WeRead Powered by ReaderPub
Jack Rustig cover

Jack Rustig

Chapter 19: Zeventiende hoofdstuk.
Open in WeRead

About This Book

A lively account follows a young boy raised by indulgent parents whose permissive attitudes let him dominate the household and develop wilful habits. Early episodes show minor accidents and disobedience, while a visiting family friend raises concerns about the child's lack of discipline and proposes schooling. Against this backdrop the child experiments with boundaries—climbing fences, taking fruit, and testing adults' authority—prompting debates about education, parental responsibility, and the balance between freedom and instruction. Through episodic scenes the narrative examines how upbringing and small moral lessons shape a child's character and future behavior.

Zeventiende hoofdstuk.

Jack gaat uit fourageeren en speelt den vice-consul van Tetuan een leelijken poets. Ook schipper Hogg komt er vrij bekaaid af.

De Harpij zette met haar buit koers naar Mahon, waar ze weinige dagen na haar aankomst dépéches van den admiraal ontving. Daarbij zag kapitein Wilson zich overgeplaatst op de Aurora, om er de kommandantsplaats te vervullen, die door kapitein Tartars dood opengevallen was, terwijl meneer Sawbridge tot den rang van gezagvoerder bevorderd werd en het bevel kreeg over de Harpij.

De admiraal liet kapitein Wilson weten, dat de Aurora nog de komst van een ander fregat, dat elk oogenblik kon binnenloopen, moest afwachten en daarna onmiddelijk naar Mahon gezonden en onder zijn kommando gesteld zou worden. Ook gaf hij kennis, dat de vloot gebrek kreeg aan slachtvee, waarom hij verzocht, dat er zonder uitstel naar Tetuan zou gezonden worden.

Kapitein Wilson had zooveel officieren verloren, dat hij niet wist, wien hij met die zending belasten zou. Eigenlijk was hij nu niet langer kommandant van de Harpij en er schoot maar één luitenant over en geen stuurman of stuurmansmaat. Gascoigne en Jack waren de eenige bruikbare adelborsten en hen durfde hij niet goed belasten met iets waar zooveel haast bij was.

“Wat zullen we doen, Sawbridge? zullen we Rustig zenden of Gascoigne of beiden, of geen van beiden? Als zij het slachtvee niet spoedig bezorgen, zullen zij er bij den admiraal niet zoo gemakkelijk afkomen als bij ons.”

“Er moet toch iemand heen, Wilson,” antwoordde Sawbridge, “en het is gewoonte twee officieren te zenden, zoodat de een het vee aan boord ontvangt, terwijl de andere het toezicht houdt op de inscheping.”

“Nu dan moeten ze er beiden maar heen. Sawbridge, maar lees hen eerst goed de les.”

“Ik geloof niet dat er veel bij gewaagd is,” antwoordde Sawbridge, “want Tetuan is zulk een ellendig gat, dat ze er hoe eer hoe liever vandaan zullen gaan.”

Rustig en Gascoigne werden ontboden; zij luisterden met allen Bladzijde 150eerbied naar hetgeen kapitein Sawbridge hun voorhield, beloofden dat zij zich strikt aan de opdracht zouden houden, kregen een brief voor den vice-consul mee en werden met het noodige aan boord der brik Mary Anna gebracht, waar de stuurman en de bemanning reeds bezig waren met het winden der ankers.

De schipper van het transport, een roodharige kerel met een vollemaansgezicht, een mopneus en handen als presenteerblaadjes, kwam naar het achterschip om hen te verwelkomen en niet zoodra waren de kisten en hangmatten aan dek, of het anker werd gelicht en de zeilen geheschen. Met schipper Hogg stond Jack spoedig op een goeden voet, vooral omdat hij hem kapitein noemde en alle extraatjes van eten en drinken voor zijn rekening nam.

Te Tetuan aangekomen, gingen Jack en Gascoigne aan wal om vergezeld van kapitein Hogg den vice-consul een bezoek te brengen. Zij vertoonden hun papieren en verzochten om slachtvee. De vice-consul was een schraal, onbeduidend manneke, die de opvolger van zijn vader was geworden, omdat niemand anders het de moeite waard had geacht naar den slecht bezoldigden post te dingen. Toch hechtte meneer Hicks heel wat gewicht aan zijn ambt en zijn zuster, de eenige Engelsche jonge dame van de plaats, zocht vooral de aandacht te trekken der heeren zeeofficieren, die er soms om ossen kwamen. Heel gauw tevreden was ze echter niet, en had al achtereenvolgens de aanzoeken van drie adelborsten, een stuurmansmaat en een betaalmeester van de hand gewezen.

Zoodra de schikkingen op het kantoor van den heer Hicks getroffen waren, werden de bezoekers in de ontvangkamer genoodigd en aan de zuster van den vice-consul voorgesteld. Miss Hicks trok den neus op voor de beide adelborsten, maar lachte kapitein Hogg allervriendelijkst toe. Deze werd zelfs tegen den volgenden middag ten eten gevraagd en raakte al spoedig op de gastvrouw verliefd, wat eenige stribbeling gaf tusschen Miss Julia en haar broer den vice-consul, die verklaarde nooit zijn toestemming te zullen geven tot een huwelijk met meneer Hogg. Miss Hicks verkoos echter niet zich aan haar broer te storen; zij was baas over zichzelve, verklaarde zij, en zou doen wat haar goeddacht.

Toen eindelijk de lading ingenomen was en er aan vertrekken diende gedacht te worden, besloot kapitein Hogg allen tegenstand van den vice-consul te verijdelen, door Julia eenvoudig te schaken en op zijn schip mee te nemen naar Toulon. Jack, die er de lucht van gekregen had, hield zich alsof hij Hogg een handje wilde helpen en waarschuwde hem, dat Hicks vermoedde wat er gebeuren zou en, zoolang Hogg nog niet aan boord was, zijn zuster voortdurend Bladzijde 151in het oog zou houden. “Ga dus zelf aan boord, en onder zeil, meneer Hogg,” zei Jack, “en laat het aan mij over Miss Hicks bij u te brengen, zoodra haar broer alle gevaar geweken zal achten.”

“Hartelijk dank, meneer Rustig,” antwoordde kapitein Hogg; “dat is een uitmuntend plan; wat zijt ge toch vriendelijk!”

Nauwelijks had meneer Hicks de gelden voor de geleverde ossen ontvangen of zijn houding ook tegenover onzen held veranderde geheel. Dit stond Jack lang niet aan, maar hij hield zich alsof hij niets bespeurde, bleef den vice-consul de warmste vriendschap betoonen en nam de gelegenheid te baat hem te zeggen, dat hij zijn voorkomendheid niet beter kon beantwoorden, dan door hem in te lichten omtrent de plannen, die er tegen hem gesmeed werden. Hij vertelde hem nu de beraamde vlucht van zijn zuster en dat hij zelf de aangewezen persoon was om haar te ontvoeren.

“Welk een gruwel!” riep de vice-consul uit; “ik zal er me over beklagen bij de regeering.”

“Zou ’t niet beter zijn,” zei Jack, “als we ’t zoo aanlegden, dat het geval voor onszelf met een pretje afliep en kapitein Hogg gefopt werd? Trek uw zusters kleeren aan, dan zal ik u in plaats van haar aan boord brengen. Ik zal u in de kajuit brengen en daar moet ge dan uzelf opsluiten. Zonder mijn toestemming kan hij niet uitzeilen; den volgenden morgen openen we de deur van de kajuit en lachen Hogg eens terdege uit. Zorg dat uw boot tegen het aanbreken van den dag u weer van boord komt halen, ik zal dan maken, dat Hogg onverwijld naar Toulon vertrekt. ’t Zal een kostelijke grap wezen.”

Dat vond de vice-consul ook. Hij drukte Jack de hand en was weer even voorkomend als te voren.

Even vóór donker werd van de brik, die reeds onder zeil was gegaan, een sloep aan den wal gezonden, en, zooals afgesproken was, gaf meneer Hicks voor, dat hij naar zijn kantoor ging om de scheepspapieren in orde te maken—terwijl zijn eigenlijk doel was, zijn zusters kleeren aan te trekken. Miss Hicks stond onmiddellijk op, wenschte onzen held een aangename reis en zei, ook al weer zooals afgesproken was, dat ze met zware hoofdpijn naar bed moest. Zij wenschte haar broeder goedennacht, en begaf zich naar haar kamer waar ze nog een uur zou wachten, waarna Jack haar in den tuin zou vinden en naar den brik brengen. Onze held ging mede het kantoor binnen en hielp den vice-consul, die al zijn eigen bovenkleeren uittrok en in een doek knoopte ten einde ze, als hij eenmaal aan boord in de hut zou wezen, weer aan te trekken. Bladzijde 152

Zoodra Hicks klaar was, nam Jack het bundeltje kleeren op en geleidde de gewaande Miss naar de sloep. Haastig zetten zij af en bij die gelegenheid liet Jack ongemerkt meneer Hicks’ bundeltje te water vallen. Spoedig waren ze aan boord van het schip, waar Jack den verkleeden consul naar de hut bracht, die deze niet achter zich sloot, dan na eerst Jack onder een handdruk toegefluisterd te hebben: “Wat zullen we morgen lachen!”

Niet zoodra was de boot weer opgeheschen of kapitein Hogg kwam naar onzen held toe, schudde hem de hand en zei ook: “Wel, meneer Rustig, wat zullen we morgen lachen!”

“Die ’t laatst lacht, lacht ’t best,” dacht Jack.

Er woei een flinke bries, en die de wacht te kooi hadden, kropen in hun hangmatten. Ook meneer Hicks wist niets beters te doen dan te gaan slapen en bij het aanbreken van den dag was de Mary Anna al meer dan honderd mijlen van de Afrikaansche kust.

Wat zetten meneer Hicks en de kapitein nijdige gezichten toen zij zich den volgenden morgen beiden gefopt zagen? Zij waren zoo boos als een spin, maar Jack deed niets dan lachen. De kapitein wilde terug om Miss Hicks te halen, en de vice-consul verlangde zijn vrijheid weer, maar de wind woei fel en Jack wist den kapitein tot bedaren te brengen, door er op te wijzen dat bij het rekken van den tocht, er licht ossen konden sterven en hij die zou moeten vergoeden. Ook kon hij Miss Hicks later immers huwen, zonder dat haar broer er iets tegen zou kunnen doen. De onder- en bovenlijzeilen werden dus bijgezet en de reis vervolgd tot groote ergernis van meneer Hicks, die den kapitein en Jack met een aanklacht bij de regeering bedreigde. Hij eischte zijn kleeren terug, maar Jack antwoordde dat ze bij het van wal steken uit de sloep waren gevallen. Van niemand kon hij kleeren geleend krijgen, zoodat hij ten spot van allen in vrouwenrokken rondliep. Door het belachelijke van het geval vergat de kapitein zijn eigen leed; hij werd weer goede vrienden met Jack, en al weigerde meneer Hicks dien middag met hen mee te eten, zij lieten zich door zijn kwaadheid hun eetlust niet benemen.

Na een voorspoedige vaart van tien dagen bereikten ze ’s morgens van den elfden dag de Toulonsche vloot. Jack meldde zich terstond bij den admiraal en rapporteerde het meegebrachte slachtvee, en spoedig kwamen nu van al de schepen sloepen aanzetten om haar deel van de lading der Mary Anna in te nemen. Terwijl men hiermee bezig was, richtte de vlaggekapitein van het admiraalsschip zijn kijker naar het transportvaartuig en bespeurde daar aan dek een vrouwelijke gedaante. Bladzijde 153

“Is dat soms de vrouw van den stuurman?” vroeg hij aan Jack, die met den admiraal dicht bij hem stond.

“Neen, meneer,” antwoordde Jack, dat is de vice-consul.”

“Wat! een vice-consul in vrouwenrokken?”

“Ja, de vice-consul van Tetuan. Hij is in die kleeding aan boord gekomen, toen de brik al onder zeil was, en ik achtte het plicht geen oogenblik te vertragen, omdat ik wist hoe dringend de vloot om versch vleesch verlegen was.”

“Wat beteekent dat, meneer Rustig?” zei de admiraal; “daar steekt zeker iets achter. Kom even beneden alsjeblieft.”

Jack volgde nu den admiraal en den vlaggekapitein naar de kajuit en vertelde daar zonder omwegen het heele geval, wat een hartelijk gelach verwekte.

“Meneer Rustig.” zei de admiraal toen zijn lachbui over was, “ik wil er u geen verwijt van maken, maar ’t was toch dunkt mij niet noodig geweest dien vice-consul in vrouwenkleeren te steken.”

“Ik heb naar mijn beste weten gehandeld, admiraal,” antwoordde Jack heel onderdanig.

“Nu, over het geheel genomen, ben ik tevreden met wat gij gedaan hebt. Kapitein Malcolm, zend alsjeblieft een sloep uit om den vice-consul te halen.”

Meneer Hicks hunkerde er zoo naar om over al zijn leed beklag te doen, dat hij zich niet stoorde aan zijn vrouwenkleeren. Wel werd er druk gegicheld toen hij aan boord kwam, maar dat zou spoedig genoeg ophouden, dacht hij, zoodra ze maar te weten kwamen wie hij eigenlijk was. Hij droeg zijn geval aan den admiraal voor, maar vond bij dezen slechten troost.

“Hoor eens, meneer Hicks,” zei de admiraal, “al wat u daar vertelt, zijn familie-aangelegenheden, waarmee ik volstrekt niets te maken heb. Uit eigen beweging zijt gij in vrouwenkleeren aan boord gekomen, en meneer Rustig had bepaald bevel gekregen onder zeil te gaan, zoodra het transport gereed was, en geen oogenblik te toeven. Nu kunt ge u wel beklagen bij de Regeering, maar als vriend raad ik het u af. Ze houden daar niet van dergelijke grappen en het kon u uw betrekking wel eens kosten. Wees maar blij dat ge weer zoo spoedig naar Tetuan kunt, want het transportschip gaat er, na Mahon aangedaan te hebben, onmiddellijk heen. En nu, meneer, vaarwel, de sloep wacht u.”

Meneer Hicks was verbaasd over den weinigen eerbied aan een vice-consul betoond en droop af onder het gelach der gansche bemanning.

Zoodra de geheele lading ontscheept was, heesch de Mary Anna Bladzijde 154de vlag, ging onder zeil en bereikte in twee dagen Mahon, waar zij de Aurora reeds onder kommando van kapitein Wilson vonden.

Meneer Hicks had eindelijk kapitein Hogg weten te bewegen hem manskleeren te bezorgen, maar nu hij met zijn klacht bij den admiraal zoo slecht gevaren was, zag hij er geen heil in, er nog eens bij een kapitein mee aan te komen; hij bleef dus stilletjes bij kapitein Hogg aan boord en werd gedurende de thuisvaart beste maatjes met hem.

Achttiende hoofdstuk.

Jack gaat over op de Aurora. Hij redt een oude dame uit roovershanden. Storm op zee en brand aan boord.

Kapitein Wilson was zeer tevreden over de wijze waarop Jack zijn bevelen had uitgevoerd, en vroeg hem, wat hij liever deed, op de Harpij blijven of met hem op de Aurora overgaan.

Jack aarzelde.

“Zeg ’t maar vrij uit, meneer Rustig; als ge soms kapitein Sawbridge de voorkeur geeft boven mij, zal ik er me niet door beleedigd achten.”

“Neen, meneer,” antwoordde Jack, “ik geef niet de voorkeur aan kapitein Sawbridge boven u; beiden hebt gij me even voorkomend behandeld, maar toch bekleedt gij de eerste plaats bij mij. Het geval is eigenlijk, dat ik niet gaarne scheiden zou van Gascoigne of van....”

“Of van wien?” zei de kapitein glimlachend.

“Van Mesty, meneer; ’t is misschien dwaas van me, maar zonder hem zou ik nu niet meer in leven zijn.”

“Dankbaarheid is volstrekt geen dwaasheid, meneer Rustig,” antwoordde kapitein Wilson. “Gascoigne denk ik bij mij te nemen, als hij ’t ten minste goedvindt, want ik heb bijzonder veel eerbied voor zijn vader en in hemzelf geen gebreken van eenig aanbelang gevonden. Wat Mesty betreft—hij is een flinke kerel en voor hem zal ook wel een plaatsje te vinden zijn, hoop ik.”

Den volgenden dag werd Mesty onder het scheepsvolk, dat kapitein Wilson zich uitgekozen had, opgenomen en wel in zijn Bladzijde 155zelfden rang onder den konstabel der Aurora. Ook Gascoigne en onze held werden op de rol van de fregat gebracht.

Daar de Aurora nog eenige dagen voor anker bleef liggen, vroegen Jack en Gascoigne verlof die aan den wal door te mogen brengen, wat hun werd toegestaan, omdat ze pas zoo’n tijd op het transportschip hadden gezeten. Jack nam zijn intrek in het eenige flinke hotel van de stad en noodigde dikwijls officieren van de Aurora bij zich aan tafel. Alle pretjes woonde hij bij en zou onder anderen op een avond ook met eenige vrienden deelnemen aan een gemaskerd bal.

Hij had zijn keus laten vallen op kostuum als duivel en zoo vermomd reed hij op een ezel naar de plaats van samenkomst. Juist toen hij binnen wilde gaan, hield er een gele koets met twee lakeien in prachtige livrei voor het gebouw stil. Zoodra het portier geopend was, bood Jack met zijn gewone beleefdheid zijn arm aan een oude, dikke, met diamanten bezaaide dame. Zij keek op en nauwelijks kreeg ze den behaarden Jack met zijn drietand, horens en staart in het oog, of ze gaf een, luiden gil en zou stellig gevallen zijn, als niet kapitein Wilson juist bij de hand was geweest om haar in zijn armen op te vangen. Terwijl de oude dame haar dank betuigde aan kapitein Wilson, schoof Jack stilletjes het gebouw binnen. In de feestzaal vond hij ’t zoo overmatig druk, dat men zich ternauwernood bewegen kon, en het duurde dan ook niet lang of hij had genoeg van het rondspringen.

“Dat is al te gek.” dacht Jack, “laat ik maar liever zien of ik me in de open lucht niet beter kan vermaken.” Hij trok zijn wijden jas over zijn maskeradepak en wandelde in den heerlijken maneschijn naar buiten. Allerlei gedachten dwarrelden hem door het hoofd en ongemerkt was hij wel een uur lang aan het ronddolen geweest, toen hij bij een heuvel kwam en dien besteeg om eens te zien, hoe hij het best den terugweg zou nemen. Terwijl hij zoo stond rond te kijken, zag hij opeens beneden op den weg langs den voet van den steilen heuvel een rijtuig naderen. “Wel verdraaid!” riep hij uit, “dat is dezelfde gele koets van die oude dame met haar diamanten en de twee opgeprikte lakeien!”

Nauwelijks had hij dit gezegd of eensklaps stormden uit het houtgewas een zestal kerels te voorschijn en grepen de paarden bij den kop; er vielen een paar schoten, de koetsier tuimelde van den bok en de twee lakeien achter van het rijtuig. De roovers rukten het portier open en begonnen de oude dikke dame met de diamanten er uit te werken. Jack begreep, dat hij tegen zulk een overmacht niets zou kunnen uitrichten, maar misschien kon hij hun toch een Bladzijde 156schrik op het lijf jagen. Juist rolde de oude dame als een welgevulde waschzak het rijtuig uit, toen Jack, die zijn overjas uitgesmeten had, zich in zijn duivelspak op den top van den heuvel vertoonde en in het volle licht der maan zijn drietand zwaaiend een afgrijselijk “ha, ha, ha, ha!” liet hooren, op hetzelfde oogenblik, dat de roovers hun messen ophieven. De onverlaten werden op het zien van de huiveringwekkende gedaante, die den spotlach had aangeheven, door zulk een hevige ontsteltenis aangegrepen, dat zij het uit alle macht op een loopen zetten. Jack snelde nu haastig den heuvel af, wist met veel inspanning de flauwgevallen dame de koets binnen te loodsen, greep de teugels, sprong op den bok en joeg in vollen ren voort.

Zoodra hij ver genoeg voortgehold was, om geen vernieuwing van den aanval te vreezen te hebben, toomde hij de paarden wat in, maar liet ze toch hun eigen weg kiezen, want hij zelf wist niet welken kant hij op moest. Dicht bij de stad sloegen de dieren zijwaarts af en hielden weldra stil voor een prachtig buitenverblijf. Om de menschen niet te doen schrikken, had Jack zijn overjas weer aangetrokken en zijn masker afgezet en toen nu op het geratel der rijtuigwielen eenige bedienden naar buiten kwamen schieten, vertelde hij hun in weinige woorden wat er gebeurd was. Dadelijk werden er nu handen uitgestoken om de dame uit de koets te helpen. Voor veel complimenten had Jack, toen hij de dikkert in het rijtuig stopte, geen tijd gehad, en men vond ze nu ook in een vrij benauwde positie tusschen de beide banken ingezakt en met de beenen in de lucht.

Zoodra de dame in huis gebracht was, toefde Jack nog slechts een oogenblik en ze kwamen niet meer omtrent hem te weten, dan dat hij een Engelsch officier was van een fregat, dat in de haven lag. Na een wandeling van ruim een half uur bereikte hij zijn logement weer, maar vertelde aan de kennissen, die hij er aantrof, niets van het gebeurde en ging spoedig naar bed.

Juist had hij den volgenden morgen zijn rekening betaald en stond op het punt te vertrekken, toen er iemand kwam hooren of er ook een officier gelogeerd was, die gisteravond op het gemaskerd bal als duivel verkleed was geweest.

Jack maakte zich als den bedoelden persoon bekend en gaf louter voor de aardigheid als zijn naam op: Henry Wilson, kapitein van Zijner Majesteits fregat de Aurora.

De vreemde verwijderde zich met een beleefde buiging; Jack stopte den hotelbediende een flinke fooi in de hand en begaf zich weer aan boord. Bladzijde 157

De eerste luitenant van de Aurora was in menig opzicht een zeer goed officier, maar reeds als adelborst had hij de gewoonte aangenomen om zijn handen in zijn zakken te steken, en daar raakten ze niet licht uit, ook al woei er een stormwind, waarbij de handen zoo opperbest te pas komen. Meer dan eens had hij bij zoo’n gelegenheid een leelijken val gedaan en een schram opgeloopen, maar de gewoonte was hem te machtig. Een tweede eigenaardigheid van hem was, dat hij een onbeperkt vertrouwen stelde in een zeker kwakzalversmiddel, dat naar het heette tegen alle kwalen hielp. Naar zijne meening was geen ziekte er tegen bestand en hij besteedde jaarlijks wel drie maanden tractement aan dat lorregoed; want hij gebruikte het niet alleen als hij zich niet wel gevoelde, maar ook bijwijze van voorbehoedmiddel als hij volkomen gezond was. Iedereen raadde hij het aan, en men kon hem geen grooter genoegen doen dan zich te laten overreden het te slikken. De officieren lachten hem uit, maar meestal achter zijn rug, want hij werd erg boos als men hem op dit eene punt tegensprak. Onverdroten maakte hij bekeerlingen voor zijn geloof en wijdde soms uren lang uit over de voortreffelijke eigenschappen van het geneesmiddel, terwijl hij de waarheid zijner beweringen staafde met een klein vlugschrift, dat hij steeds bij zich droeg.

Jack meldde zich aan boord en meneer Pottyfar, die juist op het halfdek stond, gaf de hoop te kennen, dat Jack met te meer ijver zijn plicht zou betrachten, nu hij zoo geruimen tijd aan den vasten wal had mogen doorbrengen. Jack stemde daarmee in en ging naar beneden, waar hij Gascoigne en zijn nieuwe baksmaats vond, met wie hij voor het grootste gedeelte reeds kennis had gemaakt.

“Wel Rustig,” zei Gascoigne, “heb je nu genoeg van den wal?”

“Meer dan genoeg,” antwoordde Jack; “ik denk nu geen verlof meer te vragen.”

“Dat is maar goed ook, want meneer Pottyfar is er niet erg scheutig mee, dat verzeker ik je; er is maar één middel om verlof van hem te krijgen.”

“Zoo! en wat is dat dan?”

“Je moet je ziek houden en wat van zijn kwakzalversmiddeltjes innemen, dan stuurt hij je naar den wal om het uit te laten werken.”

“Is het dat? nu, dan zal ik zoodra we te Vallette ankeren een heele kuur doormaken, maar niet eer.”

“Jij dient er wel mee ingenomen te zijn, Jack, ’t is een gelijkheidsmiddel, het geneest de eene kwaal zoo goed als de andere.” Bladzijde 158

“Of helpt de patiënten om zeep—wat hen ook op gelijken voet brengt. Jongens ja, Gascoigne, dat middel moet ik voorstaan, om meer dan ééne reden.—Maar zeg eens, wanneer gaan we onder zeil?”

“Overmorgen.”

“Naar de vloot bij Toulon?”

“Ja; maar we zullen onderweg wel naar de Spaansche kust afzakken, dat gebeurt met alle oorlogschepen.”

“Dat komt, omdat de wind geregeld uit het zuiden blaast.”

“Als je soms weer buit gaat maken, Jack, vergeet dan vooral je krijgsartikelen niet.”

“Als het aan mij ligt, ga ik er niet meer op uit zonder Mesty. Mijn hemel wat is zoo’n adelborstenkajuit vervelend na zoo’n prettigen tijd aan den wal! Ik zal van armoe maar aan dek gaan om naar de kust te turen.”

“En tien minuten geleden nog hadt je er meer dan genoeg van!”

“Ja, maar die tien minuten hebben me heel van streek gebracht. Ik zal den eersten luitenant om een dosis van zijn middel gaan vragen.”

“Hoor eens, Jack, we moeten ons beiden te gelijk onder zijn behandeling stellen.”

“Zeker, maar daarmee wachten we tot Malta bereikt is.”

Jack ging aan dek, maakte kennis met de enkele officieren, die hij nog niet ontmoet had, en klom vervolgens in de mars van den grooten mast, waar hij al mijmerend naar den wal ging zitten kijken.

Den volgenden dag ging de Aurora onder een stevige bries uit het zuidwesten onder zeil, en op een mooien morgen zagen ze de Spaansche kust nog eer ze de Toulonsche vloot in het oog kregen. Meneer Pottyfar haalde zijn handen uit zijn zakken, omdat hij anders geen kans zag door de teleskoop de kust op te nemen. Kapitein Wilson en velen van de officieren en adelborsten hadden ook hun kijkers ter hand genomen en de matrozen in den top gebruikten hun oogen: maar er viel niets anders te zien dan eenige kleine visschersbooten. Allen begaven zich dus naar beneden aan het ontbijt, terwijl het schip dicht langs de kust bijlegde.

“Wat verwed je er onder, Rustig,” zei een der adelborsten, “dat we vandaag geen buit zullen maken?”

“Dat we in ’t geheel geen schip in zicht zullen krijgen, wil ik niet wedden, maar ik doe ’t om al wat je wilt, dat ’t niet vóór middernacht gebeuren zal.”

“Ik zou je danken; stuur liever den theepot eens dezen kant op, want ik heb de voormiddagwacht.” Bladzijde 159

“Een prachtige morgen,” merkte een der overige kameraden, Martin geheeten, op; “maar ik heb zoo’n vermoeden, dat ’t er van avond niet zoo goed uit zal zien.”

“Waarom niet?” vroeg een ander.

“Ik vaar nu al acht jaar op de Middellandsche zee en heb zoo’n beetje verstand van het weer. Er zit regen in de lucht en ’t is een gestadige wind. Als we van avond niet onder dubbel gereefde marszeilen liggen, mag ik ik weet niet wat wezen.”

“Klaar aan de zeilen!” klonk het opeens van den kant van het luik.

“Daar heb je ’t al,” riep Gascoigne en stormde naar boven, gevolgd door al de anderen behalve Martin, die pas afgelost was, en meende dat hij nu wel een poosje gemist kon worden, en er ten minste den tijd van mocht nemen om op zijn gemak zijn kop thee op te lepperen.

’t Was werkelijk zoo; een galjoot en vier koopvaardijschepen waren juist de meest oostelijke punt om komen zetten, en bij den wind opgestoken, zoodra ze het fregat in het oog kregen. In een oogenblik was de Aurora onder volle zeilen en de kijkers werden alle op de schepen gericht.

“Alle zwaargeladen, meneer,” merkte de eerste luitenant op; “kijk dat marszeil van de galjoot eens ingehaald zijn!”

“Ja, ze hebben ook geen gebrek aan wind,” zei kapitein Wilson.

De hoop op een flinken buit deed alle krachten inspannen en weldra had het fregat een heel eind gewonnen op de schepen, die al bijzetten wat ze maar aan zeil hadden en korte gangen in den wal maakten. De Aurora werd regelrecht op hen afgestuurd en ze waren geen twee streken aan lij. De lucht, ’s morgens zoo helder, was nu geheel bewolkt, de zon ging schuil en de zee werd hand over hand onstuimiger. Nog tien minuten en ze lagen onder dubbel gereefde marszeilen en bij de windvlagen voegde zich een zware regen. Het fregat sneed met strak gespannen zeilen door de schuimende golven en aan den horizon werd het zoo donker, dat de schepen voor hen uit niet langer te zien waren.

“We zullen er van lusten, verwacht ik,” zei de kapitein Wilson.

“Heb ik ’t niet gezegd?” merkte Martin tot Gascoigne op. “We maken vandaag geen buit, reken daar gerust op.”

Meneer Pottyfar stond, als gewoonlijk met zijn handen in de zakken, bij de gangspil.

“We zullen er, vrees ik, het grootzeil niet langer op kunnen houden, meneer.”

“Kapitein Wilson, we zijn vrij kort onder den wal,” zei de stuurman; “zou u ’t goed vinden wat te wenden?” Bladzijde 160

“Jawel, meneer Jones. Voorschoten los, aan lij het roer! en—ja, het moet maar,—weg het grootzeil!”

Het grootzeil werd geborgen en het fregat scheen zich onmiddelijk op te richten. Het stootte en slingerde nu niet meer zooals te voren.

“We zijn erg dicht bij de kust, kapitein Wilson; ik kan er zelfs bij dit smerige donkere weer een schijntje van zien—zullen we wenden, meneer?” vervolgde stuurman.

“Ja—klaar om te wenden—op het roer!”

’t Was juist bijtijds, want toen het fregat in een halven cirkel rondzwaaide, konden ze, op geen twee kabellengten afstand, de branding tegen de klippen van de kust zien slaan.

“Ik dacht niet dat ’t er zoo na aan toe was,” zei de kapitein en kneep de lippen op elkaar—“is er nog iets van de schepen te zien?”

“Al in geen kwartier heb ik er iets van bespeurd, meneer,” antwoordde de uitkijk, terwijl hij met een pand van zijn jekker zijn kijker tegen den regen beschutte.

“Wat ligt nu voor, kwartiermeester?”

“Zuid-zuidoost, meneer.”

De lucht begon er heel anders uit te zien—de witte wolken werden vervangen door zwarte, de wind loeide met rukken, en de regen stortte bij stroomen neer. Kapitein Wilson ging naar beneden in de kajuit om op den barometer te kijken.

... Dat zij het uit alle macht op een loopen zetten.

“De barometer is gerezen,” zei hij bij zijn terugkomst aan dek.

“Is de wind gestadig?”

“Neen, meneer, ze is drie streken geruimd.”

“’t Zal op een zuidwester uitdraaien.”

De natte, zware zeilen sloegen bij elken uitschieter van den wind.

“Op het roer, kwartiermeester.”

De wind bedaarde, de regen viel bij stroomen—voor een oogenblik was het volkomen stil, zoodat het fregat volstrekt niet meer overhelde.

“Aan de brassen! Reken er op, dat we terstond zullen afdrijven.”

De brassen waren nauwelijks gespannen, of het was al zoo. De wind schoot met een woest gehuil om naar het zuidwesten, maar gelukkig waren ze er op voorbereid—de ra’s stonden rondgebrast en de stuurman vroeg de kapitein welke koers hij moest sturen.

“We moeten de vervolging opgeven,” zei kapitein Wilson. “Richt den steven maar op Kaap Sicie, meneer Jones.”

En de Aurora vloog met gereefde stagfok en marszeilen op den stormwind voort. Het weer was nu zoo smerig, dat men geen twintig Bladzijde 161el van zich af kon zien, de donder rolde en bliksemstralen schoten van alle kanten door het donker bewolkt zwerk. Zoodra de zeilen naar den wind gebrast stonden, werd de wacht opgeroepen, en allen, die aan dek gemist konden worden, gingen nat en teleurgesteld als ze waren naar beneden.

“Wat een oude Jonas ben jij toch, Martin,” zei Gascoigne.

“Dat kan wel wezen,” luidde het antwoord, “maar het ergste moet nog komen, naar mijn gedachte. Ik herinner me net zoo’n storm als deze, op nog geen tweehonderd mijlen van de plek waar we nu zijn. Ik voer toen op de Favorite en we gingen bijna naar den kelder toen....”

Op dit oogenblik hoorde men boven een vervaarlijk geraas; er voer een schok door het geheele schip, dat schudde alsof het vaneen zou splijten; luide kreten werden gevolgd door klaagtonen, het benedendek was vol rook en het fregat helde sterk over. Zonder dat er één woord gezegd werd, stoven allen, die zich in de adelborstenkajuit bevonden, naar boven, niet wetende wat er van te denken, maar overtuigd dat er een groot ongeluk was gebeurd.

Aan dek gekomen werd hun alles duidelijk; de fokkemast was, door den bliksem getroffen, voorover aan lij in zee gevallen en had de groote streng en het kluifhout meegenomen. De afgebroken stomp van de fokkemast brandde fel, in weerwil van den stortregen. Zoodra fokkemast en groote streng over boord waren, draaide het schip met een ruk bij, zoodat de matrozen aan het stuurrad er overheen geslingerd en tegen de verschansing gekwakt werden; op den bak, het voorste gedeelte van het bovendek en zelf op het benedendek lagen overal mannen die gedood of ernstig gewond, of door den schok versuft waren. Het fregat helde sterk over en zware zeeën sloegen er overheen; overal was het pikdonker en het licht der brandende stomp van de fokkemast geleek wel een toorts, die door woeste stormduivels werd opgehouden. Voor een paar minuten was alles in verwarring, eindelijk riep kapitein Wilson, die zelf voor een oogenblik verblind was geweest, om den timmerman en de bijlen. Binnen weinige minuten was de bezaanmast afgehouwen en stortte over het achterschip, het fregat viel af en richtte zich langzaam op. Maar het schrikkelijk tooneel was nog niet ten einde. De bootsman, die op den bak had gestaan, was voor altijd zijn gezicht kwijt en werd naar beneden gedragen. Terwijl de dokter bezig was ook de andere gewonden te onderzoeken en bij te staan, weerklonk opeens de kreet: “Brand!” van uit het benedendek. Het schip had vuur gevat in het kolenhok en de timmerkamer en er steeg een dikke rook op.

“Ieder op zijn post; laat de pompen werken en de putsen doorgegeven! Bladzijde 162Meneer Pottyfar let er op, dat het werk geregeld gaat. Meneer Jones, neem gij de zorg voor het schip op u. Ik ga zelf naar het benedendek.

“Dat ziet er heel anders uit dan van morgen, Jack,” merkte Gascoigne op.

“Ja,” antwoordde Jack; “maar wat nu het best gedaan? Als er aan den wal brand in een schoorsteen is hangen ze er een natten deken over.”

“Ja,” zei Gascoigne; maar dat zou hier, nu het kolenhok in brand staat, weinig helpen.”

“In elk geval zijn natte dekens een goed ding, Ned, kom mee naar de hangmatten en de dekens er uit gehaald. Helpt ’t niet voldoende, dan hebben we ten minste onzen ijver betoond.”

De beide adelborsten riepen nu nog een paar man en in een oogenblik hadden ze meer dekens dan ze dragen konden. Ze nat te krijgen was geen kunst, want het bovendek dreef van al het water.

“Uitmuntend, meneer Rustig, uitmuntend, meneer Gascoigne!” zei kapitein Wilson, toen hij hen aan zag komen. “Hier, jongens, gooi ze er hier maar op en dan flink er op gestampt.”

Rustig riep de andere adelborsten toe, dat ze nog meer dekens zouden halen, maar ’t hoefde niet, het vuur was al gebluscht. Onder al die bedrijven slingerde het fregat zoo geweldig, dat de verschansing onder water kwam. Toen eindelijk alle gevaar, wat den brand aanging, geweken was, en de manschappen weer naar hun kwartieren gecommandeerd werden, miste men drie officieren en zeven en veertig man, waarvan er zeven dood en de anderen grootendeels reeds onder behandeling van den dokter waren.

Boven gekomen vond Jack den kapitein met de officieren op het halfdek.

“Meneer Rustig,” zei kapitein Wilson, “ik moet u en meneer Gascoigne mijn dank betuigen voor de betoonde kordaatheid en tegenwoordigheid van geest.”

Jack maakte een buiging en wilde juist weer naar de adelborstenkajuit gaan, toen er een hevige stortzee over het fregat sloeg, zoodat allen, die zich niet gauw konden vastgrijpen, van de been raakten.

Ze krabbelden weer overeind en gingen terstond in de konstabelkamer een glas grog drinken om den zilten smaak van het zeewater uit den mond te spoelen.

Intusschen werden de zeilen geminderd om te voorkomen, dat het dek nogmaals onder water raakte.

Eer de morgen aanbrak was het schip droog gepompt en al wat er in het ongereede was geraakt weer zooveel mogelijk op orde Bladzijde 163gebracht; maar de storm bleef nog even fel voortwoeden en ’t was geen hapje nu aan boord te wezen. Na vier en twintig uren kwam echter de zee tot bedaren, en na een vaart van nog drie dagen bereikte de Aurora de vloot bij Toulon.

Negentiende hoofdstuk.

Jack neemt de proef van meneer Pottyfars universeel geneesmiddel. Een verrassing voor kapitein Wilson.

Op het eerste gezicht hielden ze het aan boord der andere schepen er voor, dat de Aurora slaags geweest was, maar spoedig begrepen ze dat het ruwe weer het vaartuig zoo ontredderd had. Kapitein Wilson maakte zijn opwachting bij den admiraal en kreeg natuurlijk order zijn schip onmiddellijk op te laten lappen. Binnen weinige uren stuurde de Aurora nu koers naar Malta en tegen zonsondergang was er van de Toulonsche vloot niets meer te zien. Toen ze na een vrij vervelenden tocht de haven van Malta waren binnengeloopen, begaf de kapitein zich onmiddelijk naar den goeverneur en Jack, die onderweg al met Gascoigne afgesproken had, dat ze vrij zouden zien te krijgen, ging tegen den avond aan den eersten luitenant verlof vragen om naar den goeverneur te gaan. Nu was ongelukkig meneer Pottyfar in een booze luim en toen Jack hem met zijn verzoek aanklampte, draaide hij zich driftig om, zette de beenen wijd van elkaar, begroef zijn handen zoo diep mogelijk in zijn zakken en zei vrij bits:

“Meneer Rustig, gij weet hoe ’t met het schip gesteld is. Er valt een massa te doen—nieuwe masten, nieuwe tuigage, alles moet hersteld worden—en nu komt gij vragen om aan wal te gaan! U kunt, dunkt me, zelf wel het antwoord op uw vraag geven en begrijpen dat er, zoolang niet alles weer kant en klaar is, niemand van de adelborsten een voet aan wal zal zetten.

“Mag ik u doen opmerken, meneer,” zei onze held, “dat het op dit oogenblik Zaterdagavond is en morgen Zondag; het werk op het fregat zal eerst Maandag beginnen en daarom had ik gemeend, dat ik tot zoolang wel verlof zou kunnen krijgen.”

“Ik ben van een geheel ander gevoelen, meneer,” antwoordde de eerste luitenant en liet Jack duidelijk genoeg blijken, dat hij zijn zin niet zou krijgen. Bladzijde 164

Jack kon die weigering maar niet verkroppen en was gedurende zijn eerste wacht ongenietbaar; hij vatte dan ook het besluit op, om den dienst zoodra mogelijk te verlaten.

Den volgenden morgen kwam kapitein Wilson het scheepsvolk monsteren en Jack wilde den kapitein juist gaan aanspreken, toen deze tot hem zei:

“Meneer Rustig, de goeverneur heeft me verzocht u mee aan wal te brengen om bij hem te dineeren, voor logies is ook gezorgd.”

Jack sloeg aan en snelde naar beneden om de noodige toebereidselen te maken. Weer aan dek gekomen, vond hij kapitein Wilson nog niet gereed. Hij ging nu aan meneer Pottyfar zeggen, dat de kapitein hem gelast had met hem aan wal te gaan; en meneer Pottyfar, wiens kwade bui weer overgewaaid was, zei:

“Heel goed,” meneer Rustig—ik wensch u veel plezier.”

“Dat klinkt heel anders dan gisteren,” dacht Jack: “als ik nu eens een proefje nam van zijn medicijnen?”

“Ik voel me niet wel, meneer Pottyfar, en de pillen van den dokter helpen me niet—ik ben altijd ziek als ik lang de noodige lucht en beweging heb moeten missen.”

“Ja,” zei de eerste luitenant, “lucht en beweging zijn een voornaam ding. In die middeltjes van den dokter stel ik ook niet veel vertrouwen; het eenige wat iets waard is, is mijn universeel geneesmiddel.”

“Ik zou er zoo graag een proef van nemen, meneer,” antwoordde Jack; “ik heb uw boekje eens gelezen, en daarin gevonden dat het middel onfeilbaar werkt, als het gedurende veertien dagen of drie weken geregeld wordt ingenomen met volop vrije lucht en beweging.”

“Zeker is dat zoo,” antwoordde meneer Pottyfar; “en als gij lust hebt er de proef van te nemen, kan ik u wel een dosis geven, ik heb toch genoeg.”

“Heel graag, meneer,” antwoordde Jack; “en hoe dikwijls moet ik er van gebruiken tegen de hoofdpijn, die me dagelijks kwelt?”

Meneer Pottyfar nam Jack mee naar beneden, stopte hem drie of vier fleschjes met het heilmiddel in de hand en zei hem, dat hij ’s avonds, tegen het naar bed gaan, dertig droppels moest innemen, niet meer dan twee glazen wijn mocht drinken en de felle zon moest vermijden.

“Maar, meneer,” hernam Jack, die de fleschjes in zijn zak had gestoken, “ik vrees dat het te lang duren zal; want nu het schip op de helling komt, zal ik dagelijks aan de zon worden blootgesteld.”

“Ja, als gij niet gemist kondt worden, meneer Rustig; maar we Bladzijde 165hebben manschappen genoeg; en zoolang gij ziek zijt, mag er geen werk van u gevorderd worden. Draag vooral zorg voor uw gezondheid; ik ben er stellig van overtuigd, dat gij van dit middel een wonderdadige werking zult ondervinden.”

“Van avond zal ik er mee beginnen, meneer,” antwoordde Jack, “ik dank u zeer. Ik logeer bij den gouverneur—moet ik morgen vroeg aan boord komen?”

“O neen, wees vooral voorzichtig en neem u in acht; met genoegen zal ik hooren dat ge wat beter zijt. Laat me weten hoe ’t er mee gaat.”

“Dagelijks zal ik u met de boot bericht zenden, meneer,” antwoordde Jack met een verlicht hart; “ik ben u ten zeerste dankbaar. Gascoigne en ik hadden er al over gedacht er u naar te vragen, maar we zagen er wat tegen op: de arme jongen heeft bijna geregeld hoofdpijn, nog erger dan ik, en de pillen van den dokter helpen hem ook niets.”

“Hij zal ook een paar fleschjes hebben, meneer Rustig; ik vond al dat hij er bleek uitzag. Let nu vooral op matige beweging, meneer Rustig, en vermijd de middagzon.”

“Ja, meneer,” antwoordde Jack, “ik zal er om denken,” en innig verblijd ging hij heen. Hij gaf Mesty last zijn goed in de boot te brengen en was spoedig met den kapitein aan wal, waar ze door den goeverneur hartelijk werden ontvangen.

“Wel, Jack, mijn jongen heb je weer het een en ander te verhalen?” vroeg de goeverneur.

“Ja, meneer,” antwoordde Jack, “ik weet een paar heel aardige gevallen.”

“Best, na tafel zullen we er wel van hooren,” hernam de goeverneur. “Ga nu eerst maar eens kijken of je kamer je aanstaat, en of je ’t er een poos zult kunnen uithouden.”

“Dat kan niet lang wezen, goeverneur,” merkte kapitein Wilson op. “Meneer Rustig dient zijn plicht te leeren, en daarvoor is nu een goede gelegenheid.”

“Ja maar, met uw verlof, kapitein,” antwoordde Jack, “ik sta op de ziekenlijst.”

“Ziekenlijst?” vroeg kapitein Wilson, “van morgen stond uw naam toch niet op het rapport.”

“Neen, maar ik sta op de lijst van meneer Pottyfar en ik moet een kuur met zijn universeel geneesmiddel doormaken.”

“Wat is dat nu weer, Jack? Zeker de een of andere grap,” zei de goeverneur.

Jack vertelde hoe de eerste luitenant hem den vorigen avond verlof had geweigerd, maar hem nu vergund had aan wal te blijven, Bladzijde 166om de proef te nemen met het universeele middel, waarover de goeverneur zoo hartelijk lachte, dat kapitein Wilson er zijns ondanks mee moest instemmen.

“Hoor eens, meneer Rustig,” zei de kapitein na een poos, “al heeft meneer Pottyfar u toegestaan aan wal te blijven, ik kan dit niet—gij moet Uw plicht leeren vervullen. De gelegenheid daartoe is nu veel te mooi en doet zich niet alle dagen op, dat zult ge zelf begrijpen.”

“Ja, meneer, dat zie ik in,” antwoordde Jack, en bij die woorden stond hij op, maakte een buiging en verliet de warande, waarin ze hadden zitten praten.

“Och kom, kapitein,” zei de gouverneur toen Jack weg was, “je moet ’t niet zoo nauw met hem nemen; met een zacht lijntje is hij ’t best te regeeren.”

“Wel mogelijk maar hij moet zijn plicht doen, evengoed als de anderen.”

“Dat valt niet tegen te spreken, maar er is wel een mouw aan te passen, zoodat hij niet voortdurend aan boord behoeft te blijven. Stel hem aan tot uw ordonnans, tot het overbrengen van berichten van en naar het schip; bij dat baantje kan hij ’s avonds en ’s nachts geregeld hier blijven.”

“Op die manier zou ’t te vinden zijn,” hernam kapitein Wilson peinzend. Ik ben maar bang dat hij te ruim bij kas is, om met het scheepsleven vrede te hebben; al dat geld is voor zoo’n jong officiertje glad verkeerd.”

“Kom, kom, ’t kan lang duren eer hij zich in de grond werkt, en als uw eerste luitenant zoo bespottelijk hoog wegloopt met zijn universeel geneesmiddel, is ’t dan wonder dat een adelborst er profijt van ziet te trekken?”

“Dat niet, maar ik mag me niet met open oogen laten beetnemen.”

“Hij heeft het heele geval zoo openhartig verteld, maak dus geen gebruik van die vertrouwelijke mededeeling. Werkelijk, wat ik daareven voorstelde zal nog het beste wezen en alle partijen bevredigen; want gij hebt dan uw zin omdat hij dienst doet, de eerste luitenant omdat Jack zijn geneesmiddel gebruikt, en Jack zelfs, omdat hij iederen dag bij mij kan eten.”

“Nu, dan moet ’t maar zoo geschikt worden,” antwoordde kapitein Wilson lachend.

Na afloop van ’t diner, waarbij heel wat gasten genoodigd waren, vroeg de gouverneur Jack, of hij niets iets te vertellen had en onze held dischte nu het verhaal op van kapitein Hogg’s liefdesgeschiedenis Bladzijde 167met Miss Hicks en hoe hij haar broer den vice-consul had beetgenomen. De goeverneur had er machtig veel schik in en kapitein Wilson gaf zijn verwondering te kennen, dat hij er eerst nu iets van hoorde.

“Je heb een groote dwaasheid voorkomen, meneer Rustig, en daar deed je wel aan,” merkte de kapitein lachend op, “maar hoe komt ’t, dat je er mij nooit iets van verteld hebt?”

“Och, meneer,” antwoordde Jack, “ik heb mijn verhalen altijd maar bewaard voor de goeverneurstafel, waar ik u toch stellig ook zou aantreffen; ik behoefde dan niet tweemaal hetzelfde te vertellen.”

Jack gedroeg zich uitstekend, en bleef uit eigen beweging het grootste gedeelte van den dag aan boord om zijn plicht te leeren, zoodat kapitein Wilson geen berouw behoefde te hebben over zijn toegeeflijkheid tegenover hem. Met Jacks gezondheid ging het dagelijks beter, wat veel voldoening schonk aan meneer Pottyfar, die in de meening verkeerde, dat zijn universeel geneesmiddel geregeld gebruikt werd. Gascoigne, die ook onder behandeling van den eersten luitenant was, ging dikwijls met onzen held aan wal en dacht er niet meer over om zijn ontslag uit den dienst te nemen.

Zeven weken hadden ze al in de haven gelegen, want er was heel wat te herstellen geweest, toen kapitein Wilson op een morgen bij het ontbijt een brief ontving, welks inhoud hem ten hoogste verbaasde. “Mijn hemel! wat moet dat beteekenen?” riep hij uit.

“Wat is er, Wilson?” vroeg de goeverneur.

“Hoor nu eens aan, Sir Thomas.” En de kapitein las: