WeRead Powered by ReaderPub
Jack Rustig cover

Jack Rustig

Chapter 11: Negende hoofdstuk.
Open in WeRead

About This Book

A lively account follows a young boy raised by indulgent parents whose permissive attitudes let him dominate the household and develop wilful habits. Early episodes show minor accidents and disobedience, while a visiting family friend raises concerns about the child's lack of discipline and proposes schooling. Against this backdrop the child experiments with boundaries—climbing fences, taking fruit, and testing adults' authority—prompting debates about education, parental responsibility, and the balance between freedom and instruction. Through episodic scenes the narrative examines how upbringing and small moral lessons shape a child's character and future behavior.

Negende hoofdstuk.

Onze held wil liever naar beneden dan naar boven gaan; een keus, waarvan hij, naar we hopen in meer gewichtige omstandigheden zal terugkomen.

Den volgenden dag was het Zondag en, daar het weer ongunstig was, kwam er niets van het dienst doen, maar werden de krijgsartikelen met den daaraan verschuldigden eerbied voorgelezen, terwijl Bladzijde 65kapitein, officieren en manschappen met hun hoeden af in een motregen stonden te luisteren. Jack, die van den kapitein gehoord had, dat die krijgsartikelen de wetten en voorschriften van den dienst waren, waaraan kapitein, officieren en scheepsvolk allen gelijkelijk onderworpen waren, volgde met gespannen aandacht de voorlezing van den schrijver. Weinig vermoedde hij, dat er hun door de admiraliteit ongeveer vijfhonderd verordeningen op den hals waren geschoven, die bijna alles omvatten en in zeker opzicht den persoonlijken wil alle beteekenis ontnamen.

Jack luisterde nauwlettend. Van de meeste artikelen begreep hij, dat hij er nooit mee in botsing zou komen, en wat hem vooral verwonderde, was het stellige verbod tegen het vloeken, dat toch aan boord als een doode letter werd beschouwd. Over het geheel genomen meende hij nu vrij wel te weten, waar hij zich aan te houden had, maar voor alle zekerheid verzocht hij, zoodra de manschappen door een stoot op de fluit naar beneden gekommandeerd waren, den schrijver om een afschrift van de artikelen.

Nu had de schrijver er wel drie, maar maakte toch bezwaar er een af te staan. Ten laatste beloofde hij, dat Jack een der copieën zou krijgen, als hij hem daarvoor een tandenborstel wilde geven, want de zijne was door den een of anderen gauwdief gekaapt. Jack antwoordde, dat de door hem gebruikte al tamelijk versleten was en hij maar één nieuwen had, dien hij onmogelijk missen kon. Daarop zei de schrijver, die heel netjes was, en een afschuw had van vuile tanden, dat als Jack van den nieuwen borstel geen afstand wilde doen, hij zich tevreden zou stellen met den gebruikten. De ruil geschiedde en Jack las nu de krijgsartikelen zoo dikwijls over, tot hij ze nagenoeg van buiten kende.

“Zie zoo”, zei Jack, “nu weet ik wat me te doen staat en waar ik me voor te wachten heb. Zoolang ik in dienst blijf, zal ik die artikelen steeds in mijn zak dragen, als ze het ten minste zoolang uithouden; en al doen ze dat niet—allicht heb ik dan weer een ouden tandenborstel om er tegen in te ruilen, want dat schijnt nu eenmaal de prijs er van te zijn.”

De Harpij bleef veertien dagen in de baai van Gibraltar liggen. Jack had nog al eens gelegenheid om aan wal te gaan en daarbij vergezelde meneer Asper hem geregeld.

Op een morgen kwam Jack beneden in de kajuit en vond er den jongen Gossett huilende.

Wat scheelt er aan, mijn beste Gossett? vroeg Jack.

“Vigors heeft me met een eind touw afgerost,” antwoordde Gossett, terwijl hij zijn arm en zijn schouders wreef. Bladzijde 66

“Waarom?” vroeg Jack.

“Wel, hij beweert, dat de dienst heel in de war loopt—waaraan ik toch geen schuld heb—en dat het gedaan is met alle gezag, nu er nieuwelingen aan boord komen, die, omdat ze een paar tientjes op zak hebben, maar alles mogen doen wat ze willen. Maar hij zou er eens de hand aan houden, en bij die verklaring heeft hij me tegen den grond gesmeten—en toen ik weer op de been was, moest ik blijven staan—en toen haalde hij zijn eind touw voor den dag en zei, dat bij van plan was zich eens duchtig te laten gelden en dat het maar uit moest wezen met dien Jack zijn Gelijkheid.

“Zoo!” antwoordde Jack.

“En toen heeft hij me een half uur geranseld.”

“Zoo waar als ik leef, Massa Rustig, ’t is precies zoo gebeurd. Stellig moet hij erg zwak van geheugen zijn,” vervolgde Mesty, “en weer een lesje noodig hebben van Jack Gelijkheid.”

“En daar zal hij niet van vrijloopen ook,” antwoordde onze held, “hoewel het strijdt tegen het artikel dat luidt: ‘alle twist en vechterij enz.’ Gossett, heb je een beetje meer begrip dan een garnaal?”

“Jawel,” antwoordde Gossett.

“Nu, wil je dan een volgenden keer doen wat ik je zeg, en op mijn bescherming rekenen?”

“’t Kan me niet schelen wat ik doe,” hernam de jongen, als gij me maar helpt tegen dien laffen dwingeland.”

“Bedoel je daar mij soms mee?” beet Vigors hem toe, die juist in de deur van de kajuit verscheen.

“Zeg ja,” fluisterde Jack.

“Ja, jou!” riep Gossett uit.

“Ei zoo, mannetje, dan zal ik je nog een beetje er van langs moeten geven,” zei Vigors en haalde zijn eind touw voor den dag.

“Je deed beter met dat te laten, meneer Vigors,” merkte Jack op.

“Bemoei je alsjeblieft met je eigen zaken,” antwoordde Vigors, die volstrekt niet op zoo’n tusschenkomst gesteld was. “Ik heb ’t niet tegen jou, en het zal me pleizier doen als je je niet met mij inlaat. Ik heb, dunkt me, alle recht om zelf mijn kennissen te kiezen, en den omgang van een gelijkheidskramer zoek ik niet, reken daar gerust op.”

“Zooals je verkiest, meneer Vigors,” antwoordde Jack, “’t staat u vrij uw eigen kennissen te kiezen, maar ik heb evengoed dat recht en zal mijn vrienden bijstaan ook. Deze jongen is mijn vriend, meneer Vigors.” Bladzijde 67

Zelfs op gevaar af van een tweede gevecht met Jack, kon Vigors toch zijn grootspreken niet laten en hernam: ”Dan zal ik zoo vrij zijn uw vriend een pak slaag te geven,” terwijl hij onmiddellijk de daad bij het woord voegde.

“Dan zal ik zoo vrij zijn mijn vriend te verdedigen,” antwoordde Jack; “en daar gij mij een gelijkheidskramer hebt genoemd, zal ik trachten dien naam niet te verliezen,”—en bij die woorden gaf Jack hem zulk een peuter onder zijn oor, dat hij over het dek rolde en niet in staat was zich weer op te richten. Jack wrong hem nu het eind touw uit de hand en zei toen tot Gossett: “Nu geef jij hem hiermee maar eens een duchtig pak, of anders krijg je zelf van mij er langs.”

Gossett liet zich dat geen tweemaal zeggen; het genot zijn vijand te kunnen afranselen, al was het ook maar voor eens, was al te verleidelijk—en hij spaarde zijn krachten niet. Met gebalde vuisten stond Jack klaar om bij het minste verzet zijn vriend te verdedigen; maar Vigors was half versuft van den ontvangen opstopper en verroerde geen vin, hij liet zich gedwee afrossen.

“Zoo is ’t genoeg,” zei Jack eindelijk; “en wees nu maar niet bang, Gossett; den eersten den besten keer dat hij je aanraakt als ik er niet bij mocht zijn, zal ik ’t hem betaald zetten, zoodra jij ’t me verteld hebt. Ik wil niet voor niets Jack Gelijkheid genoemd worden.”

Toen Jolliffe, die van het geval hoorde, onzen held weer eens alleen aantrof, zei hij tot hem: “Neem een goede raad van mij aan, vriend, en steek je knuisten niet telkens uit ter wille van anderen, je zult spoedig ondervinden, dat er voor jezelven al genoeg te vechten valt.”

Jack sloeg daarop een halfuur lang aan ’t redeneeren, waarna ze afscheid van elkaar namen. Maar Jolliffe had gelijk. Jack had elk oogenblik stribbelingen, en ofschoon de kapitein en de eerste luitenant hem hun bescherming niet onthielden, begonnen zij ’t toch hoog tijd te vinden, dat Jack tot inzicht kwam, hoe aan boord van een oorlogsschip iedereen en alles zich aan de voorschriften te houden had.

Aan boord van Zijner Majesteit fregat Harpij was ook iemand die Easthupp heette en den post van onderbetaalmeester bekleedde. Hoe hij eigenlijk aan dat baantje gekomen was viel moeilijk te verklaren, want hij had vroeger wegens dieverij op minder aangename manier met den strafrechter kennis gemaakt. Lezen en schrijven had hij in het werkhuis geleerd en nadat hij daaruit ontsnapt was, sloot hij zich in Londen bij een bende jeugdige dieven aan om ten Bladzijde 68slotte zakkeroller te worden. Zijn uiterlijk was vrij gunstig en met zijn onbeschaamde grootspraak wist hij velen zand in de oogen te strooien; ook stak hij altijd netjes in de kleeren en op zijn manieren viel niet veel aan te merken. Ofschoon hij de taal deerlijk havende, was hij toch rad van tong, en daar hij herhaalde malen met het gerecht in aanraking was geweest, viel het niet te verwonderen, dat hij zich door en door radikaal noemde.

Toen nu Easthupp van Jack’s denkbeelden hoorde, wilde hij dadelijk kennis met hem aanknoopen en nog eer ze Gibraltar bereikten, kwam hij zichzelf met veel strijkages voorstellen. Onze held kon den kerel echter al dadelijk niet uitstaan om zijn overmatige en onbeschaamde gemeenzaamheid.

Als Jack iemand ontmoette, merkte hij aanstonds of hij met een beschaafd man te doen had, en hij verkoos zich niet in te laten met personen, die hij te ver beneden zich achtte. Zóó ver ging Jack’s gelijkheid niet; in theorie was alles goed en wel, maar in de practijk lette hij er wel degelijk op, of iets in zijn kraam te pas kwam.

Maar de onderbetaalmeester was niet zoo gemakkelijk af te schepen; en al liet Jack hem duidelijk merken, dat zijn gezelschap hem volstrekt niet aanstond, toch klampte Easthupp hem telkens op gemeenzame wijze aan. Ten slotte zei Jack hem ronduit, dat hij niets met hem te maken wou hebben, waaruit een woordentwist onstond, die zóó hoog liep, dat Jack den ander een schop gaf, die hem door het luik van het achterdek naar beneden deed tuimelen. Dit was al een heel bedenkelijk bewijs van Jack’s gelijkheid—en Easthupp, zich in zijn eer gekrenkt achtende, diende zijn beklag in bij den kapitein, die nu onzen Rustig bij zich liet komen.

Niet zoodra was Jack verschenen of kapitein Wilson riep ook Easthupp.

“Wel, onderbetaalmeester, wat heb je nu eigenlijk in te brengen?”

“Met uw verlof, kapitein Wilson, het is me hoogst onaangenaam, dat ik verplicht ben mij over iemand te beklagen, maar hier meneer Rustig heeft goed gevonden uitdrukkingen tegen mij te bezigen, die voor een fatsoenlijk mensch in ’t geheel niet passen en bovendien heeft hij me een schop gegeven, zoodat ik door het luik ben getuimeld.”

“Is dat waar, meneer Rustig?”

“Ja, meneer,” antwoordde Jack. “Herhaalde malen heb ik den kerel gezegd, dat hij zich niet met mij bemoeien moest, en toch laat hij ’t niet. Ik heb hem een radikalen ellendeling genoemd en hem een schop gegeven.” Bladzijde 69

“Heb je hem een radikalen ellendeling genoemd, meneer Rustig?”

“Ja, meneer, want hij relt me altijd aan de ooren over zijn republiek, en beweert dat we geen koning en geen aristocratie noodig hebben.”

Kapitein Wilson wisselde een veelbeteekenden blik met meneer Sawbridge.

“Ik heb inderdaad mijn politieke gevoelens kenbaar gemaakt, kapitein Wilson, maar u gelieve niet te vergeten, dat wij allen een gelijk aandeel in het land hebben—dat is het geboorterecht van een Engelschman.

“Welk aandeel gij in het land hebt, begrijp ik niet goed, meneer Easthupp,” merkte kapitein Wilson op, “maar, me dunkt, als gij dergelijke uitdrukkingen gebruiktet, had meneer Rustig ook alle recht u zijne meening te kennen te geven.”

“Ik ben volkomen bereid, kapitein Wilson, dit toe te geven voor zoo ver het staatkundige gesprekken geldt—en dat is ’t ook volstrekt niet, waarover ik mij beklaag. Maar meneer Rustig heeft zich vermeten mij een bedrieger en een leugenaar te noemen.”

“Hebt gij die uitdrukkingen gebruikt, meneer Rustig?”

“Ja, meneer, dat heeft hij,” hernam de onderbetaalmeester; “en hij heeft er nog bijgevoegd, dat ik de manschappen en mijn patroon, den betaalmeester, niet moest bedriegen. Wordt mij op die manier niet een leelijke klad aangewreven, kapitein? Maar ik durf me vleien dat ik een goede opvoeding heb genoten en vroeger verkeerde ik in deftige kringen. Iedereen kan echter in het ongeluk geraken, en ik voel me diep gekrenkt door die schandelijke aantijgingen.” Hierop haalde meneer Easthupp zijn zakdoek voor den dag en snoot met veel drukte zijn neus. “Ik heb meneer Rustig gezegd, dat ik me even fatsoenlijk achtte als hij, en in elk geval niet omging met zwarte kerels, waarop hij goed vond me een schop te geven, zoodat ik door het luik naar beneden tuimelde.”

“Al genoeg, betaalmeester, ik heb uw klacht gehoord en gij kunt nu gaan.”

Meneer Easthupp nam met veel zwier zijn hoed af, maakte een buiging en begaf zich langs de groote trap naar beneden.

“Meneer Rustig,” zei kapitein Wilson, “gij moet weten, dat de voorschriften van den dienst, waaraan wij allen gelijkelijk gebonden zijn, niet veroorloven dat een officier zich op eigen hand recht verschaft. Ofschoon ik er nu geen aanmerkingen op wil maken, dat gij den man een radikalen ellendeling hebt genoemd, want hij verdiende dat door het onbeschaamd opdringen van zijn meeningen, toch hebt gij geen recht zonder reden iemands karakter aan te Bladzijde 70vallen—en daar de man een post van vertrouwen bekleedt, stond het u volstrekt niet vrij hem voor een bedrieger uit te maken. Wilt u me eens verklaren, waarom ge die uitdrukking hebt gebruikt?”

Nu had onze held geen eigenlijke bewijzen tegen den man en wist tot zijn verontschuldiging niets deugdelijks in te brengen; doch opeens schoot hem de reden te binnen, die de kapitein zelf indertijd tot vergoelijking der onbehoorlijke taal van meneer Sawbridge had aangevoerd. Jack was slim genoeg om te begrijpen, dat hij doel zou treffen, en antwoordde dus doodbedaard en eerbiedig:

“Met uw verlof, kapitein Wilson, ’t was enkel dienstijver.”

“Dienstijver, meneer Rustig? Dat lijkt me maar een zwakke verontschuldiging. Maar waarom toch hebt ge den man geschopt? Dat zoo iets in strijd was met de verordeningen, moest ge immers weten.”

“Jawel, meneer,” antwoordde Jack weifelend, “maar ik heb ’t toch enkel uit dienstijver gedaan.”

“Vergun me dan op te merken,” hernam kapitein Wilson, terwijl hij zich op de lippen beet, “dat uw ijver in dit geval erg misplaatst was, en zich naar ik hoop, niet weer, op die wijze zal uiten.”

“En toch, meneer,” zoo begon Jack weer, die begreep dat hij den kapitein een steek onder water gaf en daarom een vrij bedeesd gezicht zette, “toch zouden we ’t in den dienst zonder ijver niet ver brengen—en ik hoop nog eens, volgens uw eigen zeggen een zeer ijverig officier te worden.”

“Dat hoop ik ook, meneer Rustig,” antwoordde de kapitein. “Doch ga nu maar heen, en laat me niet weer hooren van schoppen, Zoo’n ijver is totaal misplaatst.”

“Waarschijnlijk meer dan mijn voet,” mompelde Jack onder het heengaan.

Zoodra onze held zich verwijderd had begon kapitein Wilson hartelijk te lachen en vertelde aan meneer Sawbridge, hoe hij indertijd diens taal tegenover onze held voor een uitvloeisel van louter dienstijver had verklaard, maar nu zijn troeven dubbel en dwars weer thuis gekregen had. “Inderdaad, meneer Sawbridge, nu blijkt eerst, hoe zwak mijn verdediging van u was, doe dus uw voordeel met het lesje.”

Sawbridge vond dat ook—maar toch waren beiden ’t er over eens, dat Jack’s rechten van den mensch groot gevaar begonnen te loopen.

Den dag voordat het schip weer uitzeilde, dineerde de kapitein en meneer Asper bij den gouverneur; en daar er weinig meer te Bladzijde 71doen viel, droeg meneer Sawbridge, die sedert het binnenloopen van de haven nog niet van boord geweest was, voor den namiddag het bevel aan meneer Smallsole, den stuurman, over en begaf zich aan wal om eenige inkoopen te doen. Nu hebben we reeds opgemerkt, dat die stuurman Jack’s gezworen vijand was.—Jack lag er al met drie overhoop: met Smallsole, met Biggs, den bootsman, en Easthupp, den onderbetaalmeester. Meneer Smallsole was wat blij, dat hij eens het commando had en hoopte nu gelegenheid te vinden tot het straffen van onzen held, die zich al licht bloot zou geven.

Evenals de meeste menschen, die zelden wat te bevelen hebben, was de stuurman overdreven lastig en bazig. Hij vloekte tegen de matrozen, liet ze hun werk twee, driemaal overdoen, onder voorwendsel, dat het niet vlug genoeg ging, en had op iedereen, die aan boord gebleven was, wat aan te merken.

“’t Schijnt wel, meneer Biggs, of jullie daar vooruit allen in den dut zijt geraakt. Denk je soms dat er niets uitgevoerd behoeft te worden, nu de eerste luitenant niet aan boord is? Hoe lang moet ’t nog duren eer dat hijschen gedaan is?”

De nijdigheid van meneer Smallsole sloeg op meneer Biggs over, en van den weeromstuit raakten ook de bootmansmaat en de bakmeester van het hondje gebeten, en als meneer Smallsole begon te vloeken, liet ook de bootsman zich niet onbetuigd. Zelfs bij den bootsmansmaat, de baksmeester en al de matrozen vond dat voorbeeld navolging.

Meneer Smallsole kwam vooruit.

“Verduiveld, meneer Biggs, wat scheelt er toch aan? Kunnen jullie niet wat beter aanpakken?”

“We doen ons best al, meneer,” antwoordde de bootsman, “maar die nietsdoeners op den bak staan ons in den weg.” Bij die woorden wierp meneer Biggs een blik op onzen held en Mesty, die tegen de verschansing geleund stonden.

“Wat voer je hier uit, meneer?” riep Smallsole onzen held toe.

“Niets meneer,” antwoordde Jack.

“Dan zal ik je wat te doen geven. Den mast in, en blijf daar tot ik je weer beneden roep. Kom mee, meneer, ik zal je den weg wijzen, vervolgde de stuurman en begaf zich achteruit. Jack volgde hem tot op het halfdek:

“En nu naar boven, meneer.”

“Waarom moet ik naar boven, meneer?” vroeg Jack.

“Voor straf, meneer,” luidde het antwoord.

“Wat heb ik dan gedaan?” Bladzijde 72

“Geen praatjes meer—vooruit, naar boven!”

“Met uw verlof, meneer,” hernam Jack, “ik zou de zaak eerst nog wel willen beredeneeren.”

“Wat redeneeren!” bulderde meneer Smallsole. “Naar boven voor den donder!”

“Met uw verlof, meneer,” vervolgde Jack, “de kapitein heeft me meegedeeld, dat de krijgsartikelen de voorschriften waren, waaraan iedereen in dienst gebonden was. Nu heb ik ze zoo dikwijls overgelezen, dat ik ze haast van buiten ken, en er staat geen woord in over dat den mast inzenden.” Jack haalde meteen de krijgsartikelen uit zijn zak en sloeg ze op.

“Wil je den mast in gaan, meneer, of niet?” zei Smallsole.

“Wilt u me eens wijzen, wat daarvan in de krijgsartikelen staat? Hier zijn ze, meneer.”

“Ik zeg je nog eens, meneer, den mast in, of anders zal ik je in een broodzak laten ophijschen.”

“Van broodzakken komt niets in de krijgsartikelen voor, meneer, maar ik zal u zeggen wat er wél in staat.” En nu begon Jack te lezen:

“Alle vlagofficieren, en alle personen behoorende tot de bemanning van Zijner Majesteits oorlogschepen, zullen, indien zij zich schuldig maken aan vloeken, dronkenschap, of andere schandelijke handelingen, gestraft worden als volgt:—”

“Wel vervloekt!” riep de stuurman dol van woede uit, nu hij de geheele equipage hoorde grinniken. “Wil je nu naar boven gaan, of niet?”

“Met uw verlof, liever niet.”

“Dan hebt ge u als in arrest te beschouwen—ik zal je, zoo waar ik leef, voor den krijgsraad brengen. Naar beneden, meneer.”

“Met alle genoegen, meneer,” hernam Jack, “dat komt volkomen overeen met de krijgsartikelen, waaraan we ons te houden hebben.” Jack stak nu zijn afschrift weer in den zak en begaf zich naar beneden naar de voorlongroom.

Spoedig daarop volgde hem Jolliffe, die het heele standje had aangehoord. “Beste jongen,” zei hij, “dat is een leelijk geval; je had den mast in moeten gaan.”

“Ik had er eerst eens nader over willen praten,” antwoordde Jack.

“Ja, dat zou iedereen wel willen; maar als dat mocht, zou de dienst telkens belemmerd worden—en dat gaat niet. Je hebt te beginnen met aan het bevel te gehoorzamen; is het bevel onrechtvaardig, dan kun je later je beklag indienen.”

“Zoo staat ’t niet in de krijgsartikelen.” Bladzijde 73

“Maar in den dienst is het toch zoo.”

“De kapitein heeft me gezegd, dat de krijgsartikelen het richtsnoer waren voor den dienst, en dat we er allen gelijkelijk aan te gehoorzamen hadden.”

“Alles goed en wel, maar toch geloof ik niet, dat de krijgsartikelen je veel baten zullen. Er wordt in gezegd, ieder officier, matroos, enz. die zich schuldig maakt aan ongehoorzaamheid ten opzichte van een wettig bevel, enz.—Welnu, valt gij niet onder de termen van dat artikel?”

“Dat staat nog te bewijzen,” antwoordde Jack. “Met een wettig bevel wordt bedoeld een bevel, dat steunt op een wet; en waar is nu die wet?—Bovendien heeft de kapitein me, toen ik dien lammeling een schop had gegeven, gezegd, dat alleen de kapitein tot straffen bevoegd was, en dat officieren niet op hun eigen handje gerechtigheid mochten uitoefenen; hoe kan de stuurman het dan?”

“Al zou hij als bevelhebber verkeerd gehandeld hebben, dan is dat voor u, als mindere in rang, nog geen reden om hem niet te gehoorzamen. Als dat geoorloofd was, als elk bevel moest gewikt en gewogen worden of het al of niet rechtvaardig was, dan zou ’t met alle tucht gedaan zijn. Vergeet ook niet, dat in den dienst het gebruik nagenoeg met de wet gelijk staat.”

“Daar valt nog al een en ander tegen in te brengen.”

“In den dienst niet, beste jongen. Bedenk maar eens, dat er ook aan den vasten wal twee wetten bestaan; de geschrevene en de ongeschrevene, dat is: het gebruik. Natuurlijk is dat in den zeedienst ook zoo, want men kan niet alles onder artikelen brengen.”

“Maar een krijgsraad kan toch in alles voorzien,” hernam Jack.

“Den dood of ontslag uit den dienst hebt gij er van te wachten—en geen van beide is bijzonder aangenaam. Gij hebt uzelven leelijk in de klem gebracht, en al is de kapitein u blijkbaar genegen, hij mag het nu gebeurde niet onopgemerkt laten. Gelukkig is ’t maar met den stuurman en niet met een van de andere officieren, maar toch zult ge moeten toestemmen, dat de kapitein het niet door de vingers kan zien.”

“Ik zal u eens wat zeggen, Jolliffe,” begon Jack weer, “mijn oogen beginnen voor vele dingen open te gaan. Toen ik vreemd opkeek van een lompe bejegening, zei de kapitein me, dat ze enkel aan dienstijver toe te schrijven was; en nu bemerk ik, dat wat van een meerdere tegenover een mindere dienstijver is, in het omgekeerde geval onbeschaamdheid wordt. De krijgsartikelen heeten een richtsnoer voor allen zonder onderscheid—maar de stuurman vergrijpt zich bij herhaling aan artikel twee en loopt vrij, terwijl ik gestraft moet Bladzijde 74worden, omdat ik iets weiger te doen wat niet in de artikelen wordt vermeld. Hoe kon ik weten, dat ik voor straf den mast in moest! te meer daar de kapitein beweerd heeft, dat hij alleen tot straffen gerechtigd is. Als ik gehoorzaam aan een bevel, dat lijnrecht in strijd is met dat van den kapitein, is zoo iets dan niet even erg alsof ik hem ongehoorzaam was? Ik geloof niet dat mijn zaak zoo slecht staat, en mijn bewijsgronden zijn niet te weerleggen.”

“Toch vrees ik, dat er weinig acht op zal geslagen worden en dat de stuurman het pleit winnen zal.”

“Dat zou immers tegen alle recht en billijkheid strijden!”

“Maar volkomen overeenstemmen met de gebruiken in den dienst.”

“Ik geloof, dat ik een groote dwaas ben,” merkte Jack na een poos op. “Raad eens, Jolliffe, waarom ik op zee gegaan ben.”

“Omdat je niet besefte hoe goed je ’t thuis had.”

“Daar is veel van aan; maar toch mijn eigenlijke reden was, dat ik hier de gelijkheid hoopte vinden, die ik aan wal tevergeefs had gezocht.”

Jolliffe keek gek op.

“Beste jongen, heb ik je niet hooren zeggen, dat je die denkbeelden van uw vader hebt overgenomen? Zonder oneerbiedig tegenover hem te willen wezen, mag ik toch niet verzwijgen, dat hij òf een gek òf een zonderling moet zijn, als hij op zijne jaren nog niet heeft ingezien, dat zoo iets als gelijkheid onbestaanbaar is.”

“Dat begin ik ook te denken,” antwoordde Jack; “maar het is nog geen bewijs dat ’t niet zoo diende te wezen.”

“Neem me niet kwalijk, maar het niet-bestaan er van bewijst op zichzelf al genoeg. Je zoudt evengoed volmaakt geluk kunnen verwachten. Uw vader schept zich hersenschimmen.”

“’t Zal maar het beste wezen, dat ik weer naar huis ga.”

“Neen, mijn waarde Rustig, het best wat je doen kunt is in dienst blijven, want dat zal een eind maken aan al dergelijke onzinnige denkbeelden, en je zult er een ferme, flinke kerel door worden. De dienst is een harde, maar een goede leerschool; alles is er wel niet onberispelijk, maar wat is er in de wereld zonder gebreken? Maar om nog eens op het geval met Smallsole terug te komen ik geloof stellig, dat je morgen den mast in zult moeten.”

“We zullen zien,” antwoordde Jack. “Ik ga nu voorloopig maar naar kooi.” Bladzijde 75

Tiende hoofdstuk.

Onze held begint zelfstandig te handelen en te oordeelen.

Wat ook Jacks gedachten mogen geweest zijn, in elk geval werd zijn rust er niet door gestoord. Jolliffe’s beweringen, hoe gegrond ook, hadden weinig vat op hem. “Nu,” dacht Jack, “al moet ik ook den mast in, dan bewijst dat nog niet, dat mijne bewijsgronden niet deugen, maar enkel dat er geen gehoor aan gegeven wordt.” En bij die gedachte sloot hij de oogen en was weldra in diepe rust.

De stuurman rapporteerde het gebeurde aan den eersten luitenant en deze aan den kapitein, zoodra die den volgenden morgen aan boord kwam. Rustig werd nu in de kajuit ontboden om te hooren of hij ook iets te zijner verontschuldiging had in te brengen. Jack bleef wel een half uur lang aan het redeneeren en zette al de bewijsgronden, die hij reeds tegen Jolliffe had ontvouwd, in het breede uiteen. Daarop werd meneer Jolliffe gehoord en eindelijk ook meneer Smallsole ondervraagd, waarna de kapitein en de eerste luitenant alleen gelaten werden.

“’t Is toch maar waar, Sawbridge,” zei kapitein Wilson, “dat elke afwijking van den rechten weg ons onherroepelijk in de klem brengt. Ik heb verkeerd gehandeld. Uit zucht om den jongen aan zijn vaders leiding te onttrekken en uit vrees dat ik hem anders niet aan boord zou krijgen, heb ik hem den dienst veel mooier voorgespiegeld dan ik had moeten doen. Al wat hij zegt, heb ik hem zelf voorgepraat en zoodoende ben ik eigenlijk dengene, die hem op een dwaalspoor heeft gebracht. Meneer Smallsole heeft zich eigenmachtig en onrechtvaardig gedragen; hij strafte den jongen zonder dat deze iets misdreven had, en met dat al kom ik nu maar in een leelijk parket. Straf ik den knaap, dan doe ik dat meer om mijn eigen fout en die van anderen, dan om de zijne. Straf ik hem niet, dan laat ik toe, dat een ernstige, openlijke schending der krijgstucht ongewroken blijft, wat hoogst nadeelig zou zijn voor den dienst.”

“Hij moet noodzakelijk gestraft worden, meneer,” antwoordde Sawbridge.

“Laat hem eens hier komen,” zei kapitein Wilson.

Jack verscheen en maakte een zeer beleefde buiging.

Meneer Rustig, daar gij in de meening verkeert dat de krijgsartikelen al de wetten en voorschriften van den dienst behelzen, wil ik aannemen dat gij uit onwetendheid gedwaald hebt. Maar al Bladzijde 76is dit zoo, toch zult ge wel inzien, dat zulk een schending van de tucht niet onopgemerkt voorbij kan gaan zonder een hoogst schadelijken invloed uit te oefenen op de manschappen, wier gehoorzaamheid gesterkt wordt door het voorbeeld der officieren. Ik ben stellig overtuigd van uw dienstijver, dien gij nog gisteren heb getoond in het geval met Easthupp, en ik twijfel geen oogenblik of gij zult inzien hoe noodzakelijk het voor mij is, door u te straffen aan de bemanning blijk te geven, dat de tucht gehandhaafd moet worden. Daarom zal ik u op het halfdek ontbieden en last geven in den mast te klimmen en wel in tegenwoordigheid van de gansche equipage, want uw weigering is ook in aller tegenwoordigheid geschied.”

“Met het grootste genoegen, kapitein Wilson,” antwoordde Jack.

“En in het vervolg verzoek ik u er aan te denken, meneer Rustig, dat als een meerdere u straft, en gij u verbeeldt onrechtmatig behandeld te worden, gij u eerst aan de straf hebt te onderwerpen, en u daarna tot mij kunt wenden om herstel van geleden onrecht.”

“Zeer zeker zal ik dat, meneer,” antwoordde Jack, “nu ik maar eenmaal weet wat uw verlangen is.”

“Gij zult me verplichten met naar het halfdek te gaan en daar te blijven tot ik kom, meneer Rustig.”

Jack boog zoo diep mogelijk en verwijderde zich.

“Die goede Jolliffe heeft me wel gezegd, dat ik er aan zou moeten gelooven,” zei Jack bij zichzelf, “en hij heeft ’t geraden; maar ik laat me hangen als ik niet volkomen gelijk had, en verder kan ’t me niet schelen.”

Kapitein Wilson liet den stuurman roepen en gaf hem een uitbrander over zijn baasspelen, daar er blijkbaar geen enkele reden voor straf was geweest. Nooit mocht hij weer een adelborst den mast inzenden, maar hij moest van wat hij een vergrijp achtte rapport doen aan den eersten luitenant of aan hemzelf. Vervolgens begaf hij zich naar het halfdek, liet Rustig bij zich komen en deelde hem naar het scheen een duchtige berisping toe, waarbij Jack echter een vrij kalm gezicht zette, omdat hij wel wist dat de kapitein alleen uit dienstijver hem een standje maakte. Daarna kreeg onze held bevel den mast in te gaan.

Jack nam zijn hoed af en deed drie of vier stappen om aan het bevel gevolg te geven, maar keerde toen eensklaps terug en vroeg met een allerbeleefdste buiging of het kapitein Wilsons bedoeling was dat hij in den fokkemast, of wel dat hij in den grooten mast zou klimmen.

“In den grooten, meneer Rustig,” antwoordde de kapitein en beet zich op de lippen. Jack klauterde een sport of drie den Jacobsladder op, maar hield toen opnieuw stil en nam zijn hoed af. Bladzijde 77

“Verschoon me, kapitein Wilson—gij hebt me niet gezegd of het uw wensch was dat ik tot de steng of tot de bramdwarszalings....

“Tot de bramdwarszalings, meneer Rustig,” viel de kapitein haastig in.

Jack klom nu op zijn gemak naar boven, hield bij de groote mars even stil om adem te scheppen, wat verderop om eens rond te kijken en kwam ten slotte op de bedoelde plek, waar hij zitten ging en zijn krijgsartikelen voor den dag haalde om ze nogmaals te doorlezen, ten einde te zien of bij aan zijn betoog soms nog meer kracht had kunnen bijzetten. Nog nauwelijks had hij ’t tot het zevende artikel gebracht of er werd geroepen: “Anker op!” en meneer Sawbridge kommandeerde: “Alle hens beneden!”

Jack vouwde nu zijn afschrift op en kwam even langzaam naar omlaag als hij naar boven geklauterd was. Hij was een veel beter wijsgeer dan zijn vader.

Weldra was de Harpij onder zeil en richtte den steven naar Kaap de Gata, waar kapitein Wilson een paar Spaansche schepen hoopte in te rekenen, om daarna koers te zetten naar Toulon, waar hij bevelen van den admiraal zou ontvangen.

Zwakke briesjes en windstilten wisselden elkaar af, zoodat de vaart erg vervelend was; maar de booten werden telkens uitgezet om langs de kust jacht te maken op schepen. Meestal verzocht Jack om daarbij dienst te mogen doen, en ofschoon hij nog maar kort op zee was, kon hij toch om zijn leeftijd en kracht tot de meest bruikbare adelborsten gerekend worden, zoolang hem niet een of andere gril in het hoofd kwam. Jack had dan ook tot nog toe al die tochten meegemaakt en zich daarbij steeds voorbeeldig gedragen.

Toen de Harpij op de hoogte van Tarragona was, deden er zich aan boord verscheidene gevallen van buikloop voor; ook Asper en Jolliffe waren onder de lijders. Hierdoor werd het aantal der officieren beperkt en juist in die dagen had de bemanning van een visschersboot, in de hoop van daardoor zelf vrij te komen, medegedeeld dat er, zoodra de wind gunstig zou zijn, van den kant van Rosas een klein konvooi koopvaardijschepen zou opkomen onder bedekking van twee kanonneerbooten.

Kapitein Wilson hield behoorlijk uit den wal, totdat de wind veranderde en, nadat hij aan de schepen den tijd had gegund om den afstand tusschen Tarragona en Rosas af te leggen, legde hij ’t er in den avond op aan om ze weer in te halen. Maar de wind ging opnieuw liggen en nu werden de sloepen uitgezet met het doel om langs de kust te varen, want men veronderstelde dat de vaartuigen niet veraf konden zijn. Meneer Sawbridge voerde in de pinas Bladzijde 78de expeditie aan; de eerste kotter stond onder bevel van den konstabel Minus; en, daar de andere officieren ziek waren, gaf Sawbridge aan Jack, met wien hij dagelijks meer ophad, op zijn verzoek het kommando over den tweeden kotter. Zoodra Mesty dat hoorde, gaf hij aan onzen held te kennen, dat hij mee wenschte te gaan. Jack wist nu te bewerken, dat Mesty mee mocht als plaatsvervanger van een der mariniers, die onder de lijders aan buikloop behoorde, en de eerste luitenant vond daar geen bezwaar in, vooral daar Mesty als een handige kerel bekend stond.

Om tien uur in den avond verlieten de booten het schip; en daar zij misschien eerst laat op den volgenden dag zouden terugkeeren, werd er voor één dag beschuit en rum mee aan boord genomen, opdat er geen gebrek zou geleden worden. De booten hielden op den wal aan en voeren drie uren langs de kust zonder iets te zien; ’t was een heldere avond, maar zonder maanlicht. De windstilte duurde voort en reeds begonnen de roeiers vermoeid te worden, toen zij opeens bij een landtong het konvooi onder een lichten bries met gebraste zeilen zagen naderen.

Onmiddellijk beval meneer Sawbridge het roeien te staken en zich onder afwachting voor den aanval gereed te maken.

De witte zeilen van de kanonneerboot vooraan waren nu duidelijk te onderscheiden van de andere vaartuigen, die alle zonder eenige orde in haar zog voeren. Als een fiere zwaan gleed zij over het water, de zeilen stonden gespannen en ze had een vaart van drie knoopen in het uur.

Sawbridge liet de booten met de koppen recht op haar aanhouden en, eer ze er op verdacht was, bevond ze zich tusschen de barkas aan den eenen en de twee kotters aan den anderen kant; de tegenstand was gering, maar toch werden er eenige geweer- en pistoolschoten gelost, waardoor alarm werd gemaakt. Meneer Sawbridge vermeesterde ze met de bemanning van de barkas, terwijl hij de kotters op de grootste schepen, van het konvooi afzond. Maar nu kwam de tweede kanonneerboot, die tot nog toe niet gezien was, plotseling opdagen om haar kameraad te hulp te schieten.

Sawbridge kommandeerde de helft van zijn manschappen in de barkas, die van een stuk zwaar geschut voorzien was en zond haar aan de kotters te hulp, die recht op de kanonneerboot aanstevenden. Er werd tegen de naderende booten een hevig vuur geopend, maar daar de bevelvoerende officier van de kanonneerboot geen hulp kreeg van de andere, begon hij te meenen dat ze al prijs gemaakt was, loefde bij den wind op en koos de volle zee. Onze held zette haar na, ofschoon hij de andere booten uit het gezicht had verloren; Bladzijde 79maar de wind werd aangewakkerd en alle vervolging werd vruchteloos. Daarom richtte hij zijn koers naar het konvooi en na ingespannen roeien klampte hij een eenmaster van ongeveer vijftig ton aan boord. Metsy, wiens oogen zoo scherp waren als die van een valk, had opgemerkt dat, toen er alarm werd gemaakt, verscheidene van het konvooi nog niet den hoek om waren en daarom stelde hij voor met dit vaartuig, dat zeer licht was, korte gangen te maken, de landtong om te zeilen, alsof ze op de vlucht waren, en op die wijze gelegenheid te vinden nog eenige andere buit te maken. Het konvooi, dat de hoek reeds om was, had met de kanonneerboot onder een stevige bries het ruime sop gekozen. Het achterna te zetten was dus nutteloos; en enkel het voorstel van Mesty bood eenige kans aan.

Zoo was hij met een gang of drie, vier ongeveer zes of zeven mijlen verder gekomen, toen hij aan lij seinen tot terugroeping bespeurde, waaraan het geschut kracht bijzette.

“Meneer Sawbridge verlangt, dat we terug zullen komen, Mesty.”

“Laat meneer Sawbridge zich met zijn eigen zaken bemoeien.” antwoordde Mesty, wij hebben toch al die moeite van het laveeren niet voor niet gedaan.”

“Maar Mesty, we moeten de bevelen gehoorzamen.”

“Jawel, zoolang ze ons onder den duim hebben; maar nu moeten we doen wat we zelf willen. Als hij me terug wil zien, moet hij me maar vangen.”

“Maar wij zullen van het schip afdwalen.”

“Dat vinden we wel terug, Massa Rustig.”

“Maar ze zullen denken, dat we verongelukt zijn.”

“Des te beter, we moeten niet achter ons zien, Massa Rustig; we kunnen nu eens een prachtigen tocht hebben. Morgen nemen we een groot schip, gaan onder zeil, nemen er nog meer, en gaan dan naar Toulon.”

“Maar ik weet den weg niet naar Toulon; ik weet alleen dat het dien kant uit ligt, en meer niet.”

“Dat is genoeg, wat behoeven we meer te weten? Vooronderstel eens, Massa Rustig, dat wij de vloot niet vinden, dan zal de vloot ons spoedig vinden. Er is hier nog nooit iemand verloren geraakt. Laat in ’t vervolg een ander beschuit roosteren en den ketel te vuur zetten voor de heeren. Zoo’n moorddadige Ier! als ik er nog aan denk, Massa Rustig—ik pot koken, ik, die in mijn eigen land een vorst was!”

Rustig was het vrij wel met Mesty eens; “want,” zoo redeneerde Bladzijde 80hij, “als ik nu terugkeer breng ik enkel een klein vaartuig half vol boonen mee en ik zou me schamen me te vertoonen. Nu zullen ze wel vermoeden, dat de kanonneerboot ons in den grond heeft geboord, maar ze kunnen dan ook wijzen op een gevecht met een kanonneerboot. Het zal den schijn hebben, alsof er veel feller gestreden is dan werkelijk het geval was, en dat kan meneer Sawbridge tot voordeel strekken. En wat een blijdschap, als ze later ontdekken dat we niet om zeep zijn geraakt, te meer als we bovendien buit mee brengen—wat stellig gebeuren moet, of anders ga ik niet terug. ’t Komt niet dikwijls voor, dat iemand een kommando krijgt als hij pas twee maanden op zee is en nu ik er eenmaal een heb, wil ik ’t niet weer afstaan. Meneer Smallsole moet maar een ander zien te vinden om den mast in te zenden. Het spijt me alleen voor dien armen Gossett; houdt Vigors mij voor dood, wat zal hij ’t dien armen stakker dan benauwd maken—maar als ik terugkom zal hij er van lusten. In elk geval wil ik van mijn kruistocht niet afzien.”

“Ik heb er de manschappen over gesproken, Massa, en ze zeggen allen, dat ze als een klis zullen aanhangen. Nu dat in orde is, moesten we maar niet langer talmen.”

Korten tijd na deze beslissing van den kant van onzen held, brak de dag aan. Jack keek eerst aan lij en bespeurde dat de kanonneerboot en het konvooi ongeveer tien mijlen verder met volle zeilen op de kust aanhielden, achtervolgd door de Harpij. Hij kon ook waarnemen, dat de veroverde kanonneerboot hun ’t ontsnappen poogde te beletten.

“De Harpij zal ze gauw ingerekend hebben!” riep Mesty uit.

Zij hadden ’t zoo druk met naar de Harpij en het konvooi te kijken, dat ze een tijd lang geheel en al vergaten op de loefzijde te letten. Eindelijk wendde Mesty de oogen dien kant uit.

“Te deksel! ik heb toch wel goed gezien gisterennacht; kijk maar, Massa Rustig—een brik en twee schoeners—die zijn ons. We zullen vannacht goeden buit maken.”

De door Mesty ontdekte schepen waren niet meer dan drie mijlen te loevert op verwijderd en hadden alle zeilen bijgezet om spoedig onder bescherming van een nabijgelegen batterij te komen.

“Nu moeten we vooral zorgen, Massa, dat ze onze boot niet in de gaten krijgen; laten we liever wat meer afhouden, totdat zij voor den nacht het anker laten vallen; als het dan donker is geworden, pakken wij ze in.”

Mesty’s raad was goed, behalve dat hij onzen held niet tot ongehoorzaamheid aan de bevelen had moeten aanzetten. Zij deden Bladzijde 81al hun best om te zorgen, dat het schip niet te dicht bij de anderen kwam, en sloegen de bewegingen van de Harpij nauwkeurig gade.

De afstand was te groot om duidelijk te kunnen onderscheiden, maar Mesty klom in den mast van het schip en hield Jack geregeld op de hoogte.

“Daar valt een schot—al weer een. Dat is onze kanonneerboot—neen toch niet. Wacht, daar heb je ze. Jongens, wat geven ze vuur! Bom, bom, bom! De Spanjaard krijgt ’t leelijk te kwaad, hij houdt op met vuren en strijkt de vlag al. De Harpij rekent ze allen in. Laten we ons nu maar niet te veel vertoonen; enkel twee man aan dek en de jekkers uit, dat ze ons niet herkennen.”

Mesty had goed gezien; de Harpij had de andere kanonneerboot en het heele convooi vermeesterd. Het eenige, waarover ze zich bij dat buitenkansje te beklagen hadden, was de verdwijning van meneer Rustig en den kotter; zeker was hij door een schot van de kanonneerboot in den grond geboord en de gansche bemanning verdronken. Kapitein Wilson en meneer Sawbridge betreurden het verlies van onzen held innig, omdat ze, als eenmaal de wilde haren er uit zouden zijn, veel van hem verwacht hadden, Ook meneer Asper speet het zeer, vooral omdat met Jack ook zijn beurs verdwenen was, en de kleine Gossett beklaagde zich het meest, omdat hij nu van Vigors geen genade meer te wachten had. Enkele echter waren blij, dat hij weg was. Vier en twintig uren werden de verloren gewaanden betreurd, wat voor een oorlogsschip al heel lang is, en daarna dacht niemand meer aan hen. We laten nu de Harpij haar weg naar Toulon voortzetten en zullen zelf onzen held volgen.

De bemanning van den kotter begreep zeer goed, dat Jack tegen de bevelen handelde, maar iedere afwisseling van het eentonige leven op een oorlogsschip was hun welkom.

Er moest echter spoedig wat gedaan worden, want ze hadden maar voor één dag proviand bij zich en ook op het Spaansche schip vonden ze haast niets dan boonen. Een deel er van werd in een ketel gedaan om er soep van te koken en nu was het dien eersten dag boonensoep voor ontbijt, boonensoep voor het middagmaal en altijd maar weer boonensoep, wat Jack lang niet beviel.

Door een der matrozen, die wat Spaansch verstond, werden nu de drie gevangenen, die op het schip waren, ondervraagd naar de vaartuigen te loevert, maar zij wisten niet meer te vertellen, dan dat ze waarde inhadden en dat het eene van geschut voorzien was. Zoodra de zon onderging, lieten de schepen op de hoogte van de batterij de ankers vallen. Er bleef een flauw briesje waaien en het Bladzijde 82schip, waarop Jack zich bevond, was omstreeks vier mijlen aan lij. De Harpij was geheel uit het gezicht geraakt, en ’t werd nu tijd te beslissen wat men doen zou. Zoodra het donker geworden was, liet Jack al de manschappen bijeenkomen en hield een vrij lange toespraak. Hij wees er op, hoe zijn ijver er hem toe gebracht had niet naar de Harpij terug te keeren, voordat hij iets mee kon brengen wat de moeite waard was; het eten van altijd maar boonen en nog eens boonen was verre van pleizierig en hun toestand eischte noodzakelijk verbetering; op nog geen vier mijlen afstand lag een groot schip, dat hij van plan was te vermeesteren; hadden ze dat eenmaal dan zouden ze er nog meer nemen; hij rekende op hun dapperheid en stelde zich van den kruistocht heel wat voor. Zij moesten zich beschouwen als aan boord van een oorlogsschip, zoodat ze gebonden waren door de krijgsartikelen, die voor allen evenzeer golden, en in geval zij ze vergeten mochten zijn, had hij een afschrift in zijn zak, dat hij morgenochtend zou voorlezen, zoodra zij aan boord van het schip goed op orde waren. Daarna benoemde hij Mesty tot eersten luitenant, den marinier tot sergeant, den kwartiermeester tot bootsman; twee matrozen tot adelborsten om wacht te houden; twee anderen tot bootsmansmaats en de twee, die nog overbleven, werden aangewezen tot stuurboord- en bakboord-wacht. De bemanning van den kotter was zeer tevreden met Jacks toespraak en met hun bevordering en nu volgde er een gewichtige beraadslaging hoe men het moest aanleggen om het vreemde schip te veroveren. Naar Mesty’s raad besloot men niet ver voor het schip te ankeren, tot twee uur in den morgenstond te wachten, en het dan met den kotter zoo stil mogelijk te naderen en te vermeesteren.

Tegen negen uur ankerden zij en Jack bemerkte tot zijn verwondering, dat het schip vrij wat grooter was dan hij vermoed had. De Spaansche gevangenen werden aan handen en voeten gebonden en men zorgde er voor dat ze geen geluid konden geven; de zeilen werden geborgen en alles was doodstil.

Aan boord van het Spaansche schip daarentegen heerschte veel drukte en leven, en omstreeks half elf zagen ze een boot afzetten en naar de wal roeien; daarna hield het rumoer langzamerhand op. de lichten gingen een voor een uit en toen was alles stil.

“Wat dunkt je, Mesty?” zei Jack; “zouden we het nemen?”

“Of we het nemen zullen? Zeker zullen we dat, wacht maar even, laat ze eerst maar in vasten slaap zijn.”

Tegen twaalven begon het te motregenen, wat de plannen van onzen held zeer te stade kwam. Daar het echter te voorzien was dat de lucht spoedig weer zou ophelderen, raadde Mesty aan nu Bladzijde 83niet langer te dralen. Zij kropen zoo stil mogelijk in de boot, roeiden slechts met twee riemen, lagen weldra onder den boeg van het schip en klommen langs de ankerkettingen op het dek, waar ze niemand vonden. “Pas op, niet schieten!” zei Mesty tegen de manschappen die boven kwamen en lei hun daarbij den vinger op de lippen, om tot stilte aan te manen. Toen allen op het dek waren en de boot vastgelegd was, gingen ze onder geleide van Jack en Mesty behoedzaam rond, zonder een levende ziel te ontdekken. De luiken waren allen zorgvuldig gesloten, maar in het kompashuisje brandde een licht. Twee man werden naar voren gezonden om daar de wacht te houden en nu werd er bij het stuurrad overlegd wat er gedaan moest worden.

“Het schip is ons!” zei Mesty, “maar we moeten heel voorzichtig te werk gaan. Daar ligt er geloof ik eentje tusschen de kanonnen te slapen. Als de regen even vermindert, kunnen we beter zien. Stil allemaal.”

“Er moeten heel wat manschappen op dit schip zijn,” merkte onze held op; “het is vrij groot en voert twaalf of veertien stukken geschut—hoe zullen we er ons meester van maken?

“Dat komt in orde, zoodra ’t maar wat lichter wordt,” antwoordde Mesty.

“De regen heeft al opgehouden,” zei Rustig. “Als we die lantaren eens uit het kompashuisje namen en rondlichten?”

Dit geschiedde en weldra vonden ze tusschen twee van de kanonnen een hoop onder eenige dekens liggen. “Daar heb je de wacht,” fluisterde Mesty; “geduld even—we zijn noch niet klaar.”

Mesty blies het licht uit en allen keerden terug naar het kompashuisje. Dicht bij den bezaansmast vond onze neger een kabel, waarvan hij eenige stukken afsneed en die hij aan de anderen te splitsen gaf. In een oogenblik waren er nu een menigte einden touw om de manschappen mee te binden.

“Nu de lantaren weer opgestoken, dan zullen we die luie honden eens inrekenen. Stop hun vooral den mond, dat ze geen kik kunnen geven.”

“Maar als ze nu eens den mond vrij krijgen en een schreeuw laten?” vroeg Jack.

“Dan geen pardon meer?” antwoordde Mesty met een bijna duivelsche uitdrukking op zijn gelaat en liet het mes zien, dat hij in de rechterhand hield.

“O neen, geen moord!”

“Als het anders kan, dan zeker niet, Massa. Maar wat zal er van ons worden als zij de overhand krijgen? De Spanjaarden hebben ook messen en maken er duchtig gebruik van.” Bladzijde 84

Zij slopen nu behoedzaam naar de plek waar de Spanjaards lagen. De maatregelen waren goed genomen. Twee man moesten proppen in de monden stoppen en de anderen handen en voeten binden. Mesty en Rustig knielden bij het kaarslicht naast hen neer en hielden de messen opgeheven om hen het zwijgen op te leggen, of toe te stooten, als hun eigen behoud dat vereischte.

De dekens werden van den eersten man afgelicht; hij sloeg de oogen op, maar de bootsman had hem de hand al op den mond—en hij werd zonder gerucht geboeid. De beide anderen werden wakker en wierpen hun bedekking af, maar ook zij werden ingerekend, zonder dat er bloed behoefde gestort te worden.

“Wat nu gedaan, Mesty.”

“Nu het achterluik opengezet en opgepast—zoodra er een boven komt wordt hij gekneveld; komen er geen meer boven, dan wachten we tot de dag aanbreekt en zien hoe het er mee staat.”

Mesty ging eens op den bak kijken of er wel goed wacht gehouden werd, en na het heele dek rondgeweest te zijn blies hij de kaars uit en vatte met de overigen post bij het achterluik.

Met het aanbreken van den dag ontwaakten de Spanjaarden, die de wacht moesten overnemen, kleedden zich en kwamen aan dek zonder een flauw vermoeden, dat de Engelschen er meester zouden zijn. Mesty en de overigen hielden zich terug en lieten allen boven komen zonder dat zijzelf opgemerkt werden. Er waren er vier, die slaperig rondkeken, waar hun kameraads toch wel wezen mochten.

Het luik werd door Jack weer gesloten, en eer zij goed wisten wat hun overkwam, waren allen vier stevig geboeid, zonder dat er een kik was gelaten.

Intusschen begon het vrij licht te worden en zij bespeurden nu dat ze een flink schip vermeesterd hadden—maar er viel nog meer te doen. Natuurlijk bevonden zich een aantal manschappen op het schip en bovendien waren ze geen mijl verwijderd van de batterij op de kust. Mesty liet nu boven het rooster van het voorluik een flinken kabel opschieten, zoodat de zwaarte daarvan het openen van den binnenkant belette.

“De hoofdzaak is nu, meneer Rustig, dat we den kapitein in onze macht krijgen; we moeten hem op het dek lokken. Zet het kajuitsluik open en houd het achterluik goed gesloten. Laat er twee man bij post vatten en de overigen naar achteren komen.”

“Ja,” antwoordde Jack, “’t zal heel wat moeite in hebben ons van den kapitein te verzekeren. Hoe krijgen we hem boven?”

“Hem boven krijgen? O, dat zal best gaan.”

Mesty begon nu met een opgerolden kabel een vreeselijk misbaar Bladzijde 85op het dek te maken. Kort daarop hoorde men een driftig schellen van uit de kajuit en een oogenblik later kwam er een man de kajuitstrap ophollen, doch werd onmiddelijk ingerekend.

“Dat is de oppasser maar,” zei Mesty, “hij komt vertellen, dat we niet zoo’n verduiveld leven moeten maken. Wacht even—we zullen den kapitein zoo kwaad maken, dat hij zelf voor den dag komt.”

Mesty hervatte nu het leven maken met den kabel, en het gevolg was zooals hij voorspeld had. Binnen weinige minuten kwam de kapitein zelf woedend naar boven stuiven. Zoodra zij de kajuitsdeur hoorden opensmijten verscholen zich de matrozen en onze held achter de vrij hooge kap van het luik, ten einde den kapitein gelegenheid te geven om geheel en al op het dek te komen. De manschappen, die reeds gekneveld waren, lagen onder de dekens. De kapitein was een forschgebouwd man en het kostte heel wat moeite hem meester te worden.

“Nu zijn we klaar,” zei Mesty, “het schip is ons; maar ik moet hem angst aanjagen.”

De kapitein was op het dek tegen een der kanonnen gezeten en Mesty hield met zijn langen, gespierden arm zijn scherp mes dreigend boven hem opgeheven, alsof hij elk oogenblik gereed stond hem in het hart te treffen. De Spaansche kapitein vond zijn toestand verre van aangenaam. Hij werd nu ondervraagd omtrent het getal der manschappen en officieren en beantwoordde alle vragen naar waarheid. Strak hield hij den blik gericht op het onheilspellende gelaat van Mesty, die slechts op een wenk scheen te wachten.

“De zaak is nu bijna gezond,” zei Mesty. “We moeten nu naar beneden en de overige manschappen inrekenen.”

Dit voorstel werd door onzen held goedgekeurd. Na hunne pistolen van de gangspil genomen te hebben, snelden ze met getrokken messen naar beneden en vonden er allen ontkleed in de hangmatten liggen. Ofschoon hun getal het dubbele bedroeg van dat der Engelschen, had toch de weerstand niet veel te beduiden. In weinige minuten waren de Spanjaarden in het scheepsruim gesmeten en de luiken boven hen gesloten. Alle gedeelten van het schip waren thans in hun macht behalve de kajuit. Zij vonden er de deur gesloten en moesten die met geweld openstooten, waarop ze ontvangen werden met luide angstkreten van den eenen kant der kajuit en van den anderen met een paar pistoolschoten, gelost door een man op jaren en een jongmensch van ongeveer den leeftijd van onzen held. Beiden werden spoedig overweldigd en gekneveld. De kajuit werd nagezocht, en niets er in gevonden dan drie vrouwen; een oude, gerimpelde Bladzijde 86dame en twee mooie jonge meisjes, wier gelaatstrekken echter op dit oogenblik door angst verwrongen waren. Jack groette met een beleefde buiging en deelde haar mede, dat zij niets te vreezen zouden hebben. Daar zij evenwel geen Engelsch verstonden, kreeg hij geen antwoord.

Mesty maakte een eind aan Jacks complimenten, door hem er op te wijzen, dat ze allen naar dek moesten. Jack nam nu nogmaals zijn hoed af, boog en verliet met zijn manschappen en de beide gevangen heeren de kajuit. Het was nu vijf uur in den morgen en er kwam beweging aan boord van de andere schepen, die niet ver van het veroverde verwijderd lagen.

“Wat nu met de gevangenen gedaan?” zei Jack. “Als we eens ons eigen schip langs zij lieten komen, en ze er allen gekneveld en wel op overbrachten? Dan waren we van hen af.”

“Dat is een goed denkbeeld, Massa Rustig. Maar als we onze eigen sloep uitzenden, wat zullen ze dan aan boord van de andere schepen denken? Laten we liever de kleine boot strijken en met vier man ons vaartuig ongemerkt langs zij zien te brengen.”

Dit geschiedde; de kotter lag aan de buitenzijde van het schip, dat het meest uit den wal lag, en kon dus voor de overige Spaansche schepen en voor de kustbatterij licht verborgen blijven. Spoedig was het vaartuig langs zij gebracht en waren de zeven gevangenen, die op het dek gekneveld lagen, in het ruim neergelaten, behalve echter de kapitein, de twee gevangenen uit de kajuit en de oppasser van den kapitein. Vervolgens gingen ze naar beneden, zetten het luik half open en bevalen de Spanjaards naar boven te komen; zoodra ze aan dek waren, werden ze op dezelfde wijze behandeld. Mesty en de matrozen gingen beneden onderzoeken of er soms nog verscholen gebleven waren, maar zagen spoedig dat dit niet het geval was en kwamen weer boven. In het geheel waren er nu dertig gevangenen. Zoodra die allen in de schebek waren overgeladen, verwijderde deze zich en ankerde wat verder in zee, en Jack zag zich nu in het bezit van een uitmuntend schip met veertien stukken, terwijl hij bovendien drie mannelijke en drie vrouwelijke gevangenen had gemaakt.

Nadat de matrozen met de boot teruggekomen waren van het vaartuig, waarin de gevangenen in verzekerde bewaring waren gebracht, vermomden allen zich op raad van Mesty als Spaansche zeelieden, waartoe de in overvloed voorhanden kleedingstukken ruimschoots gelegenheid boden.

“Wat nu gedaan, Mesty?” vroeg Jack.

Nu moeten er een paar man omhoog om de zeilen in orde te Bladzijde 87brengen en intusschen zal ik dezen knaap—hij wees op den bediende van den kapitein—ontboeien en hem een ontbijt klaar laten maken, want hij weet waar de boel te vinden is.”

“Opperbest, Mesty, want van die boonensoep heb ik meer dan genoeg. Ik zal intusschen naar beneden gaan om de dames mijn compliment te maken.”

Mesty keek over de verschansing.

“Doe dat maar heel gauw, meneer Rustig, want dat verduivelde vrouwvolk is daar waarachtig bezig om met zakdoeken de aandacht van de batterij te trekken. Gauw, meneer Rustig!”

Mesty had gelijk. De Spaansche meisjes wuifden met haar zakdoeken om hulp; en dat was ook al wat de arme schepsels doen konden. Jack haastte zich naar de kajuit, drong de jonge dames zoo beleefd mogelijk van de raampjes terug en verzocht haar zich niet zooveel moeite te geven. De meisjes keken erg onthutst en nu ze niet langer met de zakdoeken wuiven konden, brachten zij die aan de oogen en begonnen te schreien, terwijl de oude dame op de knieën viel en de handen smeekend ophief. Jack richtte haar op en geleidde haar beleefd naar een der banken.

Intusschen had Mesty met het glinsteren van zijn mes en het grijnzen van zijn gezicht wonderen gedaan bij den hofmeester, want dat was de man. Een ontbijt van chocolade, gezouten vleesch, ham en worst, met beschuit en rooden wijn stond op het halfdek gereed. De matrozen waren uit het want gekomen en Jack werd naar het dek geroepen. Hij bood aan ieder der jonge dames een hand en verzocht de oude dame hem te volgen; deze begreep dat weigeren niet raadzaam zou zijn en vergezelde hem dus.

Zoodra de vrouwen aan dek de twee gevangenen uit de kajuit gekneveld zagen, snelden zij op hen toe en omhelsden hen onder tranen. Jacks hart werd week en daar er nu niets meer te vreezen viel, vroeg hij Mesty om zijn mes en sneed de twee Spanjaarden los, waarna hij op het ontbijt wees, ten einde hen daartoe uit te noodigen. De Spanjaards maakten een buiging en de dames bedankten Jack met een lieven glimlach; en de kapitein van het schip, die nog altijd geboeid tegen een kanon lag, keek alsof hij zeggen wou: Wat duivel, waarom vraag je mij ook niet? Maar ze hadden zooveel moeite gehad om hem meester te worden, dat Jack er niet bijzonder op gesteld was hem weer vrij te laten. Onze held en de matrozen begonnen aan het ontbijt en daar de gevangenen geen trek in eten schenen te hebben, werd hun portie ook maar verorberd. De oudachtige heer vroeg intusschen aan Jack of hij Fransch kon spreken. Bladzijde 88

Met een mond vol worst antwoordde Jack dat hij die taal verstond en nu begon een onderhoud, waaruit hij het volgende te weten kwam:

De oudachtige heer was op reis naar Tarragona. De jonge man was zijn zoon en de dames waren zijn vrouw en zijn beide dochters. Jack beantwoordde die mededeeling met een beleefde buiging, waarop de heer, wiens naam Don Cordova de Rimarosa luidde, verzocht te mogen weten wat Jack met hen voornemens was te doen, terwijl hij van hem hoopte, dat hij hen als niet-strijders met hun have en goed aan wal zou laten zetten. Jack deelde dit alles aan Mesty en de overigen mede en at vervolgens zijn worst verder op. Na eenig over en weer gepraat beweerde Mesty, dat vrouwen op een schip maar last was en ook de bootsman vond dat er altijd ruzie uit voortkwam. Jack haalde nu de “krijgsartikelen” voor den dag en daar er niets over vrouwen in stond, gaf hij te kennen dat ze onmogelijk aan boord konden blijven.

Nu moest er nog uitgemaakt worden of ze hun bagage zouden mogen meenemen; en dit werd ten slotte toegestaan. Jack gelastte den hofmeester zijn kapitein wat eten te geven en deelde aan den Spaanschen Don den uitslag van het beraad mede, er bij voegende, dat hij, zoodra de duisternis gevallen was, allen aan boord van het kleine vaartuig zou overbrengen, waar zij de manschappen loslaten en naar believen handelen konden. De Don en de dames betuigden hun dank, en gingen naar beneden om hun boeltje te pakken; Mesty wees twee man aan om hen te helpen en er op te letten, dat ze zich niet bezwaarden met klinkende munt, zoo die aan boord gevonden mocht worden.

Gedurende den dag maakte de bemanning toebereidselen om onder zeil te gaan. De hofmeester had de bottelarij van het schip onderzocht en bevonden dat er voor minstens drie maanden genoeg was aan water, wijn en mondbehoeften, behalve nog de versnaperingen voor de kajuitstafel. Van het bemachtigen van nog meer schepen werd geheel afgezien, omdat de bemanning al genoeg te doen had met het eene, dat in hun handen was gevallen. Er stak een frissche bries op en ze zetten hun fokkemarszeilen bij, juist toen een boot van wal stak; maar deze keerde terug, zoodra zij zag, dat de fokkemarszeilen bijgezet waren. Dit was een geluk, want anders zou alles ontdekt zijn. De overige schepen gingen nu ook onder zeil en men hoorde overal de ankers lichten.

Maar de Nostra Senora del Carmen, die door Jack was buitgemaakt, verroerde zich niet. Eindelijk ging de zon onder, de bagage werd in den kotter geplaatst, de dames en verdere passagiers stapten in de boot onder dankbetuiging aan Jack, die de hand op zijn borst Bladzijde 89lei en een buiging maakte; het laatst van allen werd de kapitein ingelaten. Vier wel gewapende matrozen brachten hen met hun goed aan boord van de schebek en keerden vervolgens naar het schip terug. De kotter werd nu opgeheschen; daar het anker te zwaar was om te lichten, kapten ze den kabel en gingen onder zeil. De andere schepen volgden hun voorbeeld. Mesty en de matrozen sloegen er begeerige blikken op, maar dat hielp niet. Zoo zeilden ze omstreeks een uur lang in gezelschap en toen stak Jack bij den wind op om zijn tocht te ondernemen.