“Hooggeachte Heer!
Het is mijn plicht u mede te deelen, dat de onlangs overledene Lady Signora Alfergas de Guzman, in haar testament een som van duizend dubloenen in goud aan u vermaakt heeft, als een blijk van erkentelijkheid voor de goede diensten haar bewezen op den avond van den 12den Augustus. Indien gij iemand machtigen wilt tot inning van genoemd bedrag, zal het onmiddellijk uitbetaald worden. Moge een lang leven uw deel zijn!
Uw onderdanige dienaar,
ALFONZO XEREZ.”
Onder het lezen van dien brief, sloop Jack stilletjes de kamer uit, zonder dat de goeverneur of de kapitein er acht op sloegen. Bladzijde 168
“Wat kan dat beteekenen?” vroeg de kapitein. “Ik herinner me niets van diensten op 12 Augustus of daar omtrent aan den een of ander bewezen. ’t Moet een verrassing wezen—12 Augustus—dat was de dag van het groote gemaskerd bal.”
“’t Is in elk geval een buitenkansje voor u, want—vergissing of niet—niemand anders dan gij kan aan het legaat raken.”
“Ik heb niet gehoord van iets bijzonders, dat op het gemaskerd bal zou zijn voorgevallen; ik ben er wel geweest, maar vroeg heengegaan, omdat ik me niet prettig gevoelde. Meneer Rustig,” zei de kapitein en wendde zich om, maar Jack was weg.
“Is hij er ook geweest?” vroeg de gouverneur.
“Ja, dat weet ik zeker, want de eerste luitenant heeft me gezegd, dat hij verlof had gevraagd om eerst den volgenden morgen aan boord terug te komen.”
“Reken er dan maar vast op, dat hij er achter steekt,” hernam de gouverneur en sloeg met de vuist op tafel.
“’t Zou me niet verwonderen,” antwoordde kapitein Wilson, lachend.
“Laat ’t maar aan mij over, Wilson, ik zal wel uitvisschen hoe de vork aan den steel zit.”
Na nog een poosje praten, begaf kapitein Wilson zich naar boord, in de hoop dat de gouverneur Jack uit zou hooren. Daartoe kreeg Sir Thomas echter geen gelegenheid, want Jack had al bij zichzelven besloten den gouverneur tot zijn vertrouwde te maken en begon uit eigen beweging het heele geval met de dikke dame te vertellen.
“Houd op, Jack, want ik zou me ziek lachen,” zei de vroolijke oude heer ten laatste; “maar wat dient er nu gedaan?”
Onze held werd nu ernstig en betoogde den gouverneur, dat hij zelf overvloed van geld had, terwijl kapitein Wilson arm was en een groot gezin moest onderhouden. Daarom hoopte hij, dat alles in het werk zou gesteld worden om kapitein Wilson tot het aanvaarden van het legaat te bewegen.
“Goed zoo, mijn jongen, zoo mag ik ’t hooren,” hernam de gouverneur; “maar ’t zal misschien niet zoo gemakkelijk gaan, want Wilson staat erg op zijn eer. Je hebt immers niemand iets van het geval verteld?”
“Geen sterveling behalve u, Sir Thomas.”
“Hij zelf mag de eigenlijke toedracht ook niet vernemen, want dan zou hij eerst recht het legaat weigeren.”
“Ik heb er al iets op gevonden, meneer,” zei Jack. “Toen ik voor het feestgebouw aan die oude dame mijn geleide aan bood en zij van mijn duivelskostuum zoo’n schrik kreeg, is ze in de armen Bladzijde 169van kapitein Wilson gevallen en was hem zeer dankbaar, dat hij haar voor een leelijke tuimeling had behoed.”
“Daar hebben we ’t, Jack,” antwoordde de gouverneur, “daar moeten we ’t maar op gooien. Ik heb wel beweerd dat gij er achter zoudt steken, maar ik zal hem nu wel wat anders op den mouw spelden; laat dat maar gerust aan mij over.”
Toen kapitein Wilson des namiddags terugkwam, vond hij den gouverneur in de waranda.
“Ik heb eens met den jongen Rustig gesproken,” zei de goeverneur, “maar van dat legaat weet hij niets. Toch heeft hij een verklaring aan de hand gedaan. Toen hij namelijk als duivel de oude dame zulk een schrik op het lijf joeg, hebt gij het zwaarlijvige schepsel in uw armen opgevangen en daardoor voor een gevaarlijken val behoed.”
“Ik herinner me niets van de heele geschiedenis; en dan, duizend dubloenen voor het oprapen van een oude dame!”
“Waarom niet? Ik ken die familie als onnoemelijk rijk, en als het arme schepsel gevallen was, zou ’t haar misschien den dood hebben gekost. Heel begrijpelijk dus, dat ze haar redder ruim wenschte beloonen. Uw naam uit te visschen was ook zoo moeilijk niet, want gij waart in uniform.”
“Ja,” antwoordde kapitein Wilson, “ik weet er ook geen andere verklaring aan te geven en zal ’t er dus maar voor houden, dat de uwe de juiste is. Toch vind ik het wel wat kras duizend dubloenen aan te nemen voor een eenvoudige beleefdheid.”
“Och wat! zoo’n bedrag heeft voor die familie niets te beteekenen, terwijl het voor u met uw groot gezin een aardig buitenkansje is. Geloof me, al had de val haar het leven niet gekost, een been zou ze al licht gebroken hebben.”
“Op die veronderstelling zal ik het legaat dan in ’s hemelsnaam maar aannemen,” antwoordde kapitein Wilson lachend.
“Wel natuurlijk, zend er terstond iemand op uit. De wisselkoers staat op dit oogenblik juist zeer hoog en gij zult voor de duizend dubloenen nu bijna vier duizend pond krijgen.”
“Vier duizend pond voor het op de been houden van een oud wijf!” riep Wilson uit.
“Ja, ’t is verduiveld goed betaald, Wilson, ik wensch je geluk.”
“Wat ben ik den vader van onzen Rustig toch veel dank verschuldigd!” merkte de kapitein na eenig zwijgen op. “Als hij me niet door zijn geldelijken steun aan een schip geholpen had, zou ik niet bevorderd zijn, geen drie duizend pond als aandeel in den gemaakten buit ontvangen hebben, niet het kommando hebben gekregen Bladzijde 170over een mooi fregat en nu nog in een ommezien vierduizend pond.”
De gouverneur dacht bij zichzelf, dat voor dit alles aan Jack meer dank toekwam dan aan diens vader, maar hij was verstandig genoeg om daarover te zwijgen.
“’t Is waar,” zei de goeverneur, “de hulp van den ouden heer Rustig mag niet voorbijgezien worden, maar het meest hebt ge toch aan uw eigen flinkheid te danken.”
Twintigste hoofdstuk.
Jack ontvangt een brief van zijn vader. Don Silvio weet zich onder een valschen naam bij den goeverneur in te dringen.
Hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een bezending brieven uit Engeland. Kapitein Wilson begaf zich met de voor hem bestemde naar zijn kamer, de goeverneur hield zich bezig met de zijne en onze held kreeg voor het eerst een schrijven van zijn vader. Het luidde als volgt:
“Waarde zoon.
Al menigmaal heb ik het plan opgevat u te laten weten hoe ’t hier in deze streken geschapen staat. Maar daar ik om mij heen niets dan ellende bespeur, heb ik telkens de pen weer neergelegd, ten einde u niet te bedroeven met de mededeeling er van.
De tijding van uw dood en ook het latere bericht, dat gij onverhoopt voor ons gespaard waart gebleven, zijn in orde ontvangen en ik houd me overtuigd, dat ik zoowel de smart als de vreugde met de voor een wijsgeer passende kalmte heb gedragen. In het eerste geval troostte ik mij met de overweging, dat de door u verlaten wereld in een staat van slavernij verkeerde en gebukt ging onder den druk der geweldenarij zoodat te sterven slechts onze vrijheid ten goede kon komen; en in het tweede geval matigde ik mijn blijdschap om dezelfde redenen, vast besloten als ik ben om zoowel in leven als in sterven mij een waar wijsgeer te betoonen, wat Dr. Middleton er ook van moge zeggen. Bladzijde 171
Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik overtuigd word, dat niets de wereld gelukkig kan maken dan gelijkheid en zuivere inachtneming van de rechten van den mensch—kortom dat alles en iedereen op één zelfde peil diende gebracht te worden.
Ja, mijn zoon, als ik niet bleef hopen, dat de zon der gerechtigheid zal verrijzen, om al de donkere wolken, die het land verduisteren, te verdrijven—als ik niet bleef hopen nog eenmaal een gelijke verdeeling van alle eigendom te beleven—dan zou ik er me niet om bekommeren, hoe eer hoe liever dit tranendal vol dwingelandij en ongerechtigheid te verlaten. Doch het groote werk der bevrijding van het menschdom zal volbracht worden, in weerwil van het schouderophalen en hoofdschudden van zulk een koppigen, eigenwijzen kerel als Dr. Middleton.
Uw moeder leeft heel stilletjes voort; werken of lezen doet ze niet meer, ja zelfs haar breikous heeft ze er aan gegeven; zij zit nu maar den ganschen dag in een hoekje van den haard met haar duimen te spelen in afwachting van het duizendjarig rijk. Arm schepsel! wat ze daar al niet voor onzin over uitkraamt! Doch ik laat haar stil begaan, en volg het voorbeeld van den griekschen wijsgeer Socrates, die met zijn Xantippe ook heel wat te stellen had.
Ik hoop, waarde zoon, dat met de jaren uwe beginselen in vastheid zullen gewonnen hebben en dat gij, indien zulks noodig is, alles zult opofferen ter bereiking van datgene wat in mijne oogen het duizendjarig rijk is. Zie zooveel mogelijk aanhangers voor onze denkbeelden te winnen en geloof mij
Uw toegenegen vader en trouwen gids
NICODEMUS RUSTIG.”
Jack schudde het hoofd en lei den brief met een zucht neer, ontevreden over zijn vader en over zichzelf. Het liep echter tegen etenstijd en dus ging hij zich kleeden voor het diner bij den goeverneur, waarop ook Gascoigne genoodigd was. Nauwelijks waren ze in de ontvangkamer gekomen, of Sir Thomas trad op hen toe:
“Gij beiden verstaat Italiaansch, heeren, doe me dus het genoegen u van middag bezig te houden met een Siciliaansch officier, die mij zeer aanbevolen is.”
Zij werden nu voorgesteld aan een slank jongmensch van een kaap uiterlijk, maar die toch iets onaangenaams in zijn blik had. Aan tafel werd Don Matthias, zoo luidde zijn naam, tusschen onze Bladzijde 172beide adelborsten geplaatst en deze begonnen terstond een gesprek met hem, begeerig als ze waren om iets te vernemen omtrent hun vrienden te Palermo. Zoo onder het praten vroeg Jack of hij ook kennis had aan Don Rebiera, waarop de Siciliaan bevestigend antwoordde, en weldra hadden ze ’t heel druk over de verschillende leden der familie. Tegen het einde van het diner vroeg Don Matthias onzen held hoe hij met Don Rebiera in kennis was gekomen en Jack vertelde nu hoe hij en zijn vriend Gascoigne den man gered hadden uit de handen van twee schurken. Na deze mededeeling scheen het opeens uit te raken met de spraakzaamheid van den jongen officier, maar toch gaf hij bij het afscheid nemen zijn hoop te kennen onze adelborsten nog nader te ontmoeten. Nauwelijks was hij vertrokken of Gascoigne merkte op: “Me dunkt, ik heb dat gezicht meer gezien, maar waar, dat wil me niet te binnen schieten.”
“Ik kan me niet herinneren hem ooit ontmoet te hebben,” antwoordde onze held, “maar in dergelijke opzichten is jouw geheugen heel wat beter dan het mijne.”
Er werd niet verder over gesproken en Jack was al weer aan het luisteren naar den goeverneur en kapitein Wilson, die nog alleen van de partij over waren, toen Gascoigne, nadat hij geruimen tijd had zitten soezen, opeens van zijn stoel opsprong en uitriep:
“Nu ben ik er achter!”
“Waar achter?” vroeg kapitein Wilson.
“Achter den naam van dien Siciliaanschen officier—ik wist ook wel, dat ik hem meer gezien had.”
“Dien Don Matthias?”
“Neen, Sir Thomas! Niet Don Matthias! Hij is niemand anders dan Don Silvio, die op het punt stond Don Rebiera te vermoorden, toen wij te hulp schoten en den man redden.”
“Ik geloof waarlijk dat je gelijk hebt, Gascoigne.”
“Stellig heb ik dat,” hernam Gascoigne; “nog nooit heb ik me in zoo iets vergist.”
“Reik me die brieven eens aan, Rustig,” zei de goeverneur, “dan zullen we eens zien hoe hij genoemd wordt. Hier heb ik ’t—Don Matthias de Alayeres. Je hebt ’t zeker mis, Gascoigne; bedenk wel, dat ge een zware beschuldiging tegen dien jongen man inbrengt.”
“Dat weet ik, Sir Thomas, maar ik zou er mijn heele traktement onder durven verwedden, dat ’t Don Silvio is. Ook heb ik wel degelijk opgemerkt, dat hij van kleur verschoot, toen Jack hem verhaalde, dat wij beiden het geweest waren, die Don Rebiera te hulp waren gekomen. ’t Is jou toch zeker ook niet ontgaan, Jack, dat hij later haast geen woord meer gesproken heeft.” Bladzijde 173
“Dat is zoo,” antwoordde Jack.
“Dan zullen we aan ’t onderzoeken moeten,” merkte de goeverneur op; “want in dat geval is de aanbevelingsbrief bedriegerij.”
Allen begaven zich nu naar bed, en terwijl Rustig en Gascoigne den volgenden morgen nog eens hun vermoedens bespraken, werden er brieven uit Palermo voor hen gebracht. Zij dienden ter beantwoording van Jack’s schrijven bij hun aankomst op Malta; eenige regels van Don Rebiera, een klein briefje van Agnes, en een uitvoerig schrijven van zijn vriend Don Philip, waarin onder anderen ook voorkwam, dat Don Silvio opnieuw een aanslag gewaagd had op hun vaders leven, welke toeleg gelukkig verijdeld was. Waarschijnlijk was de ellendeling met een der marktschuiten naar Malta ontsnapt.
Dit nieuws werd bij het ontbijt terstond aan den gouverneur en aan kapitein Wilson medegedeeld.
“We zullen dat eens onderzoeken,” merkte de gouverneur op, die nu ook naar den verderen inhoud der brief vroeg.
Jack en Gascoigne hadden rust noch duur aan het ontbijt en niet zoodra was dit afgeloopen, of zij pakten zich stilletjes weg. Toen kapitein Wilson eenige oogenblikken later opstond om naar boord te gaan, waren de beide adelborsten nergens te vinden.
“Ik begrijp ’t al, Wilson,” zei de gouverneur; “laat ze maar aan mij over, en ga zelf gerust naar boord.”
Intusschen hadden onze beide vrienden een eenzamen vestingwal opgezocht, waar ze niet licht gestoord zouden worden, “Je vermoedt zeker wel wat ik van plan ben, Gascoigne,” zei Jack. “Ik wil dien ellendeling nog dezen morgen een kogel door den kop jagen.”
“Alles goed en wel, Jack, maar dat is eigenlijk mijn werk en niet het jouwe; ik heb hem ontdekt, dus behoort hij mij.”
“Dat staat nog te bezien,” hernam Jack; “hij heeft ’t toegelegd op het leven van den man, dien ik eens mijn schoonvader hoop te noemen, en dus heb ik het meeste recht op hem.”
“Bedenk wel, Jack, dat hij een aanverwant van Agnes is; jij mag je dus niet met zijn bloed bezoedelen, want dat zou later voor je huwelijk een groot bezwaar kunnen opleveren.”
Dit bracht Jack tot nadenken en na nog wat gehaspel werd er bepaald, dat Gascoigne met Don Silvio zou vechten, terwijl Jack de uitdaging zou overbrengen. Zij lieten er geen gras over groeien en Jack begaf zich onmiddellijk naar het logement, waar de Siciliaan zijn intrek genomen had.
Bij Don Silvio binnen gelaten, vond hij hem bezig met het wetten van een tweesnijdenden dolk. De Siciliaan trad hem te gemoet Bladzijde 174en stak hem met voorgewende hartelijkheid de hand toe, maar Jack zei met een uitdagenden blik: “Don Silvio, wij kennen u; ik kom hier alleen om namens mijn vriend voldoening van u te vragen. En waarlijk, gij moogt nog van geluk spreken, want het is toch vrij wat verkieselijker te sterven door de hand van een fatsoenlijk man dan aan de galg.”
Don Silvio werd opeens doodsbleek—zijn hand deed een greep naar zijn dolk, maar deze was op tafel blijven liggen; ten slotte antwoordde hij: “’t Is goed, meneer, over een uur zal ik mij met hem meten, waar gij maar verkiest.”
Jack gaf op waar de ontmoeting zou plaats hebben en ging heen. Hij spoedde zich met Gascoigne naar de woning van een officier met wien ze bevriend waren, en, na zich bij deze van de noodige vuurwapenen voorzien te hebben, kwamen zij nog vóór den bepaalden tijd op de aangeduide plek. Zij wachtten geruimen tijd, maar wie er verscheen—Don Silvio niet.
“Hij heeft de plaat gepoetst,” merkte Gascoigne op; “de schurk is ons ontsnapt.”
Reeds was er een half uur na het vastgestelde tijdstip verstreken en nog altijd was er geen spoor te zien van Gascoigne’s tegenpartij; maar wel kwam een der adjudanten van den gouverneur op hen af.
“Daar heb je Atkins,” zei Jack; “dat treft ongelukkig, maar hij zal wel geen bezwaar maken.”
“Heeren,” zei Atkins, heel deftig groetende, “de gouverneur wenscht dringend u beiden te spieken.”
“Op dit oogenblik kunnen we onmogelijk komen, maar over een half uur zullen we er wezen.”
“Gij moet er echter binnen drie minuten zijn. Neem me niet kwalijk, maar ik heb uitdrukkelijke bevelen en om ze stipt te kunnen uitvoeren, staat er een korporaal met eenige manschappen achter den vestingwal geposteerd—maar natuurlijk, als gij gewillig meegaat is die hulp overbodig.”
“Dat is een vervloekte dwingelandij,” riep Jack uit. Er bleef hun echter geen keus over, en daarom volgden zij meneer Atkins naar het gouvernements gebouw, waar zij Sir Thomas aantroffen onder de waranda, die het uitzicht gaf op de haven en de open zee.
“Kom eens hier, heeren.” zei de gouverneur op strengen toon; “ziet ge daar ginds op twee mijlen van de kust dat schip wel? Daarmede wordt Don Silvio gevankelijk naar Sicilië overgebracht. En onthoudt nu wel den levensregel, dien ik u zal aangeven: Vecht als het noodig is met fatsoenlijke menschen, maar nooit met schurken en moordenaars. Een tweegevecht met een ellendeling aan te nemen, Bladzijde 175is even onteerend als een fatsoenlijk man voldoening te weigeren. Gaat nu heen, want ik ben boos op u, en komt niet meer onder mijn oogen vóór etenstijd.”
Een-en-twintigste hoofdstuk.
de Aurora raakt slaags met een Russisch fregat. Luitenant Pottyfar zoekt vergeefs baat bij zijn universeel geneesmiddel.
Maar eer zij den gouverneur aan tafel ontmoetten, was er van de vloot een sloep aangekomen met depêches van den opperbevelhebber. Daarbij werd onder anderen aan kapitein Wilson gelast, zooveel mogelijk haast te maken met het uitrusten van zijn schip en dan te gaan kruisen in de buurt van Corsica, waar hij een Russisch fregat moest aanklampen; vond hij ’t daar niet, dan moest hij inlichtingen inwinnen en het overal nazetten, waar het te vinden mocht zijn.
Alles aan boord van de Aurora raakte nu druk in de weer. Kapitein Wilson verliet met onzen held en Gascoigne de woning van den gouverneur en begaf zich weer aan boord, waar zij dag en nacht bleven. Op den derden dag was de Aurora geheel gereed om in zee te steken en omstreeks den middag zeilde zij de haven van Valette uit.
Binnen een week was de Corsikaansche kust bereikt en men behoefte geen uitkijk in den mast te zenden, want een der officieren of de adelborsten was er voortdurend van het aanbreken van den dag tot donker. Van het schip, waarop ze jacht maakten, was echter nog steeds niets te bespeuren.
Windstilte gaf eenige dagen vertraging, maar eindelijk maakte een stevige bries uit het noorden het mogelijk langs den oostkant van het eiland zuidelijk koers te zetten. Op den achttienden dag na het verlaten van Malta, kregen zij omstreeks zestien mijlen voor zich uit een groot schip in ’t zicht. De manschappen zaten op dat oogenblik juist aan het ontbijt:
“Een fregat, kapitein Wilson, ik ben er zeker van,” zei de eerste luitenant.
“Welken koers heeft het?” Bladzijde 176
“Denzelfden als wij.”
De Aurora had alle zeilen bijgezet, en toen het volk ging schaften had ze al ongeveer twee mijlen gewonnen op het achtervolgde vaartuig.
“Dat zal een langdurige jacht zijn, nu we beiden denzelfden koers hebben,” merkte Martin tegen Gascoigne op.
“Ja, dat vrees ik ook—maar het ergste is nog, dat het misschien zal ontsnappen.”
“Daar is ook wel kans op,” antwoordde zijn kameraad.
“Och wat, jij altijd met je Jobsgedachten!” viel Gascoigne uit.
“Ja, maar ik heb ’t toch niet zoo dikwijls mis;” herman Martin. “Twee dingen zijn maar de vraag: vooreerst, zullen we het schip inhalen of niet—en dan als we het inhalen, is ’t wel het vaartuig, waarop wij ’t gemunt hebben.”
“’t Schijnt jou al heel weinig te kunnen schelen.”
“Dat is volstrekt het geval niet; reken maar eens aan, ik ben de oudste adelborst hier aan boord; als ik het bemachtigen van het fregat overleef, zal ik eindelijk eens bevorderd worden, en schiet ik er het hachje bij in, welnu dan is de bevordering overbodig. Maar ik ben al zoo dikwijls teleurgesteld, dat ik maar nergens meer op reken, zoolang ik ’t niet goed en deugdelijk heb.”
“Nu, om jou mag ik maar lijden, Martin, dat het gindsche schip hetzelfde is dat we zoeken, dat we er het leven afbrengen, en dat jij bevorderd wordt.”
“Dankje, Rustig—ik wou dat ik er ook op durfde hopen.”
“Ze hebben bij den wind gebrast, kapitein,” riep de tweede luitenant uit de stengedwarszalings.
“Wat dunk jou er van, Martin?” vroeg Jack.
“Dat ’t een Engelsch fregat is, of dat het schip een flinke bemanning heeft en een dapperen kerel tot kommandant.”
De zon begon onder te gaan eer de Aurora het schip tot op twee mijlen genaderd was. Er was geseind, maar dit bleef onbeantwoord, hetzij dat het te donker was om de kleuren van de seinvlaggen te onderscheiden, hetzij de vijand die niet kende. De vreemdeling had de Engelsche vlag geheschen, maar dat kon nog niet gelden voor een afdoend bewijs, dat hij tot een bevriende natie behoorde; en even vóór donker had hij den steven naar de Aurora gewend, die nu recht op hem aan was gekomen. Van de bemanning der Aurora was ieder op zijn post, want binnen weinige minuten zou het beslist zijn, of ze met een vriend of met een vijand te doen hadden.
Nu is er haast geen lastiger geval denkbaar, dan zoo’n ontmoeting: Bladzijde 177met een schip, waarvan men niet weet, wat men er aan heeft. Men moet zich geheel tot den aanval gereed houden en zorgen dat de vijand, als het er een is, geen voordeel trekke uit uw dralen met handelend op te treden; en aan de anderen kant dient de grootste voorzichtigheid in acht genomen, opdat ge niet op een vriend en landgenoot losbrandt.
Kapitein Wilson had het nachtsignaal geheschen, maar met al de zeilen zou ’t voor het andere schip moeielijk zijn het op te merken. Om nu dit bezwaar uit den weg te ruimen en alle vergissing te voorkomen, liet kapitein Wilson, toen de twee fregatten elkaar tot op drie kabellengten genaderd waren, de bezaan opgeien, zoodat het seinlicht duidelijk zichtbaar werd.
Er kwamen op het andere schip wel lichten in beweging, alsof ze van plan waren te antwoorden, doch ze bleven maar steeds de Aurora aan lij houden tot op ongeveer een halve kabellengte, en toen de schepen elkaar bijna vlak op zij waren gekomen, werd er in het Engelsch geroepen:
“Schip ahoy! wat voor schip is dat?”
“Zijner Majesteits fregat Aurora,” riep kapitein Wilson, die boven op de verschansing stond. “En wat voor schip is het uwe?”
In plaats van het verwachte antwoord “zijner Majesteits schip ———” hoorden zij opeens de kanonnen losbranden en kreeg de Aurora de volle laag op zulk een geringen afstand, dat de uitwerking geducht was. De bemanning van de Aurora was, toen er in het Engelsch gepraaid werd, in de meening geraakt, dat het een van hun eigen kruisers zou zijn. Zij, die de stukken bedienden, hadden teleurgesteld de talierepen laten vallen en de stilte, die er geheerscht had, zou juist afgebroken worden door uitingen van ontevredenheid over zoo’n tegenvaller, toen het gedonder van het geschut hun opeens in de ooren klonk, en het splijten en scheuren van balken en planken hen voor een oogenblik deed versuffen. Menigeen moest naar beneden gedragen worden, maar het viel moeilijk te zeggen wat er bovendreef, de verontwaardiging over den verraderlijken aanval of de voldoening, nu het bleek dat ze niet voor niets op hun post waren geroepen. In elk geval weerklonk er een driewerf hoera! waardoor het gekreun en gekerm dergenen, die naar de ziekenboeg werden gesjouwd, overstemd werd.
“Volk aan de bakboordsstukken en klaar om te wenden!” bulderde kapitein Wilson en haastte zich van de verschansing. “Terdege uitkijken, jongens, en goed gemikt, hoor! We zullen ze die aardigheid eens flink betaald zetten.”
De Aurora was gewend en loste de volle laag op het achterschip Bladzijde 178van het Russische fregat. Het was bijna donker, maar de vijand scheen al even verlangend naar den strijd als de Aurora. Binnen vijf minuten waren de twee schepen elkaar op zij gekomen en openden op weinig meer dan een pistoolschot afstand een moorddadig vuur.
Na een verwoed gevecht van een half uur, ging kapitein Wilson van beneden naar het bovendek en richtte zelf stuk voor stuk de geladen kanonnen, de midscheepsche op de groote rust van den vijand, en ook die van het voor- en van het achterschip zóó, dat al de schoten ongeveer op de zelfde hoogte moesten treffen. Vervolgens gaf hij bevel dat op het gegeven kommando alle tegelijk moesten afgevuurd worden. De vijand begreep niet waarom er zoo gedraald werd met schieten en verbeelde zich al, dat de Aurora het vuren opgaf. Maar opeens kreeg hij de volle laag en, hoe donker het ook was, toch kon men de uitwerking waarnemen. Er was een geducht gat in het schip geslagen en de groote mast tuimelde over boord. De Aurora maakte nu, dat ze dwars voor den Rus kwam te liggen, en begon uit de bovendeksstukken met schroot te schieten, om den vijand alle werkzaamheid aan dek te verhinderen, terwijl de batterij van het hoofddek een vernielend vuur op den romp bleef onderhouden.
De maan brak door de wolken en stelde hen in staat met meer juistheid te werk te gaan. In een kwartier was het Russische schip al zijn masten kwijt en kon kapitein Wilson de helft van zijn manschappen aan het herstellen der geleden schade zetten. De vijand bleef nog met vier stukken het vuur beantwoorden, maar het duurde niet lang of ook deze vier waren tot zwijgen gebracht. De Aurora staakte nu den strijd en de tweede luitenant werd met een der sloepen, die ongehavend was gebleven, afgezonden om zich te vergewissen of het fregat zich gewonnen gaf.
De heldere maan wierp een zilverachtig licht over het water, toen de boot afzette; kapitein Wilson en de officieren, die niet gewond waren, leunden over de deerlijk gehavende verschansing van de Aurora en wachtten het antwoord af. Op eens werd de stilte van den nacht verbroken door een vervaarlijk geraas van den kant van het Russisch fregat, op dat oogenblik ongeveer drie kabellengten van hen verwijderd.
“Wat zou dat zijn?” riep kapitein Wilson uit. “Het anker hebben ze vroeger al laten vallen, dat kan ’t dus niet wezen. Je moest eens loden, meneer Jones, en zien hoeveel water we hebben.”
Meneer Jones was al lang doodelijk gewond naar beneden gedragen, maar een ander wierp het lood uit en peilde zeven vademen. Bladzijde 179
“Dan zal hij ’t ons, vrees ik, nog lastig genoeg maken,” merkte Wilson op; en dat bleek ook spoedig, want de Russische kapitein had den tweeden luitenant in het Engelsch toegeroepen, “dat hij zijn vraag met het geschut beantwoorden zou” en was bijna onmiddellijk daarop weer begonnen te vuren op de Aurora.
Kapitein Wilson maakte zeil en voer aanhoudend om het geankerde schip heen, zoodat hij het bij beurten rechts en links de volle laag kon geven. De hardnekkigheid, waarmee de dappere Rus den strijd volhield, gaf kapitein Wilson de overtuiging, dat de man liever zou blijven doorvechten tot zijn schip zonk dan de vlag te strijken; en in dit geval zou de Aurora niet alleen nog verscheidene manschappen moeten verliezen, maar ook het Russische schip niet buit kunnen maken. Daarom besloot kapitein Wilson tot een beslissenden stap. Na een kort overleg met zijn officieren klampte hij den Rus aan boord, en sprong aan het hoofd zijner manschappen op het vijandelijk dek over.
Er volgde nu een allerhevigst gevecht van man tegen man, waarbij de Russische kapitein en het gering getal manschappen, dat hij nog over had, zich dapper verweerden. Lang kon echter de tegenstand niet duren en weldra was het Russisch fregat in handen der Engelschen.
Zoodra het dek opgeruimd was, liet kapitein Wilson de luiken sluiten en gaf aan een deel zijner manschappen last aan boord van het veroverde vaartuig te blijven, terwijl hij zelf zich haastte onderzoek te gaan doen naar den toestand van zijn eigen schip.
De dag was al aangebroken eer aan boord der Aurora de boel weer zoo wat op orde was gebracht. De meeste gewonden waren intusschen in de hangmatten gelegd, terwijl er ook enkelen waren, die een amputatie moesten ondergaan.
De timmerman had al de geschoten gaten onder of dicht bij de waterlijn hersteld en was daarna begonnen het lek van het buitgemaakte vaartuig te stoppen. Ofschoon aan het bovengedeelte erg gehavend, was er toch geen aanleiding om te veronderstellen dat het ook beneden de waterlijn ernstige schade had beloopen en daarom bleven de luiken gesloten, ofschoon eenige manschappen aan de pompen werden gesteld om te zien of het schip ook water maakte. Zoodra de Aurora er weer wat behoorlijk uit begon te zien, ging kapitein Wilson opnieuw aan boord van het veroverde schip, waar het dek, nu het helder licht geworden was, een vreeselijk bloedbad te aanschouwen gaf. Lijk na lijk werd over boord geworpen en aan de gewonden zoodra mogelijk hulp verleend; de luiken werden afgenomen en het overschot der bemanning aan dek gekommandeerd; Bladzijde 180ongeveer tweehonderd gaven gehoor aan dat bevel, maar het zag er beneden, wat dooden en gewonden betrof, al even ellendig uit als boven. De gevangenen werden op de Aurora overgebracht en daarna begon het schiften van dooden en levenden. Vervolgens werden de meest noodige herstellingen gedaan en een deel der bemanning van de Aurora, onder bevel van den tweeden luitenant, er aan boord gezonden. Den ganschen nacht werd er doorgewerkt en eerst den volgenden morgen kon de Aurora, met de Drietand, zoo heette het Russische fregat, op sleeptouw, onder zeil gaan.
In dat moorddadig gevecht had de Drietand meer dan tweehonderd man aan dooden en gewonden. Het verlies der Aurora was niet zoo groot, maar toch belangrijk genoeg, namelijk zes en vijftig manschappen en officieren. Onder de gesneuvelden behoorden de stuurman Jones, de derde luitenant en twee adelborsten. Meneer Pottyfar, de eerste luitenant, was al bij het begin van den strijd zwaar gewond. De stuurmansmaat Martin en Gascoigne waren ook beiden getroffen, de eerste doodelijk, de tweede vrij ernstig. Onze held had een jaap met een sabel gekregen, zoodat hij zijn arm een tijdlang in een doek moest dragen.
Nog voordat de Drietand geënterd werd, was Mesty door een splinter geraakt, maar hij was aan dek gebleven om als een vader over Jack te waken en hem te beschermen. Ja, hij had nog meer gedaan; want toen kapitein Wilson met het plat van een sabel een slag kreeg, die hem deed suizebollen en op de knieën schieten, had hij zich met Jack vóór hem geworpen. En Jack had gezorgd, dat kapitein Wilson niet onbekend bleef met den grooten dienst, hem door Mesty bewezen.
“Maar je zult wel bij Mesty geweest zijn, toen hij me het leven redde,” merkte kapitein Wilson op.”
“Dat was ik ook, meneer,” antwoordde Jack bescheiden, “maar zonder dat ik zelf veel kon uitrichten.”
“Hoe gaat ’t van avond met uw vriend Gascoigne!”
“O, lang niet slecht, meneer; hij krijgt trek in een glas grog.”
“En met Martin?”
Jack schudde bedenkelijk het hoofd.
“De dokter is toch van oordeel, dat hij weer zal beteren.”
“Ja, meneer, dat heb ik Martin ook verteld; hij vond ’t heel goed, dat men hem hoop gaf—maar zelf dacht hij er anders over.”
“Je moet hem wat opmonteren, meneer Rustig; zeg hem, dat hij vast op bevordering kan rekenen.”
“Dat heb ik hem al gezegd, meneer, maar hij wil ’t niet gelooven. Hij zal er geen geloof aan slaan, zoolang hij niet de geteekende Bladzijde 181aanstelling onder zijn oogen krijgt. Ik denk bepaald, dat zoo’n stuk nog gunstiger op hem zou werken dan de dokter.”
“Nu, meneer Rustig, morgenochtend zal hij ’t hebben. Hebt ge meneer Pottyfar ook bezocht? Ik vrees, dat het slecht met hem zal afloopen.”
“Dat vrees ik ook, meneer; hij wordt iederen dag erger, ofschoon toch de wond gunstig staat.”
Zoo praatte Jack met zijn kapitein, toen zij den derden morgen na het gevecht aan het ontbijt zaten.
Den dag daarna bracht Rustig een voorloopige aanstelling voor Martin beneden en stelde hem die ter hand. De arme stakker, die in een verband in zijn hangmat lag, doorlas het stuk nauwkeurig.
“’t Is maar een voorloopige aanstelling, Jack,” zei hij; “misschien wordt ze niet bekrachtigd.”
Jack zwoer bij al de krijgsartikelen, dat ’t wel degelijk gebeuren zou; maar Martin bleef volhouden, dat ’t nooit zoo ver zou komen.
“Neen, neen,” zei hij, “ik wist wel, dat ik ’t nooit tot stuurman zou brengen. Wordt de aanstelling niet bekrachtigd, dan zal ik in leven blijven, maar gebeurt dat wel, dan sterf ik stellig.”
Iedereen, die Martin in zijn hangmat kwam opzoeken, wenschte hem geluk met zijn bevordering, maar zes dagen na het treffen met den vijand, werd het stoffelijk overschot van den armen Martin aan de golven prijs gegeven.
Het spoedigst volgde hem de eerste luitenant Pottyfar, die, gewond als hij was, een pakje van zijn universeel geneesmiddel had weten machtig te worden, en er zooveel fleschjes van geledigd had, dat hij op een goeden morgen dood in zijn hangmat werd bevonden, met meer dan twee dozijn leege fleschjes onder zijn hoofdkussen en naast zijn matras.
Twee-en-twintigste hoofdstuk.
Menschlievendheid met ondank beloond. Jack en zijn vrienden in levensgevaar, maar nog intijds van den dood gered.
Binnen drie weken liep de Aurora, met haar buit op sleeptouw, de haven van Malta binnen, maar een lange rust werd haar niet Bladzijde 182gegund, want er waren dringende tijdingen naar de overheid van Palermo over te brengen. Hiermede nu werd kapitein Wilson belast. Na ontvangen antwoord moest hij naar Malta terugkeeren, degenen van zijn manschappen opnemen, die intusschen genoegzaam hersteld waren om het hospitaal te kunnen verlaten, en vervolgens zich bij de vloot voor Toulon gaan voegen. Jack was buiten zichzelven van blijdschap nu hij gelegenheid zou krijgen om Agnes en haar broeders weer te ontmoeten.
Opnieuw verliet de Aurora de hooge klippen van Valette en doorkliefde onder een flinke bries de donkerblauwe golven. Maar tegen den avond begon de wind weer op te steken, zoodat ze de marszeilen dubbel moesten reven. Den tweeden dag voeren ze langs de kust van Sicilë, niet ver van de plek, waar Rustig en Gascoigne aan den wal gedreven waren. Het weer was intusschen veel kalmer geworden en de zee tot bedaren gekomen. Daarom stuurden ze dicht onder de kust, wijl de wind niet gunstig was voor de vaart naar Palermo. Als gewoonlijk werden nu de kijkers naar land gericht, naar de villa’s, waarmee de heuvels en dalen bezaaid waren.
“Wat is dat, Gascoigne,” zei Rustig, “daar onder die overhellende rots?—’t lijkt wel een schip.”
Gascoigne bracht zijn kijker in de aangewezen richting.—“Ja, ’t is een schip, dat op de klippen zit: naar den voorsteven te oordeelen is ’t een galei.”
“Dat is ’t ook,” riep de uitkijk, “ik kan de roeibanken duidelijk onderscheiden.”
Dit werd aan kapitein Wilson meegedeeld, die nu zelf een onderzoek instelde.
“Ze zit op de rotsen, dat is zeker,” merkte hij op, “en ik verbeeld me ook, dat ik volk aan boord zie. Eén streek afhouden, kwartiermeester!”
De Aurora werd nu recht op het schip aangestuurd, en na een uur was ze niet meer dan een mijl er van verwijderd. Hun vermoedens waren juist geweest—’t bleek een van de Siciliaansche goevernementsgaleien te zijn, die op de klippen gesmeten was, en ze zagen nu ook, dat er menschen aan boord waren, die met stukken linnengoed seinen gaven.
“’t Zijn stellig galeislaven; want ik bemerk, dat ze geen van allen van plaats veranderen. De officieren en matrozen moeten de galei verlaten en de slaven aan hun lot overgelaten hebben.”
“Dat is wreed,” zei Jack tot Gascoigne; “de kerels waren wel tot de galeien veroordeeld, maar niet ter dood.”
“Van de golven hebben ze niet veel genade te verwachten,” Bladzijde 183antwoordde Gascoigne; “als de wind wat meer landwaarts-in omloopt, zijn ze er morgen ochtend om koud.”
Ofschoon kapitein Wilson zich niet met dit gesprek inliet, hoorde hij toch wat er gezegd werd en stemde er volkomen mee in; maar hij kon ’t met zichzelf nog niet eens worden wat hij doen moest; al die menschen ellendig laten omkomen, of zoo’n bende schurken tegen de maatschappij los te laten. Na eenige overweging besloot hij tot het laatste. De Aurora draaide bij en de twee kotters werden afgelaten en bemand.
“Meneer Rustig, neem gij in den eenen kotter de wapensmeden mee, roei naar boord van de galei, ontboei die kerels, en breng ze bij kleine afdeelingen aan land. Meneer Gascoigne, gij vergezelt meneer Rustig met den anderen kotter, en houd u gereed tot handelen, als soms de schurken onder het overbrengen een vijandelijke houding mochten aannemen; want op dankbaarheid valt bij hen niet te rekenen.”
Ingevolge die bevelen, zetten onze beide adelborsten van boord af. Zij vonden de galei tusschen de rotsen geklemd, terwijl er een gat in de kiel gestooten was, en, zooals zij reeds vermoed hadden, was de kommandant met de bemanning in de booten gegaan en had de slaven aan hun lot overgelaten.
“Viva los Inglesos!” riepen de kerels, toen Rustig bij hen aan boord klom.
“Wel, Ned, heb je ooit zoo’n kostelijk zoodje schurken bijeen gezien?” merkte Rustig op, toen hij zijn oog had laten gaan over de tronies der geketenden.
“Neen,” antwoordde Gascoigne; “en, me dunkt, de kapitein zou, als hij hier eerst een kijkje had genomen, zich wel tweemaal bedenken, eer hij die bende losliet.”
“Wel mogelijk—maar wij hebben bepaalde bevelen. Sla al de sloten los, smid, van achteren te beginnen; zoodra we een lading hebben, zetten we die aan wal.”
“Hoeveel zijn er?—twaalf dozijn.—Twaalf dozijn boosdoeners los te laten tegen de maatschappij! Ik heb heel veel lust eerst nog eens naar boord terug te keeren, om er den kapitein over te spreken—honderd vier en veertig onverlaten, die allen gehangen dienden te worden—want verdrinken is nog te goed voor hen.”
“We hebben order gekregen hen te bevrijden, Jack.”
“Jawel; maar ik zou er toch eerst wel eens met kapitein Wilson over willen redeneeren.”
“Ze zullen hen gauw genoeg achter de vodden zitten, Jack, en in een ommezien zijn ze allen weer ingepikt,” hernam Gascoigne. Bladzijde 184
“Nu, dan moeten we maar aan de orders gehoorzamen; maar ’t stuit me toch tegen de borst. Sla los, smid!”
De wapensmid, die evenals de matrozen het met Jack eens scheen te zijn en nog niet aan het werk gegaan was, begon nu met zijn hamer de sloten één voor één los te slaan. Telkens als er een slaaf ontboeid was, moest hij in den kotter; zoodra die voldoende aangeladen was, voer Jack af, gevolgd door Gascoigne met zijn manschappen, en zette de kerels op ongeveer een kabellengte afstand aan wal.
Ze moesten zes gangen maken eer allen aan land waren. Toen de laatste vracht was afgezet en Jack juist bevel wilde geven om weer van wal te steken, keerde een der galeiboeven zich om en riep Jack op spottenden toon toe: “Addio, signor, tot weerziens!” Jack keek verbaasd op en herkende nu in het morsige, halfnaakte wezen, dat hem toesprak, Don Silvio!
“Ik zal Don Rebiera vast van uw komst verwittigen, Signor!” riep de ellendeling, sprong op de klippen en mengde zich onder de overigen, die nu hun redders begonnen uit te jouwen en uit te lachen.
“Ned,” zei Rustig tot Gascoigne, “daar hebben we dien schurk ook losgelaten.”
“Jammer genoeg,” antwoordde Gascoigne; “maar wat konden wij er aan doen? We hebben eenvoudig de gegeven orders uitgevoerd.”
“Ik zal er toch met den kapitein over spreken, zoodra we weer aan boord zijn,” hernam Jack.
“Te laat, vriend.”
“Je heb gelijk,” zuchtte Jack met een uitdrukking van wanhoop op het gelaat.
“Zet aan, jongens, zet aan!”
Jack keerde aan boord terug en rapporteerde wat hij gedaan had; ook dat Don Silvio onder de bevrijden behoorde. Hij nam tevens de gelegenheid te baat om zijn bezorgdheid daarover te kennen te geven, wegens de nabijheid van Don Rebiera’s woning. Kapitein Wilson beet zich op de lippen; hij zag in, dat zijn menschlievendheid hem zijn gewone voorzichtigheid uit het oog had doen verliezen.
“Ik heb, vrees ik, een overijlden stap gedaan, meneer Rustig. Ik had de kerels aan boord moeten nemen en aan de overheid in handen leveren. Had ik daar maar eer aan gedacht! We moeten zoo spoedig mogelijk naar Palermo stevenen en zorgen, dat de schurken met een afdeeling soldaten worden nagezet. Klaar om te wenden, volbrassen de groote ra!”
Reeds de volgenden morgen ankerden wij voor Palermo, gaven van het gebeurde kennis aan de overheid, die kapitein Wilson’s Bladzijde 185misplaatste menschlievendheid naar den duivel wenschte, maar toch onmiddelijk een sterke troepenmacht afzond, om de losgelaten boosdoeners op te sporen. Kapitein Wilson, die Jack’s bezorgdheid over zijn vrienden ten volle begreep, riep hem bij zich aan dek, en gaf hem en Gascoigne verlof om aan wal te gaan.
“Zou u me willen toestaan, Mesty mee te nemen, meneer?” vroeg Jack.
“Jawel, meneer Rustig; maar bedenk dat ge, zelfs met Mesty bij u, geen partij zijt voor een honderd en vijftig man; wees dus voorzichtig. Ik laat u gaan om uw bezorgheid wat te doen verminderen, maar niet opdat ge u in gevaar zoudt begeven.”
“Natuurlijk, meneer,” antwoordde Jack, sloeg aan en verwijderde zich heel bedaard. Zoodra hij echter bij het luik gekomen was, schoot hij ijlings naar beneden en ging onmiddellijk toebereidselen maken voor zijn vertrek.
Een half uur later waren onze beide adelborsten en Mesty reeds aan wal en begaven zich naar het logement, waar zij ook vroeger hun intrek hadden genomen. Hun eerste vraag was naar Don Philip en diens broeder.
“Beiden met verlof,” antwoordde de herbergier; “ze logeeren bij Don Rebiera.”
“Dat is ten minste één geluk,” dacht Jack. “We moeten zoo spoedig mogelijk er heen.”
Weldra was er voor paarden en voor een gids gezorgd en om acht uur in den morgen begaven ze zich op weg in de richting van Don Rebiera’s landhoeve.
Zij hadden nog geen zes mijlen afgelegd, toen ze een van de detachementen ontmoetten, die ter vervolging van de losgelaten boeven waren afgezonden. Onze held herkende in den bevelvoerenden officier een oude kennis, deelde hem mee, dat ook Don Silvio op vrije voeten was en verzocht hem zijn richting te nemen naar het verblijf van Don Rebiera, wien stellig gevaar dreigde.
“Gij hebt gelijk, Signor,” antwoordde de officier; “ik geloof anders, dat Don Philip er is en ook zijn broeder. Maar in elk geval zal ik er morgenochtend tegen tien uur wezen; we zullen den ganschen nacht doormarcheeren.”
“Wapens hebben ze niet,” merkte Rustig op.
“Neen maar die zullen ze spoedig weten te krijgen; zij zullen de een of andere kleine stad plunderen en dan hun toevlucht zoeken in het gebergte. Uw kapitein heeft ons een mooi koopje bezorgd.”
Jack wisselde nog een paar woorden met den officier en gaf vervolgens zijn paard de sporen om zich weer bij zijn gezelschap te voegen. Bladzijde 186
Tegen vijf uur in de namiddag bereikten zij het verblijf van Don Rebiera. Jack wipte uit den zadel en snelde, gevolgd door Gascoigne, naar binnen. Zij vonden het heele gezin in de ruime huiskamer bijeen, volkomen onbewust van het gevaar dat hen dreigde en tegelijkertijd verbaasd en verheugd over de komst hunner oude vrienden. Jack draalde niet lang met de reden van zijn overhaaste verschijning te melden.
“Don Silvio met honderd vijftig galeiboeven gisternamiddag op de kust losgelaten!” riep Don Rebiera uit; “gij hebt gelijk, ’t is wonder dat ze niet reeds den vorigen nacht hier zijn gekomen. Maar ik verwacht elk oogenblik Pedro terug, die met een lading wijn naar de stad is; hij zal ons wel nadere tijding brengen.”
“In elk geval moeten we ons op een aanval voorbereiden,” zei Don Philip; “zooals gij zegt, zullen de troepen morgenochtend hier zijn.”
“Hoeveel man kunnen we bijeenbrengen?” vroeg Gascoigne.
“Wij hebben hier vijf flinke kerels,” antwoordde Don Philip, “en dan mijn vader, mijn broeder en ik zelf.”
“Wij zijn met ons drieën; of er op den gids te rekenen valt, weet ik niet.”
“Dus alles bijeen twaalf man—dat is niet te veel; maar nu we voorbereid zijn, zullen we, dunkt me, den aanval wel kunnen weerstaan tot aan den morgen.”
“Zouden we de dames niet liever wegbrengen?” opperde Jack.
“En wie zou ze geleiden?” bracht Don Philip daar tegen in; “we zouden alleen onze krachten versnipperen en bovendien zouden ze in handen der schurken kunnen vallen.”
“Als we eens allen gezamenlijk het huis verlieten?” gaf Don Rebiera in bedenking; “ze kunnen niet meer doen dan de woning plunderen.”
“Maar we zouden door hen opgevangen kunnen worden, en tegen zulk een overmacht beteekent ons aantal niets,” merkte Don Philip op. “Hier hebben we ten minste het voordeel, dat het huis zelf als middel van bescherming dient.”
“Dat is waar,” antwoordde Don Rebiera, “laten we ons derhalve toerusten, want reken er maar op, dat Don Silvio zulk een mooie gelegenheid om wraak te oefenen niet zal laten voorbijgaan. Hij zal nog hedennacht hier zijn; het verwondert me zelfs, dat hij niet reeds met zijn bende gekomen is.”
“Nu dienen we na te gaan wat voor middelen tot verdediging we hebben,” zei Philip. “Kom, broeder; gaan de heeren ook mee?”
Jack liet de anderen vast voorgaan en nam de gelegenheid waar, om in der haast eenige woorden met Agnes te wisselen, maar het Bladzijde 187gevaar, dat allen te duchten stond, gunde hem geen rust en spoedig had hij zich weer bij de overigen gevoegd.
“Wij hebben genoeg wapens,” merkte Don Philip op, “om al onze mannen behoorlijk te voorzien.”
“En wij zijn ook goed toegerust,” verklaarde Jack, die zich weer van Agnes verwijderd had. “Wat zijn nu uw plannen?”
“Dat moeten we nog eens zamen overleggen. Het schijnt ———” doch op dit oogenblik werd het gesprek plotseling gestoord door Pedro, die met zijn roode muts in de hand kwam binnenstuiven.
“Hoe nu, Pedro, al zoo vroeg terug?”
“O signor!” riep de man klagend uit—“ze hebben mijn wagen en wijn afgenomen en zijn er mee de bergen ingetrokken.”
“Wie?” vroeg Don Rebiera.
“De losgelaten galeiboeven. De schurken hebben al heel wat kwaad uitgericht—ze hebben in de huizen ingebroken en alles weggeroofd—verscheiden menschen vermoord—de beste kleeren, die ze vonden aangetrokken—wat er aan wapens, mondvoorraad en wijn bijeen te krijgen was, ingepalmd en zijn er mee in het gebergte gevlucht. Dit is in den afgeloopen nacht gebeurd. Toen ik nog ongeveer een mijl van de stad was, hebben ze mij met mijn geladen kar overvallen, de ossen doen omkeeren en ze mee weggedreven. De kerels zijn met bloed bemorst, maar ’t is niet allemaal menschenbloed, want ze hebben eenige van de geroofde ossen geslacht, zooals een herder mij vertelde, maar de man maakte in zijn angst zoo’n haast om weg te komen, dat ik niets anders van hem te weten kwam. Ach, signor, ik heb ze uw naam ook hooren noemers.”
“Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” antwoordde Don Rebiera. “Wat den wijn aangaat, ik hoop maar dat ze er van avond te veel van zullen drinken. Maar Pedro, ze komen stellig hierheen, we moeten ons dus verdedigen—roep jij de anderen eens hier; ik moet ze spreken.”
“Ach, ach, we zullen onze ossen nooit terugzien!” riep Pedro klagend uit.
“Neen, maar we zullen ook elkander niet lang meer zien, als we niet terdege op onze hoede zijn. Er is mij meegedeeld, dat ze nog hedennacht hier zullen komen.”
“Bij alle heiligen! en ze zijn wel duizend man sterk, wordt er gezegd.”
“Nu, zoo groot is hun getal niet, zoover ik weet,” merkte Jack op.
“Er moeten er heel wat gedood zijn bij hun aanval op de stad.” Bladzijde 188
“Des te beter. Kom, ga nu, Pedro, drink een glas wijn, en roep dan de anderen.”
Het huis werd zoo goed mogelijk gebarricadeerd; de eerste verdieping werd tot een vesting gemaakt door de toegangen met kisten en kasten te versperren. De bovenverdieping brachten ze op dezelfde manier in staat van verdediging, opdat ze daarheen zouden kunnen terugtrekken, als soms de benedendeuren werden stuk gerammeid.
Het werd acht uur in den avond eer alles klaar was, en ze waren nog bezig met er de laatste hand aan te leggen, onder opperleiding van Mesty, die in dat werk van groote bedrevenheid blijk gaf, toen zij het geluid hoorden van een naderende menigte. Ze keken uit een der vensters, en zagen het geheele huis omringd door slaven, op het oog ongeveer honderd in getal. Allen waren op de meest grillige manier gekleed en hadden blijkbaar maar aangetrokken wat hun voor de hand was gekomen: sommigen hadden vuurwapens, maar de meesten waren enkel voorzien van sabels en messen. Een gansche stoet van geroofde dingen volgde hen: karren met allerlei soort van levensmiddelen en wijn; zeilen van schepen en sloepen, die in de bergen tot dekking moesten dienen, hooi en stroo en matrassen. Ook hadden ze een menigte van allerlei vee bij zich. Zij schenen te staan onder een leider, die juist bezig was zijn bevelen uit te deelen, en in wien Jack spoedig Don Silvio herkende.
“Massa Rustig, wijs me alsjeblieft dien man eens,” zei Mesty, “opdat ik hem goed ken.”
“Zie je daar niet iemand met een geweer in zijn hand voor het front van die kerels heen en weer loopen? Dat is Don Silvio. Hij heeft een buis met zilveren knoopen en een witte broek aan.”
“Jawel, Massa Rustig, ik zie hem—laat ik hem nog eens goed opnemen—ziezoo, nu is ’t genoeg.”
De galeiboeven schenen er vooral op uit, het huis zoo te omsingelen, dat er niemand uit kon ontsnappen, en Don Silvio wees ieder zijn plaats aan.
“Ned,” zei Jack, “laten we hem toonen dat wij hier zijn. Hij zei immers, dat hij Don Rebiera van onze komst zou verwittigen—nu moeten we hem het bewijs leveren, dat hij te laat komt.”
“Dat is geen kwaad idee,” antwoordde Gascoigne; “als soms die kerels nog voor eenig gevoel van dankbaarheid vatbaar mochten zijn, zouden misschien sommigen hunner terugdeinzen voor een aanval op degenen, die hen gered hebben.”
“Daar is geen denken aan; maar zij zullen er uit merken, dat er meer in huis zijn dan zij vermoeden; en we kunnen mogelijk Bladzijde 189enkelen schrik aanjagen door de mededeeling, dat de soldaten elk oogenblik kunnen komen.”
Jack wierp onmiddellijk een venster open, en riep met luide stem naar buiten: “Don Silvio! galeiboef! Don Silvio!”
De toegeroepene keerde zich om en zag opeens Jack, Gascoigne en Mesty voor het venster van de bovenverdieping staan.
“Wij hebben u de moeite van ons aan te melden bespaard,” riep Gascoigne. “Wij zijn hier om u te ontvangen.”
“En binnen drie uren zullen de troepen ook hier zijn; haast je dus maar wat, Don Silvio”, voegde Jack er bij.
“Tot weerzien!” vervolgde Gascoigne, en vuurde zijn pistool op Don Silvio af.
Het venster werd onmiddelijk daarop weer gesloten. De verschijning van onze helden en hun aankondiging van de spoedig te verwachten troepen, bleef niet zonder gevolg. De misdadigers beefden bij de gedachte daaraan; Don Silvio werd compleet dol—hij betoogde aan zijn bende de noodzakelijkheid van een onmiddellijken aanval—het onwaarschijnlijke dat de troepen al zoo spoedig zouden komen, en gaf hoog op van de schatten, die in Don Rebiera’s woning te vinden moesten zijn. Dit laatste vooral gaf hun weer moed en zij stormden op de deuren los, die zij trachtten open te loopen; doch dit gelukte niet en verscheidenen hunner vielen onder de schoten, door de bezetting van het huis gelost. Na een half uur zagen zij het wanhopige van hun pogen in en trokken af, maar keerden weldra terug met een langen boom door zestig man gedragen, om daarmee de deur open te rammeien. Hiertegen bleek deze niet bestand en vloog al gauw uit de hengsels, zoodat er nu een toegang gemaakt was. Intusschen was het donker geworden, de benedenverdieping werd prijs gegeven, maar de versperringen boven aan de trap beletten de onverlaten verder door de dringen. De verdedigers hadden behoorlijk schietgaten gemaakt, waardoor ze nu een geregeld vuur openden tegen de aanvallers, die niet in staat waren dat te beantwoorden. Zelfs al hadden ze ammunitie gehad voor hun geweren, wat gelukkig niet het geval was, zou het hun toch onmogelijk geweest zijn. Het gevecht werd nu hevig, en gedurende het verloop van twee uren werden de galeislaven herhaaldelijk met groot verlies teruggedreven; maar aangemoedigd door Don Silvio en opgewekt door bekers wijn, hernieuwden zij telkens den aanval en wisten langzamerhand veel van wat hen belemmerde, uit den weg te ruimen.
“We zullen moeten terugtrekken,” riep Don Rebiera uit; “over een poos hebben ze alles neergerukt. Wat dunkt u er van, signor Rustig?” Bladzijde 190
“Dat we zoo lang mogelijk moeten standhouden. Hoe is ’t met de ammunitie gesteld?”
“Die hebben we nog in overvloed—we kunnen er stellig nog zes uren mee toe, zou ik denken.”
“Wat zeg jij er van, Mesty?”
“Hier blijven, zeg ik. Vuurwapens hebben zij niet—en zoo dicht als ze nu bij ons zijn, is elk van onze schoten doodelijk.”
Dit gaf den doorslag en de verdediging werd nu nog twee uur langer volgehouden, dan anders het geval zou geweest zijn. Ook gaf het een niet onwelkome verademing, dat de misdadigers naar de overdekte karren terugtrokken.
Ten slotte bleek de barricade niet langer houdbaar, want de zware stukken huisraad, die zij als versperring opeengestapeld hadden, waren kort en klein gestooten met de als stormrammen gebruikte palen. Er werd dus tot terugtrekking besloten; allen haastten zich naar de volgende verdieping, waar de dames al gebracht waren, en spoedig hadden de galeislaven de eerste verdieping vermeesterd. Ze waren geprikkeld door den weerstand, opgewonden door wijn en overwinning, maar vonden niets.
Nu begon de aanval op de tweede verdieping; maar daar de trap hier nauwer was en de verdediging er van naar verhouding des te gemakkelijker, duurde het geruimen tijd eer ze een voet breed wonnen, terwijl verscheidenen hunner gewond raakten en naar beneden gedragen moesten worden.
De duisternis van den nacht belette beide partijen iets nauwkeurig te onderscheiden en dit was het meest in het voordeel der aanvallers. Verscheidenen klommen over de verschansing van opeengestapeld huisraad, en werden gedood zoodra zij zich aan den anderen kant vertoonden; ja, er werd op het laatst nog enkel geschoten op degenen, die dergelijke gewaagde pogingen deden. Langer dan vier uren werden aanval en verdediging op die wijze voorgezet, tot het daglicht aanbrak en het plan van aanval gewijzigd werd: zij brachten weer palen aan, rammeiden de stukken huisraad aan gruizelementen en wonnen grond. De verdedigers waren doodaf, maar gaven het niet op; zij wisten dat hun eigen behoud en de levens dergenen, die hun het dierbaarst waren, op het spel stonden en verslapten dus niet in hun hardnekkigen weerstand. Toch kregen de misdadigers, met Silvio aan hun hoofd, meer en meer voet, de afstand tusschen de beide partijen werd hand over hand geringer; er was nog maar één groote kleerkast die hen scheidde en daaroverheen werden aanhoudend slagen met lange stokken en sabels uitgedeeld, beantwoord met pistoolkogels. Bladzijde 191
“We moeten nu vechten op leven en dood,” riep Gascoigne Rustig toe, “er schiet geen andere keus over.”
“Maar we kunnen toch nog naar den zolder en daar vechten,” antwoordde Jack.
“Wel dat is goed bedacht, Jack,” zei Gascoigne. “Mesty, gauw naar boven om te zien of er gelegenheid is in geval van nood daarheen terug te trekken.”
Mesty haastte zich te gehoorzamen en kwam weldra terug met het bericht, dat ze door een valdeur op zolder konden komen en de ladder achter zich optrekken.
“Dan kunnen we hen nog uitlachen,” riep Jack. “Mesty, blijf jij hier, terwijl Gascoigne en ik de dames naar boven helpen,” liet hij er op volgen en verklaarde aan de Rebiera’s wat er gebeuren moet.
Zoodra de signora en Agnes goed en wel boven waren, haastten Rustig en Gascoigne zich weer naar hun vrienden, die al meer en meer in het nauw raakten. Lang zou de trap niet meer te verdedigen zijn, vooral nu de versperringen voor het grootste gedeelte vernield waren en de aanvallers met groote steenen begonnen te werpen, waardoor twee van Don Rebiera’s bedienden en ook Don Martin getroffen en buiten gevecht gesteld werden.
“We moesten terugtrekken,” zei Gascoigne; “zijn we eenmaal op zolder, dan kunnen de steenen ons geen kwaad meer doen. Wat dunkt u, Don Philip?”
“Ik ben ’t met u eens; laten we eerst de gewonden naar boven dragen en dan zelf volgen.”
Aan dien raad werd gehoor gegeven en nauwelijks hadden ze de ladder achter zich opgetrokken, of de galeiboeven, die de laatste hindernissen overgeklommen waren, stormden hen onder een luid geschreeuw na, in de meening dat ze nu zeker waren van hun prooi; maar zij vonden zich erg teleurgesteld, nu het bleek, dat de bestookten nog veiliger zaten dan te voren.
Niets kon de woede van Don Silvio zoo tot het uiterste drijven, als de hardnekkige weerstand der tegenpartij en de veiligheid van hun toevluchtsoord. Hen te bereiken was onmogelijk, derhalve besloot hij den boel in brand te steken en hen te doen stikken, als ’t niet anders kon. Hiertoe gaf hij aan zijn volgelingen de noodige bevelen, maar hij verloor daarbij de voorzichtigheid uit het oog, en toen hij zich onder de valdeur waagde, liet Mesty een der zware steenen, die hij mee naar boven genomen had, op Don Silvio’s hoofd vallen, zoodat deze onmiddellijk neerstortte. Zwaar gewond werd hij weggedragen, maar zijn gegeven bevelen werden toch ten uitvoer gebracht; de kamer was spoedig gevuld met hooi en stroo en dit in brand Bladzijde 192gestoken. De uitwerking er van liet zich weldra gevoelen: wel was de valdeur dichtgedaan, maar hitte en rook drongen door de reten; na eenigen tijd begonnen planken en balken vuur te vatten en de toestand werd allerverschrikkelijkst. Een klein dakvenster werd opengestooten en gaf althans tijdelijk eenige verademing, maar de rookkolommen werden aanhoudend dikker. Zij konden niet van zich af zien en ternauwernood ademhalen. Donna Rebiera zakte als levenloos in de armen van haar echtgenoot en Agnes in die van onzen held.
“Massa Rustig, help eens een handje—Massa Gascoigne, kom ook hier. Nu uit alle macht duwen, als we er één afkrijgen, volgen er meer.”
Op Mesty’s aanwijzing zetten Jack en Gascoigne de schouders tegen een van de benedenste leien van het dak; ze week, raakte los en schoot met veel geraas naar omlaag. De dames werden nu bij de gemaakte opening gebracht en kwamen spoedig weer bij kennis. Nu er ééne lei los was, kostte het weinig moeite er meer los te krijgen en binnen weinige minuten hadden ze gelegenheid om weer versche lucht te happen. Maar nog altijd brandde het huis beneden hen en aan ontkomen viel niet te denken. Terwijl zij hun uiterst geringe kans op behoud bespraken, dreef een windvlaag de uit het dak opstijgende rookwolken uiteen en nu zagen zij een afdeeling troepen op het huis aanrukken. Een luide kreet van blijdschap trok de aandacht der soldaten. Zij bespeurden Rustig en zijn lotgenooten; in een oogwenk hadden zij de woning omsingeld en waren er in binnengedrongen.
De galeislaven, die in huis waren, om naar de door Don Silvio voorgespiegelde schatten te zoeken, werden gevangen genomen of gedood en binnen vijf minuten waren de troepen meester. De moeilijkheid was nu, hoe de menschen boven te redden. Ladders, die zoo hoog reikten, waren er niet. De kommandant gaf van beneden allerlei teekens om te vragen wat hij doen moest.
“Ik zie geen uitkomst,” zei Don Philip met een zucht. “Wat te doen?”
“Ik weet ’t niet,” antwoordde Jack. “Als we nog maar touwen hadden.”
“Is ’t zeker, Massa Rustig, dat al die boeven beneden weg zijn?” vroeg Mesty.
“Ja,” antwoordde Rustig, “kijk maar; ze liggen daar allen gekneveld onder bewaking der soldaten.”
“Dan is ’t hoog tijd dat we wegkomen.”
“Dat vind ik ook, Mesty; maar hoe?”
“Hoe? Wacht maar. Help eens, Massa Rustig; deze plank van den vloer ligt los; komaan, allen geholpen.” Bladzijde 193
Met vereende krachten werd de plank losgerukt.
“Nu er als de drommel op losgebeukt en een gat in het plafond gestooten,” zei Mesty, die er al vast mee begon.
Binnen weinige oogenblikken hadden ze een opening boven een der kamers, die nog niet door het vuur was aangetast, en Mesty liet er gauw de ladder door zakken. Allen kwamen behouden naar omlaag en traden, tot verbazing van den kommandant der troepen, ongedeerd de huisdeur uit.
Met een luid hoera werden zij ontvangen, en nu er geen menschenlevens meer te redden vielen, werden alle krachten ingespannen om de vlammen te blusschen, maar tevergeefs. Het geheele huis brandde uit en slechts weinig van het huisraad bleef behouden; trouwens het meeste daarvan was bij de bestorming door Don Silvio en de zijnen toch al vernield.
Nadat aan Pedro en de overige bedienden orders waren gegeven om al het door de misdadigers bijeengestolene weer aan de rechtmatige eigenaars terug te bezorgen, liet Don Rebiera de paarden zadelen en het heele gezelschap trok onder de hoede der troepen, die intusschen weer verkwikt en uitgerust waren, den weg op naar Palermo. De galeislaven volgden geboeid en aan elkaar gekneveld in een lange dubbele rij onder flinke bewaking.
Halverwege maakten zij halt, en sloegen voor den nacht hun bivouack op. Den volgenden dag, tegen den middag zaten Don Rebiera en zijn gezin alweer in hun paleis en onze beide adelborsten en Mesty namen afscheid om zich weer naar boord te begeven.
Jack bracht bij kapitein Wilson zijn rapport uit en begaf zich daarop naar beneden, heel blij dat alles zoo goed afgeloopen was en ook dat hij bij zijn terugkeer op Malta weer een verhaal in petto had voor den gouverneur.
Drie weken lang bleef de Aurora te Palermo voor anker. Intusschen werd de vervolging der galeislaven, die nog op vrije voeten waren, ijverig voortgezet en verscheidenen hunner vielen opnieuw in handen der overheid. Men kwam nu tevens te weten, dat hun aanvoerder Don Silvio gestorven was aan de gevolgen der zware verwonding, hem door Mesty’s steenworp toegebracht.
Jack maakte druk gebruik van de gelegenheid om bij de Rebiera’s bezoeken af te leggen en werd er weldra als een lid van het gezin beschouwd. Zijn verhouding tot Agnes werd steeds vertrouwelijker en eindelijk waagde hij het, bij Don Rebiera aanzoek te doen om de hand zijner dochter. De oude heer was Jack bijzonder genegen en de verplichting, die hij tegenover onzen held gevoelde, noopte hem te meer om diens verlangen in te willigen. Alvorens echter toe Bladzijde 194te slaan, bedong hij dat Jack zijn vader met zijn plannen bekend maken en zich van diens toestemming verzekeren zou.
Jack beloofde dit, en hoe prettig het leventje te Palermo ook voor hem was, nu begon hij erg naar huis te verlangen en was maar blij, toen de Aurora eindelijk het anker lichtte en naar Malta koers zette.
Reeds na een reis van vier dagen liepen zij de haven van Valette binnen en Jack was niet zoodra aan wal of hij spoedde zich naar het gouvernementsgebouw, waar Sir Thomas hem met zijn gewone hartelijkheid ontving en terstond een kamer voor hem in gereedheid liet brengen.