Zesde Hoofdstuk.
Ik bewijs hem dezen dienst alleen uit vriendschap,
En neemt hij ze aan, ’t is goed—zoo niet, vaarwel;
Maar doet mij daarom, bid ik u, geen onrecht aan.
Koopman van Venetië.
Terwijl de pelgrim, voorgelicht door een fakkeldrager, door de ineenloopende vertrekken van het groote en onregelmatige gebouw ging, kwam de schenker hem achterna, en fluisterde hem in het oor, dat, zoo hij er niet tegen had een beker in zijn kamer meê te drinken, er een groot aantal bedienden van het huis waren, die gaarne het nieuws wilden hooren, dat hij uit het Heilige Land had medegebracht, en voornamelijk dat, hetwelk den ridder van Ivanhoe betrof. Om het voorstel aannemelijker te maken, zeide Wamba dat één beker na middernacht zoo goed was, als drie na het avondklokje. Zonder eene stelling te betwisten, die op zulk gezag berustte, dankte de pelgrim voor hunne beleefdheid, maar merkte aan, dat hij bij zijne heilige gelofte de verplichting had op zich genomen, om nooit in de keuken van zaken te spreken, die in de zaal verboden waren. “Die gelofte,” zeide Wamba tot den schenker, “zou een bediende slecht te pas komen.”
De schenker haalde verdrietig de schouders op. “Ik was van plan hem eene mooie kamer aan te wijzen,” zeide hij: “maar, daar hij zoo ongezellig jegens Christenen is, moet hij het eerste gat naast Izaäk den Jood maar innemen.—Anwold,” zei hij tot den fakkeldrager, “breng den pelgrim naar de zuider cel.—Ik wensch u goeden nacht,” ging hij voort, “heer pelgrim, met weinig dank voor uwe geringe beleefdheid!”
“Goeden nacht en onze Lieve Vrouw zegene u!” antwoordde de pelgrim bedaard, en volgde zijn leidsman.
In eene kleine voorkamer, waarin zich verscheidene deuren bevonden en welke door een kleine ijzeren lamp verlicht werd, werden zij weder opgehouden door eene kamenier van Jonkvrouw Rowena, die op een toon van gezag zeide, dat hare meesteres den pelgrim wenschte te spreken, de toorts uit Anwolds handen nam, en, na hem bevolen te hebben op hare terugkomst te wachten, den vreemdeling een wenk gaf haar te volgen. Waarschijnlijk hield hij het niet voor gepast dit verzoek, evenals het vorige, te weigeren; want, ofschoon zijne houding eenige verwondering over de uitnoodiging te kennen gaf, gehoorzaamde hij zonder antwoord of tegenwerping. Een korte gang en zeven trappen opwaarts, waarvan ieder uit een sterken eiken balk bestond, brachten hem bij Jonkvrouw Rowena in een vertrek, welks pracht van de achting, die haar de heer des huizes bewees, getuigde. De muren waren met geborduurd behangsel bekleed, waarop in bonte zijde, met goud- en zilverdraad doorweven, de vermaken der valkenjacht afgebeeld waren; zoo kunstig als men dat in die eeuwen vermocht. Het bed was met hetzelfde rijke behangsel versierd, en door purperen gordijnen omgeven. De stoelen hadden bonte zittingen, en één er van, hooger dan de overigen, was voorzien van een voetenbankje van schoon bewerkt ivoor. Niet minder dan vier zilveren kandelaars, met groote waskaarsen, dienden ter verlichting van het vertrek. Geen hedendaagsche schoone behoeft echter de pracht eener Saksische Prinses te benijden. De muren der kamer waren zoo slecht gemaakt, en zoo vol scheuren, dat het rijke behangsel met den nachtwind golfde, en in weerwil van een soort van scherm, flikkerde de vlam der kaarsen onophoudelijk in den tocht. Pracht heerschte er met eenig ruw streven naar smaak, maar weinig gemak, dat, daar men het niet kende, ook niet gemist werd.
Rowena zat op de reeds genoemde soort van troon, terwijl drie van haar dienaressen daarachter stonden, en haar het haar opmaakten, voor dat zij ter ruste ging. Zij scheen geboren om de algemeene hulde te ontvangen, en de pelgrim betuigde de zijne door eene diepe kniebuiging.
“Sta op, pelgrim!” zeide zij vriendelijk. “De verdediger van een afwezige heeft recht op eene gunstige ontvangst van allen, die de waarheid achten, en de dapperheid vereeren.” Hierop zeide zij tot haar gevolg: “Verwijdert u allen, behalve Elgitha; ik wil met dezen heiligen pelgrim spreken.”
De meisjes begaven zich, zonder het vertrek te verlaten, naar het uiterste einde daarvan, en gingen op een lage bank tegen den muur zitten, waar zij sprakeloos als beelden bleven zitten, ofschoon zij op zulk een afstand waren, dat haar gefluister het gesprek van haar meesteres niet zou gestoord hebben.
“Pelgrim,” zei de Jonkvrouw na eene korte stilte, waarin zij onzeker scheen, hoe zij hem zou aanspreken; “gij hebt heden avond een naam genoemd—ik meen,” ging zij met eene zekere inspanning voort, “den naam van Ivanhoe, in zalen, waar hij door het recht der geboorte en der bloedverwantschap zeer gewenscht had moeten klinken; en toch, zoo vijandig is het noodlot, dat ik alleen onder zoo velen, wier hart bij dezen naam van vreugde trillen moest, het waag te vragen, waar en in welken toestand gij hem gelaten hebt, van wien er sprake was? Wij hebben gehoord, dat hij, wegens verzwakte gezondheid in Palestina achter gebleven, na het vertrek van het Engelsche leger, aan de vervolgingen der Fransche partij was blootgesteld, waaraan de Tempeliers, zooals bekend is, toegedaan zijn.”
“Ik weet weinig van den Ridder Ivanhoe!” antwoordde de pelgrim met ontroerde stem. “Ik zou wel wenschen hem beter te kennen, daar gij, edele Jonkvrouw, belang in zijn lot stelt. Hij is, naar ik meen, aan de vervolgingen zijner vijanden in Palestina ontkomen, en staat op het punt naar Engeland terug te keeren, en gij, Jonkvrouw, zult beter weten dan ik, welk lot hem hier wacht.”
Rowena zuchtte diep, en vroeg meer bijzonder, wanneer Ridder Ivanhoe in zijn vaderland mocht verwacht worden, en of hij op weg niet aan groote gevaren zou blootgesteld zijn. Wat het eerste punt aangaat betuigde de pelgrim volstrekt niet onderricht te wezen; op het tweede antwoordde hij, dat de reis veilig kon gedaan worden over Venetië en Genua, en van daar over Frankrijk naar Engeland. “Ivanhoe,” zeide hij, “is zoo goed bekend met de taal en zeden der Franschen, dat er niet de minste vrees voor eenig ongeluk op dat gedeelte zijner reis bestaat.”
“Gave de Hemel,” zeide Rowena, “dat hij hier veilig aangekomen ware, en in staat om aan het naderend toernooi deel te nemen, waarin men verwacht, dat de ridderschap van ons land haar behendigheid en dapperheid ten toon zal spreiden. Indien Athelstane van Coningsburgh den prijs behaalt, zal Ivanhoe waarschijnlijk slechte tijdingen bij zijn aankomst in Engeland vernemen. Hoe zag hij er uit, vreemdeling, toen gij hem voor het laatst gezien hebt? Heeft de ziekte zijne krachten en kloekheid verminderd?”
“Hij was donkerder en tengerder geworden,” antwoordde de pelgrim, “dan toen hij in het gevolg van Richard Leeuwenhart van Cyprus aankwam, en op zijn voorhoofd was zware zorg te lezen, maar ik kwam niet in zijne nabijheid, daar ik hem niet ken.”
“Ik vrees,” hernam de Jonkvrouw, “dat hij in zijn vaderland weinig zal vinden, om die wolken van zijn gelaat te verdrijven. Ik dank u, goede pelgrim, voor uwe tijding, omtrent den makker mijner kindsheid. Meisjes,” riep zij, “nadert—biedt dezen heiligen man, dien ik niet langer van zijn rust berooven wil, den slaapdrank aan.”
Een der vrouwen bood een zilveren beker aan, met een kostbaren drank van wijn en specerij vervaardigd, gevuld, dien Rowena eventjes aan de lippen zette. Daarop werd hij den pelgrim toegereikt, die na een diepe buiging er eenige druppelen van proefde.
“Neem deze gift aan, vriend,” vervolgde de Jonkvrouw, hem een goudstuk aanbiedende; “uit erkentelijkheid voor uwe moeielijke reis en uit eerbied voor de heiligdommen, die gij bezocht hebt.”
De pelgrim nam het geschenk met eene tweede nederige buiging aan, en verliet toen met Elgitha het vertrek.
In de zijkamer vond hij zijn leidsman, Anwold, die de fakkel uit de hand der kamenier nemende, hem met meer haast dan beleefdheid naar een belendend, slecht gedeelte van het huis geleidde, waar een aantal kleine vertrekken, of veeleer cellen, tot slaapplaatsen voor de mindere bedienden en vreemdelingen van lagen rang ingericht waren.
“Waar slaapt de Jood?” vroeg de pelgrim.
“Die ongeloovige hond,” antwoordde Anwold, “ligt in de cel naast uwe heiligheid. Bij St. Dunstan! wat moet ze schoongemaakt en gezuiverd worden, eer ze weder goed genoeg voor een Christenmensch is!”
“En waar slaapt Gurth, de zwijnenhoeder?” zeide hij.
“Gurth,” hernam de lijfeigene, “slaapt in de cel aan uwe rechterhand, zooals de Jood aan uwe linker; gij dient, om den zoon Israëls van hetgeen zijn stam verafschuwt, te scheiden. Zoo gij Oswalds uitnoodiging hadt aangenomen, zou u eene meer eervolle plaats te beurt gevallen zijn.”
“Het is zóó goed,” zeide de pelgrim; “het gezelschap zelfs van een Jood kan door een eiken beschot heen niet verontreinigen.”
Met deze woorden ging hij in het hem aangewezen verblijf, en, de fakkel uit de hand van den bediende nemende, bedankte hij, en wenschte hem goeden nacht. Na de deur van zijn cel gesloten te hebben, plaatste hij de fakkel in een houten kandelaar, en zag in zijn slaapvertrek rond, welks huisraad van de eenvoudigste soort was. Het bestond uit een ruwen houten stoel en een nog ruwere bedstede, met stroo gevuld, waarop twee of drie schapenvellen in plaats van dekens lagen.
Nadat hij de fakkel uitgebluscht had, wierp zich de pelgrim zonder zijn kleederen af te leggen, op zijn hard leger, en sliep, of bleef tenminste in zijn liggende houding, tot de eerste zonnestralen den weg vonden door het kleine tralievenster, dat tegelijk diende om lucht en licht in dit ellendig vertrek door te laten. Hij sprong toen op, en na zijn morgengebed gedaan, en zijne kleeding in orde gebracht te hebben, verliet hij zijn cel en trad in die van den Jood Izaäk, de klink zoo zacht mogelijk oplichtende.
De Jood lag in onrustigen slaap op een soortgelijk bed als dat, waarop de pelgrim den nacht had doorgebracht. De kleedingstukken, die hij den vorigen avond had afgelegd, lagen dicht bij hem, alsof hij wilde voorkomen, dat ze gedurende zijn slaap gestolen werden. Zijn gelaat drukte een ongerustheid uit, die bijna aan doodsangst grensde. Handen en armen bewogen zich krampachtig, als wilde hij de nachtmerrie afweren; en behalve vele uitroepingen in het Hebreeuwsch, waren de volgende in het Normandisch-Saksisch, of de gemengde landstaal, duidelijk hoorbaar: “In naam van den God Abrahams, hebt medelijden met een ongelukkigen grijsaard! Ik ben arm, ik bezit geen penning—en al rekten uw ijzers mijn ledematen uit elkander, ik kon u toch niet voldoen!” De pelgrim wachtte het einde van den droom des Joods niet af, maar stootte hem met zijn pelgrimsstaf aan. Deze aanraking vermeerderde, zooals gewoonlijk in den droom het geval is, zijne vrees; want de oude man sprong op, zijn grijs haar rees ten berge, en eenige van zijn kleêren om zich heen slingerende, terwijl hij de overigen met den greep van een roofvogel vasthield, vestigde hij zijn doordringende, schitterende zwarte oogen met wilden schrik en angstige vrees op den pelgrim.
“Vrees niets van mij, Izaäk,” zei de pelgrim; “ik kom tot u als vriend.”
“De God van Israël vergelde het u!” hernam de Jood, zeer verlicht; “ik droomde—maar vader Abraham zij geloofd! het was slechts een droom!” Hierop tot zich zelven komende, voegde hij er op zijn gewonen toon bij: “en wat begeert gij zoo vroeg van den armen Jood?”
“Ik kwam u zeggen,” antwoordde de pelgrim, “dat, zoo gij dit huis niet oogenblikkelijk verlaat, en met spoed reist, uw tocht gevaarlijk kan worden.”
“Heilige vader,” zei de Jood, “wie zou er belang bij hebben, zulk een armen ellendeling, als ik ben, in gevaar te brengen?”
“De reden zult gij zelf best weten,” hernam de pelgrim; “maar laat ik u zeggen, dat, toen de Tempelier gisteren avond door de zaal ging, hij met zijn Turksche slaven in de Saraceensche taal sprak, die ik wel versta, en hun beval dezen morgen den Jood op weg op te wachten, hem op een geschikten afstand van dit huis te vatten, en naar het kasteel van Philip de Malvoisin, of van Reginald Front-de-Boeuf te brengen.”
Het is onmogelijk, den schrik te schilderen, die den Jood op dit bericht overviel en in eens al zijne krachten scheen te verlammen. Zijne armen zakten machteloos neer, en zijn hoofd hing op zijne borst; zijne knieën knikten onder zijn gewicht, iedere zenuw en spier van zijn lichaam scheen ineen te krimpen en alle veerkracht te verliezen, en hij viel voor des pelgrims voeten neder, niet als iemand die zich vernedert, die nederknielt, of zich nederwerpt om medelijden in te roepen, maar als door onzichtbaar geweld ter neder geslagen, zonder dat hij eenigen tegenstand kan bieden.
“Heilige God Abrahams!” was zijn eerste uitroep, terwijl hij de gerimpelde handen ineen sloeg en ophief, maar zonder zijn grijs hoofd van den grond op te beuren; “O heilige Mozes! o gezegende Aäron! ik heb dien droom niet tevergeefs gehad! Ik gevoel hunne ijzers reeds mijne zenuwen uittrekken! Ik gevoel hunne pijnigingen reeds door mijn geheele lichaam woelen, evenals de zagen en ijzeren eggen en bijlen de mannen van Rabbah en van de steden der kinderen Ammon’s vernielden!”
“Sta op, Izaäk, en luister naar mij,” zei de pelgrim, die zijn overdrevene droefheid met een medelijdenden blik aanschouwde; die echter met verachting vermengd was; “gij hebt wel reden om te schrikken, als gij bedenkt, hoe uwe broeders behandeld zijn, zoowel door vorsten als edelen, om hun schatten af te persen; maar sta op, zeg ik, en ik zal u de middelen ter ontkoming aan de hand geven; verlaat dit huis oogenblikkelijk, terwijl de bewoners nog rustig slapen na het feest van gisteren avond. Ik zal u langs geheime paden in het bosch geleiden, die mij even goed bekend zijn als den besten jager, die ze doorkruist, en ik zal u niet verlaten, voordat gij onder bescherming van den een of anderen ridder of edele zijt, die naar het toernooi reist; en gij hebt waarschijnlijk wel de middelen, om welwillendheid te verwerven.”
Toen Izaäk de hoop hoorde uiten, dat hij zou kunnen ontsnappen, begon hij langzamerhand, als het ware duim voor duim van den grond op te rijzen, tot hij op de knieën lag, zijn lang grijs haar en zijn baard terug strijkende, en zijn doordringend zwart oog op den pelgrim vestigende, met een blik, die tegelijk hoop, vrees en ook eenigen achterdocht uitdrukte. Maar, zoodra hij het einde van de aanspraak hoorde, scheen zijn eerste schrik in volle kracht te herleven, en hij viel nog eens op de knieën, uitroepende: “Ik de middelen bezitten, om welwillendheid te verwerven! Helaas! er is maar één weg, om de gunst van een Christen te verkrijgen; en hoe kan de arme Jood dien vinden, als hij reeds door afpersing zoo arm geworden is als Lazarus?” Hierop, alsof de achterdocht de overhand kreeg op zijne andere gewaarwordingen, riep hij plotseling uit: “Om Gods wil, jongeling, verraad mij niet—ter liefde van den grooten Vader, die ons allen geschapen heeft, Jood en Heiden, Israëliet en Ismaëliet—pleeg geen verraad aan mij! Ik bezit de middelen niet, om de welwillendheid van een Christen bedelaar te verwerven, al wilde hij mij die voor één penning schenken.” Na deze woorden stond hij op, en vatte den mantel des pelgrims met een ernstig smeekenden blik. De pelgrim maakte zich los, alsof hij door de aanraking besmet werd.
“En al waart gij met al den rijkdom van uw stam beladen,” zeide hij, “waarom zou ik u leed doen?—in dit gewaad ben ik aan de armoede gewend, en wilde ze tegen niets ruilen, dan tegen een paard en een wapenrusting. Denk echter niet, dat ik om uw gezelschap verlegen ben, of mij er eenig voordeel van beloof; blijf hier, zoo gij wilt—Cedric de Sakser zal u beschermen.”
“Ach!” zei de Jood, “hij zal mij niet onder zijn gevolg laten medereizen—de Sakser en de Normandiër schamen zich beiden voor den armen Israëliet; en alleen te reizen door het gebied van Philip de Malvoisin en Reginald Front-de-Boeuf.... Goede jongeling, ik wil met u gaan!—Laten wij ons haasten—onze lendenen omgorden—laat ons vluchten!—Hier is uw staf, waarom draalt gij?”
“Ik draal niet,” antwoordde de pelgrim, toegevende aan de dringende beden van zijn makker; “maar ik moet middelen vinden, om deze plaats te verlaten—volg mij.”
Hij ging vooruit naar de naaste cel, die, zooals de lezer weet, door Gurth den zwijnenhoeder bezet was.—“Sta op, Gurth,” riep de pelgrim, “open de achterpoort, en laat den Jood en mij er uit!”
Gurth, wiens bezigheid, schoon thans zoo veracht, hem evenveel gewicht gaf in het Saksische Engeland, als aan Eumaeus1 in Ithaka, was beleedigd door den gemeenzamen en gebiedenden toon van den pelgrim. “Den Jood uit Rotherwood uitlaten,” zeide hij, op den elleboog leunende en hem vol argwaan aanziende, zonder zijn strooleger te verlaten, “en hij wil met den pelgrim verder reizen?”
“Eerder had ik kunnen droomen,” zeide Wamba, die op dit oogenblik binnentrad, “dat hij zich met een zijde spek zou wegpakken.”
“Wel,” zeide Gurth, zijn hoofd weder op het houten blok leggende, dat hem tot kussen diende, “Jood en Heiden moeten wachten, totdat de groote poort opengaat—wij laten geene gasten op zulke ongeschikte uren steelsgewijs vertrekken.”
“En toch,” hervatte de pelgrim op gebiedenden toon, “zult gij mij, denk ik, deze gunst niet weigeren.”
Bij deze woorden boog hij zich over het bed van den liggenden zwijnenhoeder, en fluisterde hem iets in de Saksische taal in het oor. Gurth vloog op als betooverd. De pelgrim gaf hem een wenk met den vinger, voorzichtig te zijn, en voegde er bij: “Gurth, pas op, gij placht vroeger voorzichtig te wezen.—Ik herhaal, doe het achterpoortje open—weldra zult gij meer vernemen!”
Gurth gehoorzaamde met de meeste gedienstigheid, terwijl Wamba en de Jood volgden, beiden even verbaasd over de plotselinge verandering in het gedrag van den zwijnenhoeder.
“Mijn muilezel, mijn muilezel!” riep de Jood, zoodra ze buiten stonden.
“Haal hem zijn muilezel,” zei de pelgrim, “en, hoor—bezorg mij er ook één,—zoodat ik hem gezelschap houden kan tot hij uit deze streken is. Ik zal het dier aan iemand uit Cedric’s gevolg te Ashby teruggeven. En gij”—het overige fluisterde hij Gurth in het oor.
“Dadelijk, dadelijk,—het zal geschieden!” antwoordde Gurth, en vertrok onmiddellijk om den last te volbrengen.
“Ik wenschte wel te weten,” zeide Wamba, toen zijn makker vertrokken was, “wat gij, pelgrims, in het Heilige Land leert?”
“Onze gebeden opzeggen, nar,” antwoordde de pelgrim, “onze zonden betreuren, en onze lichamen kastijden door vasten, waken en lange gebeden.”
“En nog iets daarenboven,” hernam de nar; “want hoe zouden boete en gebed Gurth er toe kunnen bewegen, u eene beleefdheid te bewijzen; of vasten en waken hem overhalen u een muilezel te leenen?—Gij hadt even goed zijn zwarten, geliefkoosden beer van uw waken en uw boetedoeningen kunnen vertellen, en gij zoudt een even beleefd antwoord gekregen hebben.”
“Loop, loop;” zei de pelgrim; “gij zijt maar een Saksische nar.”
“Gij hebt gelijk,” hervatte de nar; “het zou mijn geluk zijn als ik een geboren Normandiër was, waarvoor ik u houd, en het zou weinig schelen of ik werd een wijs man.”
Intusschen verscheen Gurth met de muilezels aan de overzijde van de gracht. De reizigers gingen die over door middel van een ophaalbrug van slechts twee planken, wier breedte overeenkwam met die der achterpoort en een opening in de buitenste palissade, welke toegang tot het bosch verschafte. Nauwelijks hadden zij de muilezels bereikt, of de Jood bevestigde met haastige en bevende handen achter op den zadel een kleinen zak van blauw laken, dien hij onder den mantel uithaalde, en die, zoo als hij bromde: “Kleeren, niets dan kleeren!” bevatte. Daarna het dier met meer vlugheid en haast bestijgende, dan men van iemand van zijn jaren zou verwacht hebben, verloor hij geen tijd, met de slippen van zijn reismantel zóó te schikken, dat zij den last, welken hij dus en croupe met zich voerde, geheel en al bedekten.
De pelgrim steeg bedaarder op, en stak Gurth de hand tot afscheid toe, welke hij met den grootsten eerbied kuste. De zwijnenhoeder staarde de reizigers na, tot zij onder de boomen van het bosch verdwenen, toen hij, door Wamba’s stem, uit zijn gepeins opgewekt werd. “Weet gij wel,” zeide hij, “vriend Gurth, dat gij heden morgen bijzonder beleefd en buitengemeen vroom zijt?—Ik wenschte, dat ik een deftige Prior of barrevoetsche pelgrim ware, om gebruik te kunnen maken van zulk een ongewonen ijver en beleefdheid;—zeker, ik zou mij met een handkus niet tevreden stellen.”
“Gij zijt toch zoo geheel gek niet, Wamba,” antwoordde Gurth; “gij oordeelt naar den schijn, wat de wijste van ons ook doet.—Maar het is tijd naar onze bezigheden om te zien.”
Dit zeggende, ging hij met den nar naar huis.
Intusschen vervolgden de reizigers hun weg met een haast, die een gevolg was van de buitengemeene vrees van den Jood; menschen van zijn jaren houden anders zelden veel van snelle beweging. De pelgrim, wien ieder pad en uitweg van het bosch bekend schenen, geleidde hem langs de afgelegenste wegen, en verwekte meer dan eens opnieuw den achterdocht bij den Israëliet, dat hij hem in de eene of andere hinderlaag van zijn vijanden wilde voeren.
Zijne vrees was ook inderdaad te verontschuldigen, want, den vliegenden visch misschien uitgezonderd, was er geen geslacht op aarde, in de lucht, of in het water, dat zoo het voorwerp bleef van een onophoudelijke, algemeene en rustelooze vervolging, als de Joden, in dit tijdvak. Onder de geringste en onredelijkste voorwendsels, zoowel als op de meest ongerijmde en ongegronde beschuldigingen, werden hunne personen en goederen bij iedere gelegenheid, der openlijke woede prijs gegeven; want Normandiërs, Saksers, Denen en Britten, hoezeer zij elkander onderling haatten, schenen er om te strijden, wie met de meeste verachting op dit volk zou neerzien, dat het een punt van godsdienst was, te haten, te onderdrukken, te verachten, te plunderen en te vervolgen. De koningen van den Normandischen stam en de onafhankelijke edelen, die hun voorbeeld in alle daden van dwingelandij volgden, kwelden dit verdrukte volk op een meer geregelde, overlegde en baatzuchtige wijze. Het is een wèlbekende geschiedenis van Koning Jan, dat hij een rijken Jood in een der koninklijke kasteelen opsloot, en hem alle dagen een tand liet uittrekken, totdat toen de kinnebakken van den ongelukkigen Jood half ledig waren, hij er in toestemde, een groote som te betalen, die de dwingeland van hem wilde afpersen. Het weinige gereede geld, dat in het land was, bevond zich hoofdzakelijk in handen van dit vervolgde volk, en de adel aarzelde niet het voorbeeld van den Vorst te volgen, om het door allerlei onderdrukkingen en zelfs door lichamelijke folteringen in zijn bezit te krijgen. Maar de volhardende moed, door de hoop op winst ingegeven, spoorde de Joden aan, om de veelvuldige kwellingen, waaraan zij blootgesteld waren, te verduren, om de ontzaglijke schatten, die zij in een van natuur zoo rijk land als Engeland, konden bijeen verzamelen. In weerwil van alle hinderpalen, en zelfs van een hof van taxatie, de Joden-schatkamer genoemd, alleen opgericht met oogmerk om hen te plunderen en te verdrukken, stapelden de Joden onmetelijke sommen op, welke zij van de eene hand in de andere lieten gaan door wisselbrieven, eene uitvinding, welke, naar men zegt, de koophandel hun te danken heeft, en die hen in staat stelde, hun rijkdommen van land tot land over te brengen; zoodat, wanneer zij op de ééne plaats door de onderdrukking bedreigd werden, zij hun schatten op een andere in veiligheid konden bergen.
De hardnekkigheid en gierigheid der Joden dus, in tegenoverstelling van de dweepzucht en de dwingelandij van hen, onder wie zij leefden, schenen, zoo te zeggen, te vermeerderen in evenredigheid met de vervolging, waaraan zij blootgesteld werden; en terwijl de ontzaglijke rijkdom, welken zij gewoonlijk in den handel verwierven, hen dikwijls in gevaar bracht, werd die op andere tijden gebruikt, om hun invloed uit te breiden, en hun een zekere mate van bescherming te bezorgen. Op dezen voet leefden zij, en hun karakter, hiernaar gewijzigd, was waakzaam, achterdochtig en vreesachtig—maar ook hardnekkig, slim en behendig in het vermijden der gevaren, waaraan zij blootgesteld waren.
Nadat de reizigers door verscheidene zijpaden met de grootste snelheid voortgereden waren, brak de pelgrim eindelijk het stilzwijgen af. “Die groote vervallen eik,” zeide hij, “maakt de grenspaal uit van hetgeen Front-de-Boeuf zijn gebied noemt;—wij zijn verre van dat van Malvoisin. Er is nu geen vervolging meer te duchten.”
“Mogen de wielen van hun wagens afvallen,” zei de Jood, “zooals die van Farao’s leger, opdat zij langzaam mogen rijden!—Maar verlaat mij niet, goede pelgrim,—denk maar aan dien trotschen, wilden Tempelier met zijne Saraceensche slaven;—zij zullen noch voor gebied, noch voor heerlijkheid, noch voor heeren-rechten, eerbied hebben.”
“Onze weg,” hernam de pelgrim, “moet hier uiteen loopen; want het past niet voor mannen van mijn stand en van den uwe, om langer samen te reizen, dan noodig is. Buitendien, wat hulp zoudt gij van mij, een vreedzamen pelgrim, tegen twee gewapende Heidenen kunnen verwachten?”
“O goede jongeling,” antwoordde de Jood, “gij kunt mij verdedigen en ik weet ook wel, dat gij zulks wilt. Hoe arm ik ook ben, zal ik het u vergelden—niet met geld; want geld, zoo waar mij vader Abraham helpen zal, heb ik niet—maar—”
“Ik heb u reeds gezegd,” viel hem de pelgrim in de rede, “dat ik geld, noch belooning van u begeer. Ik zal u geleiden en zelfs wel verdedigen, dewijl het een Christen niet onwaardig kan gerekend worden, een Jood tegen een Saraceen te beschermen. Derhalve, Jood, zal ik u, eer ik u verlaat, onder veilige geleide zien. Wij zijn nu niet ver van de stad Sheffield, waar gij licht velen van uw stam vinden zult, bij wie gij toevlucht nemen kunt.”
“Vader Jacob zegene u, goede jongeling!” zei de Jood; “in Sheffield kan ik bij mijn bloedverwant Zareth eene schuilplaats vinden, en naar middelen uitzien, om in veiligheid verder te reizen.”
“Het zij zoo,” hervatte de pelgrim; “te Sheffield zullen wij dus van elkander scheiden, en na een half uur rijdens zullen wij de plaats in het gezicht krijgen.”
Dit half uur werd van beide zijden in volkomen stilte doorgebracht; de pelgrim, het misschien beneden zich rekenende, om den Jood aan te spreken, behalve in geval van volstrekte noodzakelijkheid; en de Jood het niet wagende een man, wiens reis naar het Heilige Graf hem eene zekere eerwaardigheid gaf, tot een gesprek te dwingen. Zij hielden op den top van een zacht hellenden heuvel stil, en de pelgrim, op de stad Sheffield wijzende, welke onder hen lag, herhaalde de woorden: “Hier scheiden wij dus!”
“Niet, eer gij den dank van den armen Jood ontvangen hebt,” zeide Izaäk; “want ik durf u niet vragen, met mij bij mijn neef Zareth te gaan, die mij misschien zou kunnen behulpzaam zijn, om uwe goede diensten te beloonen.”
“Ik heb u reeds gezegd,” antwoordde de pelgrim, “dat ik geene belooning begeer. Zoo gij onder de menigte uwer schuldenaars om mijnentwille de gevangenis en boeien besparen wilt aan den een of anderen ongelukkigen Christen, die in uw macht is, dan zal ik den dienst van dezen morgen rijkelijk beloond rekenen.”
“Wacht—wacht!” zeide de Jood, hem bij het kleed vattende, “ik wilde gaarne iets meer doen, iets voor u zelven.—God weet het, dat ik een arme Jood ben—ja, Izaäk is de bedelaar van zijn stam—maar vergeef mij, als ik geraden heb, wat gij op dit oogenblik het vurigst begeert.”
“Zoo gij goed raadt,” hervatte de pelgrim, “dan kunt gij het mij toch niet verschaffen; al waart gij zoo rijk, als gij zegt arm te zijn.”
“Als ik zeg?” riep de Jood; “O! geloof mij, ik zeg niets dan de zuivere waarheid; ik ben een uitgeplunderd, ongelukkig mensch, vol schulden. Hardvochtige menschen hebben mij alles ontroofd; mijne goederen, mijne schepen, mijn geld en alles, wat ik bezat.—En toch kan ik u zeggen, wat gij wenscht, en mogelijk kan ik het u ook verschaffen. Gij wenscht op dit oogenblik een paard en eene wapenrusting.”
De pelgrim schrikte en keerde zich plotseling tot den Jood. “Welke booze geest heeft u dit doen raden?” vroeg hij haastig.
“Dat is onverschillig,” antwoordde de Jood glimlachende, “maar evengoed, als ik uwe begeerte kan raden, kan ik er aan voldoen.”
“Maar bedenk,” zeide de pelgrim, “mijn stand, mijn kleeding, mijne gelofte.”
“Ik ken u, Christenen,” hervatte de Jood; “en ik weet, dat de edelsten onder u den staf en de sandalen wel eens nemen, tot bijgeloovige boete, en te voet gaan, om de graven van doode menschen te bezoeken.”
“Laster niet, Jood!” zei de pelgrim streng.
“Vergeef mij!” hernam de Jood; “ik heb onbedachtzaam gesproken. Maar er zijn u gisterenavond en hedenmorgen woorden ontvallen, die, evenals de vonken uit een keisteen, het metaal, dat er binnen schuilt, verraden; en in uw boezem zijn onder het pelgrimskleed een ridderketen en gouden sporen verborgen. Zij glinsterden mij tegemoet, toen gij u hedenmorgen over mijn bed boogt.”
De pelgrim kon een glimlach niet bedwingen en zeide: “Zoo uw kleederen door een even nieuwsgierig oog doorzocht werden, Izaäk, welke ontdekkingen zou men dan niet kunnen doen?”
“Hier niet meer van!” hervatte de Jood, verbleekende; en schielijk zijn schrijfgereedschap voor den dag halende, alsof hij het gesprek wilde afbreken, begon hij iets op een stukje papier te schrijven, dat hij op zijn gele muts legde, zonder van den muilezel af te stijgen. Toen hij gedaan had, gaf hij het briefje, dat in het Hebreeuwsch geschreven was, aan den pelgrim, en zeide: “In de stad Leicester kent ieder den rijken Jood Kirjath Jairam uit Lombardije; geef hem dit briefje—hij heeft zes Milaneesche wapenrustingen te koop; de minste daarvan zou een gekroond hoofd waardig zijn—tien schoone paarden, waarvan het slechtste goed genoeg ware voor een koning, al moest hij om zijn troon strijden. Hieruit zal hij u de keur geven—met alles wat gij voor het toernooi noodig hebt; als alles afgeloopen is, zult ge het hem in goeden staat teruggeven—zoo gij geen geld genoeg hebt, om de waarde daarvan aan den eigenaar te betalen.”
“Maar Izaäk,” zei de pelgrim glimlachende, “weet gij wel, dat in die wapenspelen de wapenen en het paard van den ridder, die uit den zadel gelicht wordt, het eigendom van den overwinnaar worden? En ik kan ongelukkig zijn, en dus verliezen, wat ik teruggeven, noch betalen kan.”
De Jood scheen een weinig verschrikt over deze mogelijkheid, maar weder moed vattende, hernam hij haastig: “Neen—neen—neen—het is onmogelijk—ik kan dat niet denken. De zegen van onzen Vader zal op u rusten. Uw lans zal machtig zijn, als de staf van Mozes!”
Na deze woorden wendde de Jood den kop van zijn muilezel om; toen de pelgrim op zijn beurt hem bij den mantel vast hield en hem zeide: “Maar waarlijk, Izaäk, ge kent al het gevaar niet. Het paard kan gedood, en de wapenrusting beschadigd worden—want ik zal noch mijn paard, noch mijn persoon sparen. Buitendien geven de lieden van uw stam niets voor niet; er moet dus iets voor het gebruik betaald worden.”
De Jood kromp op zijn zadel inéén, als iemand die een aanval van koliek heeft; maar zijn beter gevoel zegevierde over de hem natuurlijke denkwijze. “Het kan mij niet schelen,” zeide hij, “het kan mij niet schelen—laat mij gaan! Als er schade aan komt, zal het u niets kosten—als er huurgeld voor wezen moet, zal Kirjath Jaïram u zulks schenken ter liefde van zijn bloedverwant Izaäk.—Vaarwel!—Maar hoor eens, goede jongeling,” zeide hij, zich omkeerende, “waag u niet te veel in het ijdele gewoel;—ik spreek niet uit vrees, dat het paard of de wapenrusting letsel krijgen, maar om uw eigen leven en lichaam.”
“Hartelijk dank voor uw zorg,” hernam de pelgrim, weder glimlachende: “Ik zal van uw dienstvaardigheid gebruik maken, en het moet erg met mij afloopen, zoo ik die niet beloon.”
Zij scheidden en namen verschillende wegen naar de stad Sheffield.
1 Knecht van Odysseus, zie bladz. 10.—t. B.
Zevende Hoofdstuk.
De ridders togen op, gehuld in ’t sierlijk wapen,
Omringd door heel een stoet van dienende edelknapen;
De één bond het helmsnoer vast; een ander hield de lans;
Een derde bracht het schild, dat blonk van wondren glans.
Het ros, vol ongeduld, aan ’t brieschen, stampen, snuiven,
Beschuimde ’t fraai gebit en deed den bodem stuiven;
De hoef- en wapensmids te paard, van hamers, leêr,
Van vijlen rijk voorzien en spijkers, volgden ’t heir;
De schutters stonden voort gereed met boog en pijlen,
Terwijl het boerenvolk met knuppels aan kwam ijlen.
Palamon en Arcite.
De toestand van het Engelsche1 volk was in dit tijdperk vrij ellendig. Koning Richard was afwezig en gevangen, in de macht van den trouweloozen en wreeden Hertog van Oostenrijk. Zelfs was de plaats van zijn gevangenschap, evenals zijn lot, onbekend aan de meesten zijner onderdanen, die intusschen aan onderdrukkingen van allerlei aard ten prooi waren.
Prins Jan, in verbond met Filips van Frankrijk, Richard’s doodvijand, gebruikte al zijn invloed bij den Hertog van Oostenrijk, om de gevangenschap van zijn broeder Richard, wien hij zooveel verschuldigd was, te verlengen. Intusschen versterkte hij zijn aanhang in het koninkrijk, waarvan hij de troonsopvolging, in geval van des konings dood, wilde betwisten aan den rechtmatigen erfgenaam, Arthur, Hertog van Bretagne, zoon van Geoffroi Plantagenet, zijn ouderen broeder. Deze overweldiging, gelijk bekend is, gelukte hem ook werkelijk op den duur. Daar zijn eigen karakter sluw, slecht en trouweloos was, verbond Jan gemakkelijk aan zijn persoon en aan zijne partij niet alleen hen, die reden hadden Richard’s toorn te vreezen, wegens hun gedrag in zijne afwezigheid; maar ook de talrijke dappere vrijbuiters, welke van de kruistochten in hun vaderland waren teruggekeerd, volleerd in de ondeugden van het Oosten, arm aan goederen, verhard van karakter, en die hunne hoop stelden op een nieuwen oogst in de burgerlijke onlusten.
Bij deze bronnen van algemeene ellende en vrees moet nog gevoegd worden het groot getal van vogelvrijverklaarden, die, tot wanhoop gedreven door de onderdrukking van den hoogen adel, en door de strenge uitvoering der jachtwetten, zich in groote benden vereenigden, en, bezit nemende van de bosschen en woeste streken, de gerechtigheid en overheid van het land trotseerden. De edelen zelven, ieder binnen zijn eigen kasteel verschanst, en den kleinen vorst over zijn gebied spelende, waren de aanvoerders van benden, die nauwelijks minder ongebonden, en tegelijk ergere onderdrukkers waren, dan de roovers van beroep. Om deze volgelingen te onderhouden, met de buitensporigheid en pracht, waartoe zij door hoogmoed gedreven werden, leende de adel geld van de Joden op de meest woekerachtige renten, die aan hun goederen knaagden, als een verterende kanker, die slechts dan te genezen was, als zich de gelegenheid opdeed, om door de een of andere daad van geweld zich van hunne schuldeischers te bevrijden.
Onder de verschillende soorten van rampen, uit dezen ongelukkigen staat van zaken voortspruitende, leed het Engelsche volk toenmaals veel, en had reden de toekomst nog meer te vreezen. Om de ellende nog te vermeerderen, verspreidde zich eene besmettelijke ziekte van gevaarlijken aard door het land; en, nog verergerd door de morsigheid, het slechte voedsel en de ellendige woningen der geringere klassen, maaide zij er duizenden van weg, wier lot de overlevenden benijdden, daar het hen van verderen nood verloste.
Te midden echter van al deze rampen, gevoelden armen en rijken, het gemeen en de adel, bij een toernooi, het groote volksfeest van dien tijd, evenveel belangstelling, als de half uitgehongerde burger van Madrid, die geen reaal over heeft om brood voor zijn huisgezin te koopen, gevoelt in den uitslag van een stieren-gevecht. Plicht noch zwakheid konden jong en oud van zulke vertooningen terug houden. De wapengang, zooals men het noemde, die plaats zou hebben te Ashby, in het graafschap Leicester, had de algemeene aandacht getrokken, daar kampvechters van den hoogsten roem, in tegenwoordigheid van Prins Jan zelven, in het strijdperk zouden treden; en een ontzaglijke toevloed van menschen van alle rangen spoedde zich op den bepaalden morgen naar de plaats van den strijd.
Het tooneel was bijzonder schilderachtig. Op de grenzen van een bosch, dat slechts een groot kwartier gaans van de stad Ashby verwijderd was, bevond zich een uitgestrekte, schoone, groene weide, aan de eene zijde door het woud, aan de andere door verspreid staande eiken, waarvan eenigen ontzaglijk hoog waren, omgeven. De grond helde van beide kanten langzaam af naar een vlakte, als voor het krijgsspel, dat dáár plaats zou hebben, gemaakt. Het strijdperk was met sterke palissaden ingesloten,—een vierde mijl lang, en half zoo breed. De vorm was langwerpig vierkant, behalve de hoeken, die afgerond waren, tot grooter gemak van de aanschouwers. De toegangen voor de kampvechters waren aan het noorder en zuider einde van het strijdperk; ze waren gesloten met sterke houten deuren, wijd genoeg om twee ruiters naast elkander door te laten. Bij elke dezer poorten stonden twee herauten en zes trompetters, evenzoo vele wapenboden, en een sterke, gewapende wacht om de orde te houden, en om den rang der ridders te onderzoeken, die aan dit krijgshaftig spel wilden deelnemen.
Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen, versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder, aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding, volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het spel wilde aannemen2. De middelste tent, als de eereplaats, was toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen, niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers, en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt, wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg, tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt.
De noordelijke toegang tot het strijdperk was een soortgelijke gang, dertig voet breed, aan welks einde eene groote afgesloten plaats was voor die ridders, die geneigd mochten zijn den strijd tegen de uitdagers te wagen; dáár stonden ook tenten, met ververschingen van allerlei aard gereed; met wapen- en hoefsmeden en andere bedienden, bereid om hun diensten te bewijzen, overal waar ze noodzakelijk mochten zijn.
De buitenkant van het strijdperk was gedeeltelijk bezet met galerijen, voorzien met tapijten en zittingen voor die dames, ridders en edelen, welke bij het toernooi verwacht werden. Eene kleine ruimte tusschen deze galerijen en het strijdperk was bestemd voor de pachters en landlieden en de toeschouwers, die niet geheel tot het gemeen behoorden, en welke met de “parterre” in onze hedendaagsche schouwburgen kunnen vergeleken worden. De groote menigte zette zich op groote zodenbanken, die voor dat doel waren opgericht, en die door de natuurlijke verhevenheid van den grond hen in staat stelden, over de galerijen heen te zien, en een goed gezicht op het strijdperk te krijgen. Behalve deze plaatsen, hadden reeds honderden op de takken der boomen, welke de weide omringden, plaats genomen, en zelfs de toren van een niet ver afgelegen dorpskerk was met toeschouwers bezet.
Er blijft nog slechts over, ten opzichte van de geheele inrichting op te merken, dat eene hoogere galerij in het middelpunt van de oostelijke zijde van het strijdperk, en dus vlak tegenover de plaats, waar de strijders elkander ontmoeten moesten, opgericht was, die rijker versierd, en onderscheiden was door een soort van troonhemel, waarop het koninklijke wapen prijkte. Schildknapen, pages en trawanten in rijke kleeding stonden rondom die eereplaats, welke bestemd was voor Prins Jan en zijn gevolg. Tegenover deze koninklijke galerij, aan den westkant, bevond zich eene andere, even hoog, en bonter, schoon minder prachtig versierd, dan die van den Prins zelven. Een menigte pages en jonge meisjes van uitstekende schoonheid, groen en rood gekleed, omringden dien troon welke met dezelfde kleuren versierd was.
Onder de wimpels en vlaggen, beschilderd met gewonde, brandende en bloedende harten, bogen en pijlkokers en al de bekende zinnebeelden van de zegepralen van Cupido, viel een opschrift in het oog, dat de toeschouwers onderrichtte, dat deze de eereplaats was van La Royne de la Beautté et des Amours. Maar wie dit zijn zou, kon niemand gissen.
Langzamerhand stroomden toeschouwers van allen aard toe, om hunne verschillende plaatsen in te nemen, niet zonder vele twisten over die, waarop zij recht hadden. Eenige van deze geschillen werden zonder veel omslag door de gewapenden beslist, daar zij de grepen van hunne heirbijlen en de gevesten van hunne sabels vaardig gebruikten, als bewijsredenen, om de hardnekkigsten te overtuigen. Andere twisten, die tusschen personen van hoogeren rang bestonden, werden beslist door de herauten, of door de twee Wapen-Maarschalken, Willem de Wyvil en Steven de Martival, die gewapend in het strijdperk op en neder reden, om de goede orde onder de toeschouwers te bewaren.
Allengs vulden zich de galerijen met ridders en edelen in feestgewaad; hunne lange en rijk gekleurde mantels staken zeer af bij de meer bonte en prachtige kleeding der vrouwen, die, zelfs in grooter getal dan de mannen, elkander verdrongen, om een schouwspel te zien, dat te bloedig en te gevaarlijk scheen, om haar veel genoegen te kunnen verschaffen.
De benedenste en binnenste ruimte was weldra opgevuld met gegoede landlieden, burgers en diegenen van minderen adel, die uit bescheidenheid, armoede, of wegens betwiste rechten, geene hoogere plaats durfden innemen. Het is natuurlijk, dat onder deze klasse de meeste oneenigheid over den voorrang plaats had.
“Ongeloovige hond!” riep een oud man, wiens versleten mantel zijn armoede te kennen gaf, terwijl zijn zwaard, zijn dolk en zijn gouden ketting zijn aanspraak op hoogen rang bewezen;—“Roofdier! durft gij tegen een Christen aandringen, en nog wel tegen een Normandischen edelman van het geslacht der Montdidiers?”
Deze ruwe aanspraak was tot niemand anders gericht dan tot onzen kennis Izaäk, die, rijk en zelfs prachtig gekleed, in een mantel met kant omzet en met bont gevoerd, trachtte plaats te maken in de voorste rij onder de galerij voor zijne dochter, de schoone Rebekka, die te Ashby bij hem gekomen was, en nu aan den arm van haren vader hing, niet weinig verschrikt over het misnoegen, dat algemeen door haar vaders vermetelheid verwekt werd. Maar Izaäk, dien wij bij een andere gelegenheid zoo vreesachtig gezien hebben, wist wel, dat hij nu niets te duchten had. Het was niet op plaatsen van openbare vermakelijkheden, of waar huns gelijken vergaderd waren, dat eenig geldgierige of kwaadaardige edelman hem durfde aanvallen. Bij zulke gelegenheden waren de Joden onder de bescherming van de algemeene wet; en al was deze maar zwak, dan waren er gewoonlijk onder den vergaderden hoop eenige edelen, die uit eigenbelang gereed waren, als hun beschermers op te treden. Bij de tegenwoordige gelegenheid gevoelde Izaäk zich meer dan gewoon gerust, daar hij wist, dat Prins Jan bezig was eene groote leening bij de Joden van York te heffen, door het verpanden van zekere juweelen en landerijen. Izaäk’s eigen deel in dezen handel was groot; en hij wist wel, dat de Prins, die vurig verlangde, de zaak ten einde te brengen, hem zijne bescherming zou verleenen in de verlegenheid, waarin hij zich nu bevond.
Overmoedig door deze overweging, vervolgde de Jood zijn doel, en stiet den Normandischen Christen op zijde, zonder achting voor zijne afkomst, zijn rang of zijn godsdienst. De klachten van den ouden man verwekten intusschen de verontwaardiging der menschen. Één daarvan, een sterk, gespierd jager, donker groen gekleed, met twaalf pijlen in den koker, met een zilveren koppel en een zes voet langen boog in de hand, keerde zich om; en terwijl zijn gelaat, dat door gedurig aan het weêr blootgesteld te zijn, bruin geworden was als een hazelnoot, van toorn gloeide, ried hij den Jood aan, zich te herinneren, dat al de rijkdom, welken hij door het uitzuigen van zijn ongelukkige slachtoffers verworven had, hem slechts als een kruisspin had doen opzwellen, welke men over het hoofd zou kunnen zien, zoolang ze in een hoek schuilde, maar die verpletterd zou worden, zoodra zij waagde voor den dag te komen. Dit verwijt in het Normandisch-Saksisch, met vaste stem en ernstigen blik gedaan, deed den Jood achteruit deinzen, en hij zou zich waarschijnlijk geheel uit eene zoo gevaarlijke buurt verwijderd hebben, ware niet plotseling ieders aandacht gevestigd geworden op de verschijning van Prins Jan, die op dit oogenblik het strijdperk binnen reed, vergezeld van een talrijk en bont gevolg, gedeeltelijk uit leeken, gedeeltelijk uit geestelijken bestaande; dezen even wereldsch in hunne kleeding en luchtig in hun gedrag, als hunne metgezellen. Onder de laatsten bevond zich de Prior van Jorvaulx, in het prachtigste gewaad, dat zijn geestelijke waardigheid toeliet. Bontwerk en goud waren niet aan zijn kleederen gespaard; en de punten van zijn laarzen, de bespottelijke mode van den tijd overdrijvende, staken zoo hoog naar boven, dat zij niet slechts tot aan de knieën, maar zelfs tot aan den gordel kwamen, en hem inderdaad beletten, den voet in den stijgbeugel te zetten. Dit was echter slechts een gering ongemak voor den dapperen abt, die zich misschien verheugde gelegenheid te hebben, zijne kunst in het rijden, voor zoo vele toeschouwers, en voornamelijk voor zoo vele van het schoone geslacht, ten toon te spreiden. Het overige gevolg van Prins Jan bestond uit de begunstigde aanvoerders van zijne huurlingen, eenige van roof levende edelen en ledigloopende hovelingen, met verscheidene Tempeliers en Johanniter-ridders.
Men moet hier opmerken, dat de ridders van deze orden voor vijanden van Koning Richard gehouden werden, daar zij de partij van Filips van Frankrijk gekozen hadden, in de lange twisten tusschen dezen vorst en Richard Leeuwenhart. Het is bekend, dat door deze tweedracht Richard’s herhaalde overwinningen verijdeld, zijne avontuurlijke pogingen om Jeruzalem te belegeren, teleurgesteld werden, en dat de vrucht van al den roem, dien hij verworven had, zich bepaalde tot eene onzekere wapenstilstand met den Sultan Saladin. Uit dezelfde staatkunde, welke het gedrag hunner broederen in het Heilige Land bestierd had, verbonden zich de Tempeliers en Hospitaalridders in Engeland en Normandië met de partij van Prins Jan, daar zij weinig reden hadden te verlangen naar Richard’s terugkomst, of naar de opvolging van Arthur, zijn wettigen erfgenaam. Daarentegen haatte en verachtte Prins Jan de weinige aanzienlijke Saksische geslachten, die nog in Engeland bestonden, en hij liet geene gelegenheid voorbijgaan, ze te kwetsen en te hoonen, omdat het hem bewust was, dat zijn persoon en zijne eischen hun mishaagden, zoowel als aan het grootste gedeelte van het Engelsche volk, dat verdere inbreuken op zijne rechten en vrijheden vreesde van een vorst met zulk een losbandig en tiranniek karakter als Jan.
Vergezeld van zijn bont gevolg, en zelf prachtig in karmozijn en goud gekleed, een valk op de hand dragende, het hoofd bedekt met een rijke muts van bont, versierd met een rand van edelgesteenten, waaronder zijn lang gekruld haar te voorschijn kwam, dat tot op zijn schouders hing, galoppeerde Prins Jan op een schimmel door het strijdperk aan het hoofd van den bonten stoet, met zijne vrienden lachende, en met al de stoutheid van een koninklijken kenner de schoonen beschouwende, welke de hooge galerijen bezetten.
Zij, die in het gelaat van den Prins eene losbandige stoutheid, met overdreven hoogmoed en onverschilligheid voor de gevoelens van anderen vermengd, bespeurden, konden echter niet ontkennen, dat er een zekere aanvalligheid op lag, die, eigen aan open, welgevormde trekken, kunstmatig aan de regels van uiterlijke beleefdheid gewend, echter in zooverre edel en oprecht zijn, dat zij buiten staat schijnen, de natuurlijke gemoedsaandoeningen te verbergen. Zulk eene gelaatsuitdrukking wordt dikwijls verkeerd voor manhaftig vrijmoedig gehouden, daar ze, inderdaad, slechts voortspruit uit de zorgelooze onverschilligheid van een losbandig karakter, uit de bewustheid van hooge geboorte, van rijkdom, of eenige andere toevallige voordeelen, die in het geheel niet van persoonlijke verdiensten afhangen. Voor hen, die niet zoo diep dachten, en niet één uit honderd deed dit, was de pracht van des Prinsen rheno (d. i. pelskraag), van zijn mantel met het kostbaarste hermelijn omzet, van zijn marokijnen laarzen en gouden sporen, tegelijk met de bevalligheid, waarmede hij zijn paard in bedwang hield, voldoende, om hem met een luid vreugdegejuich te doen ontvangen.
Komst van Prins Jan in het strijdperk.
Gedurende zijn feestelijken tocht door het strijdperk, werd de aandacht van den Prins getrokken door de opschudding, welke het eerzuchtige streven van den Jood Izaäk naar eene hoogere zitplaats veroorzaakte. Het scherpe oog van Prins Jan herkende den Jood terstond, maar werd veel aangenamer aangetrokken door de schoone dochter van Sion, die, verschrikt door het oproer, zich dicht aan haar ouden vader klemde.
De gedaante van Rebekka kon werkelijk vergeleken worden bij de eerste schoonheden van Engeland, zelfs als die had moeten beoordeeld worden door een zoo fijnen kenner als Prins Jan. Haar leest was buitengemeen schoon, en kwam op het voordeeligst uit door een soort van Oostersche kleeding, die zij volgens het gebruik der vrouwen van haar natie droeg. Haar tulband, van gele zijde, paste goed bij haar donkere gelaatskleur. Het vuur harer oogen, de heerlijk gebogen wenkbrauwen, de fijn gevormde haviksneus, parelwitte tanden, en zwaar zwart haar, dat in fijne, krullende lokken op den blanken hals en boezem vielen, voor zooverre een doek van de kostbaarste Perzische zijde, met bloemen in natuurlijke kleuren op een purpergrond gewerkt, ze niet bedekte,—dit alles verhoogde de bekoorlijkheden, welke niet overtroffen werden door die der schoonste meisjes, welke haar omringden. Het moet gezegd worden dat de drie bovenste gouden en met paarlen bezette lissen, die haar kleed van den hals tot aan den gordel sloten, wegens de groote warmte waren opengelaten, hetgeen haar schoone gestalte des te meer zichtbaar maakte. Een diamanten halssnoer van onschatbare waarde viel op deze wijze ook in ’t oog. Een struisveder, aan den tulband vastgemaakt met een diamanten haak, was nog een onderscheidingsteeken der schoone Jodin, waarover de trotsche dames, die boven haar zaten, spotten en lachten, terwijl zij haar in stilte benijdden.
“Bij den kalen schedel van Abraham,” zei Prins Jan, “die Jodin dáár is waarlijk het model van die volmaakte schoonheid, wier bekoorlijkheden den wijsten Koning, die ooit geleefd heeft, tot waanzin brachten. Wat zegt gij er van, Prior Aymer?—Bij den Tempel, welken mijn wijze broeder Richard niet in staat was te herwinnen, zij is de ware bruid uit het Hooge Lied!”
“De roos van Saron en de lelie der dalen,” antwoordde de Prior fluisterend; “maar uw Hoogheid moet niet vergeten, dat het slechts eene Jodin is!”
“Ach!” voegde Prins Jan er bij, zonder op dezen raad te letten, “en daar is mijn zondige Mammon ook;—de Markies van de Goudmijn, Baron van de Beurs, die met arme duivels, wier afgesleten mantels toonen, dat zij geen penning in den zak dragen, om hun lompen bij elkander te houden, om een plaats twist. Bij den heiligen Markus, mijn woekervorst zal met zijne bekoorlijke Jodin eene plaats in de galerij hebben.—Izaäk! wie is die Oostersche Houri, die gij even vast onder uw arm houdt, alsof zij eene geldkist was;—is het uw vrouw of dochter?”
“Mijne dochter Rebekka, tot uwer Hoogheids dienst,” antwoordde Izaäk, met eene diepe buiging, geheel niet verlegen over den groet van den Prins, ofschoon daarin evenveel spotternij als beleefdheid lag opgesloten.
“Des te beter voor u!” riep Jan met een schaterend gelach, dat bij zijn vroolijk gevolg in alle onderdanigheid aanstekelijk scheen. “Maar, dochter of vrouw, aan haar moet de voorrang gegeven worden, die aan hare schoonheid en uwe verdiensten toekomt.—Wie zit daar boven?” ging hij voort, zijn oog op de galerij richtende. “Saksische boeren op hun gemak uitgestrekt;—weg met hen!—laat ze maar wat opschikken, en ruimte maken voor mijn woekervorst en zijne beminnelijke dochter. Ik zal hun leeren, de eerste plaatsen der Synagoge te deelen met hen, aan wie de Synagoge eigenlijk behoort.”
Zij, die de galerij bezetten, en tot wie deze onbeleefde en beleedigende taal gericht was, waren het gezin van Cedric den Sakser, met dat van zijn bloedverwant Athelstane van Coningsburgh, een man, die, wegens zijne afkomst van den laatsten Saksischen vorst in Engeland, bij alle Saksische inboorlingen van het noorden van Engeland in de grootste achting stond. Maar met het bloed van dezen ouden koninklijken stam waren vele van diens zwakheden op Athelstane overgegaan. Hij had een schoon gelaat, was zwaar en sterk van lichaam, en in den bloei zijner jaren, maar had geene levendigheid in zijn uiterlijk; zijne oogen waren zonder uitdrukking; hij was langzaam in zijne bewegingen, en zoo traag in zijne besluiten, dat men hem den scheldnaam van een zijner voorouders gaf, en hij dikwijls Athelstane de Besluitelooze genoemd werd. Zijne vrienden,—en hij had er velen, die, evenals Cedric, vurig aan hem verkleefd waren,—geloofden, dat dit traag karakter niet uit gebrek aan moed, maar uit loutere besluiteloosheid voortsproot; anderen beweerden, dat de geërfde ondeugd der dronkenschap zijn bovendien niet zeer scherp vernuft verstompt had, en dat de geduldige moed en zachte goedaardigheid, welke overbleven, slechts de overblijfsels van een karakter waren, dat uitstekend had kunnen worden, maar waarvan alle degelijke eigenschappen in een lange reeks der ergste uitspattingen waren verloren geraakt.
Het was tot dezen man, dien wij nu beschreven hebben, dat de Prins het stoute bevel richtte, om plaats te maken voor Izaäk en Rebekka. Athelstane, geheel uit het veld geslagen door een bevel, dat volgens de zeden en gevoelens dier tijden zeer beleedigend was, wilde niet gehoorzamen; maar niet wetende hoe zich te houden, verzette hij zich slechts door de vis inertiae, tegen den wil van den Prins; en zonder de minste beweging te maken, om hem te gehoorzamen, opende hij de groote grauwe oogen, en staarde den Prins aan met een verbazing, die iets zeer belachelijks had. Maar de ongeduldige Prins beschouwde het niet uit dit oogpunt. “Het Saksische zwijn,” zeide hij, “slaapt, of stoort zich niet aan hetgeen ik zeg.—Geef hem eventjes een prik met uw lans, De Bracy,” vervolgde hij tot een ridder, die naast hem reed en die aanvoerder was van een hoop Condottieri, dat is, huurlingen, die tot geen bijzondere natie behoorden, maar aan iederen vorst gehecht waren, die hen betalen wilde. Er ontstond een gemor, zelfs onder het gevolg van Prins Jan; maar De Bracy, wiens beroep hem voor alle schroomvalligheid bewaarde, strekte zijn lange lans uit over de ruimte, die de galerij van het strijdperk scheidde, en zou het bevel van den Prins ten uitvoer gebracht hebben, zelfs eer Athelstane de Besluitelooze genoeg tegenwoordigheid van geest gevonden had, om voor den stoot te wijken, had niet Cedric, die even vurig als zijn metgezel traag was, met de snelheid van den bliksem zijn kort zwaard getrokken, en met één slag de punt van de lans er afgeslagen. De toorn kleurde de wangen van Prins Jan; hij uitte een geweldigen vloek, en was op het punt eene even geweldige bedreiging te laten volgen, toen hij in zijn voornemen belet werd, gedeeltelijk door zijn eigen gevolg, dat zich rond hem verdrong en hem smeekte te bedaren, gedeeltelijk door de algemeene, luide toejuiching van het volk, over het moedige gedrag van Cedric. De Prins sloeg de oogen vol verontwaardiging in het rond, alsof hij een zeker en gemakkelijk slachtoffer zoeken wilde; en bij toeval den vasten blik van den reeds gemelden boogschutter ontmoetende, die in zijn goedkeurende houding scheen te willen volharden, in weerwil van den toornigen blik van den Prins, vroeg hij hem de reden van zijn luid gejuich.
“Ik roep altijd bravo,” zei de schutter, “als ik een goed schot of een krachtigen houw zie!”
“Zoo?” antwoordde de Prins; “dan kunt gij zeker het wit ook wel treffen, wed ik?”
“Ja,” hervatte de schutter, “jagers wit op jagers afstand kan ik treffen.”
“En Tyrrels wit op honderd el afstand!”3 riep eene stem achter hem, zonder dat men onderscheiden kon, van wien die kwam.
Deze toespeling op het lot van den Rooden Willem, een zijner voorouders, vertoornde en verontrustte Prins Jan te gelijk. Hij vergenoegde zich echter met den gewapenden, die het strijdperk omringden te bevelen, een wakend oog te houden op dezen snoever, zooals hij den schutter noemde. “Bij St. Griselda,” voegde hij er bij, “wij zullen de bekwaamheid van hem beproeven, die zoo bij de hand is, om de daden van anderen te prijzen.”
“Ik zal mij niet aan de proef onttrekken!” hernam de schutter met een bedaardheid, die zijn vast karakter te kennen gaf.
“Intusschen staat op, gij Saksische boeren,” riep de driftige Prins; “want bij het licht des hemels, zoo waar ik het gezegd heb, zal ook de Jood bij u zitten!”
“Geenszins, met verlof van uw Hoogheid; het past voor onzes gelijken niet, onder de beheerschers van het land te zitten!” zei de Jood, wiens eerzucht hem den voorrang wel deed betwisten aan den uitgeteerden en verarmden afstammeling der Montdidiers, maar die het niet waagde, zich aan de rijke Saksers op te dringen.
“Naar boven, ongeloovige hond, als ik het u beveel!” zeide Prins Jan, “of ik laat uw zwarte huid afvillen en tot een zadeldek bereiden.”
Dus voortgedreven, begon de Jood de steile en nauwe trap op te klimmen, die naar de galerij geleidde.
“Laat mij zien, wie hem durft tegenhouden,” zei de Prins, het oog op Cedric vestigende, wiens houding te kennen gaf, dat hij voornemens was den Jood hals over kop naar beneden te werpen.
Dit werd verhinderd door Wamba, die tusschen zijn meester en Izaäk sprong, en tot antwoord op des Prinsen uitdaging uitriep: “Voorwaar, dat zal ik doen!” Hierop hield hij den Jood een stuk gerookt spek als een schild tegemoet, dat hij van onder den mantel uit haalde, en waarmede hij zich zonder twijfel voorzien had, uit vrees, dat het toernooi langer mocht duren, dan zijn honger hem vergunde te wachten. Den afschrik van zijn stam zoo dicht bij zijn neus ruikende, terwijl de nar te gelijk zijn houten zwaard boven zijn hoofd zwaaide, week de Jood achteruit, gleed en viel den trap af, tot groot vermaak der toeschouwers, die in een luid gelach uitbarstten, waaraan Prins Jan en zijn gevolg hartelijk deel namen.
“Geef mij den prijs, neef Prins,” zeide Wamba; “ik heb mijn vijand in den eerlijken strijd met schild en zwaard overwonnen!” Dit zeggende, zwaaide hij het spek met de eene hand en het houten zwaard met de andere.
“Wie en van waar zijt gij, edele strijder?” vroeg Prins Jan, steeds lachende.
“Een nar van afkomst,” antwoordde Wamba. “Ik ben Wamba, de zoon van Weetniet, die de zoon was van Warhoofd, die de zoon was van een Raadsheer.”
“Maakt plaats voor den Jood in de voorste rij van den ondersten kring,” zei Prins Jan, niet ontevreden misschien, een voorwendsel te vinden, om van zijn eerste voornemen te kunnen afzien; “den overwonnene naast den overwinnaar te plaatsen, ware tegen de wetten der ridderschap!”
“De schelm naast den nar zou nog erger zijn,” hernam Wamba, “en de Jood naast den ham het ergste van alles.”
“Gij hebt gelijk, vriend!” riep Prins Jan; “gij bevalt mij.—Hier, Izaäk! leen mij een handvol daalders.”
Terwijl de Jood, verschrikt over dezen eisch, niet durvende weigeren en ongaarne gehoorzamende, in den pelszak tastte, welke aan zijn gordel hing, en misschien onderzocht, hoe weinig stuks voor een handvol zouden kunnen doorgaan, bukte zich de Prins naar hem toe, en maakte een einde aan Izaäk’s onzekerheid, door den zak van zijn zijde te scheuren; en Wamba een paar van de goudstukken, die er zich in bevonden, toewerpende, galoppeerde hij het strijdperk rond, den Jood aan het gelach der omstanders prijs gevende, terwijl hij zelf evenzeer door de aanschouwers toegejuicht werd, alsof hij een edele, eervolle daad verricht had.
1 Walter Scott gebruikt dezen term enkel voor het gemak van zijn lezer.—t. B.
2 Deze soort van maskerade gaf aanleiding, naar men veronderstelt, tot de invoering der schilddragers, aan weerskanten van een wapenschild.—Schrijver.
3 Door ongeluk doodde Walter Tyrrel met een pijl, op de jacht, Willem II, zoon van den Veroveraar.—M. P. L.