WeRead Powered by ReaderPub
Jack Rustig cover

Jack Rustig

Chapter 10: Achtste hoofdstuk.
Open in WeRead

About This Book

A lively account follows a young boy raised by indulgent parents whose permissive attitudes let him dominate the household and develop wilful habits. Early episodes show minor accidents and disobedience, while a visiting family friend raises concerns about the child's lack of discipline and proposes schooling. Against this backdrop the child experiments with boundaries—climbing fences, taking fruit, and testing adults' authority—prompting debates about education, parental responsibility, and the balance between freedom and instruction. Through episodic scenes the narrative examines how upbringing and small moral lessons shape a child's character and future behavior.

Zevende hoofdstuk.

Hoe Jack in tegenspraak komt met zijn eigen wijsbegeerte.

Op het dek gekomen, zag Jack de zon vroolijk schijnen, een zachte koelte blies van de landzijde en overal in het want wapperden hemden, broeken en buizen van de zeelui, die gedurende den storm gewasschen waren en nu te drogen hingen; ook de zeilen lagen over de spieren uitgespreid of waren in het want opgehangen, en het schip liep met een geringe vaart door de blauwe golven. De kapitein en de eerste luitenant stonden aan gangboord te praten en het meerendeel der officieren was bezig met hun quadranten en sextanten de middagbreedte te bepalen. Het dek zag er helder en netjes uit, want er was juist schoon schip gemaakt, en de matrozen waren druk in de weer met het opschieten der kabels. Het was een tafereel van blijmoedige bedrijvigheid en strikte orde, dat op het gemoed van Jack verlichtend werkte na de vier dagen van ellende, die hij in bedompte lucht en in afzondering had doorstaan.

Zoodra de kapitein hem in het oog kreeg, vroeg hij hem vriendelijk hoe ’t met hem ging; ook de eerste luitenant lachtte hem Bladzijde 48vertrouwelijk toe en verscheidene officieren, zoowel als zijn baksmaats wenschten hem geluk met zijn herstel.

De hofmeester kwam naar hem toe, en sloeg aan en noodigde hem uit tot het middagmaal in de hut. Jack, die uiterst beleefd was, lichtte zijn hoed, en nam de uitnoodiging aan. Hij stond toevallig op een kabel, die juist door een matroos opgeschoten werd; de man sloeg aan en verzocht hem vriendelijk of hij zoo goed zou willen wezen met zijn voet van het touw te gaan. Op zijn beurt aanslaande trok hij onmiddellijk zijn voet terug. De stuurman sloeg aan en rapporteerde twaalf uur aan den eersten luitenant,—de eerste luitenant sloeg aan en bracht dat rapport over aan den kapitein,—de kapitein sloeg aan en zei tot den eersten luitenant dat hij zijn gang maar moest gaan. De officier van de wacht sloeg aan en vroeg den kapitein of hij maar het sein voor het middagmaal zou laten geven,—de kapitein sloeg aan en zei: “Als ’t u belieft.”

De adelborst kreeg nu de noodige orders en bracht ze, met de hand aan den hoed, aan den opperbootsmansmaat over, die eveneens aansloeg en terstond daarop een paar stooten op de fluit liet hooren.

“Ei,” dacht Jack, “beleefdheid schijnt hier aan de orde van den dag en allen hebben evenveel eerbied voor elkaar.”

Jack drentelde eens rond over het dek; gluurde door de geschutspoorten die open stonden en keek naar omlaag in de donkerblauwe golven; hij sloeg de oogen op, en lette op het heen en weer zwiepen der lange sprieten, die bij het volgen der beweging van het schip met haar punten als het ware een klein gedeelte van de heldere lucht afteekenden; hij liet den blik gaan langs de rij kanonnen, die aan beide zijden van het dek geschaard stonden en eindigde met op een der stukken geschut te klauteren en over de verschansing leunend naar den verwijderden wal te turen.

“Ga van die verschansing af, jongenheer!” riep de stuurman, die officier van de wacht was, op norschen toon.

Jack keek eens rond.

“Hoor je me niet, meneer? Ik spreek tot u.” zei de stuurman opnieuw.

Jack was erg verontwaardigd, en vond toch de beleefdheid niet zoo algemeen als hij vermoed had.

Toevallig was kapitein Wilson op het dek.

“Kom hier, meneer Rustig,” zei de kapitein; ’t is een vaste bepaling in den dienst, dat niemand op de verschansing mag komen, tenzij in geval van nood. Ik doe ’t nooit, de eerste luitenant niet en geen van de officieren of van de manschappen; dus, uit beginsel van gelijkheid, moogt gij ’t ook niet doen. Bladzijde 49

“Stellig niet, meneer,” antwoordde Jack, “maar ik zie toch niet in waarom die officier met zijn glimmenden hoed zoo boos behoeft te wezen, en mij toespreekt op een toon alsof ik niet even goed was als hijzelf.”

“Dat heb ik u al uitgelegd, meneer Rustig.”

“O ja, nu herinner ik ’t me, ’t is dienstijver; maar ik vind dien overmatigen ijver iets heel onaangenaams in den dienst. Jammer maar dat, zooals gij zegt, de dienst er niet buiten kan.”

Kapitein Wilson glimlachte en verwijderde zich. Toen hij een oogenblik later met den stuurman het dek op en neer liep, gaf hij hem een wenk, dat hij niet zulke harde woorden moest gebruiken tegen den knaap, die alleen uit onwetendheid zulk een klein vergrijp had begaan. Nu was meneer Smallsole, de stuurman, een gemelijk persoon, die niet hield van aanmerkingen op zijn gedrag, al stoorde hij zich weinig aan de gevoeligheid van anderen, en daarom besloot hij het Jack bij de eerste de beste gelegenheid betaald te zetten. Jack dineerde in de kajuit en was bijzonder in zijn schik dat iedereen met hem klonk en dat aan de tafel van den kapitein allen op gelijken voet schenen te staan. Eer het dessert vijf minuten op tafel was, raakte Jack op zijn praatstoel over zijn geliefkoosd onderwerp. Het gansche gezelschap keek verbaasd op nu zij zulke ongehoorde stellingen aan boord van een oorlogsschip hoorden verkondigen, maar de kapitein deed al zijn best om Jacks opmerkingen te weerleggen zonder hem te veel te kwetsen, en gedurende het geheele gesprek week de glimlach niet van zijn gelaat.

Deze dag kon eigenlijk aangemerkt worden als de eerste waarop Jack in werkelijkheid zijn verschijning aan boord maakte en aan tafel bij den kapitein kwam hij ook voor het eerst op de proppen met zijn eigenaardige inzichten. Waren de dischgenooten, bestaande uit den tweeden luitenant, den victualiemeester, meneer Jolliffe en een der adelborsten, verwonderd, dat zulke afwijkende meeningen in tegenwoordigheid van den kapitein te berde werden gebracht, nog sterker trof hen de kalmte en luchthartigheid, waarmee kapitein Wilson ze opnam. Jacks gewaagde beweringen deden dien avond, natuurlijk met de noodige toevoegsels, over het geheele schip de ronde. In de konstabelkamer plozen de officieren ze uit, de adelborsten schetterden er over terwijl zij het dek op en neer wandelen; de kapiteinshofmeester hield een soort van bijeenkomst achter de kombuis, en deelde de nieuwe leer mede. De sergeant van de mariniers gaf in zijn kring als zijn meening te kennen, dat het vervloekte onzin was. De bootsman besprak het geval met de overige onderofficieren totdat al de grog op was en stapte er toen van af, omdat hij het Bladzijde 50onderwerp veel te droog vond. Over het algemeen was de gansche bemanning het er over eens, dat, zoodra ze te Gibraltar binnen liepen, onze held den dienst zou vaarwel zeggen, hetzij dan dat hij door den krijgsraad ter dood veroordeeld werd of ontslagen en aan wal gezet om daar zijn geluk te zoeken. Anderen die meer geslepenheid bezaten en er achter gekomen waren dat onze held een jongen was, die later heel wat te erven zou krijgen, spraken er heel anders over en hielden ’t er voor, dat de kapitein wel goede redenen zou hebben om zoo toegeeflijk te zijn—en onder degenen, die zoo oordeelen, behoorde de tweede luitenant. Slechts vier personen waren Jack welgezind, te weten de kapitein, de eerste luitenant, meneer Jolliffe, de éénoogige stuurmansmaat, en Mephistopheles, de neger, die Jack met hart en ziel begon aan te hangen, zoodra hij van diens meeningen had gehoord.

We hebben melding gemaakt van den tweeden luitenant, meneer Asper. Deze jonge man had een diepen eerbied voor geboorte en vooral voor geld, waarmee hijzelf maar zeer karig bedeeld was. Als zoon van een aanzienlijk koopman, had hij tijdens zijn adelborstjaren over vrij wat meer middelen te beschikken gehad dan noodig of wenschelijk was, en zijn welgevulde beurs bezorgden hem tal van vrienden, niet alleen onder zijn eigen bakmaats, maar ook onder de officieren van het schip, waarop hij voer. Iemand die in staat en gezind is een hooge koffiehuisrekening te betalen, vindt altijd volgers—ten minste naar het koffiehuis; en sommige luitenants zagen er geen been in te dineeren, arm in arm te wandelen en frère-compagnon te spelen met een adelborst, op wiens zak zij teerden zoolang ze aan wal waren. Meneer Asper had juist zijn aanstelling als officier gekregen, toen zijn vader bankroet sloeg, waarmede tevens de bron opdroogde, waaruit hij zoo rijkelijk had geput. Sedert dien tijd had meneer Asper gevoeld, dat het uitraakte met zijn invloed; hij kon nu niet langer van den dienst spreken als van een last, of dat hij zijn baantje er aan zou geven; ook was het gedaan met de onderscheiding, die men aan zijn beurs en niet aan hemzelf had bewezen. Het ergste was nog, dat hij allerlei gewoonten had aangenomen, die veel kostten, en waaraan hij nu uit gebrek aan middelen niet langer kon toegeven. Geen wonder dus dat hij met een grooten eerbied voor geld behebt raakte; en daar hij niet langer zelf middelen kon vinden, was hij blij als hij ergers iemand wist op te diepen op wiens kosten hij het lekkere leventje kon lijden, waaraan hij zich zoo langen tijd gewend had en dat hem zoo aantrok. Nu wist meneer Asper, dat onze held ruim in zijn geld zat, want de bediende uit de Fontein had hem het Bladzijde 51bedrag der betaalde rekening genoemd, en daarom zag hij reikhalzend uit naar de verschijning van Jack, die zijn beste en meest vertrouwde vriend moest worden. Het gesprek in de kajuit had hem de overtuiging geschonken, dat Jack dankbaar zou zijn voor iederen steun, en hij had van de gelegenheid, dat hij even met meneer Sawbridge liep te wandelen, gebruik gemaakt, om aan dezen voor te stellen Jack op zijn wacht te nemen. Of nu meneer Sawbridge de bedoeling van meneer Asper doorzag, dan of hij zich verbeeldde dat onze held meer gediend zou wezen met den tweeden luitenant dan met den stuurman, die zoo ruw uit kon vallen, of met hemzelf, die als eerste luitenant geen enkele plichtverzaking door de vingers mocht zien, het aanbod werd aangenomen en Jack Rustig kreeg last om wacht te houden onder luitenant Asper.

Die eerste dag van Jack’s in dienst treden was ook tevens de eerste, waarop hij de adelborstenkajuit betrad en kennis maakte met zijn bakmaats.

We hebben al gesproken van meneer Jolliffe, den stuurmansmaat, maar we moeten hem nog wat nader leeren kennen. De natuur gaat soms al erg willekeurig te werk en zij had ’t er nu eenmaal op gezet, dat meneer Jolliffe zulk een isegrimmig gezicht zou hebben als maar ooit gezien was.

Hij had allerhevigst te lijden gehad van de kinderpokken en waarschijnlijk waren daardoor zijn gelaatstrekken zoo verwrongen: de ziekte had hem niet alleen erg pokdalig gemaakt maar ook zijn gezicht met diepe groeven doorploegd. Eén oog was hij kwijt en wenkbrauwen had hij in ’t geheel niet meer; het doffe, blinde oog vormde een schrikwekkende tegenstelling met het fel schitterende balletje aan den anderen kant van zijn neus, waarvan ook al niet veel meer overgebleven was dan een spitse onregelmatige punt; en de spieren van zijn kin waren zoo samengetrokken, dat deze niet veel meer dan een aaneenschakeling van naden en rimpels vertoonde. Hij was lang, schaal en mager, lachte zelden en als hij ’t deed, werd hij nog leelijker om aan te zien.

Meneer Jolliffe was de zoon van een deurwaarder. De ziekte had hem aangetast in West-indië, waar ze honderden wegrukte. Hij was na al langen tijd in dienst, met weinig of geen vooruitzicht op bevordering, en hij had zwaar te kampen gehad met armoede, toespelingen op zijn geringe afkomst en hatelijkheden op zijn leelijk uiterlijk. Geen smaad was hem bespaard gebleven op de schepen, waarop hij gediend had; onder een groote menigte voelde hij zich in ’t geheel niet op zijn gemak en, ofschoon ze hem nu niet meer lomp durfden behandelen, hij werd toch in dienst enkel geeerbiedigd Bladzijde 52uit erkenning van zijn bruikbaarheid en voorbeeldige plichtsbetrachting—vrienden of kameraads had hij echter niet. Al sinds jaren was hij in zichzelf gekeerd, legde zich met ijver toe op de studie en was jegens iedereen uiterst welwillend. Stil en teruggetrokken van aard, sprak hij zelden in de kajuit, of zijn kwaliteit van proviandmeester moest het vereischen. Iedereen had eerbied voor meneer Jolliffe, maar niemand was gesteld op een kameraad, die er uitzag om de honden aan ’t blaffen te maken. Toch erkenden allen zijn onberispelijke houding in ieder opzicht, zijn rechtvaardigheidsgevoel, zijn verdraagzaamheid, zijn voorkomendheid en zijn gezond oordeel. Het leven was voor hem inderdaad een last, dien hij met geduldige onderwerping droeg.

In alle gezelschappen als ze maar minstens een half dozijn personen tellen, kan men een praatsmaker aantreffen, en even algemeen is er ook steeds een van het gezelschap min of meer de zondenbok. Zelfs bij toevallige bijeenkomsten valt dit op te merken, zoo bijvoorbeeld op een diner, waarvan de meesten der genoodigden elkaar te voren nooit ontmoet hebben.

De praatsmaker in de adelborstenkajuit van Harer Majesteits fregat de Harpij was een jongmensch van omstreeks zeventien, met licht krullend haar en een blozend uiterlijk. Hij was de zoon van een schrijver aan de werf te Plymouth en heette Vigors.

De zondebok was een vijftienjarige jongen met een bleek, pafferig gezicht. Al kon hij niet bepaald knap genoemd worden, toch wist hij heel wat; maar ongelukkig had hij alle zelfvertrouwen verloren door de voortdurende schimpscheuten en spotternijen van anderen, die wel meer radheid van tong bezaten, maar in wezenlijke kennis waarschijnlijk niet tegen hem opgewassen waren. Hij leerde niet gemakkelijk, maar wat hij eenmaal wist onthield hij voorgoed. Deze jongen droeg den naam van Gossett. Zijn vader was een rijke grondeigenaar uit Lynn in het graafschap Norfolk. Er waren destijds nog maar drie andere adelborsten aan boord, van wie men alleen kan zeggen dat ze in niets van de gewone afweken, dus in leeren weinig lust toonden, maar bij iederen maaltijd een goeden eetlust meebrachten, een hekel hadden aan al wat op werken geleek, maar steeds klaar waren voor een grap of voor een vechtpartij “op leven of dood” om het volgende oogenblik weer dikke vrienden te worden; vervuld van algemeene begrijpen van eer en billijkheid, zonder er zich echter aan te storen als ’t hun minder te pas kwam; bedeeld met zulk een mengelmoes van deugden en gebreken, dat het dikwijls onmogelijk was de ware drijfveer van een of andere daad aan te wijzen en te bepalen in hoever een kwade eigenschap tot een goede Bladzijde 53verzacht en een goede door louter overdrijving tot een kwade ontaard was. De namen van dit drietal waren O’Connor, Mills en Gascoigne. De overige kameraads van onzen held zullen we te gelegener tijd wel op het tapijt brengen.

Na het middagmaal in de kajuit volgde Jack zijn baksmaaks Jolliffe en Gascoigne naar het verblijf der adelborsten.

“Ik moet zeggen, Rustig,” merkte Gascoigne op, dat je een verduiveld vrijpostig heertje bent, om zoo maar tegenover den kapitein te beweren dat ge uzelf als niets minder beschouwdet dan hem.”

“Met uw verlof,” antwoordde Jack, “ik doelde daarmee niet op den kapitein persoonlijk, maar sprak in ’t algemeen over de rechten van den mensch.”

“Nu,” hernam Gascoigne, “’t is het eerst van mijn leven, dat ik een adelborst zoo kras voor den dag heb hooren komen, pas maar op met je rechten van den mensch, ze zouden je nog wel eens in de doos kunnen helpen—er valt aan boord van een oorlogschip niets te betoogen. De kapitein nam het verbazend luchtig op, maar je moest dat onderwerp in ’t vervolg liever niet aanroeren.”

“Gascoigne geeft u een goeden raad, meneer Rustig” merkte Jolliffe op. “Aangenomen al dat uw denkbeelden juist zijn—wat ik nog niet kan toegeven, omdat de toepassing er van mij onmogelijk schijnt—dan nog dient de voorzichtigheid niet uit het oog verloren. Laat ze die kwestie op den vasten wal zooveel uitpluizen als ze willen, in landsdienst is het gevaarlijk en zou je in een leelijk parket kunnen brengen.”

“Een mensch is vrij in zijn doen en laten,” zei Rustig.

“Mijn kop af als dat met een adelborst het geval is,” riep Gascoigne lachend uit, “je zult ’t spoedig genoeg ondervinden.”

“En toch ben ik juist op zee gegaan, in de verwachting dat ik er die gelijkheid zou vinden.”

“Stellig op den eersten April!” hernam Gascoigne. “Maar spreek je werkelijk in ernst?”

Hierop ving Jack een lang betoog aan, waarbij Jolliffe en Gascoigne hem ongestoord lieten doorslaan, terwijl Mesty met bewondering toeluisterde. Toen het afgeloopen was, barstte Gascoigne in een hartelijk gelach uit en Jolliffe zuchtte.

“Waar hebt ge toch al die wijsheid vandaan?” vroeg Jolliffe.

“Van mijn vader die een groot denker is, en die stellingen voortdurend verdedigt.”

“En was ’t uw vaders wensch dat ge op zee zoudt gaan?”

“Neen, hij was er volstrekt niet opgesteld, maar natuurlijk wilde hij zich niet verzetten tegen mijn rechten en mijn vrijen wil.” Bladzijde 54

“Meneer Rustig,” hernam Jolliffe, “als vriend raad ik u ten stelligste uw meeningen zooveel mogelijk voor u te houden; ik zal later wel gelegenheid vinden er nader met u over te spreken, en u dan mijn redenen uiteenzetten.”

Nauwelijks had meneer Jolliffe uitgesproken, of Vigors en O’Connor, die het nieuwtje van Jack’s ketterij gehoord hadden, kwamen beneden.

“Gij kent de heeren Vigors en O’Connor nog niet,” zei Jolliffe tot Rustig.

Jack, die een toonbeeld van beleefdheid was, stond op en maakte een buiging, waarop de anderen plaats namen, zonder zijn groet te beantwoorden. Naar hetgeen Vigors van Rustig gehoord en nu gezien had, meende hij in hem een nieuw slachtoffer gevonden te hebben om op den kop te zitten, en hij begon er zonder complimenten maar dadelijk mee.

“Zoo, ventje, ben je aan boord gekomen om met je gelijkheid den boel in de war te schoppen? Bij den kapitein aan tafel heb je ’t er zonder kleerscheuren afgebracht, maar dat gaat hier in de adelborstenkajuit zoo niet, dat verzeker ik je; sommigen moeten er onder door, en dat is met jou ook het geval.”

“Als gij,” antwoordde Rustig, “met dat ‘er onder door moeten’ bedoelt, dat ik me moet onderwerpen, kan ik u verzekeren dat ge u vergist. Op grond van hetzelfde beginsel, waarom ik nooit den dwingeland zoo willen spelen over zwakkeren dan ik zelf ben, zal ik geen onderdrukking dulden.”

“Wel verdraaid! ’t lijkt precies een advocaat ter zee; wacht maar, baasje, we zullen je wijsheid spoedig genoeg op de proef stellen.”

“Moet ik dan soms aannemen, dat ik niet op gelijken voet sta met mijn baksmaats?” hernam Jack met een blik op Jolliffe. Deze wilde juist antwoorden, maar Vigors was hem voor:

“Ja, je bent hier op voet van gelijkheid, dat wil zeggen: je hebt een gelijk recht in de kajuit, zoolang je er niet uitgesmeten wordt wegens onbeschaamdheid tegenover je meerderen; je hebt een gelijk aandeel te betalen in de dingen die voor den bak gekocht worden, en een gelijk recht om er je portie van op te schranzen, als je ze maar krijgen kunt; je hebt een gelijk recht van spreken, zoolang je niet gezegd wordt je mond te houden. Hierop komt ’t neer, dat je gelijk recht hebt als ieder ander om te doen wat je kunt, te nemen wat je kunt, en te zeggen wat je kunt, dat kunnen is enkel maar de vraag; de zwakste moet hier het loodje leggen, ziedaar nu de gelijkheid in een adelborstenkajuit. Hebt je ’t nu begrepen; of verlang je soms nog een voelbare verduidelijking?”

“Dus moet ik aannemen, dat van gelijkheid hier al even weinig Bladzijde 55sprake is als onder de wilden, bij wie de sterkere den zwakkere onderdrukt, en het vuistrecht het eenige recht is? Nu, zoo gaat ’t op een kostschool aan den vasten wal ook.”

“Voor dit maal heb je het bij ’t rechte eind. Ben je op een kostschool geweest? Hoe ging ’t daar toe?”

“Precies zooals gij ’t hier wilt hebben: de zwaksten moesten het loodje leggen.”

“Welnu, voor een blind paard is een wenk evengoed als een knipoogje, dat is ’t maar, mijn waarde,” zei Vigors.

Opeens werd het kommando “zeilen reven” gehoord en dit maakte voor ditmaal een eind aan het twistgesprek.

Daar onze held nog geen orders had gekregen wat hij eigenlijk moest uitvoeren, bleef hij met Mesty beneden.

“O, Massa Rustig, wat houd ik toch veel van u!” zei Mesty. “Dat was eerst goed gesproken, Massa Rustig; en wat dien meneer Vigors betreft—wees maar niet bang, dat je hem niet aan zoudt kunnen, dat kun je stellig,” vervolgde de neger, terwijl hij de spieren van Jacks armen betastte, “ik durf er een heele week loon onder verwedden.”

“Bang ben ik niet,” antwoordde Jack, “ik heb wel grootere jongens dan hij is onder de knie gekregen.” En die verzekering was waar. Meneer Bonnycastle kwam nooit tusschenbeide bij een eerlijke kloppartij, en lette niet op een paar blauwe oogen, als de lessen maar goed gekend werden. Jack had herhaalde malen gevochten, zoodat hij ten slotte een goed bokser was geworden, en ofschoon niet zoo groot als Vigors, toch was hij voor het worstelen veel beter gebouwd.

De voortdurende gevechten, waartoe Jack zich op school genoodzaakt had gezien, waren door hem aangevoerd als bewijzen tegen de gelijkheidstheorieën van zijn vader, maar deze had hem weten te overtuigen, dat gevechten onder jongens niets te maken hadden met de rechten van den mensch.

Zoodra de wacht was opgeroepen, kwamen Vigors, O’Connor, Gossett en Gascoigne beneden in de kajuit. Vigors, die, met uitzondering van Jolliffe de sterkste was, had langzamerhand zijn meerderheid erkend gezien en op dek gesproken over Rustig’s onbeschaamdheid en over zijn plan om hem mores te leeren. De anderen kwamen dus mee naar beneden om de grap bij te wonen.

“Wel, meneer Rustig,” merkte Vigors op, bij het binnenkomen in de kajuit, “je doet je naam waarlijk alle eer aan. Ben je soms van plan je rantsoen op te eten, zonder er een hand voor uit te steken?” Bladzijde 56

Jack’s geduld was reeds uitgeput en daarom antwoordde hij: “Wees zoo goed, meneer, u met uw eigen zaken te bemoeien.”

“Jouw onbeschaamde vlegel! als je nog één woord durft zeggen, zal ik je eens een ferm pak slaag geven en er wat van die gelijkheid uitkloppen.”

“Zoo?” antwoordde Jack, die zich een oogenblik weer op de school van meneer Bonnycastle verplaatst dacht; “dat zullen we nog eens zien.”

Daarop ontdeed Jack zich doodbedaard van jas en vest, tot niet geringe verwondering van Vigors, die zulk een bewijs van vastberadenheid en zelfvertrouwen niet verwacht had, en nog meer tot genoegen van de overige adelborsten, die in stilte hoopten dat Vigors er eens duchtig van langs zou krijgen. Vigors begreep echter, dat hij te ver was gegaan om terug te treden en bereidde zich dus voor op den strijd. Zoodra hij gereed was begaf zich het heele gezelschap naar het ruim om het zaakje uit te maken.

Vigors had zijn gezag meer te danken aan zijn grooten mond dan wel aan zijn vuisten; want de anderen hadden hem als hun meerdere erkend zonder voldoende proefneming; Jack echter, had op school heel wat bedrevenheid in het vechten opgedaan, en men kan zich dus gemakkelijk voorstellen hoe de strijd afliep. In minder dan een kwartier lag Vigors doodaf op den grond, met een paar gezwollen oogen en drie tanden uit zijn mond; terwijl Jack, na zich eens flink gewasschen te hebben, uitgenomen een paar schrammen, er even frisch uitzag als te voren.

De tijding der overwinning was spoedig over het schip verbreid, en eer Jack goed en wel weer in zijn kleeren stak had Sawbridge ze al in vertrouwen meegedeeld aan den kapitein.

“Al zoo spoedig!” zei kapitein Wilson lachend; ik verwachtte wel dat de adelborstenkajuit wonderen zou doen, maar toch niet met zoo’n vaart. Deze overwinning is de eerste duchtige knak voor Rustig’s gelijkheid, en zal meer dienst doen dan twintig nederlagen. Laat hem nu aan zijn werk gaan, hij zal weldra zijn richtsnoer vinden.

In minder dan een kwartier lag Vigors doodaf op den grond.

Bladzijde 57

Achtste hoofdstuk.

Onze held bewijst dat allen aan boord evenzeer fatsoen aan plicht dienen op te offeren.

Of een jongmensch in zijn beroep slaagt, hangt voor een groot deel af van de omstandigheden bij het begin van zijn loopbaan, want daarnaar beoordeelt men zijn karakter en behandelt men hem. Jack had eerst veel later dan dat met de meeste knapen het geval is, zijn keus tot den zeedienst bepaald. Hij was flink opgeschoten en krachtig voor zijn jaren, en al kon men niet bepaald zeggen dat hij een knap gezicht had, er lag toch een uitdrukking van eerlijkheid en vrijmoedigheid in, die aangenaam aandeed. De geestkracht, waarmee hij geweigerd had naar Vigors’ pijpen te dansen en tegen dezen was opgekomen, toen hij nog ternauwernood hersteld was van zijn hevige zeeziekte, had hem veler eerbied bezorgd, en de genegenheid verworven van allen, behalve zijn tegenpartij en meneer Smallsole. In plaats dat zijn baksmaats den gek met hem staken, haalden zij hem aan; Jolliffe glimlachte over zijn onzinnigheden en trachtte hem die uit het hoofd te praten, en de anderen mochten Jack gaarne lijden om hemzelf en om zijn edelmoedigheid, en vooral omdat ze in hem een beschermer zagen tegen Vigors, die hen allen ringeloorde. Jack had immers verklaard, dat als macht recht was in een adelborstenkajuit, hij althans in zoover de gelijkheid zou herstellen, dat hij steeds de zwakken zou beschermen en niet zou dulden dat iemand, wie ook, in de adelborstenkajuit den baas speelde over degenen, die niet tegen hem opgewassen waren.

Op die manier maakte Jack het best mogelijke gebruik van zijn kracht en werd als het ware de kampioen en beveiliger van hen, die ofschoon veel langer op zee en meer ervaren dan hij, blij waren zich te kunnen plaatsen onder de hoede van zijn moed en zijn strijdvaardigheid, welke laatste eigenschap vooral de bewondering had gewekt van den slachter aan boord, die een vuistvechter van beroep was geweest. Zoo kreeg Jack opeens den rang van een oudste, en werd weldra de toongever. Als onze held het tegenover Vigors had moeten afleggen, zou het geval juist omgekeerd geweest zijn. Hij zou dan hetzelfde te lijden hebben gehad, waaraan de meeste nieuwelingen in den zeedienst zijn blootgesteld.

Meneer Asper had goede redenen om hem tot zijn kameraad te maken; zij betrokken zamen de hondenwacht en hij luisterde geduldig Bladzijde 58naar als den onzin, dien Jack over de rechten van den mensch uitkraamde. Toch deed meneer Asper, zonder het te weten, veel goeds, want terwijl hij om Jack’s genegenheid te winnen, zich hield alsof hij ’t volkomen met hem eens was, waarschuwde hij evenwel en toonde aan waarom gelijkheid aan boord van een oorlogsschip onbestaanbaar was.

Wat hemzelf betrof, zoo beweerde hij, zag hij geen verschil tusschen een luitenant, of zelfs een kapitein, en een adelborst, aangenomen dat hij een beschaafd mensch is; hij zou zijn vrienden kiezen waar hem dat goeddacht en versmaadde de door den dienst verleende macht om het anderen onaangenaam te maken. Natuurlijk werden Jack en meneer Asper goede vrienden, vooral daar Asper Jack, toen de wacht half verstreken was, naar kooi liet gaan, waardoor hij niet alleen diens genegenheid won, maar ook bevrijd raakte van het eeuwige geredeneer.

Weldra zouden ze de straat van Gibraltar binnenzeilen en hoopten den volgenden dag voor de stad te ankeren. Jack zat voor op den bak met Mesty te praten, die een groote vriendschap voor hem had opgevat. Ofschoon onze held nog slechts drie weken aan boord was, zou Mesty toch alles voor hem gedaan hebben, en bij nader inzien is dit toch eigenlijk licht verklaarbaar.

Mesty was in zijn eigen land iemand van veel beteekenis geweest; hij had al de ellende van een overtocht op een slavenschip te verduren gehad, was tweemaal als slaaf verkocht, was vervolgens wel ontvlucht—maar had toch ondervonden, dat de meening van het gros sterk gekant was tegen zijn huidskleur en dat hij, ofschoon vrij, aan boord van een oorlogsschip tot de nederigste diensten werd gedoemd.

Nooit had hij iemand de gevoelens hooren verkondigen, die nu in zijn eigen boezem leefden, namelijk die van vrijheid en gelijkheid. Wij zeggen nú, omdat hij vóór zijn gevangenschap, toen hij nog in zijn eigen land den baas kon spelen, geen oogenblik aan gelijkheid dacht. Dat gaat meer zoo met menschen die de macht in handen hebben. Maar hij had een harde leerschool doorloopen; en ofschoon iedereen te New-York den mond vol had van vrijheid en gelijkheid, bemerkte hij dat ze die wel voor zichzelf preekten, maar ten opzichte van anderen niet in toepassing brachten, en dat, onder al die vrijheid en gelijkheid, hij en duizenden met hem als nietswaardige wezens werden beschouwd.

Naar Engeland ontvlucht, had hij zijn vrijheid herkregen, maar van gelijkheid was geen sprake; daarbij stond zijn kleur hem in den weg, en hij verkeerde in de meening dat de geheele wereld Bladzijde 59tegen hem samenspande, totdat hij vol verbazing van Jack’s lippen boutweg dezelfde denkbeelden hoorde verkondigen, en dat nog wel in den dienst, waar het ongeveer gelijk stond met muiterij. Dit maakte Mesty terstond aan onzen held verknocht, en hij toonde zijn gehechtheid op alle mogelijke manieren. Ook Jack mocht Mesty goed lijden en praatte graag met hem, zoodat zij, na het gevecht met Vigors, elkaar gewoonlijk iederen avond op den bak ontmoetten om de beginselen van gelijkheid en de rechten van den mensch te bespreken.

De bootsman, Biggs geheeten, was een vlug, bedrijvig manneke, dat eens bij een orkaan als opperste van de fokkemars zich zoo buitengewoon kordaat had gehouden, dat hij bij den admiraal tot bevordering werd voorgedragen. Hij werd dan ook bootsman, en nadat de equipage, waartoe hij behoord had, afbetaald was, vond hij plaatsing op Harer Majesteits fregat de Harpij. Jack’s onderhoud met Mesty werd gestoord door de stem van den bootsman, die zijn jongen een standje maakte. “’t Is nu volgens mijn repetitie-horloge al tien minuten geleden, dat ik je heb laten roepen,” zei de bootsman, en haalde bij die woorden een ouden zilveren knol voor den dag, die hem eens door een schacheraar voor een repetitie-horloge was aangesmeerd.

“Met uw verlof, meneer,” zei de jongen, toen u me liet roepen was ik juist bezig een andere broek aan te trekken en daarna moest ik mijn kist weer opbergen.”

“Zwijg maar liever; je moest weten dat je, broek of geen broek, onmiddellijk behoort te komen, als je meerdere je laat roepen.”

“Ook zonder broek aan, meneer?” hernam de jongen.

“Wel stellig, ook zonder broek. Als de kapitein mij liet roepen, zou ik onmiddellijk gaan al was het desnoods zonder hemd. Plicht gaat boven fatsoen.” Dit zeggende pakte de bootsman den jongen beet.

“Maar, meneer Biggs,” zei Jack, “u zult toch den jongen niet straffen, omdat hij zonder broek aan niet gekomen is?”

“Dat zal ik wel, meneer Rustig—ik zal hem eens een lesje geven. Nu er zulke nieuwmodische begrippen aan boord van het schip gebracht zijn, moeten we ons dubbel verplicht gevoelen om de waardigheid van den dienst op te houden, en de bevelen van een meerdere mogen niet tien minuten en twintig seconden onuitgevoerd blijven, omdat een jongen zijn broek niet aanheeft.” Daarop gaf de bootsman den jongen een paar fiksche halen met zijn rotting, en bracht hem daardoor tot het besef hoe gelukkig het was, dat hij zijn broek aangetrokken had alvorens op het dek te verschijnen. “Ziedaar,” zei meneer Biggs, “dat is een les voor je, deugniet—Bladzijde 60en ’t is er tevens een voor u, meneer Rustig.” liet hij er op volgen en verwijderde zich met een air van zelfvoldoening.

“Zoo’n moorddadige Ier!” zei Mesty, “wat heeft hij dien armen stakker geranseld.”

Den volgenden dag lag de Harpij in de baai van Gibraltar voor anker. De kapitein ging aan wal, en gaf last dat men hem vóór negenen met de sloep moest komen afhalen, want na dien tijd wordt de vestingspoort alleen op bijzondere vergunning geopend. Toevallig werd er dien avond door de officieren van het garnizoen een bal gegeven en nu kregen de officieren van de Harpij een beleefde uitnoodiging om dat bij te wonen. Voor degenen, die van de uitnoodiging gebruik maakten, zou het te laat worden dan dat ze nog de poort uit konden en daarom gaf de kapitein hun verlof om aan den wal te blijven tot den volgenden morgen zeven uur. Omdat ze nog al sterk in getal waren, zouden er tegen dien tijd twee sloepen uitgezonden worden om hen af te halen.

Meneer Asper kreeg verlof en verzocht of hij onze held mee mocht nemen, wat hem door meneer Sawbridge werd toegestaan. Er kregen nog verscheidene andere officieren verlof, zoo ook de bootsman, die, in het besef dat zijn diensten vereischt zouden worden zoodra de uitrusting begon, enkel verlof vroeg voor dien avond, en meneer Sawbridge, die begreep dat hij thans beter gemist kon worden dan op een anderen tijd, stemde er in toe. Asper en Jack begaven zich naar een logement, dineerden en bespraken logies, en kleedden zich vervolgens voor het bal, dat zeer schitterend was, en wegens het gezelschap der officieren bijzonder prettig. Kapitein Wilson nam bij het begin even een kijkje en keerde toen weer naar boord terug. Jack ging met zijn gewone welgemanierdheid te werk, danste tot twee uur, en toen de bezoekers van het bal begonnen te dunnen, stelde Asper voor om ook maar heen te gaan. Na nog even in het locaal voor ververschingen vertoefd te hebben, werden hun hoeden en jassen gebracht en juist wilden ze opstappen, toen een der garnizoensofficieren aan Jack vroeg of hij ook lust had een baviaan te zien, die eerst onlangs van de rots was overgebracht. Voorzien van eenige stukken koek begaven zij zich na naar de binnenplaats, waar het dier dicht bij een kleine waterbak vastgeketend lag. Jack voerde het beest tot al zijn koek op was, en toen hij niets meer te geven had, vloog de baviaan op hem los. Jack deed haastig een paar stappen achteruit, maar tuimelde daardoor achterover in den waterbak, die ongeveer twee voet diep was. Dat was me een grap! Nadat er hartelijk gelachen was, wenschten onze vrienden den officier goedennacht en begaven zich naar hun logement. Bladzijde 61

Nu hadden de officieren, die van de Harpij aan wal waren gegaan, allen hun intrek genomen in hetzelfde logement en daar er ook nog andere gasten waren, was de waard niet in staat ieder zijner logeées een afzonderlijke kamer te geven. Hiertegen werd echter geen bezwaar gemaakt en Jack kwam onder dak in een vertrek met twee bedden, waarvan het eene reeds in beslag genomen was, zooals hij opmaakte uit het geluid van zware ademhalingen, dat zijn oor trof.

Onder het ontkleeden bespeurde Jack dat zijn broek erg nat was. Ten einde ze te drogen hing hij ze buiten het raam, en schoof dit vervolgens weer dicht, om te beletten dat het kleedingstuk er uit mocht vallen. Daarna kroop hij onder de dekens en was spoedig in diepe rust. Zooals hij besteld had, werd hij om zes uur geroepen, maar toen hij zich wilde aankleeden, bemerkte hij tot zijn schrik dat het raam open en zijn broek naar de maan was. Blijkbaar had zijn kamergenoot gedurende den nacht het venster geopend, zoodat de broek op straat gevallen en door den een of ander meegepakt was. Jack keek nog eens naar omlaag en ontdekte dat zijn buurman dien nacht onwel moest geworden zijn. ’t Is wat moois, zoo’n dronken kameraad, dacht Jack; maar wat valt er aan te doen? Dit zeggende, stapte hij naar het andere bed en bespeurde dat het ingenomen was door den bootsman. Wel, dacht Jack, als die Biggs goedvindt mijn broek naar de maan te helpen, dan heb ik toch ook het recht om de zijne te nemen of ten minste te gebruiken om er mee naar boord te gaan. Gisteravond nog heeft hij verklaard dat plicht boven fatsoen gaat en dat de bevelen van een hoogergeplaatste gehoorzaamd moet worden, desnoods zonder kleeren aan. Ik weet dat hij noodzakelijk naar boord moet en nu wil ik toch eens zien hoe ’t hem aanstaat in zijn hemdsslippen bevelen op te volgen. Dit overwegende nam Jack de broek van den bootsman, die nog lag te snorken, ofschoon hij al geroepen was. Jack trok het ding aan, stak zich verder in de kleeren en verliet de kamer. Hij ging naar die van meneer Asper, dien hij juist gereed vond en na de rekening betaald te hebben—want Asper had ongelukkig zijn beurs vergeten—begaven ze zich naar de vestingpoort, waar ze reeds een aantal officieren wachtende vonden, genoeg om de eerste sloep te bezetten, die dan ook spoedig van wal stak. Aan boord gekomen, haastte Jack zich een andere broek aan te trekken en die van Biggs op een stoel in diens hut te leggen, en nadat hij Mesty in vertrouwen had meegedeeld wat er aan de hand was, begaf hij zich weer naar het dek om te zien hoe het geval zoo afloopen.

Alvorens het logement te verlaten had Jack aan den bediende Bladzijde 62gezegd, dat er boven nog een bootsman in diepen slaap lag, die onmiddelijk gewekt moest worden, en aan dien last was gehoor gegeven. De bootsman, die den vorigen avond te diep in het glas had gekeken, en zooals Jack terecht vermoedde het raam geopend had, omdat hij zich onpasselijk gevoelde, werd wakker gemaakt en sprong, toen hij hoorde hoe laat het al was, ijlings uit bed om zoo spoedig mogelijk zijn kleeren aan te schieten. Daar hij zijn broek niet vond, schelde hij, in de vooronderstelling dat ze weggenomen was om uitgeborsteld te worden, en om geen tijd te verliezen trok hij zijn overige kleedingstukken maar vast aan. De bediende, die op het geschel verscheen, zei dat hij de broek niet uit de kamer had gehaald en de arme Biggs zat nu leelijk in de klem. Wat er met zijn broek gebeurd kon zijn, begreep hij maar volstrekt niet; hij had zelfs geen flauwe herinnering er van hoe hij in zijn bed gekomen was; en toen hij er den bediende naar vroeg, wist deze alleen te vertellen, dat meneer leelijk aangeschoten thuis was gekomen en dat hij, toen hij meneer kwam wekken, het raam open had gevonden, zoodat hij vooronderstelde, dat meneer zijn broek op straat had gesmeten. De tijd drong, en de bootsman wist geen raad. “Maar zouden ze hem niet een broek kunnen leenen?”

“Dat zou hij eens aan den hôtelhouder vragen.”

De eigenaar van het logement wist terdege goed onderscheid te maken tusschen de officieren van verschillende rang en begreep opperbest aan wie hij crediet kon verleenen en aan wien niet. Hij zond den bediende met de rekening naar boven en gaf hem de boodschap mee, dat meneer, als hij een onderpand gaf, wel een broek kon krijgen. De bootsman voelde al zijn zakken na, en herinnerde zich nu dat hij al zijn geld in den zak van zijn broek had gehad. Hij kon dus niet alleen geen onderpand geven, maar zelfs zijn rekening niet betalen. De hôtelhouder was onverbiddelijk. ’t Was al erg dat hij naar zijn geld moet fluiten, meer kon hij er niet aan wagen.

“Ze zullen me nog voor den krijgsraad brengen!” riep de bootsman uit. “Komaan, de vestingpoort is niet ver af, laat ik ’t op een loopen zetten en schielijk in een der sloepen wippen; ik kan dan nog wel een andere broek aanschieten voor ik aan boord op het rapport kom.” Na dat besluit genomen te hebben ging de bootsman aan den haal, zoodat zijn hemdsslippen in de wind fladderden, en bereikte buiten adem de plek, waar de boot nog op hem lag te wachten. Met een wip was hij er in en hurkte bij de stuurrepen neer, tot groote verbazing van de officieren en de matrozen, die meende dat hij gek geworden was. Met weinig woorden vertelde hij, dat de een of ander des nachts zijn broek had gestolen; en Bladzijde 63daar het al laat was zette de matrozen af, terwijl matrozen zoowel als officieren meenden te stikken van het lachen.

“Heeft er ook een van jullie een pijjekker?” vroeg de bootsman aan de matrozen; maar het was zulk warm weer, dat niemand hunner er een bij zich had. Biggs keek eens rond en zag dat de officieren op een zeejekker zaten.

“Van wien is die zeejekker?” vroeg hij.

“Van mij,” antwoordde Gascoigne.

“Och meneer Gascoigne, u zal wel zoo vriendelijk willen zijn me hem even te leenen tot ik aan boord ben.”

“Wel waarachtig niet!” antwoordde Gascoigne, die het ding nog liever over boord zou gesmeten hebben, dan de grap te bederven; “toen we een tijd geleden met windstilte bij Kaap St. Vincent lagen en ik je om een vischsnoer vroeg, heb je gezegd dat ik naar de maan kon loopen. Nu gaat het leer om leer en mijn jekker krijg je niet.”

“Och toe, meneer Gascoigne, zoodra we aan boord zijn, zal ik u drie vischsnoeren geven.”

“Dat kan me allemaal niets schelen,” antwoordde Gascoigne, die aan het roer zat, omdat hij naar den wal gezonden was om de anderen af te halen. “Allen aan de riemen!” kommandeerde hij nu, en weldra lagen ze op zij van het schip. Toen de officieren opgestaan waren, rolde Gascoigne, in spijt van Biggs dringend smeeken, zijn jekker op en smeet hem den man toe, die den achtermeertros uitgeworpen had. Wat Biggs toestand nog des te beklagenswaardiger maakte, was de omstandigheid dat de eerste luitenant over de verschansing in de boot stond te kijken en kapitein Wilson op het halfdek heen en weer wandelde.

“Komaan, meneer Biggs, ik had u al met de eerste boot verwacht,” riep meneer Sawbridge hem toe “vlug wat, asjeblieft, want de ra’s zijn nog niet gebrast.”

Biggs wist nog altijd niet hoe hij het maken zou om geen al te gek figuur te slaan en bleef dralen, totdat de eerste luitenant driftig uitriep: “Wat duivel, meneer Biggs, wat treuzel je toch?—ge zult me verplichten met wat meer ijver te toonen of anders wil ik u wel verzekeren, dat ge u in ’t vervolg de moeite kunt sparen van verlof te vragen om naar den wal te gaan. Ben je soms dronken, meneer?”

Deze laatste opmerking bracht Biggs tot een besluit. Hij sprong op en was in een oogwenk uit de boot op het dek, waar hij voor den luitenant aansloeg en zeide:

“Broodnuchter, meneer, maar ik ben mijn broek kwijt.”

“Dat schijnt wel,” antwoordde meneer Sawbridge, terwijl Biggs, Bladzijde 64wiens hemdslippen nog maar steeds in den zeewind fladderden in deemoedige houding voor hem stond. Maar nu kon meneer Sawbridge zich niet langer goedhouden; schuddend van het lachen stormde hij de scheepstrap af naar het halfdek. Meneer Biggs kon eerst na meneer Sawbridge naar beneden gaan en het gesprek had aller aandacht getrokken, zoodat iedereen het oog op hem richtte.

“Wat beteekent dat?” zei kapitein Wilson naar het gangboord komend.

“Plicht gaat boven fatsoen,” antwoordde Jack, die veel pret had in de grap.

Meneer Biggs herinnerde zich den dag van gisteren. Terwijl hij voor den kapitein aansloeg, wierp hij een nijdigen blik op Jack, en pakte zich weg naar het benedendek.

Wat de verontwaardiging van den bootsman nog verhoogde, was de ontdekking dat zijn broek eerder aan boord gekomen was dan hijzelf. Daaruit begreep hij, dat men hem een poets gespeeld had en hij twijfelde geen oogenblik er aan, of onze held had ’t hem gebakken. Bewijzen kon hij dat echter niet, want hij wist niet eens wie met hem de kamer gedeeld had. Toen Jack naar bed ging, lag hij al in diepen slaap en bij diens vertrek was hij nog niet wakker.

Het fijne van het geval raakte op het schip spoedig algemeen bekend en “plicht gaat boven fatsoen” werd een spreekwoord. De bootsman stelde alles in het werk om zich op den armen jongen te wreken, zoodat Gascoigne en Jack nooit meer een vischsnoer van hem kregen. Het scheepsvolk had evenveel hekel aan den bootsman als aan Vigors, terwijl Jack, zoowel om zijn stellingen over de rechten van den mensch als om zijn ringelooren van hun twee grootste vijanden, de gunsteling werd van de zeelui, en daar zulke gunstelingen steeds met een bijnaam vereerd worden, noemden ze onzen held Jack Gelijkheid.