakt aan dit hondengeschreeuw.
“Naar de poort, knapen!” zeide de Sakser haastig, zoodra het gedruisch in zoo verre bedaard was, dat de bedienden zijn stem verstaan konden. “Gaat hooren, welke tijding ons die horen brengt;—denkelijk verkondigt men ons de eene of andere gewelddadigheid en rooverij op mijn gebied.”
Een der bedienden, die in minder dan drie minuten teruggekeerd was, meldde “dat de Prior Aymer van Jorvaulx, en de edele Ridder Brian de Bois-Guilbert, Kommandeur van de krijgshaftige en eerwaardige orde der Tempelieren, met een klein gevolg, gastvrijheid en huisvesting voor den nacht verzochten, daar zij op weg waren naar een tournooi, dat over twee dagen niet ver van Ashby-de-la-Zouche gehouden zou worden.
“Aymer, Prior Aymer? Brian de Bois-Guilbert?” bromde Cedric; “beide Normandiërs; maar Normandiër of Sakser, de gastvrijheid van Rotherwood moet niet geschonden worden; zij zijn welkom, daar zij goed gevonden hebben hier aan te kloppen,—maar het zou mij nog meer welkom geweest zijn, als zij verder gereden waren. Het zou echter beneden mij zijn, over huisvesting voor een enkelen nacht en een avondmaal te morren; als gasten zullen zelfs Normandiërs hun onbeschaamdheid beteugelen.—Ga, Hundebert,” zei hij tot een soort van Major-domus, die achter hem stond met een witten staf; “ga, neem zes der bedienden mede, en breng de vreemdelingen in het gastenvertrek. Zie naar hun paarden en muilezels, en zorg, dat het hun gevolg aan niets ontbreke. Geef hun andere kleederen, als zij die begeeren, vuur, en water om zich te wasschen, en wijn en bier. Zeg aan de koks, dat zij schielijk nog iets bij ons avondeten gereed moeten maken; en opdoen, wanneer die vreemdelingen gereed zijn om er aan deel te nemen. Zeg hun, Hundebert, dat Cedric zelf hen verwelkomen zou, zoo hij niet eene gelofte gedaan had nooit verder dan drie stappen van den daïs van zijn zaal iemand te gemoet te gaan, die niet van het koninklijk Saksische bloed is. Ga heen! Verzorg hen goed; laten wij hen niet in hun hoogmoed doen zeggen: de Saksische boer heeft tegelijk zijne armoede en zijne gierigheid getoond.”
De Major-domus vertrok met verscheidene bedienden, om de bevelen van zijn meester ten uitvoer te brengen. “Prior Aymer?” herhaalde Cedric, Oswald aanziende: “de broeder, zoo ik mij niet vergis, van Giles de Mauleverer, thans heer van Middleham?”
Oswald bevestigde dit eerbiedig.
“Zijn broeder woont op het landgoed, en heeft het vaderlijke erfdeel vermeesterd van een beter geslacht, dan dat van Ulfgar van Middleham; maar welk Normandisch edele doet dat niet? De prior is, zegt men, een vrije en vroolijke priester, die meer van den wijnbeker en den jachthoren, dan van het kerkklokje en het misboek houdt. Goed, laat hem komen, hij zal welkom zijn. Hoe noemdet gij den Tempelier?”
“Brian de Bois-Guilbert.”
“Bois-Guilbert,” zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven, zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom hem.—“Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend—ten goede en ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden, hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn teruggekeerd.—Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom zijn.—Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest schuimenden appelwijn, het dikste morat, het welriekendste pigment2 op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena, dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen.”
“Maar het zal haar bijzonder verlangen zijn,” hernam Elgitha vlug, “want zij is er altijd op gesteld het laatste nieuws uit Palestina te vernemen.”
Cedric wierp het neuswijze meisje een blik toe, die een snel opkomende drift verried, maar Rowena, en allen, die haar toebehoorden, waren veilig voor zijn toorn. Hij antwoordde dus slechts: “Stil, meisje, uw tong is te voorbarig! Geef mijne boodschap aan uw meesteres, en laat haar doen, zooals zij verkiest. Hier, tenminste, zal de afstammelinge van Alfred nog als vorstin heerschen.” Elgitha verliet het vertrek.
“Palestina!” herhaalde Cedric, “Palestina! hoe velen luisteren naar de verhalen, welke losbandige kruisvaarders, of schijnheilige pelgrims uit dat ongelukkig land medebrengen! Ik zou ook wel willen vragen—ook wel onderzoeken, ook wel met een kloppend hart luisteren naar sprookjes, waardoor listige reizigers onze gastvrijheid afbedelen;—maar neen!—de zoon, die mij ongehoorzaam is geweest, is mijn zoon niet meer; ook wil ik niet meer belang in zijn lot stellen, dan in dat van den onwaardigsten onder de millioenen, die ooit het kruis op den schouder droegen, zich in buitensporigheden en bloedschuld stortten, en dit noemden: “Gods wil doen!””
Hij fronste de wenkbrauwen en sloeg de oogen voor een oogenblik op den grond; toen hij weder opkeek, werden de vleugeldeuren aan het benedeneinde van de zaal wijd opengeworpen, en, voorafgegaan door den Major-domus met zijn staf en vier bedienden met brandende fakkels, traden de gasten het vertrek binnen.
1 Het oorspronkelijke heeft Cnichts, met welk woord de Saksers een soort van krijgshaftige dienaren schijnen aangeduid te hebben, soms vrijen en somtijds lijfeigenen, maar altijd hooger in rang dan de gewone bedienden, hetzij in het koninklijke huis of in dat der Aldermans en Thanes. Maar het woord Cnicht, hetwelk nu Knight geschreven wordt, in de Engelsche taal opgenomen zijnde, in dezelfde beteekenis als het Normandische Chevalier, (Ridder), heb ik het niet hier willen gebruiken.
2 Dit waren dranken bij de Saksers in gebruik, zooals de heer Turner ons leert. Morat was uit honig gemaakt met moerbeziënsap; Pigment was een zoete en sterke drank, uit gekruiden wijn en ook met honig zoet gemaakt. De andere dranken behoeven geene verklaring.—Schrijver.
Vierde Hoofdstuk.
Ter feestdisch werd gebracht het vleesch van runder, geit,
Van ’t vette zwijn en schaap, behoorlijk toebereid;
Het brood werd rondgedeeld; de bekers volgeschonken,
En allen zaten aan en aten zaâm en dronken.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Verwijderd zat alleen Ulysses, lager af,
Op nederiger plaats, die hem met voordacht gaf
Telemachus.
Odyssee, Boek XXI.
Prior Aymer had van de aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt, om zijn rijkleed tegen een van nog kostbaarder stof te verwisselen, over hetwelk hij een schoon geborduurden priestermantel droeg. Behalve den grooten, gouden zegelring, welke zijn geestelijke waardigheid aanduidde, waren zijn vingers, ofschoon strijdig met de kerkelijke wet, met edelgesteenten versierd; zijn sandalen waren van het fijnste leder, dat uit Spanje ingevoerd werd; zijn baard was zoo kort gesneden, als de regels van zijn orde maar toelieten; en zijn geschoren kruin was verborgen onder een rijk scharlaken kapje.
De kleeding van den Tempelier had ook een verandering ondergaan, en, schoon met minder zorg versierd, was ze even rijk, en zijn voorkomen meer indrukwekkend, dan dat van zijn metgezel. Hij had zijn maliënkolder verwisseld tegen een onderkleed van donker purper zijde, met bont omzet, waarover zijn lang, vlekkeloos wit bovenkleed in ruime plooien hing. Het achthoekige kruis van zijn orde was op den schouder van zijn mantel in zwart fluweel opgelegd. De hooge muts bedekte zijn voorhoofd niet meer, dat alleen door zijn kort, dik gekruld, pikzwart haar, dat overeenkwam met zijn buitengewoon donkere gelaatskleur, overschaduwd was. Niets zou de bevalligheid en deftigheid van zijn gang en zijn manieren overtroffen hebben, als deze niet ontsierd waren geweest door een in het oog vallenden schijn van hoogmoed, die zoo licht verkregen wordt door het uitoefenen van onbeperkt gezag.
Deze beide aanzienlijke mannen werden gevolgd door hunne bedienden, en op een eerbiedigen afstand door hun gids, wiens persoon verder niets belangwekkends had, dan de gewone kleeding van een pelgrim. Een mantel van grof, zwart laken bedekte zijn geheele lichaam, en geleek in snede op een hedendaagschen huzaren-mantel, met dezelfde slippen tot bedekking der armen: deze droeg den naam van Sclaveyn, of Sclavoniër. Grove sandalen, met riemen vastgebonden, aan zijn bloote voeten, een hoed met breeden rand, met schelpen omzoomd, en een lange staf met ijzer beslagen, aan welks boveneinde een palmtak was vastgemaakt, voltooiden de kleeding van den pelgrim. Hij hield zich zedig achter de laatsten van het gevolg, en bespeurende, dat de benedenste tafel nauwelijks ruim genoeg was voor de bedienden van Cedric en zijn gasten, ging hij op een bankje zitten, dat naast, of bijna onder een breeden schoorsteen stond, en scheen zich te willen bezighouden met zijn kleederen te drogen, tot het vertrek van den een of ander ruimte aan de tafel zou maken, of tot de gastvrije hofmeester hem op de plaats waar hij nu zat, met ververschingen zou voorzien.
Cedric stond op, ontving de vreemdelingen met eene waardige gastvrijheid, en van het hoogere gedeelte van de zaal afstappende, deed hij drie schreden naar hen toe, en wachtte toen, tot zij naderden.
“Het spijt mij, eerwaardige Prior,” zeide hij, “dat mijne gelofte mij verbiedt, om iemand in het huis mijner vaderen verder tegemoet te gaan,—zelfs om zulke gasten als u en dezen dapperen Tempelier te ontvangen. Maar mijn hofmeester heeft u de reden mijner schijnbare onbeleefdheid verklaard. Laat mij ook om verschooning bidden, dat ik in mijne moedertaal tot u spreek, en u tevens verzoeken mij daarin te antwoorden, als gij er zoo veel van verstaat; zoo niet, ken ik Normandisch genoeg, om uw gesprek te volgen.”
“Geloften,” hernam de Abt, “moeten ongeschonden blijven, waardige Franklin, of vergun mij liever te zeggen, waardige Thane, ofschoon deze titel verouderd is. Geloften zijn de banden, welke ons met den hemel vereenigen, en die het offer aan het altaar binden; daarom moeten zij—zooals ik reeds zeide—ongeschonden blijven, tenzij onze heilige moeder, de kerk, het tegendeel beslisse. En wat de taal betreft—ik gebruik gaarne die taal, welke mijn geëerde grootmoeder, Hilda van Middleham, sprak, die in den reuk van heiligheid stierf, weinig onder doende, naar ik geloof, voor haar roemrijke naamgenoote, de heilige Hilda van Whitby, God zij harer ziel genadig!”
Toen de Prior deze, naar hij meende, verzoenende woorden had gesproken, zeide zijn metgezel kort en nadrukkelijk: “Ik spreek altijd Fransch, de taal van koning Richard en zijn edelen; maar ik versta de volkstaal genoeg, om mij met de inboorlingen te kunnen onderhouden.”
Cedric wierp den spreker een van die driftige, ongeduldige blikken toe, welke vergelijkingen tusschen de beiden om den voorrang strijdende natiën meestal bij hem uitlokten; maar, zich de plichten der gastvrijheid herinnerende, onderdrukte hij ieder verder teeken van ongenoegen, en een wenk met de hand gevende, liet hij zijn gasten twee plaatsen dicht bij de zijne, maar een weinig lager, innemen, en gaf een teeken, om het avondeten op te dragen.
Terwijl de bedienden zich haastten zijne bevelen ten uitvoer te brengen, ontwaarde hij Gurth, den zwijnenhoeder, die zoo even met zijn makker Wamba de zaal was binnen getreden. “Laat die trage kerels hier komen!” riep de Sakser ongeduldig, en toen de schuldigen voor den daïs kwamen, duwde hij hun toe: “Hoe komt het, schelmen, dat gij zoo lang daar buiten rond geslenterd hebt? Hebt gij uwe kudde naar huis gebracht, Gurth, of is zij een buit der stroopers en vrijbuiters geworden?”
“De kudde is in veiligheid, om u te dienen!” zeide Gurth.
“Maar het diende mij in het geheel niet,” riep Cedric uit, “twee uren lang het tegendeel te moeten gelooven, en hier op wraak te zitten zinnen tegen mijn buren wegens een onrecht, dat zij mij niet aangedaan hebben. Ik zeg het u, stokslagen en gevangenis zullen de eerste overtreding van dien aard, die gij weder begaat, straffen!”
Gurth, die zijns meesters driftigen aard kende, waagde geene verontschuldiging; maar de nar, die, uit kracht van zijn voorrecht als potsenmaker, op Cedric’s toegevendheid kon rekenen, antwoordde voor hen beiden: “Waarlijk, oom Cedric, gij zijt heden avond verstandig noch redelijk.”
“Hoe!” zeide zijn meester; “gij zult naar de poortierswoning gezonden worden en daar tucht leeren, als gij uw gekheid den teugel viert op die manier.”
“Eerst onderrichte mij uwe wijsheid!” hernam Wamba. “Is het billijk en redelijk den één voor den misslag des anderen te straffen?”
“Zeker niet, nar!” antwoordde Cedric.
“Waarom wilt gij dan den armen Gurth laten slaan, oom, wegens de schuld van zijn hond Fangs? Want ik kan er op zweren, dat wij op weg geen minuut tijds verloren hebben, nadat wij onze kudde bij elkander hadden; wat Fangs niet ten einde bracht voor Vespertijd.”
Ontvangst van den Prior Aymer en den Tempelier Briand de Bois-Guilbert.
“Hang Fangs dan op,” zeide Cedric, zich haastig tot den zwijnenhoeder wendende, “als het zijn schuld is; en maak dat gij een anderen hond krijgt.”
“Met verlof, oom,” hervatte de nar; “dat zou weder geene stipte rechtvaardigheid zijn; want het is de schuld van Fangs niet, dat hij lam is, en de kudde niet bij elkander kon krijgen; maar de schuld van hen, die zijn beide klauwen afgesneden hebben, waartoe de arme drommel zeker zijne toestemming niet zou gegeven hebben, zoo men hem geraadpleegd had.”
“En wie heeft het gewaagd, een dier te verminken, dat aan mijn lijfeigene toebehoort?” vroeg de Sakser, in toorn ontstekende.
“Wel, dat deed de oude Huib,” zeide Wamba, “de jachtopziener van den ridder Philippe de Malvoisin. Hij betrapte Fangs, terwijl hij door het bosch dwaalde, en zeide, dat hij jacht op het wild maakte, strijdig met het recht van zijn meester, als houtvester.”
“De duivel hale Malvoisin,” hervatte de Sakser, “en zijn opziener daarbij! Ik zal hun leeren, dat het woud, volgens de boschwet, in ’t geheel geen bosch meer is. Maar genoeg hiervan—Nar, ga op uwe plaats—en gij, Gurth, neem een anderen hond, en zoo de opziener dien durft aanraken, dan zal ik hem het boogschieten verleeren; men schelde mij voor een lafaard uit, zoo ik hem niet den voorsten vinger van de rechterhand afhouw—hij zal geen boog meer spannen.—Ik verzoek u vergiffenis, waardige gasten; ik ben hier door buren omgeven, die niet beter zijn dan de ongeloovigen in het Heilige Land, heer Ridder. Maar uw geringe maaltijd staat gereed; bedient er u van, en laat de goede wil de slechte kost verschoonen.”
De maaltijd, intusschen, welke op tafel stond, behoefde geene verontschuldigingen van den kant van den gastheer. Varkensvleesch, op verschillende wijzen toebereid, stond op het benedeneinde der tafel; alsook gevogelte, hertenvleesch, hazen- en geitengebraad en verscheidene soorten van visch, met groote brooden, koeken, en vruchten in honig ingelegd. De kleiner soorten van wild gevogelte, dat er in overvloed was, werden niet in schotels voorgediend, maar op kleine houten braadspitten, en door de pages en knechts, die ze droegen, aan alle gasten aangeboden, die naar welgevallen ervan afsneden. Naast ieder persoon van rang stond een zilveren beker, en aan het benedeneinde der tafel groote drinkhorens. Toen de maaltijd op het punt was van te beginnen, riep de Major domus, of huishofmeester, eensklaps zijn staf verheffende, met luider stemme: “Plaats voor Jonkvrouw Rowena!” Eene zijdeur aan het boveneinde der zaal achter de eettafel ging open, en Rowena, door vier harer vrouwen gevolgd, trad binnen. Cedric, ofschoon niet aangenaam verrast door de verschijning van zijne pupil bij deze gelegenheid, ijlde haar tegemoet, en geleidde haar met eerbiedige plechtigheid naar de verhevene plaats aan zijne rechterhand, bestemd voor de vrouw des huizes. Allen stonden op om haar te ontvangen; en, hunne begroeting met eene stomme buiging beantwoordende, nam zij bevallig hare plaats aan de tafel in. Vóórdat zij tijd had dit te doen, fluisterde echter de Tempelier den Prior toe: “Ik zal bij het toernooi geen gouden ketting van u dragen. Gij hebt den Chioswijn gewonnen!”
“Heb ik het niet gezegd?” antwoordde de Prior. “Maar matig uwe verrukking, de Franklin slaat u gade.”
Zonder op deze waarschuwing te letten, en gewoon slechts naar de ingeving van zijne wenschen te luisteren, hield Brian de Bois-Guilbert het oog gevestigd op de Saksische schoonheid, die misschien des te meer zijne verbeelding trof, omdat ze zoozeer van de Oostersche Sultanes verschilde.
Jonkvrouw Rowena.
Geene vrouwelijke gestalte kon heerlijker zijn dan die van Rowena, die, hoe rank ze ook was, door buitengewone grootte toch niet de aandacht tot zich trok. Hare gelaatskleur was buitengemeen blank, maar de edele vorm van haar hoofd en van haar trekken bewaarde voor het gebrek aan uitdrukking, dat soms aan zeer blanke schoonheden eigen is. Haar helderblauw oog, schitterend onder schoon geteekende, bruine wenkbrauwen, die donker genoeg waren om het voorhoofd te doen uitkomen, scheen even vurig als teeder, even gebiedend als smeekend te zijn. Ofschoon zachtmoedigheid de gewone uitdrukking harer trekken was, had het gevoel van meerderheid en de algemeene hulde, die men haar bewees, blijkbaar aan de Saksische jonkvrouw iets hoogmoedigs gegeven, dat met haar natuurlijken aanleg ineengesmolten was. Haar schoon haar, tusschen bruin en blond in, was op grillige, doch bevallige wijze, in talrijke krullen opgemaakt, waarbij de kunst waarschijnlijk de natuur had bijgestaan. Deze lokken waren met edelgesteenten versierd, en hingen in hun volle lengte neder, waaruit men de edele afkomst en den vrijgeboren stand der maagd kon opmaken. Een gouden ketting, waaraan een kleine reliquie van hetzelfde metaal was vastgemaakt, hing om haar hals. Zij droeg armbanden om de bloote armen. Haar kleeding bestond uit een onderkleed en lijfje van lichtgroene zijde, waarover een lang, ruim gewaad hing, dat tot op den grond reikte en wijde mouwen had, die ongeveer tot den elleboog gingen. Dit kleed was karmozijnrood, en uit de allerfijnste wol gemaakt. Een zijden sluier, met goud doorweven, was aan het bovenste gedeelte daarvan bevestigd, welke, naar verkiezing, volgens de Spaansche mode over het gezicht en den boezem kon getrokken worden, of als een draperie om de schouders geslingerd.
Toen Rowena bespeurde, dat de oogen van den Tempelridder op haar gevestigd waren, met een vuur, dat, vergeleken met de donkere holten waarin zij zich bewogen, hun het voorkomen van gloeiende kolen gaf, sloeg zij den sluier met waardigheid over het gelaat, als een teeken, dat de stoute vrijheid van zijn blik haar mishaagde. Cedric zag de beweging en begreep de oorzaak er van. “Heer Tempelier,” zeide hij, “de wangen van onze Saksische meisjes zijn nog niet genoeg aan de zon gewend, om den stouten blik van een kruisvaarder te kunnen verdragen.”
“Zoo ik beleedigd heb,” hernam Brian, “dan verzoek ik vergiffenis,—dat wil zeggen, ik vraag vergiffenis aan Jonkvrouw Rowena,—want de mate mijner nederigheid laat niet toe, dat ik die elders inroep.”
“Jonkvrouw Rowena,” zeide de Prior, “heeft ons allen gestraft, door de stoutheid van mijn vriend te kastijden. Ik wil hopen dat zij minder wreed zal zijn voor den schitterenden stoet bij het toernooi.”
“Het is nog onzeker of wij er heen gaan,” zeide Cedric. “Ik ben geen vriend van die ijdele vertooningen, die aan mijne voorouders onbekend waren, toen Engeland vrij was.”
“Laat ons evenwel hopen,” hernam de Prior, “dat ons gezelschap u moge overhalen om er heen te reizen; als de wegen zoo onveilig zijn, is het geleide van Sir Brian de Bois-Guilbert niet te verachten.”
“Heer Prior,” antwoordde de Sakser, “waar ik ook in dit land gereisd heb, tot hiertoe, heb ik, met behulp van mijn goed zwaard en van mijn getrouwe dienaars, nog nooit vreemde hulp noodig gehad. Zoo wij nu nog naar Ashby-de-la-Zouche gaan, dan doen wij dat met mijn edelen buur en landsman Athelstane van Coningsburgh, en met een gevolg, dat ons zoowel tegen vrijbuiters, als vijanden van hoogeren stand zal beschermen.—Ik breng u dezen beker wijn toe, heer Prior, welken gij, hoop ik, naar uw smaak zult vinden, en ik dank u voor uw beleefdheid.—Maar zoo gij streng aan uw kloosterregel gehecht zijt, en aan een dronk zure melk de voorkeur geeft, laat dan de beleefdheid u niet dwingen, mij bescheid te doen.”
“Neen,” zei de Priester lachende, “het is alleen in onze abdij, dat wij ons bij het lac dulce of lac acidum bepalen. Als wij met de wereld verkeeren, volgen wij de gebruiken der wereld, en derhalve doe ik u in dezen heerlijken wijn bescheid, en laat den zwakkeren drank aan mijn leekebroeder over.”
“En ik,” zei de Tempelier, zijn beker met Wassail1 vullende, “ik breng dezen dronk aan de schoone Rowena; want sedert haar naamgenoot, lang geleden, dit gebruik in Engeland invoerde, is er nooit iemand deze eer waardiger geweest dan zij. Op mijn woord, de ongelukkige Vortigern verdiende vergiffenis, indien zijn eer en zijn koninklijk half zoo veel in gevaar waren om schipbreuk te lijden, als zij nu zouden zijn.”
“Spaar uw beleefdheid, heer Ridder!” hernam Rowena met waardigheid, en zonder zich te ontsluieren; “of liever laat mij daarvan gebruik maken, u te verzoeken mij het laatste nieuws uit Palestina te verhalen; een onderwerp veel aangenamer voor Saksische ooren dan de complimenten, welke de Fransche gewoonten medebrengen.”
“Ik heb weinig belangrijks te verhalen,” antwoordde Sir Brian de Bois-Guilbert, “behalve de zekere tijding van een wapenstilstand met Saladin.”
Wamba, die zijne gewone plaats had ingenomen op een stoel, die met twee ezelsooren versierd was, omtrent twee stappen achter den zetel van zijn meester, die hem van tijd tot tijd spijzen van zijn eigen bord gaf, een gunst echter, welke de nar met de lievelingshonden deelde—waarvan, zooals wij reeds gezegd hebben, verscheidene tegenwoordig waren—viel hem hier in de rede. Dáár zat Wamba, met een tafeltje voor zich, de beenen onder den stoel gestoken, zijn gezicht vertrekkende als een notenkraker, en de oogen half gesloten, evenwel oplettend iedere gelegenheid bespiedende, om van zijn vrijheid als nar gebruik te maken.
“Deze wapenstilstanden met de ongeloovigen,” riep hij uit, zonder er zich aan te storen, hoe onverwacht hij den trotschen Tempelier in de rede viel, “maken mij tot een oud man.”
“Hoe zoo, schelm?” vroeg Cedric, terwijl zijn blikken toonden, dat hij bereid was om de verwachte aardigheid gunstig op te nemen.
“Omdat ik,” hernam Wamba, “mij herinner, dat er drie gedurende mijn leven zijn gesloten, waarvan ieder vijftig jaren moest duren; zoodat, bij elkander gerekend, ik ten minste honderd en vijftig jaren oud moet zijn!”
“Ik wil er u echter borg voor staan, dat gij niet van ouderdom zult sterven,” zei de Tempelier, die nu zijn vriend uit het woud herkende; “als gij voortgaat, zulke aanwijzingen aan reizigers te geven, als gij dezen avond aan den Prior en mij gegeven hebt.”
“Hoe, schurk!” stoof Cedric op; “reizigers den verkeerden weg wijzen? Gij moet wat met de zweep hebben; gij zijt ten minste even ondeugend als gek.”
“Ik bid u, oom,” antwoordde de nar, “laat mijne gekheid ditmaal mijn schelmstuk verontschuldigen. Ik heb mij slechts tusschen mijne rechter- en linkerhand vergist; en hij, die een nar tot raadsman en wegwijzer neemt, moet eene kleine dwaling over het hoofd zien!”
Hier werd het gesprek afgebroken door het binnenkomen van den poortierspage, die meldde, dat er een vreemdeling aan de poort was, die toelating en gastvrijheid verzocht.
“Laat hem binnen,” zeide Cedric, “wie hij ook zij;—een nacht, zooals die, welke buiten woedt, dwingt zelfs wilde dieren bij de tammen te schuilen, en bescherming te zoeken bij den mensch, hun vijand, liever dan door het geweld der elementen om te komen. Laat in al zijn behoeften voorzien—zorg gij er voor, Oswald!” En de hofmeester verliet de eetzaal, om de bevelen van zijn meester te doen uitvoeren.
1 Een drank uit appels, suiker en bier, zonder hop er in, samengesteld. Wassail, van Wachse heil!—de aloude uitdrukking bij een feestdronk. Zie Drake’s Shakespeare, I, 127, 199 en 254. M. P. L.
Vijfde Hoofdstuk.
Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen, zintuigen, gevoelens, zinnen, neigingen, hartstochten? Wordt hij niet met hetzelfde voedsel gevoed, met dezelfde wapenen gekwetst? Is hij niet aan dezelfde ziekten onderhevig? Wordt hij niet door dezelfde geneesmiddelen genezen, door denzelfden zomer en winter warm en koud gemaakt, als een Christen?
Koopman van Venetië.
Oswald fluisterde bij zijn terugkomst zijn meester in het oor: “Het is een Jood, die zich Izaäk van York noemt; past het, dat wij hem in de zaal brengen?”
“Laat Gurth uw ambt verrichten, Oswald,” zei Wamba met zijn gewone stoutheid: “de zwijnenhoeder is een geschikt geleider voor den Jood.”
“Heilige Maria!” riep de Abt, het teeken van het kruis makende, “zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?”
“Een hond van een Jood,” schreeuwde de Tempelier, “zou een verdediger van het Heilige Graf naderen!”
“Op mijn woord,” zei Wamba, “de Tempeliers zijn meer op de erfenis der Joden dan op hun gezelschap gesteld!”
“Bedaard, waarde gasten,” zeide Cedric; “mijne gastvrijheid mag niet door uwe ontevredenheid belemmerd worden. Zoo de Hemel de geheele natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft, dan een leek tellen kan, kunnen wij de tegenwoordigheid van één Jood wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te spreken of te eten.—Geeft hem een tafel en een schotel voor zich, tenzij,” zeide hij glimlachende, “deze getulbande vreemdelingen hem in hun gezelschap willen opnemen.”
“Edele Sakser,” antwoordde de Tempelier, “mijne Saraceensche slaven zijn echte Mohammedanen, en verachten zoo goed als een Christen de gemeenschap met een Jood.”
“Wel, waarlijk,” zeide Wamba, “ik begrijp niet, waarom de vereerders van Mohammed en den duivel zoo vele voorrechten zouden hebben, boven het vroeger door den Hemel uitverkoren volk.”
“Hij zal bij u zitten, Wamba,” zeide Cedric; “de nar en de schelm passen goed bij elkander.”
“De nar,” antwoordde Wamba, de overblijfselen van een ham in de hoogte houdende, “zal zorg dragen, een bolwerk tegen den schelm op te richten.”
“Stil,” zeide Cedric; “daar komt hij!”
De Jood Izaäk.
Met weinig plechtigheid binnengeleid, vol vrees en aarzeling en met vele ootmoedige buigingen binnentredende, naderde een lange, magere grijsaard, die echter door de gewoonte van krom te gaan, veel van zijn wezenlijke grootte verloren had, het benedeneinde der tafel. Zijn scherpe en regelmatige trekken, zijn haviksneus, zijn doordringende zwarte oogen, zijn hoog, gerimpelde voorhoofd, zijn lang, grijs haar en lange baard hadden voor schoon kunnen doorgaan, indien ze niet de onderscheidende kenteekens gedragen hadden van een geslacht, dat in die onbeschaafde eeuwen evenzeer verfoeid werd door het lichtgeloovige en bevooroordeelde gemeen, als vervolgd door den inhaligen, roofzuchtigen adel, en dat, misschien door dezen haat en die vervolging, over het algemeen een karakter had verkregen, waarin, om het op het zachtst uit te drukken, tenminste veel laags en onaangenaams was.
De kleeding van den Jood, die geweldig van den storm scheen geleden te hebben, bestond uit een eenvoudig somber gewaad met vele plooien, en een donker purperkleurig kleed er onder. Hij had wijde laarzen aan, met bont gevoerd, en om zijn middel een gordel, waarin een klein mes hing en een koker met schrijfgereedschappen, maar geen wapenen. Hij droeg een hooge, vierkante, gele muts van zonderling maaksel, die aan zijn natie was voorgeschreven, om die van de Christenen te onderscheiden, en welke hij met groote nederigheid bij de deur van de zaal afnam.
De ontvangst van dezen man in de zaal van Cedric den Sakser had zelfs den meest bevooroordeelden vijand van den Israëlitischen stam moeten bevredigen. Cedric zelf knikte hem op zijn herhaald groeten slechts koel toe, en gaf hem een wenk om aan het benedenste einde van de tafel plaats te nemen, waar echter niemand geneigd scheen ruimte voor hem te maken. Integendeel, terwijl hij de rij langs ging, een vreesachtigen, smeekenden blik op iedereen werpende, die het lagere einde der tafel bezette, haalden de Saksische bedienden de schouders op, en gingen voort hun avondeten met grooten ijver te verslinden, zonder in het minste acht te slaan op de behoeften van den nieuwen gast. De bedienden van den Abt maakten een kruis, met teekens van vromen afkeer, en zelfs streken de heidensche Saracenen, toen Izaäk naderde, verontwaardigd de knevels op, en sloegen de hand aan den dolk, alsof zij gereed waren, zich met geweld voor de gevreesde bezoedeling zijner aanraking te vrijwaren.
Mogelijk zouden dezelfde beweegredenen, die Cedric aangezet hadden, zijn zaal voor dezen zoon van een verstooten volk te openen, hem ook bewogen hebben, zijn bedienden een meerdere vriendelijkheid jegens Izaäk aan te bevelen, had niet de Abt hem juist op dit oogenblik in een belangrijk gesprek gewikkeld, over het ras en den aard zijner lievelingshonden, hetwelk hij niet zou afgebroken hebben voor zaken van veel grooter gewicht, dan dat een Jood zich zonder eten te slapen moest leggen. Terwijl Izaäk dus van het gezelschap uitgestooten stond, evenals zijn volk onder de natiën, te vergeefs naar een welkomstgroet en een rustplaatsje omziende, kreeg de pelgrim, die bij den haard zat, medelijden met hem, en stond hem zijn stoel af, deze paar woordjes zeggende: “Oude man, mijn kleederen zijn droog, mijn honger is gestild; gij zijt nog nat en hongerig.” Dit zeggende, legde hij de op den grooten haard verstrooide stukken hout bij elkander, en blies het vuur aan; hij nam van de groote tafel een schotel met soep en gekookt geitenvleesch, zette dien op de kleine tafel, aan welke hij zelf gegeten had, en zonder den dank van den Jood af te wachten, ging hij naar de andere zijde van de zaal. Of dit geschiedde, omdat hij niet in nader gesprek wilde treden met het voorwerp zijner mildheid, of omdat hij wenschte bij het boveneinde der tafel te komen, scheen niet duidelijk.
Waren er in die dagen schilders geweest, in staat om zoo iets voor te stellen, dan zou de Jood, terwijl hij zijn magere gedaante voorover boog, en zijn verkleumde en bevende handen boven het vuur hield, geen slecht voorbeeld eener verpersoonlijking van den Winter opgeleverd hebben. Na zich verwarmd te hebben, keerde hij zich begeerig naar den rookenden schotel, die hem was voorgezet, en at met een haast en een zichtbaar genoegen, die schenen aan te duiden, dat hij in lang niets genoten had.
Intusschen zetten de Abt en Cedric hun gesprek over de jacht voort. Jonkvrouw Rowena scheen verdiept in een gesprek met een harer vrouwen; en de trotsche Tempelier, wiens oog beurtelings op den Jood en op de Saksische schoone scheen gevestigd te zijn, was blijkbaar in diep gepeins verzonken.
“Het verwondert mij, waardige Cedric,” zei de Abt, “dat gij, niettegenstaande uwe groote vooringenomenheid met uwe eigene krachtige taal, niet het Normandisch-Fransch tenminste uwe gunst waardig keurt, voor zoo verre dit het jachtwezen betreft. Er is zeker geene taal, die zoo rijk is in de verschillende spreekwijzen, welke het jachtvermaak vordert, of die aan den ervaren jager meerdere middelen aan de hand geeft, om zijn heerlijke kunst te beschrijven.”
“Eerwaarde vader,” hernam de Sakser, “ik moet u zeggen, dat ik weinig werk maak van die overzeesche verfijningen, zonder welke ik mij zeer goed in het bosch vermaken kan. Ik kan op mijn horen blazen, zonder het geluid òf recheate òf morte te noemen. Ik kan mijn honden op het wild aandrijven, en ik kan het vel van een hert aftrekken en het dier uithalen als het gedood is, zonder de nieuwmodische wartaal van curée, arbor, nombles, die van den fabelachtigen Sir Tristram afstamt, te gebruiken.”1
“Het Fransch,” zei de Tempelier, zijne stem verheffende, op den verwaanden en gebiedenden toon, die hem bij alle gelegenheden eigen was, “is niet alleen de natuurlijke taal van de jacht, maar die van de liefde en van den oorlog, waarmede men de vrouwen moet overwinnen en de vijanden verslaan.”
“Doe mij bescheid in een beker wijn, heer Tempelier,” zeide Cedric, “en schenk den Abt ook in, terwijl ik een dertig jaren achteruit zal gaan, om u iets anders te verhalen. Zooals Cedric de Sakser toen was, behoefde zijn eenvoudige Saksische taal niet door Fransche minnezangers opgesmukt te worden, als hij die in het oor eener schoone wilde fluisteren; en het veld van Northallerton, bij den slag van den Heiligen Standaard, kan getuigen, of het Saksische krijgsgeschreeuw niet even ver in de gelederen van het Schotsche leger gehoord werd, als de cri de guerre van de stoutmoedige Normandische edelen. De nagedachtenis van de dapperen, die daar gevochten hebben! Doet mij bescheid, mijn gasten!” Hij nam een fiksche teug, en vervolgde met toenemend vuur: “Ha! dat was een dag! Toen werden er wat schilden gespleten; honderd banieren wapperden boven het hoofd der dapperen; het bloed stroomde als water, en men wilde liever sterven dan vluchten. Een Saksische Bard zou dien dag een feest der zwaarden genoemd hebben—eene vergadering der arenden over den buit—een geklater van schilden en helmen; een veldgeschrei, vroolijker dan het gejuich eener bruiloft. Maar onze Barden zijn verdwenen; onze daden worden vergeten bij die van een anderen stam; onze taal, zelfs onze naam snelt ten ondergang, en niemand treurt er om behalve een eenzame grijsaard. Schenker, jongen! vul de bekers—op het welzijn der dappersten, heer Tempelier, van welken stam ze ook zijn, en welke taal ze ook spreken mogen, die thans met het meeste vuur in Palestina voor het heilige kruis strijden!”
“Het betaamt geen Ridder, die dit kruis draagt, hierop te antwoorden,” zeide Sir Brian de Bois-Guilbert; “maar aan wien, behalve de gezworen kampvechters van het Heilige Graf, kan de palm toegewezen worden onder de strijders voor het kruis?”
“Aan de Hospitaal-Ridders,” zei de Abt; “ik heb daar een broeder onder.”
“Ik wil hun roem niet te kort doen,” zei de Tempelier, “maar—”
“Mij dunkt, vriend Cedric,” zeide Wamba, hem in de rede vallende, “dat, als Koning Richard Leeuwenhart de wijsheid had gehad, den raad van een nar te volgen, hij met zijn dappere Normandiërs te huis zou gebleven zijn, en de herovering van Jeruzalem aan diezelfde ridders overgelaten hebben, die de meeste schuld aan het verlies daarvan hadden.”
“Waren er geenen in des Konings leger,” zeide Rowena, “wier namen waardig zijn, naast de Ridders van den Tempel en van St. Johannes genoemd te worden?”
“Vergeef mij, Jonkvrouw,” antwoordde de Bois-Guilbert, “de Koning heeft, inderdaad, een schaar dappere krijgslieden naar Palestina gebracht, die alléén behoeven onder te doen voor hen, die altijd het bolwerk van het Heilige Land geweest zijn.”
“Ze behoeven voor niemand onder te doen,” zei de pelgrim, die er dicht genoeg bij gestaan had, om te kunnen hooren, en met blijkbaar ongeduld naar het gesprek geluisterd had. Allen keerden zich naar hem, van wien deze onverwachte verzekering kwam. “Ik zeg,” herhaalde de pelgrim op vasten toon, “dat onze ridders voor niemand behoeven onder te doen, die ooit het zwaard tot verdediging van het Heilige Land getrokken heeft. Ik zeg ook nog, want ik heb het gezien, dat Koning Richard zelf en vijf van zijn ridders een toernooi hielden na de inneming van St. Jean d’Acre, tegen ieder, die in het strijdperk durfde treden. Ik zeg, dat op dezen dag ieder ridder driemaal streed, en drie vijanden ten onderen bracht. Ik voeg er bij, dat zeven dezer aanvallers Tempeliers waren—en Ridder Brian de Bois-Guilbert is zeer wel overtuigd van de waarheid van hetgeen ik u vertel.”
Het is onmogelijk de woede te schilderen, welke het zwartbruine gezicht van den Tempelier nog donkerder kleurde. In de overmaat van zijn toorn en zijn beschaming, tastten zijn bevende vingers naar het gevest van zijn zwaard, en misschien werden ze alleen teruggehouden door de gedachte, dat er geen daad van geweld in die plaats en in zulk gezelschap veilig kon gepleegd worden. Cedric, wiens gedachten zonder argwaan waren en zelden door meer dan één voorwerp tegelijk bezig gehouden werden, lette bij de vreugde, waarmede hij van den roem zijner landslieden hoorde spreken, niet op de toornige verlegenheid van zijn gast. “Ik zal u dezen gouden armband geven, Pelgrim,” zeide hij, “zoo gij mij de namen opnoemt van de ridders, die zoo heldhaftig den roem van het schoone Engeland opgehouden hebben.”
“Dat zal ik van ganscher harte doen,” hernam de pelgrim, “en zonder loon; daar mijne gelofte mij verbiedt, gedurende een zekeren tijd goud aan te raken.”
“Ik zal den armband voor u dragen, zoo gij wilt, vriend Pelgrim,” zeide Wamba.
“De eerste in eer en in de wapenen, in roem en in stand,” zei de pelgrim, “was de dappere Richard, Koning van Engeland.”
“Ik vergeef hem!” riep Cedric, “ik vergeef hem zijne afkomst van den dwingeland Willem!”
“De Graaf van Leicester was de tweede,” ging de pelgrim voort; “Sir Thomas Multon van Gilsland was de derde.”
“Die is tenminste van Saksische afkomst,” riep Cedric met vreugde uit.
“Sir Foulk Doilly, de vierde,” zei de pelgrim.
“Ook een Sakser, tenminste van moeders zijde,” hernam Cedric, die met de grootste oplettendheid luisterde, en zijn haat tegen de Normandiërs voor het oogenblik vergat, in de vreugde over de zegepraal van den Koning van Engeland en zijn Saksische onderdanen. “En wie was de vijfde?” vroeg hij.
“De vijfde was Sir Edwin Turneham.”
“Een echte Sakser, bij de ziel van Hengist!” riep Cedric uit. “En de zesde?” ging hij met drift voort; “hoe heet de zesde?”
“De zesde,” hervatte de pelgrim na een oogenblik zwijgens, terwijl hij iets scheen te bedenken, “was een jonge ridder van minderen roem en stand; in dat eervolle gezelschap opgenomen, minder om de onderneming te steunen, dan wel om het getal vol te maken—zijn naam is mij ontgaan.”
“Heer Pelgrim,” zei Sir Brian de Bois-Guilbert verachtelijk, “deze geveinsde vergetelheid, nadat gij u zoo veel hebt te binnen gebracht, komt te laat, om aan uw doel te beantwoorden. Ik zelf zal u den naam noemen van den ridder, voor wiens lans het noodlot en de schuld van mijn paard mij deden bukken—het was de ridder van Ivanhoe: ook was er onder de zes niet één, die, zijn jaren in aanmerking genomen, meer roem in de wapenen verworven had.—Maar dit wil ik luide zeggen, dat, als hij in Engeland was, en bij het toernooi deze week de uitdaging van St. Jean d’Acre durfde herhalen, ik hem met het paard dat ik hier heb, en gewapend zooals ik thans ben, ieder voordeel der wapenen zou toestaan, en dan den uitslag afwachten.”
“Als uwe tegenpartij hier ware, zou uwe uitdaging weldra beantwoord worden,” hernam de pelgrim. “Zooals de zaak echter staat, behoeft gij deze vreedzame zaal niet te verontrusten met uwe snoeverij, over den uitslag van een gevecht, hetwelk gij wel weet, dat geen plaats kan vinden. Zoo Ivanhoe ooit uit Palestina terugkomt, wil ik er borg voor staan, dat hij het tweegevecht niet afslaat.”
“Een fraaie borg!” zei de Tempelier, “en wat kunt gij tot pand geven?”
“Deze reliquie,” antwoordde de pelgrim, een ivoren doosje uit den boezem trekkende, en een kruis makende; “die een stuk van het ware kruis bevat, en die ik medegebracht heb uit het klooster van den berg Carmel.”
De Prior van Jorvaulx maakte een kruis, en zeide een paternoster op, waaraan allen eerbiedig deel namen, behalve de Jood, de Mohammedanen, en de Tempelier, welke laatste, zonder zijn hoofd te ontblooten, of eenigen eerbied voor de heiligheid der reliquie te toonen, een gouden keten van den hals nam, welke hij op de tafel wierp, terwijl hij uitriep: “Laat Prior Aymer mijn pand en dat van dien naamloozen landlooper bewaren, als een teeken, dat, als de Ridder van Ivanhoe binnen de Britsche zeeën komt, hij op de uitdaging van Brian de Bois-Guilbert moet antwoorden; en, zoo hij ze niet aanneemt, zal ik hem voor een lafaard bij alle Tempeliers van Europa uitmaken.”
“Dat zal niet noodig zijn,” zei Jonkvrouw Rowena, haar stilzwijgen brekende; “mijn stem zal gehoord worden, zoo geen andere in deze zaal zich ten voordeele van den afwezigen Ivanhoe verheft. Ik verzeker, dat hij iedere eervolle uitdaging ridderlijk zal aannemen. Kon mijn geringe borgtocht eenige meerdere waarde geven aan het onschatbare woord van den heiligen pelgrim, zoo zou ik naam en eer verpanden, dat Ivanhoe dezen trotschen ridder de gevraagde voldoening geeft.”
Een menigte tegenstrijdige gevoelens scheen gedurende dit gesprek Cedric vervuld en zwijgende gehouden te hebben. Gestreelde hoogmoed, toorn, verlegenheid, verjaagden elkander op zijn breed, open voorhoofd, gelijk de schaduw der wolken, die over een korenveld drijven, terwijl zijne bedienden, op welken de naam van den zesden ridder een bijna tooverachtige uitwerking scheen te hebben, vol verwachting op het gelaat van hun meester staarden. Maar toen Rowena sprak, scheen de klank van haar stem hem uit zijn gepeins te wekken.
“Rowena,” zeide Cedric, “dat past niet; ware een verder pand noodig, dan zou ik zelf, hoe beleedigd, en zwaar beleedigd, ik door hem ben, evenwel met mijn eer voor die van Ivanhoe instaan. Maar het onderpand voor den strijd is voldoende, zelfs volgens de zonderlinge gebruiken van de Normandische ridderschap;—niet waar, eerwaarde vader Aymer?”
“Zoo is het,” hernam de Prior, “en de heilige reliquie en de kostbare keten zal ik veilig in de schatkist van het klooster bewaren, tot de kampstrijd beslist is.”
Na deze woorden maakte hij verscheidene malen het teeken van het kruis, en na vele kniebuigingen en geprevelde gebeden, gaf hij de reliquie aan broeder Ambrosius, zijn dienstbaren monnik over, terwijl hij zelf met mindere plechtigheden, maar misschien met niet minder inwendig genoegen, den gouden ketting nam, en in een met welriekend leêr gevoerden zak deed, die onder zijn arm hing. “En nu, Sir Cedric,” zeide hij, “de kracht van uw goeden wijn doet mij de slaapklok hooren. Sta ons toe, nog één beker op het welzijn der schoone Rowena te ledigen, en veroorloof dan dat wij ons ter rust begeven.”
“Bij het kruis van Bromholme,” zei de Sakser, “gij doet uw roem weinig eer aan, heer Prior! De faam noemt u een dapperen monnik, die de vroegmis hoort luiden, eer hij zijn beker verlaat; en ik vreesde dat gij mij op mijn ouden dag zoudt beschaamd maken. Maar, op mijn woord, een twaalfjarige Saksische knaap zou, in mijn tijd, zijn beker niet zoo vroeg verlaten hebben.”
De Prior had evenwel bijzondere redenen om matig te blijven. Hij was niet alleen van beroep een vredemaker, maar van aard een vijand van alle twisten en geschillen. Dit was niet geheel uit liefde voor zijn naasten, en ook niet geheel uit eigenliefde, maar uit een mengeling van beide. Bij de tegenwoordige gelegenheid vreesde hij het driftig karakter van den Sakser, en voorzag het gevaar, dat de onbuigzame en trotsche geest, waarvan zijn metgezel reeds zoo vele blijken had gegeven, eindelijk eene onaangename uitbarsting zou kunnen veroorzaken. Hij gaf derhalve beleefd te kennen, dat ieder inboorling van een ander land buiten staat was, den feestelijken kampstrijd in het drinken tegen een geharden en sterkhoofdigen Sakser vol te houden; hij maakte met een enkel woord gewag van zijn geestelijken stand, en eindigde met op zijn voorstel, om ter rust te begeven, aan te dringen.
De afscheidsbeker werd dus rondgegeven, en, na een diepe buiging voor hun gastheer en Rowena, stonden de gasten op en vervoegden zich bij de anderen in de zaal, terwijl de hoofden der familie zich door onderscheidene deuren met hun bedienden verwijderden.
“Ongeloovige hond,” zei de Tempelier tot den Jood Izaäk, terwijl hij hem in het gedrang voorbijging, “reist gij ook naar het toernooi?”
“Dat is mijn voornemen,” hernam Izaäk, eene allernederigste buiging makende, “als de zeer gestrenge en eerwaardige heer Ridder dit vergunt.”
“Ha!” zei de Ridder, “om aan de ingewanden van onze ridderschap met uw woeker te knagen, en vrouwen en kinderen met opschik en speelgoed te bedriegen.—Ik beloof u een vetten buit in uw Jodenzak.”
“Geen zilveren penning, geen stuiver, geen duit—zoo waar mij de God Abrahams helpe!” zei de Jood, de handen ineen slaande; “ik ga daar slechts heen om den bijstand van eenigen van mijn volk te zoeken, om de boete te betalen, welke de Schatmeester der Joden2 mij opgelegd heeft.—Vader Jacob sta mij bij!—Ik ben een arme Jood—zelfs de rok, dien ik draag, is geleend van Ruben van Tadcaster.”
“Vervloekte, valsche leugenaar!” antwoordde de Tempelier met een schamperen glimlach, en verder gaande, alsof hij zich niet verwaardigde langer met hem te spreken, praatte hij met zijn Turksche slaven in een taal, welke de omstanders niet verstonden. De arme Israëliet scheen zoo verschrikt over de toespraak van den krijgshaftigen monnik, dat de Tempelier aan het einde van de zaal was gekomen, eer hij het hoofd weder ophief uit zijne ootmoedige houding, en diens vertrek bespeurde. Toen hij weder rondzag, was het met het verbaasde gelaat van een mensch, voor wiens oogen de bliksem is ingeslagen, en dien nog het schrikkelijk geraas van den donder in de ooren weergalmt.
De Tempelier en de Prior werden kort daarna naar hun slaapvertrekken geleid door den huishofmeester en den schenker, ieder van twee fakkeldragers en twee bedienden met ververschingen vergezeld, terwijl mindere bedienden aan hun gevolg en aan de overige gasten de slaapplaatsen aanwezen.