WeRead Powered by ReaderPub
Jack Rustig cover

Jack Rustig

Chapter 17: Vijftiende hoofdstuk.
Open in WeRead

About This Book

A lively account follows a young boy raised by indulgent parents whose permissive attitudes let him dominate the household and develop wilful habits. Early episodes show minor accidents and disobedience, while a visiting family friend raises concerns about the child's lack of discipline and proposes schooling. Against this backdrop the child experiments with boundaries—climbing fences, taking fruit, and testing adults' authority—prompting debates about education, parental responsibility, and the balance between freedom and instruction. Through episodic scenes the narrative examines how upbringing and small moral lessons shape a child's character and future behavior.

Vijftiende hoofdstuk.

Onze held volgt zijn noodlot en ontmoet oude bekenden.

Onze beide vrienden klauterden nu verder over de klippen en hadden weldra den steilen oever bereikt, waar ze gingen zitten rusten. De lucht was helder, ofschoon er een sterke wind woei. Zij hadden een ruim uitzicht over de kust, die door de onstuimige golven gezweept werd.

“Als ik zoo naar die woeste baren zie, Ned, ben ik toch maar blij dat we er uit zijn.”

“Dat ben ik volkomen met je eens, Jack, maar hier vandaan zou ik ook wel willen, want de wind blaast me door merg en been. Laten we wat landwaarts in gaan en zien of we eenige beschutting kunnen vinden tot de dag aanbreekt.”

“’t Is haast te donker om iets te vinden,” antwoordde onze held; “maar toch zoo’n stevige bries uit het westen boven op een heuveltop en dan met doornatte kleeren midden in den nacht, zonder iets te eten of te drinken, is geen bijzonder begeerlijke toestand en licht tegen een beteren te ruilen.”

Zij liepen een honderd el verder en daalden toen af, wat hen terstond in een veel zachter atmosfeer bracht. Bij het voortzetten van hun tocht landwaarts in, kwamen ze op een weg, die evenwijdig scheen te loopen met de kust en volgden dien; want, zooals Jack te recht opmerkte, een weg voert altijd ergens heen. Na een wandeling van een kwartier, hoorden zij het rollen van de branding en bespeurden de witte muren van huizen.

“Eindelijk zijn we er,” zei Jack. “Zou er iemand naar buiten komen en ons binnenlaten, of zouden we voor den nacht een schuilplaats moeten zoeken op een van de vaartuigen, die hier aan den wal liggen?”

“Denk er nu vooral om, Rustig, dat ge uw geld niet laat zien; dat wil zeggen, kom hoogstens met een dollar voor den dag en zeg dat je niet meer hebt; of beloof, dat we betalen zullen, zoodra we te Palermo komen; en als ze ons niet vertrouwen of ons niets willen geven, moeten we nader zien hoe we het maken zullen.”

“Wat gaan die vervloekte honden te keer! Ditmaal zullen we ’t er wel goed afbrengen, Gascoigne; we zien er waarlijk niet uit, alsof ’t de moeite waard was ons te plunderen, en bij een aanval hebben we pistolen om ons te verdedigen. Reken er gerust op, dat ik geen Bladzijde 131goud meer vertoonen zal. En nu afgesproken hoe we doen zullen. Neem jij één pistool en de helft van het goud—’t zit alles in mijn rechterzak—mijn dollars en klein geld in mijn linker. Ook daarvan krijg je de helft. Totdat we in een veilig oord gekomen zijn, hebben we zilver genoeg.”

Jack verdeelde nu in het donker het geld en gaf Gascoigne ook een pistool.

“Zullen we aankloppen om een onderkomen?—Laten we liever eerst het dorp doorwandelen en zien of er ergens een herberg te vinden is. Dat keffend hondegoed zal ons spoedig op de hielen zitten, ze komen al nader en nader. Daar staat een kar vol stroo—als we daar eens inkropen tot den morgen—we kunnen er ons in elk geval in verwarmen.”

“Ja,” antwoordde Gascoigne, “en veel beter slapen dan in een van de schamele woningen. Ik ben vroeger eens op Sicilië geweest; maar ’n vlooien dat je daar hadt!”

Onze beide adelborsten klommen in de kar, kropen lekker onder het stroo en waren spoedig in diepe rust. Daar ze in twee nachten geen oog hadden dichtgedaan, valt ’t niet te verwonderen dat ze vast sliepen—zoo vast zelfs, dat, toen twee uren later de boer, die eenige vaten wijn naar het dorp had gebracht, zijn ossen inspande en, zonder iets van zijn vracht te bemerken, wegreed, zij volstrekt niet in hun rust werden gestoord, ofschoon de wegen op Sicilië nog al heel wat te wenschen overlaten.

Door het hobbelige van den weg werd de slaap van onze avonturiers nog eer versterkt dan gestoord; en al kregen ze nu en dan hevige schokken, dit werkte slechts uit, dat ze zich in hun droomen weer op de omstuimige golven en tusschen de klippen aan boord waanden. Na omstreeks twee uren bereikten de kar haar bestemming; de boer spande zijn ossen uit en leidde ze weg. Dezelfde oorzaak heeft soms tegengestelde gevolgen: nu de beweging van de kar ophield werd de rust van onze beide adelborsten verstoord; zij draaiden zich in het stroo om, gaapten, rekten de armen uit en werden wakker. Gascoigne, die een hevige pijn in den schouder voelde, was de eerste, die zijn verwarde zinnen weer goed bij elkaar kreeg.

“Rustig.” riep hij, terwijl hij overeind ging zitten en zich de stroosmelen van het lijf schudde.

“Bakboord!” zei Jack half droomend.

“Kom, Rustig, we zijn nu niet aan boord. Word wakker!”

Jack richtte zich op en toen hij zich eindelijk genoeg uit het stroo omhoog gewerkt had om Gascoigne te kunnen zien, zei hij:

“Sla je geloof aan droomen, Ned? Ik heb namelijk gedroomd, Bladzijde 132dat we wakker werden en bij dezelfde stad aangeland bleken, waar vandaan de marktschuit uitgezeild was. Ze hadden het wrak tusschen de klippen ontdekt en herkend en een van onze pistolen gevonden. Wij werden ingerekend en in verhoor genomen omtrent het lot van de bemanning der schuit; en juist toen ze ons wilden knevelen, werd ik wakker.”

“Heel gek, Jack. Toch moesten we hier maar niet langer toeven en ook verbeeld ik me, dat ’t niet kwaad zoo zijn, als we onze kleeren noch wat meer havenden. Vooreerst zien we er dan wat schooieriger uit en in de tweede plaats kunnen we dan onze plunje lichter tegen de landsdracht verwisselen en verder trekken, zonder dat het kwade vermoedens wekt. Je weet, dat ik vrij goed Italiaansch spreek.”

“Ik heb er niets tegen mijn kleeren nog wat meer te havenen,” antwoordde Jack. “Maar geef me jouw pistool ook eens; de nat geworden lading moet er uit en ik zal beide opnieuw laden.”

Nadat dit geschied was, kropen onze adelborsten uit de kar en keken om zich heen.

“Wat is dat, Gascoigne? van nacht waren we vlak bij de kust en tusschen huizen in en waar zitten we nu?”

“We hebben zeker geslapen als ossen,” antwoordde Gascoigne, “maar we kunnen toch nog niet veel verder zijn.”

“We zijn hier van alle kanten door heuvels omringd over een uitgestrektheid van minstens twee mijlen. De een of andere goede geest moet ons landwaarts in gebracht hebben, om ons te vrijwaren voor de vervolgingen der familiebetrekkingen van de bemanning, waarvan ik gedroomd heb,” zei Jack.

Zooals hun later bleek, was de marktschuit werkelijk uit dezelfde zeehaven uitgezeild, die zij ’s nachts bereikt hadden. Het wrak was gevonden en herkend en de inwoners hadden ’t er voor gehouden, dat de schipper met zijn volk in den storm omgekomen was. Hadden ze onze beide adelborsten aangetroffen en ondervraagd, dan waren deze waarschijnlijk leelijk in de klem geraakt.

Na een poos nauwlettend rondgekeken te hebben, zagen ze, dat ze zich op een open veld bevonden, waar blijkbaar maïs afgedorscht en opgewand was, en dat de kar, die hen vervoerd had, in de schaduw van een groep boomen stond.

“Er moet toch ergens in de buurt een huis wezen,” zei Gascoigne, “misschien hier achter die boomen. Komaan, Jack, je hebt stellig evenveel honger als ik, we moeten naar een ontbijt omzien.”

Zij werkten zich nu door het vrij dichte boschage en ontdekten spoedig den muur van een groot huis. Bladzijde 133

“Al klaar,” zei Jack; “maar eerst het terrein verkennen. Een boerenwoning is ’t niet; het huis moet aan iemand van eenig aanzien behooren. Nu, des te beter—ze zullen dan te eer fatsoenlijke lui in ons herkennen, al steken we allerellendigst in de kleeren. We moeten ons maar houden aan dat praatje over de zeemeeuwenjacht, dunkt je ook niet?”

“Ja,” antwoordde Gascoigne; ik weet er niets beters op. Maar ik bedenk daar, dat onze kansen niet zoo slecht staan, want de Engelschen hebben bezetting op Palermo.”

“Zoo? Nu, ik wou maar dat ik vast aan de garnizoenstafel zat.—Maar wat hoor ik daar? Roept daar niet een vrouw om hulp? Ja, waarachtig! Vooruit, Ned!” En gevolgd door Gascoigne stormde Jack op het huis aan. Hoe meer zij naderden des te luider werden de kreten, en toen zij het vertrek binnenstoven, waaruit het geroep tot hen doordrong, vonden zij er een bejaard heer, die zich verdedigde tegen twee jongelieden, terwijl een bedaagde dame en een jong meisje de aanvallers trachten terug te houden. Fluks sprongen de beide adelborsten toe, grepen ieder een der onverlaten aan en hielden hun de pistolen voor. Schrik en verbazing over het onverwachts optreden onzer beide vrienden veroorzaakten eenige oogenblikken van stilte.

“Ned,” zei Jack ten laatste, “zeg aan die twee, dat we afvuren, als ze niet onmiddelijk hun degens overgeven.”

Gascoigne bracht dit bevel in het Italiaansch over en toen er aan voldaan was, lieten onze adelborsten de jongelieden los, die nu door den ouden heer aldus werden toegesproken:

“Tegen uw wil zijt gij beiden verhinderd een ondoordachten, onrechtvaardigen moord te begaan. Wie degenen zijn, die mij zoo te juister tijd redding hebben aangebracht, weet ik niet, maar ik ben hun innig dankbaar, en zoodra gij tot bezinning zijt gekomen zult ge dat ook zijn, daar ze u belet hebben u te bezoedelen met een daad, die uw verder leven door wroeging zou hebben vergald. Gij zijt vrij, om te gaan waarheen ge wilt; in u, Don Silvio, heb ik me zeer bedrogen; de dankbaarheid, die ge mij verschuldigd zijt, had u van zulk een schandelijke handeling moeten terughouden, wat u betreft Don Scipio, gij zijt zeer misleid geworden; maar in één opzicht, hebt gij beiden het slecht getroffen. Tien dagen geleden waren mijn beide zoons hier, en bij het koelen van uw wrok tegen mij, zoudt ge me niet zwaarder hebben kunnen treffen dan in mijn kinderen, terwijl ge nu als laffe moordenaars op een oud man zijt aangevallen. Neemt uwe degens en maakt er in het vervolg een beter gebruik van. Tegen verdere aanvallen zal ik op mijn hoede zijn.” Bladzijde 134

Gascoigne, die alles verstond wat er gezegd werd, reikte nu aan de beide jongelieden hun degens, waarna zij zonder een woord te zeggen de kamer verlieten.

“Wie gij ook zijn moogt, ontvangt mijn dank voor de redding van mijn leven,” zei de oude heer, terwijl hij met eenige bevreemding het uiterlijk voorkomen van de adelborsten opnam.

“Wij zijn officieren van een Engelsch vaartuig,” antwoordde Gascoigne ter verklaring. “Onze boot leed den vorigen nacht schipbreuk, en we hebben in het donker getracht bijstand en voedsel te vinden. Indien we maar te Palermo kunnen komen, zullen we daar stellig vrienden aantreffen en in de gelegenheid gesteld worden ons van behoorlijke kleeding te voorzien.”

“Is uw schip vergaan, heeren?” vroeg de Siciliaan, “en zijn er velen bij omgekomen?”

“Neen, ons schip ligt voor Malta; maar op een pleziertocht met een der booten werden we door een stormwind overvallen en naar de kust gedreven. Ten einde u van de waarheid er van te overtuigen, kunnen onze pistolen dienen, die het koningsmerk dragen, en ten bewijze dat we geen fortuinzoekers zijn, zullen we u ons goud toonen.”

Gascoigne haalde nu zijn dubloenen voor den dag en Jack deed hetzelfde, waarbij hij langs zijn neus weg opmerkte:

“Ik dacht, dat we alleen ons zilver zouden laten zien, Ned!”

“Dat alles is overbodig,” antwoordde de edelman; “uw houding in deze zaak, uw manieren en beschaafde taal doen u reeds als fatsoenlijke lieden kennen; en al waart gij ook van de nederigste afkomst, in elk geval ben ik u mijn leven schuldig en gij hebt slechts te zeggen, waarmede ik u van dienst kan zijn.”

“Met ons wat te eten te geven, want we hebben sedert verscheidene uren niets genuttigd. Misschien zullen we daarna nog een nader beroep doen op uw welwillendheid.”

“Gij zult u over het hier voorgevallene wel zeer verbazen,” zei de edelman; “zoodra gij op uw verhaal zijt gekomen zal ik er u het een en ander van meedeelen, vergun me intusschen mijzelven aan u voor te stellen als Don Rebiera de Silva.”

“Ik wou maar,” zei Jack, die door zijn kennis van het Spaansch een gedeelte van het gesprokene had opgevangen, “dat hij ons aan het ontbijt noodigde.”

“Ik ook,” zei Gascoigne; “maar we moeten nog een beetje geduld hebben—hij heeft de dames opgedragen onmiddellijk iets gereed te maken.”

“Uw vriend schijnt geen Italiaansch te spreken,” zei Don Rebiera. Bladzijde 135

“Neen, meneer, maar wel Fransch en Spaansch.”

“Als hij Spaansch verstaat, kan mijn dochter met hem praten, zij is eerst onlangs uit Spanje teruggekeerd.”

Don Rebiera geleide hem nu naar een andere kamer, waar weldra een ontbijt werd opgedragen, dat onze adelborsten zich terdege lieten smaken.

Toen zij verzadigd waren, wilde de Don hun de noodige ophelderingen geven omtrent de aanleiding tot de geweldadigheden, die door hun tusschenkomst gelukkig waren verhinderd. Maar bedenkende dat Jack er slechts de helft van zou verstaan, liet hij eerst zijn vrouw en zijn dochter roepen, opdat deze zich intusschen in het Spaansch met onzen held zouden onderhouden.

Zoodra Donna Clara en Donna Agnes binnengekomen en voorgesteld waren, zei Jack, die te voren niet veel acht op haar geslagen had, bij zichzelven: “Zoo’n gezicht als van dat meisje heb ik meer gezien.” Of hij zich nu hierin vergiste of niet, stellig had hij maar zelden een mooiere brunette onder de oogen gehad dan de vijftienjarige Agnes.

Donna Clara was uiterst voorkomend en om haar echtgenoot niet in zijn verhaal te storen, stelde zij onzen held een wandeling in den tuin voor, waar ze al spoedig in een priëel plaats namen. Veel Spaansch kende de oude dame niet, maar al liet ze er nu en dan een Italiaansche woord tusschen vloeien, Jack verstond haar toch heel goed. Zij vertelde onder anderen, dat zij met echtgenoot en dochter een paar jaar geleden haar getrouwde zuster in Spanje was gaan bezoeken, en bij het terugkeeren Agnes, die pas van een zware ziekte was hersteld, had moeten achterlaten. Het meisje bleef toevertrouwd aan de zorgen harer tante, die een dochter van ongeveer gelijken leeftijd had, en was nu twee maanden geleden teruggekomen. Het vaartuig waarmede zij in gezelschap van oom, tante en neven den overtocht had gemaakt, was in handen gevallen van een Engelsch schip; maar de kommandant er van was hoogst beleefd geweest en had hen reeds den volgenden dag vrijgelaten en vergund al hun goed mee te nemen.

“Ei zoo,” dacht Jack, “ik wist wel, dat ik dat gezichtje meer gezien had; dus was zij een van de meisjes in den hoek van de kajuit.—Daar wil ik eens een grap mee hebben.”

Toen mama uitgepraat was, richtte Jack zich uiterst beleefd tot de dochter.

“Ik schaam me, Donna Agnes, dat ik in zulk een gehavende plunje naast u zit—maar de klippen op de kust storen zich aan niets.” Bladzijde 136

“Wij hebben de grootste verplichtingen aan u, meneer, en letten niet op zulke kleinigheden.”

“Dat is wel vriendelijk van u, Signora,” hernam Jack. “Weinig vermoedde ik van morgen, dat de fortuin mij zoo gunstig zou zijn—want wel kan ik anderen de toekomst voorspellen, maar mijzelven niet.”

“Kunt gij in de toekomst lezen?” riep de oude dame uit.

“Ja, mevrouw, daar heb ik ’t vrij ver in gebracht. Mag ik uw dochter eens waarzeggen?”

Donna Agnes keek onzen held eens aan en glimlachte.

“Ik bemerk al, dat de jonge dame er weinig geloof aan hecht; ik dien dus een bewijs te leveren van mijn kunst, door haar te vertellen wat haar reeds overkomen is. De signora zal dan meer vertrouwen in mij stellen.”

“Zeker zal ik dat.”

“Wees dan zoo goed, mij de palm van uw hand te laten zien.”

Agnes stak haar hand uit; Jack vatte die, om de lijnen er van na te gaan.

“Dat gij in Spanje opgevoed, voor twee maanden uit dat land teruggekeerd, door de Engelschen gevangen genomen en weer vrijgelaten zijt, heeft uw moeder reeds verteld; maar om te bewijzen, dat ik van dat alles volkomen op de hoogte ben, zal ik meer in bijzonderheden treden. Gij waart op een schip dat veertien stukken geschut voerde,—is ’t niet zoo?”

Donna Agnes knikte toestemmend.

“Dat heb ik toch niet aan meneer verteld,” riep Donna Clara uit.

“Het vaartuig werd ’n nachts overrompeld, zonder dat er een gevecht plaats had. Den volgenden morgen braken de Engelschen met geweld de kajuitdeur open; uw oom en uw neven vuurden hunne pistolen af.”

“Lieve hemel?” riep Agnes verbaasd uit.

“De Engelsche officier was een jongmensch van een vrij onaangenaam uiterlijk.”

“Nu hebt u ’t mis, Signor,—hij had integendeel een zeer gunstig voorkomen.”

“Over den smaak valt niet te twisten, Signora. Gij wist van angst haast niet wat ge deedt, en waart in een hoek van de kajuit gekropen.”

Agnes, die zich al meer en meer verwonderde, keek eensklaps onzen held strak aan en riep uit:

“O moeder, hij is ’t—nu herken ik hem, hij is ’t?”

“Wie, kindlief?” vroeg Donna Clara, die een en al verbazing was over Jack’s waarzeggerskunst.

“Wel, de officier die ons gevangen nam en zoo vriendelijk was.” Bladzijde 137

Jack schoot in een luiden lach en erkende toen, dat zij goed gezien had.

Fluks sprong Agnes op om haar vader te gaan meedeelen, wie eigenlijk zijn gast was.

Ofschoon Don Rebiera zijn verhaal nog niet geëndigd had, bracht toch deze mededeeling van Agnes weer allen bijeen en Jack werd met dankbetuigingen overstelpt.

“Hoe kon ik vermoeden,” zei de Don, “dat ik u zoo dubbel verplicht zou zijn, meneer. Zeg slechts waarmede ik u beiden van dienst kan wezen. Mijn zoons zijn te Palermo, en zullen de kennismaking met u stellig op hoogen prijs stellen; zoodra dus het verblijf hier bij ons u mocht gaan vervelen....”

Jack maakte een beleefde buiging en zei, met een blik op zijn gehavend plunje. “We zijn niet in een staat, dat we hier lang kunnen vertoeven.”

“De kleeren van mijn broers zullen hun wel passen, dunkt me,” zei Agnes tot haar vader; “en er zijn nog al heel wat kleedingstukken hier achtergelaten.”

“Als de heeren zich daarmee zouden willen behelpen.”

Het duurde nu niet lang, of onze adelborsten zagen er weer behoorlijk gekleed uit en de wederzijdsche verhouding werd gaandeweg vertrouwelijker.

Na het diner werd er siësta gehouden, maar Jack en Gascoigne, die in de kar wel voor een halve week genoeg geslapen hadden, gingen zamen in den tuin wandelen.

“Wel, Ned,” zei Jack, “verlang je alweer naar de Harpij?”

“Neen,” antwoordde Gascoigne, “we zijn mooi op onze pootjes terechtgekomen, al zijn we ook eerst duchtig door elkaar geschud.—Maar wat is die Agnes een lief schepseltje! Hoe toevallig, dat je ze hier weer moet aantreffen!”

“Dat is ’t wel, Ned. Maar kom, laten we in dit priëel gaan zitten en vertel me dan eens wat Rebiera al zoo van zijn lotgevallen heeft meegedeeld.”

We zullen dit verhaal niet in al zijn bijzonderheden volgen, maar er enkel uit vermelden, dat een oude familieveete Don Rebiera herhaaldelijk blootstelde aan de vervolging van een paar verre neven, die geen middelen ontzagen om hem het leven te verbitteren, ja zelfs hem meermalen met den dood hadden bedreigd.

Gedurende de veertien dagen, die Jack en Gascoigne bij de Siciliaansche familie doorbrachten, werden zij als zoons van den huize beschouwd. Agnes voelde zich het meest aangetrokken tot Jack, met wien ze erg druk was en dikwijls wandeltochtjes maakte, Bladzijde 138zoodat onze held spoedig tot de overtuiging kwam, dat er geen aardiger en liever meisje op de wereld te vinden was.

Bij het afscheid kregen onze beide adelborsten aanbevelingsbrieven mee aan de voornaamste families van Palermo en aanvaardden, op keurig opgetuigde muilezels gezeten, hun tocht.

Nauwelijks hadden ze de plaats hunner bestemming bereikt en in een hôtel hun intrek genomen, of Gascoigne vatte de pen op om Don Rebiera van hun gelukkige aankomst te verwittigen en Jack nam de gelegenheid waar, om er een briefje voor Agnes bij te voegen.

Hun eerste werk was nu nieuwe kleeren aan te schaffen en zich bij den door Don Rebiera aangewezen bankier van het noodige geld te voorzien.

In hun logement teruggekeerd, troffen zij er Don Philip en Don Martin, de zonen van Don Rebiera, aan, met wie zij spoedige beste maatjes waren en die hen overal rondgeleidden. In een wip waren er drie weken vervlogen en Jack en Gascoigne dachten nog niet aan heengaan.

Op een partij bij den hertog van Pentaro kwamen zij in aanraking met den kapitein van het Engelsch fregat, de Aurora, die er pas voor anker was gekomen. Onze adelborsten waren in burgerkleeding en werden door kapitein Tartar voor Engelsche jongelieden van fortuin aangezien, die een pleziertocht maakten. Daarom behandelde hij hen met de meeste voorkomendheid, wat Jack zóó voor den man innam, dat hij hem beleefd verzocht voor den volgenden middag zijn gast te willen zijn. Kapitein Tartar nam de uitnoodiging aan en bij het afscheid drukten zij elkaar hartelijk de hand, beiden ten zeerste ingenomen met de nieuwe kennismaking.

Jack liet den volgenden dag terdege opdisschen en aan wijn ontbrak het niet. Toen de andere gasten zich naar een bal begaven, waarop ze genoodigd waren, bleef kapitein Tartar, die wel van een glaasje hield, nog zitten plakken, en Jack achtte zich beleefdheidshalve verplicht hem gezelschap te houden. Gascoigne bleef ook, om op te passen dat Jack zich niet zou verpraten.

De kapitein was bijzonder onderhoudend en begon een beetje tegen Jack op te zien, toen hij ontdekte dat deze de eenige zoon van een schatrijken vader was. Onder het gesprek vroeg de kapitein Jack wat hem herwaarts gebracht had, en Jack vertelde dat hij met de Harpij gekomen was. Gascoigne waarschuwde hem met een duw, maar ’t hielp niet, want de wijn was onzen Jack naar het hoofd gestegen.

“Ei zoo! dus met kapitein Wilson? Dat is nog een oud vriend van me.” Bladzijde 139

“Van ons ook,” antwoordde Jack; “’t is een verduiveld beste kerel, die Wilson.”

“Maar waar zijt ge later geweest?” vroeg kapitein Tartar.

“Wel, op de Harpij, ik behoor tot de bemanning.”

“Tot de bemanning? In welke kwaliteit, als ik vragen mag?” hernam kapitein Tartar op vrij wat minder beleefden en vertrouwelijken toon.

“Als adelborst,” antwoordde Jack; “en Gascoigne ook.”

“Zoo! dus zijt ge met verlof?”

“Och neen, dat niet; maar ik zal je vertellen, ouwe jongen, hoe ’t ermee gelegen is.”

“Een oogenblikje, alsjeblieft,” viel kapitein Tartar hem in de rede en stond op; “ik moet even mijn oppasser een paar orders geven, die ik verzuimd heb.”

Gascoigne maakte van de gelegenheid gebruik om Jack op zijn onvoorzichtigheid te wijzen, maar deze stoorde er zich niet aan, en toen de kapitein zijn plaats aan tafel weer ingenomen had, vertelde Jack hem al wat er voorgevallen was. Toen hij geëindigd had, zei hij heel familiaar:

“Toe, Tartar, je hebt daar de flesch bij je staan, laat ik je een handje helpen.”

Kapitein Tartar wierp zich in zijn stoel achterover en scheen zich nauwelijks te kunnen inhouden.

“Heb je genoeg van den wijn?” zei Jack. “Dan kunnen we, dunk me, ook wel naar het bal gaan.”

Op dit oogenblik verscheen een sergeant van de mariniers aan de deur, sloeg aan en keek met een blik van verstandhouding naar den kapitein.

“Wel zoo, meneer,” riep kapitein Tartar, van zijn stoel opspringende, met donderende stem, “gij zijt dus een gedeserteerde adelborst, en hebt nog wel de onbeschaamdheid hier in Palermo goeden sier te maken en zelfs een postkapitein ten eten te vragen! Zoo’n duivelsche rekel durft me kortweg ‘Tartar’ en ‘ouwe jongen’ noemen!” vervolgde de kapitein, die nu kookte van woede en met de vuist op tafel sloeg, zoodat de glazen er van rinkelden.

“Veroorloof me op te merken, meneer,” zei Jack, die bij dien uitval ineens weer nuchter werd, “dat wij niet tot uw schip behooren, en dat we in burgerkleeding zijn.”

“In burgerkleeding—zoo’n paar bedriegers, zonder een cent op zak, die zich als heele heeren voordoen, en met de noorderzon vertrekken zonder hun rekening te betalen.”

“Noemt gij mij een bedrieger, meneer?” vroeg Jack. Bladzijde 140

“Ja, meneer, gij....”

“Dan liegt gij!” riep onze held in drift uit. “Ik ben een fatsoenlijk man, meneer, en het spijt me, dat ik niet hetzelfde van u kan getuigen.”

Verbazing en woede beletten kapitein Tartar te spreken. Vergeefs opende hij den mond, doch viel weer op zijn stoel neer. Eindelijk, nadat hij zich wat hersteld had, gelukte ’t hem uit te roepen:

“Matthews—Matthews!”

“Present, meneer!” antwoordde de sergeant, die bij de deur was blijven staan.

“Laat je mariniers binnenkomen en neem die twee in verzekerde bewaring. Onmiddellijk er mee naar boord en ze in de boeien geslagen.”

“Misschien zult ge ons wel willen veroorloven, meneer,” zei Jack, die nu geheel bedaard was, “dat we alvorens naar boord te gaan onze rekening betalen. Wij zijn geen bedriegers, maar daar gij de hand hebt gelegd op onze personen, zult gij u wellicht zelf met de betaling willen belasten;” en Jack wierp een zware beurs met dollars op tafel. “Vooral wenschte ik u te verzoeken, ten opzichte van de bedienden niet karig te wezen.”

“Sergeant, geef hun gelegenheid om hun rekening te betalen,” zei kapitein Tartar op wat minder hoogen toon en verliet de kamer.

“Goede hemel, Jack, wat ben je begonnen?—je zult nog voor den krijgsraad gebracht en uit den dienst ontslagen worden.”

“Dat hoop ik maar,” antwoordde Jack, “ik was een gek, dat ik op zee ging. Maar hij heeft me een bedrieger genoemd, en dat laat ik er niet bij.”

“Als gij klaar zijt, heeren,” zei de sergeant, die lang genoeg onder kapitein Tartar gediend had om te weten, dat een door hem opgelegde straf nog geen bewijs was van een begaan vergrijp.

“Betaal jij de rekening, Rustig, dan ga ik ons boeltje halen,” zei Gascoigne.

Binnen een half uur zaten onze beide vrienden in plaats van op het bal, onder het halfdek van de Aurora in boeien.

Intusschen was kapitein Tartar naar het bal gegaan, waarop ook hij uitgenoodigd was. Bij zijn binnenkomen werd hij aangesproken door Don Martin en Don Philip, die hem vroegen, waar onze held en diens vriend bleven. Kapitein Tartar was alles behalve goed geluimd en zei kortaf, dat ze aan boord van zijn schip in de boeien zaten.

“In de boeien! hoedat zoo?” riep Don Philip uit.

“Wel, meneer, omdat ze een paar jonge deugnieten blijken te wezen, die zich bij de deftigste gezelschappen hebben ingedrongen, terwijl Bladzijde 141ze niet meer zijn dan een paar van hun schip gedroste adelborsten.”

Nu wisten de Rebiera’s heel goed, dat Jack en zijn vriend adelborsten waren, maar zij vonden dat geen reden om hen niet als fatsoenlijke lui te beschouwen en als zoodanig te behandelen.

“Hebt gij, meneer,” zei Don Philip, “die hun gastvrijheid genoten, met hen gelachen, gepraat en arm in arm gewandeld hebt, u verstout hen in de boeien te slaan?”

“Ja, meneer, dat heb ik.”

“Dan zijt ge een ellendeling en daag ik u uit!” riep Don Philip, de oudste broeder.

“En ik doe hetzelfde,” voegde de ander er bij.

De beide broeders hadden zich zoo gehecht aan onzen held, die zulke belangrijke diensten aan hun familie bewezen had, dat hun ergernis geen grenzen kende. Zij vertelden aan al hun aanwezige vrienden wat er voorgevallen was, zoodat het nieuwtje weldra door de geheele balzaal verbreid raakte en zooveel verontwaardiging wekte, dat iedereen kapitein Tartar den rug toekeerde. Deze verliet dan ook spoedig de balzaal en begaf zich naar zijn logement, waar den volgenden morgen de secondant van Don Philip de uitdaging in allen vorm kwam herhalen.

Lafhartig was Kapitein Tartar volstrekt niet; hij nam dus de uitdaging aan, maar daar hij op den degen niet geoefend was, stelde hij als voorwaarde, dat er met pistolen zou gevochten worden. Hiertegen werd geen bezwaar gemaakt. De ontmoeting had plaats en reeds het eerste schot van Don Philip ging kapitein Tartar dwars door het hoofd, zoodat hij onmiddellijk dood neerstortte.

Don Philip en zijn broeder begaven zich al spoedig aan boord van de Aurora om onzen held te bezoeken. De eerste luitenant, die in ’t geheel geen vriend van den kapitein was geweest, ontving hen zeer beleefd en verklaarde, dat kapitein Tartar hem volstrekt niet had medegedeeld op welken grond de twee jongelui in boeien waren geslagen. Hij achtte zich dus niet gerechtigd tegen hen op te treden en zou last geven hen in vrijheid te stellen. Daar hij echter vernomen had, dat ze tot de equipage behoorden van een der oorlogsschepen, die bij Malta lagen, voelde hij zich verplicht hen mee te nemen en aan boord van hun eigen schip te brengen.

Jack en Gascoigne werden nu van hun boeien bevrijd en vernamen van Don Philip, hoe deze de hun aangedane beleediging gewroken had. Na een onderhoud van ruim een uur namen Don Philip en diens broeder onder de hartelijkste betuigingen van vriendschap afscheid en roeiden weer naar den wal. Bladzijde 142

Zestiende hoofdstuk.

Onze held krijgt een hekel aan den dienst, maar raakt er ook weer mee verzoend. Hij neemt wakker deel aan de bemachtiging van een Franschen kaper.

Daags na de begrafenis van kapitein Tartar zeilde de Aurora naar Malta en werden onze beide adelborsten aan boord van de Harpij gezonden.

Meneer James, de eerste luitenant van de Aurora, die na Tartar’s dood het kommando over het schip voerde, was verlangend zich bij den admiraal te Toulon te vervoegen en wilde daarom reeds den volgenden dag de reis voortzetten. Aan tafel bij den gouverneur ontmoette hij kapitein Wilson en vertelde, dat Jack en Gascoigne op last van kapitein Tartar in boeien geslagen waren. Ook deelde hij zijn vermoedens mede omtrent de aanleiding er toe en het duel dat er het gevolg van geweest was. Het geheele geval bleef echter zeer raadselachtig, daar Jack en Gascoigne zich tegenover niemand aan boord der Aurora over hun avonturen op Sicilië hadden uitgelaten.

“Ik zou omtrent dat duel wel eens het naadje van de kous willen weten,” zei de gouverneur; “och, Wilson, breng Rustig morgenochtend mee hierheen, dan kan hij ons zijn verhaal opdisschen.”

Ik vrees dat we hem te veel aanmoedigen, Sir Thomas, hij maakt ’t al erg genoeg. Er komt maar geen einde aan zijn avonturen en ’t loopt altijd goed af.”

“Nu ja, maar je kunt hem immers hier ontbieden en duchtig onder handen nemen, evengoed als in uw eigen kajuit; we zullen dan de waarheid wel uit hem krijgen.”

“Dat is stellig,” antwoordde kapitein Wilson, “want hij komt er altijd rond voor uit.”

“Nu, doe me dan het genoegen hem te laten halen. Ik vind ’t zoo verschrikkelijk niet, dat hij zich schuil gehouden heeft, want hij schijnt in de meening verkeerd te hebben, dat hij zou gehangen worden. Ik moet den jongen noodzakelijk zien.”

“Welaan, gouverneur, als dat uw wensch is,” antwoordde kapitein Wilson, en schreef een paar woorden om meneer Sawbridge te verzoeken, meneer Rustig tegen tien uur in den morgen ten huize van den gouverneur bij hem te zenden.

Jack verscheen in uniform. Over hetgeen hem zou gezegd worden Bladzijde 143bekreunde hij zich niet veel, want hij was toch besloten den dienst te verlaten. Dat hij in boeien was geslagen, kon hij maar niet verkroppen.

Toen Jack bij den kapitein werd toegelaten, vond hij dezen met den gouverneur aan het ontbijt. Onverschrokken, maar met den noodigen eerbied, stapte hij naar binnen. Kapitein Wilson sprak hem toe en bracht hem onder het oog, dat hij met dat duel, en meer nog met het van het schip wegloopen, een groote fout begaan had. Jack keek deemoedig naar kapitein Wilson op, erkende het verkeerde zijner handeling en beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, als kapitein Wilson het ditmaal door de vingers wilde zien.

“Vergun me, kapitein, dat ik een woordje ten gunste van het jongemensch in het midden breng,” zei de gouverneur; ik ben overtuigd dat het enkel een gevolg is geweest van gebrek aan oordeel.”

“Nu, meneer Rustig, daar gij berouw toont en de gouverneur het voor u opneemt, zal ik de zaak maar laten rusten. Maar vergeet niet, dat ge mij met uw dolle streken heel wat ongerustheid hebt bezorgd, en bedenk steeds, dat ik veel te veel belang stel in uw welzijn, om niet angstig te zijn als gij u aan zulke gevaren blootstelt. Ga nu maar weer aan boord aan uw bezigheid en laat Gascoigne hetzelfde doen; maar laat me alsjeblieft niet meer hooren van duels en van wegloopen.”

Jack was door die vriendelijke bejegening zoo getroffen, dat hij geen woord kon uitbrengen; hij maakte een buiging en wilde juist de kamer verlaten toen de gouverneur zei:

“Meneer Rustig, hebt ge al ontbeten?”

“Ja, meneer,” antwooordde Jack, “eer ik aan wal ging.”

“Kom, een adelborst ziet er niet tegen op tweemaal te ontbijten; schuif maar bij—alles is nu toch vergeten.”

Jack boog, nam een stoel, en bewees dat zijn eetlust niet veel schade geleden had door het standje. Toen het ontbijt afgeloopen, was, merkte kapitein Wilson op:

“Mijnheer Rustig, gewoonlijk hebt ge bij uw terugkomst eenige avonturen te verhalen, zoudt ge den gouverneur en mij niet het een en ander willen meedeelen van wat er op uw laatsten tocht is voorgevallen?”

“Welzeker, meneer,” antwoordde Jack; “maar ik moet om geheimhouding verzoeken, want die is voor Gascoigne en mij van het grootste belang.”

“Met genoegen als geheimhouding noodig is, mijn jongen; maar daarover kan ik zelf het best oordeelen,” zei de gouverneur.

Jack begon nu te verhalen wat wij reeds weten en besloot met Bladzijde 144de mededeeling, dat hij den dienst wenschte te verlaten, Hij hoopte dat kapitein Wilson hem zou ontslaan en naar huis zenden.

“Och wat, onzin!” riep den gouverneur uit, en kapitein Wilson ging aan ’t betoogen om hem van zijn voornemen terug te brengen, wat dan ook gelukte.

“Als gij er niets tegen hebt, kapitein, dan noodig ik meneer Rustig van middag bij ons ten eten en verzoek hem Gascoigne mee te brengen. Gij kunt hem dan eerst duchtig het jak uitvegen en ik hem vervolgens troosten met een flink diner.”

Toen Jack vertrokken was, zei de gouverneur: “De jongen moet zachtzinnig behandeld worden, kapitein Wilson; ’t zou een verlies zijn, als hij den dienst verliet. Lieve hemel, wat al avonturen en hoe aardig weet hij ze te vertellen! Als gij ’t goedvindt, vraag ik hem al den tijd, dien gij hier blijft, bij me te logeeren; ik moet goede maatjes met hem worden en hij mag den dienst niet verlaten.”

“Nu is ’t tijd, jongens, vooruit nu!” riep onze held.

Kapitein Wilson, die ook begreep dat onze held met zachtheid het best te regeeren was, gaf zijn toestemming op het voorstel van den gouverneur. Jack at dus aan tafel bij den gouverneur en nam les in het Spaansch en Italiaansch, zoolang de Harpij opgelapt werd. Nog eer het schip klaar was, kwam er een vaartuig van de vloot met last aan kapitein Wilson om zich naar Mahon te begeven en een transport, dat daar lag, uit te zenden, ten einde de vloot van levende ossen te voorzien. Jack keerde wel niet met veel lust naar zijn schip terug, maar hij had den gouverneur beloofd, dat hij in dienst zou blijven en begaf zich dus den avond vóór het onder zeil gaan aan boord. Hij had dus een lekker leventje geleid, dat de scheepskost hem eerst tegenstond, maar spoedig herkreeg hij zijn eetlust.

Den volgenden dag ging de Harpij onder zeil en Jack vatte zijn gewone bezigheden weer op. Meneer Asper leende tien pond van hem en onze held hield zooveel wacht als hij verkoos, wat al bijster weinig was, daar hij aan het wacht houden een broertje dood had.

De Harpij hield onder voortdurenden tegenwind koers langs de Afrikaansche kust en gedurende verscheidene dagen ondervonden ze niets dan teleurstelling. Eindelijk ontdekten ze onder den wal, op ongeveer zestien mijlen afstand, een brik. Naar uiterlijk en tuigage hield kapitein Wilson het schip voor een of anderen kaper, maar het was stil weer en ze konden het niet naderen. Toch achtte de kapitein zich tot een onderzoek verplicht, en daarom werden om tien uur ’s avonds de booten uitgezet. Daar het enkel om een Bladzijde 145verkenning te doen was, ging meneer Sawbridge niet mee. Meneer Asper stond op de ziekenlijst, zoodat de stuurman Smallsole het kommando over de expeditie kreeg. Jack verzocht meneer Sawbridge om het bevel over een der booten. Meneer Jolliffe en meneer Vigors gingen bij den stuurman in de sloep. De konstabel was bevelvoerder over den eenen kotter en onze held over den tweeden. Ofschoon eerst zeventien jaar, was Jack toch sterk en groot voor zijne leeftijd en kon gerust een volwassen man genoemd worden. Mesty was bij hem en juist toen de boot afzette, liet ook Gascoigne zich er in glijden. De opdracht aan den stuurman was vrij bepaald; hij moest het schip verkennen, en als het flink bewapend bleek niet aanvallen, want het lag dicht onder den wal en kon, zoodra de wind opzette, toch niet aan de Harpij ontsnappen. Voerde het geen geschut dan moest hij het aanklampen, maar niet voordat de morgen was aangebroken. Dat de booten reeds ’s avonds werden uitgezonden, was om geen hinder te hebben van de zonnehitte, die overdag buitengewoon groot was en al menigeen op de ziekenlijst had gebracht. Ze moesten de baai inroeien, maar zorgen niet ontdekt te worden en niet al te dicht bij het vreemde schip de ankers uitwerpen om het aanbreken van den dag af te wachten. Opdat er geen misverstand zou plaats hebben, had meneer Smallsole zijn bevelen gekregen in tegenwoordigheid van de andere officieren, die over de booten waren gesteld. Na drie uren roeien bereikten zij de plaats waar de brik lag, en daar ze aan boord geen lichten zagen bewegen, meenden zij niet opgemerkt te zijn. Zij lieten de ankers vallen in omstreeks zeven vademen water en wachtten het daglicht af. Toen Jack kapitein Wilson’s bevel hoorde om tot het aanbreken van den dag voor anker te gaan liggen, had hij Mesty beneden vischsnoeren laten halen, want versche visch is altijd een versnapering voor adelborsten. Onder het visschen raakten Jack en Gascoigne aan het praten over de beste manier van aanval met booten. Gascoigne was er voor, dat alle booten te gelijk het schip zouden aanklampen, terwijl Jack het beter vond, dat ze dit een voor een deden.

“Wil jullie wel eens stil wezen, daar in je boot!” riep de stuurman. “Jullie zijn er altijd op uit om den boel in de war te sturen.”

“Dank je wel, meneer,” mompelde Jack. “Ik heb weer beet, Ned.”

Jack en zijn vriend bleven aan het visschen tot de dag aanbrak. De mist trok op, zoodat de brik zichtbaar werd, en ternauwernood bespeurde zij de sloepen, of ze heesch de Fransche vlag en loste een kanonschot ter uitdaging.

Meneer Smallsole wist niet goed wat hij doen zou, het geloste schot verried geen zwaar geschut, dat vond meneer Jolliffe ook. Bladzijde 146De manschappen, als gewoonlijk tuk op den aanval, beweerden hetzelfde, en daar meneer Smallsole niet voor den vijand durfde wijken, uit vrees van door de bemanning van zijn schip later met een scheel oog te worden aangezien, gaf hij bevel de ankers te lichten.

“Wacht nog even, jongens,” zei Jack tot de manschappen van zijn boot, “ik heb daar juist beet.” Zij lachten, dat Jack ’t zoo luchtig opnam, en gaven hem gelegenheid eerst zijn visch op te halen; met wat forscher roeien zouden ze in een paar seconden wel weer met de andere booten gelijk komen.

“Hij is binnen,” riep Jack; “licht nu het anker maar.” Door het oponthoud waren de anderen booten zulk een eind voor, dat ze niet zoo gemakkelijk meer in te halen waren.

“Ze zullen vóór ons aan boord zijn.” zei Gascoigne.

“Wat hindert dat?” antwoordde Jack; “één moet er toch de laatste wezen.”

“Best mogelijk, maar niet de boot waar ik in ben.”

“Och kom, wij zullen het reservekorps vormen en de eer genieten van de kans te onzen gunste te doen keeren.”

“Allen gelijk, jongens!” riep Gascoigne, bemerkende dat de overige sloepen nog steeds een kabellengte voorbleven.

“Hoor eens, Gascoigne, ik heb het kommando over de sloep,” zei Jack, “en ik verkies niet dat mijn manschappen buiten adem enteren—dat zou al te dom wezen. Geregeld en bedaard, jongens, maar niet te haastig.”

“Maar zij zullen het schip veroveren eer wij langs zij komen!”

“Al was dat zoo, dan zoo ik nog gelijk hebben, nietwaar Mesty?”

“Zeker, Massa Rustig, gelijk heeft u—want stel dat ze het schip nemen zonder u, dan hebben ze u niet noodig—en hebben ze u noodig, dan komt gij.” En de neger, die zijn buis uitgegooid had, stroopte zijn hemdsmouwen op, alsof hij niet veel goeds verwachtte.

De eerste kotter, onder bevel van den konstabel, sneed de barkas voorbij en was drie bootslengten voor, toen zij langs zij van het schip kwam. De brik gaf haar de volle laag en de boot verdween in de golven.

“De kotter zinkt!” riep Gascoigne uit; “roei op toch, jongens!”

“Zie je nu wel, dat als we alle drie gelijk gebleven waren, die volle laag ook ons om zeep zou gebracht hebben?” zei Jack bedaard.

“Kijk de barkas eens vooruitschieten! Zet aan, jongens, zet aan!” riep Gascoigne stampvoetend van ongeduld.

“De ontvangst was blijkbaar zeer warm; terwijl de manschappen uit de barkas aan boord klauterden, was de kotter onder den achtersteven van de brik gekomen—nog een paar slagen en hij zou langs zij wezen. Opeens had er aan dek van het schip een Bladzijde 147vreeselijke ontploffing plaats en brokstukken van lichamen en voorwerpen werden door de lucht geslingerd. De uitbarsting was zoo hevig, dat de manschappen van den tweeden kotter, als van schrik verlamd, eensklaps het roeien staakten; strak staarde ze naar de opstijgende rookkolommen, die masten en tuigage van het schip onzichtbaar maakten.

“Nu is ’t tijd, jongens, vooruit nu!” riep onze held.

Door zijn stem weer tot bezinning gebracht, gehoorzaamden de manschappen—maar de boot had reeds genoeg vaart en eer zij weer een ruk aan de riemen konden doen, bonsden zij al tegen het schip aan en, Jack volgende, waren ze in een paar seconden op het halfdek van de brik. Hier was ’t een verschrikkelijk gezicht—het heele dek was zwart en lag bezaaid met lijken; vele kleeren branden nog en verscheidene lichamen waren vaneengerukt.

De gangspil was gelicht en over één kant geslagen—het kompashuisje lag in gruizelementen en verscheidene touwen brandden. Geen levende ziel was aan dek te bekennen.

Zooals zij later vernamen van de manschappen, die hun leven gered hadden door beneden te blijven, had de Fransche kapitein de sloepen al in het oog gehad eer zij ankerden, en zich op alles voorbereid; voor het handiger laden der kanonnen, had hij een groote ammunitiekist met kardoezen op het dek laten plaatsen. Nu was het gevecht tusschen de bemanning van de sloep en die van het schip vlak bij de ganspil gevoerd, en een pistoolschot was bij ongeluk tusschen de kardoezen te land gekomen en had de vreeselijke verwoesting veroorzaakt.

Het eerste werk was den brand te blusschen, die zich over het schip uitbreidde. Zoodra men de vlammen meester was, ging onze held naar het achterschip en keek over de verschansing naar den gezonken kotter om.—“Gascoigne, ga met vier man in de boot—ik zie daar op een kwartmijl afstand den kotter drijven: misschien valt er nog iemand te redden; me dunkt, ik zie een paar hoofden.”

Gascoigne haastte zich weg en keerde spoedig terug met drie man van den kotter; de overigen waren weggezonken, waarschijnlijk gedood of gewond, toen ze van de brik de volle laag kregen.

“Goddank, ten minste drie gered!” zei Jack. We moeten nu zien of er hier op dek nog enkele van die arme drommels in leven zijn gebleven, en dan de rest maar over boord gooien. Wel, Ned, wat zou er van ons geworden zijn, als we de brik te gelijk met de sloep hadden geënterd?”

“Ja, jij komt altijd op je beenen te recht, Jack,” antwoordde Gascoigne; “maar dat bewijst nog niet dat je gelijk hebt.” Bladzijde 148

“Jij bent niet te overtuigen, Ned; maar ’t is nu geen tijd van lange redeneeringen, we moeten naar die arme kerels omzien; enkelen leven er nog.”

Bij het nagaan der lijken bleek, dat ook Vigors onder de verongelukten behoorde, en in een gelaat, dat bijna geheel zwart gebrand was, herkenden zij den armen Jolliffe. Drie vingers van de linkerhand was hij ook kwijt, maar zoodra hij aan dek gebracht was, scheen hij weer te herleven en wees naar zijn mond om water, dat hem oogenblikkelijk gebracht werd.

“Mesty,” zei Jack, “zorg jij zoo goed mogelijk voor meneer Jolliffe tot ik terugkom.”

Het onderzoek werd nu voortgezet en men vond vier Engelsche matrozen en evenveel Franschen, die er waarschijnlijk het leven nog zouden afbrengen. De overige lijken werden over boord gesmeten. Van den stuurman vonden ze tusschen de kanonnen enkel het hoofd en beneden waren maar elf Franschen.

Het schip was een Fransche kaper met tien stukken en vijf en zestig koppen, waarvan er acht op buit uit waren. De bemanning van het schip leed een verlies van zes en veertig aan dooden en gewonden. Van de Harpij waren er vijf van den kotter verdronken en achttien met de sloep in de lucht gevlogen; van de drie en twintig, die aan de expeditie deelnamen, hadden alleen meneer Jolliffe en vijf matrozen er het leven afgebracht.

“Daar komt de Harpij aan,” zei Gascoigne tot Rustig.

“Des te beter, Ned, want ’t is hier een allerellendigst tooneel en ik wou dat ik maar weer aan boord was. Ik ben daar juist bij Jolliffe geweest; hij kan een beetje spreken; denkelijk zal hij nog herstellen. Ik hoop ’t voor den armen kerel, hij heeft dan alle kans eindelijk eens bevorderd te worden.”

Spoedig lag de Harpij naast de brik bijgedraaid en Jack ging met den kotter aan boord om rapport uit te brengen omtrent het gebeurde. Kapitein Wilson gevoelde grooten spijt over het verlies van zooveel manschappen, en begaf zich met Sawbridge aan boord van de brik om de verschikkelijke uitwerking der ontploffing persoonlijk in oogenschouw te nemen.

Jolliffe en de overige gewonden werden aan boord van de Harpij gebracht, en allen herstelden. Tengevolge der brandwonden vervelde Jolliffe’s pokdalig gelaat geheel en al en het leek wel of het daardoor een beetje opgeknapt was. Hij werd echter niet alleen bevorderd, maar ook op pensioen gesteld en trad dus uit den dienst. Bladzijde 149